CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Rustoord Reuver motivering en regels

Besluitvormende raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente BeeselBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplanwijziging Rustoord Reuver23.272 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie

Uit de informatie in de mer-beoordeling blijkt het doorlopen van een mer-procedure niet noodzakelijk is.

36/120

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1

Wettelijk kader

Op het gebied van verkeer en vervoer stellen de Ow, het Bkl en de provinciale TAM-omgevingsverordening geen (instructie)regels. Verkeer en parkeren moeten bij een ruimtelijk plan dat activiteiten mogelijk maakt als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de Parkeerbijdrageregeling Beesel 2013 (vastgesteld april 2015). In de Parkeerbijdrageregeling wordt benoemd dat de parkeernormen berekend dienen te worden conform de meest recente versie van de landelijke parkeernormen van het CROW. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie tevens berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 744. Voor het plangebied wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. 4.3.2

Toetsing

Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de Rustoord ten noordwesten van het centrum van Reuver. In de huidige situatie is de locatie, deels bebouwd anderzijds braakliggend. De stedelijkheidsgraad van de gemeente Beesel is 'weinig stedelijk'. Het plangebied ligt in de bebouwde kom. Verkeersgeneratie De realisatie van de woningen zal niet of nauwelijks zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de eerdere situatie. Momenteel worden er maximaal 52 woningen mogelijk gemaakt op een locatie waar nu al minimaal 44 woningen planologisch mogelijk zijn, en voorheen aanwezig waren. Dit betekent dat het aantal woningen beperkt toeneemt. Deze zijn deels anders gelegen en van een ander type dan voorheen. Het aantal verkeersbewegingen is berekend op basis van het beoogde programma. Tabel 4.1.1 Verkeersgeneratie Categorie

Woningtype CROW 744

Aantal

Kengetal

Mvt/e

Sociale huur appartementen

Huur, appartement, sociale huur ,< 75 m2 bvo

24

4,1

98,4

Middenhuur appartementen

Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m2 bvo

12

4,1

49,2

sociale huurwoning (laag)

Huur, huis, sociale huur

16

5,6

89,6

Totaal

237,2

De totale toename van de verkeersgeneratie bedraagt afgerond 238 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Dit verkeer wordt hoofdzakelijk ontsloten op de Rustoord. Parkeren De parkeerbehoefte van toekomstige bewoners en bezoekers van de nieuwe woonlocatie dient binnen de

37/120

plangrenzen te worden opgevangen. Om de toekomstige parkeersituatie inzichtelijk te maken, is een parkeerbalans opgesteld die vervolgens is getoetst met een parkeeronderzoek. Onderstaand zijn de uitgangspunten en resultaten van de parkeerbalans opgesomd. Parkeernormen De parkeerbehoefte van het beoogde woonprogramma is berekend conform de richtlijnen zoals opgenomen in de Parkeerbijdrageregeling Beesel 2013 (vastgesteld april 2015). In de Parkeerbijdrageregeling wordt benoemd dat de parkeernormen berekend dienen te worden conform de meest recente versie van de landelijke parkeernormen van het CROW. Op het moment van schrijven is dat publicatie CROW 744 Parkeerkencijfers 2024. Daarbij is benoemd dat stedelijk'. Tabel 4.1.2 Parkeerbehoefte Categorie

Woningtype CROW 744

Aantal

Norm

pp

Sociale huur appartementen (studenten/jongeren)

Huur, appartement, sociale huur ,< 75 m2 bvo

24

0,4

9,6

Middenhuur appartementen

Huur, appartement, vrije sector, 75 -100 m2 bvo

12

1,1

13,2

sociale huurwoning (laag)

Huur, huis, sociale huur

16

1,3

20,8

52

0,3

15,6

bezoekers Totaal

59,2

De totale normatieve parkeerbehoefte bedraagt afgerond 59 parkeerplaatsen. Dit betreft de parkeerbehoefte voor zowel bewoners als bezoekers. In de huidige situatie wordt daarnaast op en nabij de locatie geparkeerd door bezoekers van de detailhandel in het centrum van Reuver. Dit levert een aanvullende maximale parkeerbehoefte van 36 parkeerplaatsen op. Deze functies vragen echter niet allen gelijktijdig een volledige parkeerbehoefte. Op het maatgevende moment (koopavond) is deze parkeerbehoefte voor detailhandel 27 parkeerplaatsen (75%). Voor bewoners ligt de behoefte op dat moment op 80% en voor bezoekers van de woningen op 70%. Binnen het plangebied worden 59 parkeerplaatsen gerealiseerd. In de openbare ruimte worden twee parkeervelden met respectievelijk 18 en 15 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast worden aan de Rustoord 20 langsparkeerplaatsen gerealiseerd, verdeeld over een strook van 8 en van 12. Ook aan de Prinses Irenestraat komen 6 langsparkeerplaatsen. In totaal komen met de planontwikkeling 10 parkeerplaatsen op de hoek Rustoord - Prinses Irenestraat te vervallen. Daarnaast vervalt de bestaande parkeerstrook met 11 parkeerplaatsen langs de Karel Doormanlaan om een groene entree van het plangebied te kunnen realiseren. De normatieve parkeerbehoefte van het plan Rustoord bedraagt 59 parkeerplaatsen, zie tabel 4.1.2.

De meerderheid van het parkeren detailhandel centrum kan geplaatst worden bij het langparkeren elders in de kern (o.a. nabij Spoorlijn), hetgeen bevestigt wordt in het onderzoek Verkeer en parkeren van Kragten (BSL082 van 6-9-2024). Aldus is het mogelijk binnen het plan Rustoord 59 parkeerplaatsen direct uit te voeren. Met de realisatie van in totaal 59 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van het planvoornemen.

38/120

4.3.3

Conclusie

De ontwikkeling wordt in de toekomst ontsloten via de Rustoord. Er worden voldoende parkeerplaatsen mogelijk gemaakt in het plangebied voor auto's. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Ecologie: soortenbescherming

4.4.1

Wettelijk kader

Soortenbescherming De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). Bij een ontwikkeling is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie.

Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. 4.4.2

Toetsing

In het natuurwaarden onderzoek is onderzocht of er op de planlocatie diersoorten aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Dit onderzoek is terug te vinden in bijlage 6. De conclusie uit de quickscan luidt als volgt: Broedvogels Voor de gierzwaluw en de huismus geldt dat werkzaamheden buiten de kwetsbare periode uitgevoerd dienen worden. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is, dient aanvullend onderzoek naar deze soorten plaats te vinden.

te

Voor de algemene broedvogels en categorie 4-broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door eventuele nesten op de onderzoekslocatie buiten de broedperiode te verwijderen.

39/120

Vleermuizen Voor potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen op en grenzend aan de onderzoekslocatie dient verstoring te worden voorkomen door het beperken van nachtelijke verlichting tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Ongewervelden Op basis van onderhavige quickscan natuurwaarden dient voor uitvoering van de plannen middels een aanvullend onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van het plangebied voor teunisbloempijlstaart. Het onderzoek naar de teunisbloempijlstaart kan pas in de zomer van 2025 plaatsvinden. Indien compensatiemaatregelen noodzakelijk is, is het van belang dat er in de directe omgeving alternatief leefgebied aanwezig is. Er moet dus gezorgd worden dat geschikte waardplanten (teunisbloem, kattenstaart etc.) in de buurt aanwezig zijn in de toekomstige situatie. De locatie beschikt over voldoende ruimte voor het nemen van compensatiemaatregelen. Specifieke zorgplicht Ten aanzien van dagvlinders uit de Rode lijst dient de kruidige beplanting buiten de kwetsbare periode te worden verwijderd en dient in de toekomstige situatie weer geschikt habitat met waardplanten voor deze soorten aanwezig te zijn.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht. Er dient buiten kwetsbare periodes gewerkt te worden en dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 4.4.3

Conclusie

Het is noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart. De locatie beschikt over voldoende ruimte voor het nemen van compensatiemaatregelen indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. Derhalve vormt de ontwikkeling geen belemmering voor beschermde soorten.

4.5

Ecologie: gebiedsbescherming

4.5.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebiedsen soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.

40/120

Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Ow legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden (bos) Mocht de wijziging van het omgevingsplan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. 4.5.2

Toetsing

Natura 2000-gebieden Als er sprake is van een ligging in Natura 2000-gebied geldt artikel 8.74b uit het Bkl. Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied in Nederland betreft Swalmdal op circa 5,3 kilometer (zie figuur 5.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 200 meter (zie figuur 5.3).

41/120

Figuur 5.1 Ligging plangebied (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator) Natuurnetwerk Nederland Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland ligt ten noorden van de ontwikkelingslocatie op circa 130 meter. Vanwege deze afstanden zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten.

Figuur 5.2 Natuurbeheerplan voorjaar 2024 (bron: Provincie Limburg)

42/120

Figuur 5.3: Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van de ontwikkelingslocatie (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 2, de berekeningen zijn te vinden in bijlagen 3 en 4. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Op basis van de berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. Houtopstanden De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom.

Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Met het planvoornemen verdwijnen geen bomen. De kapverordening is dan ook niet van toepassing. 4.5.3

Conclusie

Ten aanzien van Natura 2000-gebieden is een stikstofonderzoek uitgevoerd en daar worden negatieve effecten uitgesloten. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het beoogde plan.

43/120

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Wettelijk kader

Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze activiteit alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het Bkl bevat omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide, lood, en fijn stof (PM10 en PM2,5) (artikel 2.3 t/m 2.6 Bkl). Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

De omgevingswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.6.1

Omgevingswaarden stikstofdioxide en fijn stof

stof

toetsing van

omgevingswaarden

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

Bestuursorganen kunnen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. "Niet in betekenende mate"(nibm) Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Het gaat onder andere om het toelaten van: gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van: 1. ten hoogste 100.000 m² bij één ontsluitingsweg; en 2. ten hoogste 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

44/120

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.6.2

Toetsing

De gemeente Beesel is geen aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Daarnaast betreft de ontwikkeling maximaal 52 woningen en is daarmee 'niet in betekenende mate'. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Wel dient onderzocht te worden of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de ontwikkelingslocatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2023. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijksweg, zie figuur 4.6.1, ten zuidoosten van het plangebied. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen: 13,7 µg/m³ voor NO2, 15,3 µg/m³ voor PM10 en 8,6 µg/m³ voor PM2,5. Het totaal aantal overschrijdingsdagen van PM10 was 6 dagen. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden.

Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het plangebied toe te kennen.

Figuur 4.6.1 Uitsnede CIMLK (Bron: Rijksoverheid) 4.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie. Ter plaatse van de ontwikkelingslocatie is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

45/120

4.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

4.7.1

Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. Geluid kan afkomstig zijn van (spoor)wegen, industrieterreinen en andere activiteiten. In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. In de volgende paragraaf (4.8) komt geluid vanwege activiteiten aan bod. In een omgevingsplan of bij het toepassen van een omgevingsplanactiviteit moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens artikel 5.78t van het Bkl. Het geluid mag hoger zijn dan de standaardwaarde als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen en de overschrijding van de standaardwaarden zoveel mogelijk wordt beperkt. Tabel 4.7.1

De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij de omliggende wegen. Dit is het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. 4.7.2

Toetsing

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidaandachtsgebieden van de wegen Rustoord, Karel Doormanlaan, Prinses Irenelaan, Parklaan, Bosdaellaan en Pastoor Rijnderslaan. Met de ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Vanwege de ligging van deze geluidgevoelige gebouwen ten opzichte van omliggende wegen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 5. Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 6 dB overschrijdt. De grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden.

46/120

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de standaardwaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de standaardwaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Aangezien voor onderhavige woningen en appartementen de standaardwaarde wordt overschreden dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. In het geluidbeleid van de gemeente Beesel is geen ontheffingenbeleid met aanvullende voorwaarden opgenomen. Uit de rekenresultaten in bijlage 5, blijkt dat voor alle bouwblokken geldt dat deze de beschikking hebben over ten minste een gevel waarvoor de geluidbelasting de standaardwaarde niet overschrijdt. Derhalve beschikken alle woningen binnen onderhavig plan over een geluidluwe gevel.

In het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt geadviseerd dat er bij de indeling van de woningen rekening wordt gehouden dat de verblijfsruimten met te openen geveldelen en de tot de woningen behorende buitenruimten zo veel mogelijk aan de geluidluwe zijdes worden gesitueerd. Voor onderhavige woningen bedraagt het gezamenlijk geluid meer dan 53 dB. Middels een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. 4.7.3

Conclusie

De streefwaarde van 53 dB wordt overschreden op de gevels gelegen aan de Parklaan. Middels maatregelen en aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat aan de nieuwbouweis kan worden voldaan.

4.8

Geluid door activiteiten

4.8.1

Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. In deze paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod. Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid word gelaten.

47/120

Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. 4.8.2

Toetsing

Het project voorziet in de realisatie van 52 nieuwe woningen ter vervanging van bestaande woningen. Woningen zijn geluidgevoelige objecten. Met dit project worden géén geluidbelastende activiteiten met gebruiksruimte mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in het centrum van Reuver en heeft daarvoor verschillende activiteiten met geluid in het omliggende gebied. Dit betreffen onder andere maatschappelijke functies, passend in een woonomgeving, en centrumfuncties nabij de Rijksweg. De locatie is grotendeels al aangewezen voor de functie wonen. De functie woning is daarmee reeds maatgevend voor eventuele bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De omliggende bedrijven worden daarom al belemmerd in hun bedrijfsvoering en ter plaatse van de beoogde woningen moet er al worden voldaan aan de standaardwaarden. De nieuwe woningen worden niet in de nabijheid van activiteiten gerealiseerd die geluidhinder kunnen veroorzaken. 4.8.3

Conclusie

Er is geen sprake van geluidhinder door activiteiten op de geluidgevoelige woningen. Dit omgevingsaspect vormt daarmee géén belemmering voor het voornemen op de ontwikkelingslocatie.

4.9

Geur

4.9.1

Wettelijk kader

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente

48/120

gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 4.9.2

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het plan woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het plangebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Geurbelasting agrarische bedrijven In de bruidsschat (regels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Ow automatisch toevoegt aan elk gemeentelijk omgevingsplan) zijn bepalingen over geur van veehouderijen opgenomen die in ieder geval in acht moeten worden genomen, tenzij de gemeente over een geurverordening (eveneens deel van het omgevingsplan) beschikt. Gemeente Beesel beschikt over een geurverordening, geldend vanaf 20 november 2008. Het plangebied ligt niet binnen het in de geurverordening aangewezen gebied Wederikstraat. Voor de rest van het grondgebied van de gemeente Beesel gelden de waarden van artikel 3 lid 1 van de toen geldende Wet milieubeheer. De ontwikkelingslocatie ligt ook op ruime afstand van een agrarisch bedrijf met vee.

Hieronder volgen de kortste afstanden tot agrarische bedrijven met vee: vleesvee: Kesselseweg 36 Reuver(1,01 kilometer van de ontwikkelingslocatie); melkrundvee: Bergerhofweg 15 Reuver (1,32 kilometer van de ontwikkelingslocatie); melkrundvee: Krommenhoek 2 Reuver (1,46 kilometer van de ontwikkelingslocatie); paarden: Scheiweg 1 Reuver (980 meter van de ontwikkelingslocatie); paarden: Bergerhofweg 2 Reuver (920 meter van de ontwikkelingslocatie); paarden: Beeselseweg 17 Reuver (1,28 kilometer van de ontwikkelingslocatie); paarden: Industriestraat 94A Reuver (1,70 kilometer van de ontwikkelingslocatie); biggen: Scheiweg 3 Reuver (985 meter van de ontwikkelingslocatie); vleesvarkens: Beeselseweg 40 Beesel (1,12 kilometer van de ontwikkelingslocatie).

49/120

Figuur 4.9.1: agrarische activiteiten ten opzichte van de ontwikkelingslocatie In artikel 22.3.12 van de bruidsschat is bepaald dat tussen een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een veehouderij met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet geen geuremissiefactor geldt (zoals melkvee en paarden), een vaste afstand van 100 meter moet worden aangehouden. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Voor veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet wel een geuremissiefactor is vastgesteld gelden volgens artikel 22.3.10 van de bruidsschat geen vaste afstanden maar waarden (ouE/m³ als 98-percentiel). De geurbelasting van een dergelijke veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij en binnen de bebouwde kom, mag maximaal 3 ouE/m³ bedragen. Gelet op de bovengenoemde afstanden tot veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld (o.a. kippen, varkens, geiten en vleesrundvee) is geurhinder vanwege een individuele veehouderij niet te verwachten. Aangezien binnen 2 kilometer slechts 2 veehouderijen met varkens en 1 met vleesvee bevindt, valt geurhinder binnen de ontwikkelingslocatie niet te verwachten.

Naast geur afkomstig van landbouwdieren zelf (stallen) kan geur ook voortkomen uit andere agrarische activiteiten, zoals bij het telen van gewassen in de open lucht of in gebouwen, het opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voer- en werktuigen, het exploiteren van een veehouderij (bijv. opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen), en het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantmateriaal. Voor deze activiteiten geldt volgens paragraaf 5.1.4.6.4. van het Bkl een vaste afstand van veelal 100 meter in geval het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwingscontour geur (wat ongeveer overeenkomt met de bebouwde kom). Voor sommige activiteiten (bijvoorbeeld het niet afgedekt opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, of opslag van mest in een mestbassin tot 350 m²) is een afstand van 50 meter voldoende. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

50/120

Geur van overige activiteiten Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. In de directe omgeving van het plangebied vinden geen activiteiten plaats die geur veroorzaken en daarmee kunnen leiden tot geurhinder op de beoogde geurgevoelige woningen. 4.9.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. In de omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten die tot geurhinder leiden. Dit omgevingsaspect vormt daarmee géén belemmering voor het voornemen op de ontwikkelingslocatie.

4.10 Omgevingsveiligheid 4.10.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl, deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl).

Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico In artikel 5.12 in het Bkl zijn er brand- explosie en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico, deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

51/120

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 4.10.2 Toetsing Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten zuiden van het plangebied ligt op een afstand van circa 250 meter een aardgasleiding. De buisleiding geeft een invloedsgebied van 95 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied.

Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Op circa 275 meter afstand is een spoor aanwezig waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zie figuur 4.10.1. Het plangebied bevindt zich niet in een PR-contour van een van het spoor. Het meest zuidelijk gedeelte van het plangebied ligt wel in het gifwolkaandachtsgebied van het spoor. In dit gedeelte van het plangebied zijn geen kwetsbare gebouwen zoals woningen beoogd. Een afweging van het groepsrisico is daarom niet nodig. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water Ten oosten van het plangebied bevindt zich de A73. Deze weg is op een afstand circa 1,6 kilometer gelegen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich op ruim 750 meter een vaarweg. Over deze weg en vaarweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied ligt niet binnen de PR-contour, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied van deze (vaar)wegen. Een afweging van het groepsrisico is daarom niet nodig.

52/120

Figuur 4.10.1 Uitsnede Signaleringskaart Externe Veiligheid met het plangebied rood omkaderd Activiteiten met gevaarlijke stoffen Behalve de hiervoor benoemde transportroutes vinden er in de omgeving van het plangebied geen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt dan ook niet binnen een aandachtsgebied. Ook hoogspanningslijnen liggen op voldoende afstand van het plangebied. 4.10.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Trilling 4.11.1 Wettelijk kader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Daarvan is vooralsnog nog geen sprake.

53/120

4.11.2 Toetsing Dit TAM-omgevingsplan maakt trillingsgevoelige gebouwen mogelijk, namelijk woningen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een spoorlijn. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Het plangebied bevindt zich op circa 275 meter van het spoor. De beoogde ontwikkeling is derhalve op voldoende afstand en er wordt geen trillingshinder verwacht. In de directe omgeving zijn er verder geen bronnen die trillinghinder zouden kunnen veroorzaken. 4.11.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is het voor het aspect trilling verantwoord om de functie wonen aan het plangebied toe te delen.

4.12 Windhinder 4.12.1 Wettelijk kader De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Bij bouwplannen met beschut liggende gebouwen met een hoogte tussen de 15 en 30 meter en voor onbeschut liggende gebouwen tot een hoogte van 30 meter wordt geadviseerd een windhinderdeskundige te laten beoordelen of een windhinderonderzoek noodzakelijk is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFD-of windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht. 4.12.2 Toetsing Het plan voorziet in het realiseren van maximaal 3 bouwlagen met een hoogte van maximaal 11 meter. Gezien de maximale bouwhoogte in voorliggend plan van 11 meter is het uitvoeren van een windhinderonderzoek niet als noodzakelijk beschouwd. 4.12.3 Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Cultureel erfgoed 4.13.1 Wettelijk kader Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

54/120

Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 4.13.2 Archeologie Het plangebied heeft in het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor een deel de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 1' (zuidelijk deel plangebied) en 'Waarde - Archeologie 2' (noordelijk deel plangebied), zie paragraaf 1.3. Vanwege de aanwezige verwachtingswaarden is archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7.

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het inventariserend veldonderzoek kan worden gesteld dat een groot deel van het plangebied is verstoord. Het aantreffen van de bodemverstoringen is niet verrassend te noemen aangezien het plangebied grotendeels bebouwd is geweest en (deels) was onderkelderd. Op basis van de verstoorde boringen, de historische bebouwing en de sloop daarvan, mag worden geconcludeerd dat het plangebied in grote mate is verstoord, en dat de delen met een intacte bodem zeer versnipperd zullen zijn. Daarnaast zal de toekomstige bebouwing plaatsvinden op de delen waar reeds bebouwing heeft gestaan, juist deze locaties zullen in grote mate worden verstoord. Op de locaties waar groenvoorzieningen worden geplaatst zullen de bodemingrepen beperkt zijn. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden en de verstoorde bodemopbouw wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden en het plangebied vrij te geven. De gemeente Beesel neemt het advies in het rapport over om het plangebied vrij te geven. Op 9 januari 2025 is het selectiebesluit genomen waarin het plangebied vrij gegeven wordt.

Conclusie Er is geen aanvullend onderzoek nodig en het aspect archeologie zal geen impact hebben op beoogde plan. 4.13.3 Cultuurhistorie en monumenten Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van provinciaal kaartmateriaal en oude topografische kaarten is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van de ontwikkelingslocatie aanwezig zijn.

55/120

Figuur 4.13.1 hieronder geeft in kaart weer wat de cultuurhistorische waarden zijn volgens de provincie Limburg. Op het plangebied geldt voor het donkerbruine vlak 'bouwland'. De locatie maakt onderdeel uit van het bebouwd gebied van Reuver en was voorheen reeds bebouwd. Ten noorden van het plangebied ligt een historische weg. Met het planvoornemen vindt geen wijziging van deze weg plaats. Rond de historische kern van Reuver en de doorlopende historische routes liggen meerdere monumenten. Dit zijn onder andere het kloostercomplex, de kerk, de begraafplaats, en monumentale bomen. De beoogde bebouwing wordt gerealiseerd op percelen waar voorheen woningen stonden. De beoogde bebouwing zorgt niet voor een afschermende werking voor bijvoorbeeld het kloostercomplex. Omdat met de planontwikkeling geen sprake is van wijziging van de hoofdinfrastructuur vindt ook geen wijziging in toegankelijkheid/bereikbaarheid van deze monumenten plaats. De aanleg van een langzaamverkeersverbinding/zichtlijn zorgt bovendien voor een verbetering van het zicht/bereikbaarheid van het centrum en de monumentale kerk. Ook worden zichtlijnen richting de begraafplaats gerealiseerd. Binnen het plangebied is geen sprake van historische bebouwing. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet van invloed op cultuurhistorische waardevolle bebouwing en objecten in de omgeving.

Figuur 4.13.1 Cultuurhistorische kaart provincie Limburg Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied.

4.14 Bodem 4.14.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op

56/120

de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 4.14.2 Toetsing Om te beoordelen of de bodem binnen het plangebied geschikt is voor de beoogde functie, wonen, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8.

Uit het onderzoek blijkt dat zintuiglijk bijmengingen zijn aangetroffen in de grond met puin, bakstenen, beton en kolengruis. Uit de resultaten blijkt dat in de bodem géén sterke verontreinigingen (interventiewaarde overschrijdingen) zijn aangetoond. Wel zijn plaatselijk licht verhoogde gehaltes voor kobalt en PAK aangetoond. In het grondwater is een overschrijding van de signaleringsparameter voor zink aangetoond. Verder is er ook een matig verhoogd gehalte aan cadmium, en licht verhoogde gehaltes barium, kobalt, nikkel en xylenen aangetoond. Uit onderzoek dat in het kader van het Grondwaterbeschermingsplan Limburg is uitgevoerd, alsmede uit de vele -Limburg veelvuldig verhoogde gehaltes aan zware metalen in het grondwater worden aangetoond zonder dat de bovenliggende bodem ter plekke verontreinigd is. Uit de analyseresultaten blijkt dat er binnen het plangebied in de puinhoudende grond geen asbest is aangetoond boven de detectiegrens van 2 mg/kg d.s. asbest. In een enkel mengmonster van de puinhoudende bovengrond nabij de parkeerplaatsen zijn twee asbestverdachte vezels aangetoond. Omdat het gehalte aan asbest ruim onder de hergebruiksnorm blijft wordt de uitvoering van een SEM-analyse op deze fractie niet zinvol geacht. Aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest zijn niet vereist. De onderzoeksresultaten vormen onderzoekslocatie.

57/120

geen

belemmering

voor

de

voorgenomen

herontwikkeling

op

de

4.14.3 Conclusie De kwaliteit van de bodem wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik van wonen.

4.15 Water 4.15.1 Wettelijk kader Een plan moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is Waterschap Limburg, zie paragraaf 3.5. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor dit TAM-omgevingsplan geldt: Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels.

Deze zijn: Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; Waterschapsbeleid Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld door het waterschap Limburg. Na de watercrisis van juli 2021 blijkt dat het klimaat sneller verandert dan verwacht. Het verder bouwen aan een klimaatrobuust watersysteem staat om deze reden centraal de komende jaren. Denk hierbij aan veilige dijken en voldoende regenwaterbuffers voor het opvangen van extreme neerslag. 4.15.2 Toetsing Het plangebied bevindt zich in het beheergebied van Waterschap Limburg. Momenteel is de locatie grotendeels onverhard. Voorheen was de locatie wel verhard met bebouwing, maar vooruitlopend op deze ontwikkeling is dit gesaneerd en nu dus onverhard. In de huidige situatie zijn de omliggende straten/paden wel verhard, voorheen wel bebouwing. In de toekomstige situatie wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd en worden nieuwe paden toegevoegd. Het TAM-omgevingsplan maakt 2.068 m2 aan (hoofd)bebouwing mogelijk. Daarnaast is 3.130 m2 aan onbebouwde woonpercelen aanwezig. Deze zijn in de toename van verharding voor 50% meegerekend. Verder wordt er 1.216 m 2 aan nieuwe openbare verhardingen mogelijk gemaakt.

58/120

Figuur 4.15.1 Oppervlaktes nieuwe verhardingen Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd. Ten noorden van het plangebied bestaat de bodem uit duinvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Ten noorden van het plangebied is sprake van grondwatertrap VIIIId. Dit betekent dat de gemiddelde kleinste diepte (GHG) op circa 230 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde grootste diepte (GLG) bevindt zich op circa 248 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld is gelegen op circa 25 meter boven NAP. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Het grondwaterpeil wordt niet (tijdelijk) gewijzigd, daarnaast wordt de bodem niet vervuild. Waterkwantiteit Volgens de Waterschapsverordening van Waterschap Limburg bevinden zich geen watergangen in het plangebied. De te compenseren oppervlakte bedraagt 4.849 m2, zie tabel 4.15.1. Bij een maatgevende bui van T = 100 (100 mm) bedraagt de te infiltreren hoeveelheid water 484,9 m³ (4.849 m² x 100 mm). De waterberging zal gerealiseerd worden middels wadi's in de groene gebieden rond de woningen.

59/120

Tabel 4.15.1 Te bergen oppervlaktes Oppervlakte in plan

Norm

Oppervlakte compensatie

Bebouwing

2.068 m

100%

2.068 m2

Tuinen

3.130 m2

50%

1.565 m2

Paden en wegen

1.216 m2

100%

1.216 m2

Totaal

2

4.849 m2

Ten behoeve van het infiltreren van hemelwater in de bodem is een infiltratieonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. Op basis van de huidige bodemopbouw, de te verwachte GHG (3,0 tot 4,0 m-mv) en meetresultaten is infiltratie vanaf gemiddeld 1,50 m-mv naar verwachting (zeer) goed mogelijk. Het ontwerpen en aanleggen van een infiltratievoorziening moet door een ervaren specialist worden uitgevoerd. Het bepalen of het huidige ontwerp van het infiltratiesysteem voldoende functioneert valt buiten de reikwijdte en het doel van het infiltratie-onderzoek. Voor het vergroten van de berging van hemelwater en de infiltratiecapaciteit kan eventueel gedacht worden aan: uitbreiden van de oppervlakte van het infiltratiesysteem; het verbeteren van het oorspronkelijke bodemprofiel (afhankelijk van de voorgenomen infiltratievoorzieningen). Bijvoorbeeld middels een combinatie van het verwijderen van humeuze en siltige bovenlaag (met bijmengingen) en het aanvoeren van goed doorlatend materiaal zoals drainagezand.

Figuur 4.15.2 Uitsnede Waterschapsverordening Limburg met het plangebied rood omkaderd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem zullen gedurende de aanlegfase duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt worden.

60/120

Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling bevindt zich niet in een beschermings- of kernzone van een waterkering. De locatie is buitendijks gelegen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. De huidige/voormalige woningen op de locatie waren reeds aangesloten op het rioolstelsel. Voor de toekomstige woningen wordt voor het huisvuilwater aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld op het groen. Er blijft voldoende groen over in het plangebied waar het hemelwater kan infiltreren. 4.15.3 Conclusie De locatie is niet in een beschermingszone van een watergang of waterkering gelegen. Er is sprake van een toename aan verharding, waardoor watercompensatie nodig is. Het maaiveld is op voldoende hoogte gelegen waardoor er weinig kans is op overstromingen.

De ontwikkeling draagt voor het aspect water bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat er voldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en daarmee is voldaan aan de instructieregel in artikel 5.37 van het Bkl.

4.16 Gezondheid 4.16.1 Wettelijk kader Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gezondheidsbescherming Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit en geluidhinder. Naast het wettelijk kader, waarbij de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) het kader vormen, dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de volgende milieubelastende activiteiten: Geitenhouderijen; Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=d2c8a8d1-d7d7-4445-be3c-e49b854c074a