CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.0889.BPOuddorp98-VA01

Besluitvormende raadsvergadering 14 juni 2021, gemeente BeeselBij agendapunt: Bestemmingsplan Ouddorp 917.420 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze berekening laat een verwaarloosbare toename van stikstofdioxide en fijn stof zien. De conclusie blijft daarbij dat de bijdragen van het extra verkeer niet in betekenende mate is en dat geen nader onderzoek nodig is.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

30

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

100

Aandeel vrachtverkeer

4,0%

3

NO2 in μg/m

0,10

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Uit de ingevulde NIBM-Tool blijkt dat dit leidt tot een minimale, bijna te verwaarlozen bijdrage aan de luchtkwaliteit vanwege het extra verkeer.

Toetsing Dit project voorziet in de uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf. Een dergelijk initiatief draagt niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit omdat het aantal vervoersbewegingen naar de locatie niet in grote getalen toe- of afneemt. De invloed van de verwarming is zodanig beperkt dat er geen overschrijding is van de kritische waarden. 4.1.6

Milieuzonering / Bedrijvigheid

De handreiking Bedrijven en milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke inrichting. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. De handreiking Bedrijven en milieuzonering is ingrijpend herzien in 2007 en in 2009 licht gewijzigd. De belangrijkste toepassing van de handreiking Bedrijven en milieuzonering is het gebruik bij het opstellen van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of omgevingsvergunning met bedrijfsbestemmingen. Niet alle soorten bedrijven zijn geschikt voor alle bedrijventerreinen. Sommige terreinen zijn alleen geschikt voor lichte bedrijvigheid. Op andere terreinen kan juist de zware industrie een plek vinden. De handreiking onderscheid 6 milieucategorieën: van heel licht (milieucategorie 1) tot heel zwaar (milieucategorie 6). In de handreiking is een lijst opgenomen met ruim 600 verschillende typen bedrijvigheid, elk met een eigen milieucategorie. Deze lijst kan in het wijzigingsplan vertaald worden naar een Staat van bedrijfsactiviteiten, die aan de regels van het wijzigingsplan kan worden gevoegd.

In bijlage 4 van de handreiking is een lijst opgenomen met typen bedrijven die, onder voorwaarden, geschikt zijn voor gebieden met functiemenging (met onder meer bedrijven en woningen bij elkaar in één gebied). Deze lijst kan worden gebruikt voor het samenstellen van een Staat van bedrijfsactiviteiten bij de regels van een wijzigingsplan voor een gebied met functiemenging. De handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt daarnaast gebruikt voor: • locatiekeuze studies voor bedrijven, bedrijventerreinen en woningen nabij bedrijven • de ruimtelijke inpassing van woningen nabij bedrijven en bedrijventerreinen • de toetsing van concrete (bedrijfs)activiteiten in het kader van vrijstellingen van het wijzigingsplan.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

31

In de handreiking zijn al deze toepassingen in concrete praktijkgerichte stappenplannen uitgewerkt. De beoogde activiteit is in de handreiking vermeld onder code sbi-2008 code 011-013, kassen met verwarming richtafstanden aangeven van: • Geur • Stof • Geluid • Gevaar De grootste afstand bij een kas bedraagt 30 m. De activiteit is ingedeeld in categorie 2. In de onderhavige situatie liggen alle hindergevoelige objecten op een afstand van meer dan 30 m. van het plangebied. Onderstaand zijn de woningen en overige objecten rondom de bedrijfslocatie weergegeven met bijbehorende afstanden tot het plangebied: • Woning Oudorp 2: circa 110 meter; • Molen ”De Grauwe Beer” 110 meter; • Woning Sint Antonisusstraat 40: 105 meter. Er wordt voldaan aan de handreiking bedrijven en milieuzonering, de afstand van 30 meter is te allen tijde gewaarborgd. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is hiermede gewaarborgd.

4.2

Externe veiligheid

4.2.1

Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI).

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen (deze wordt op termijn vervangen door het 'Besluit transportroutes externe veiligheid'), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Knelpunt hierbij is dat er geen plafond bestaat voor de omvang en samenstelling van dit vervoer. Theoretisch kan het vervoer ongelimiteerd toenemen, met dan eveneens ongelimiteerde gevolgen voor de ruimtelijke ordening. De overheid is voornemens een zogeheten Basisnet vast te stellen met routes die worden aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het beleid achter het landelijke Basisnet is dat een plafond vastgesteld wordt voor dit vervoer van gevaarlijke stoffen.

Ook worden randvoorwaarden aan de ruimtelijke ordening gesteld. Het Basisnet voor weg is definitief aangeboden in de kamer en daarom deels gepubliceerd in de Circulaire Risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen. De wetgeving rond het Basisnet treedt naar verwachting op 1 juli 2014 in werking. Het besluit tot wijziging van de Circulaire risicovol transport van gevaarlijke stoffen is reeds van kracht. Elke bestemmingsplanwijziging dient getoetst te worden aan de normen voor plaatsgebonden risico's en groepsrisico's. Plannen of realiseren van een activiteit nabij voor externe veiligheid (beperkt) kwetsbare objecten is onderzoek noodzakelijk. Het plangebied ligt in de nabijheid van de rivier de Maas. Het wijzigingsplan voorziet in de realisatie van glasopstanden. Er worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

32

risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Het invloedsgebied begint bij de risicobron en eindigt op een afstand waar bij de ergst mogelijke ramp nog 1% van de blootgestelden komt te overlijden. Binnen dit gebied is de verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. In het Bevi is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra een initiatief in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Vanuit de Circulaire Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen geldt deze verantwoordingsplicht alleen bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde of bij een toename van het groepsrisico.

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. Ook kassen met daarbij behorende bedrijfsgebouwen zijn beperkt kwetsbare objecten. Risicovolle activiteiten In het kader van het planvoornemen moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Risicokaart Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

33

Plangebied

afbeelding 12, Bron: Risicokaart.nl

Volgens de Risicokaart van Nederland liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, heeft op 19 maart 2014, de regeling gepubliceerd over de vaststelling van de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes en regels voor ruimtelijke ontwikkelingen langs transportroutes in verband met externe veiligheid (Regeling basisnet). Om duidelijkheid te verschaffen in de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen is het Basisnet ontwikkeld. Het Basisnet geeft de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorwegen. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen al dan niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Het Basisnet beperkt zich tot de rijksinfrastructuur. Binnen het Btev krijgen provincies de mogelijkheid om voor provinciale wegen een provinciaal Basisnet vast te stellen. Voor Limburg zijn in 2009 en 2010 tellingen verricht en berekeningen uitgevoerd om inzicht te krijgen op de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen via de provinciale wegen. Hieruit blijkt dat in Limburg, nu en in de toekomst (tot 2020) geen knelpunten te verwachten zijn.

Slechts op één locatie was sprake van een plaatsgebonden risicocontour die buiten de weg valt (N280 bij Roermond). Daarbinnen mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden ontwikkeld. Doordat zich geen knelpunten voordoen wordt momenteel bezien of het vaststellen van een provinciaal Basisnet voor Limburg meerwaarde heeft. Het plangebied ligt in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet. Het plangebied ligt buiten de risicocontour.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

34

4.3

Waterparagraaf 4.3.1

Provinciaal Waterplan Limburg

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (het POL) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Limburg en is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid. Het POL wordt doorlopend geactualiseerd en aangevuld. In het vervolg van deze paragraaf wordt steeds uitgegaan van de meest actuele vastgestelde POL aanvulling. De diverse POL aanvullingen worden periodiek verwerkt in de perspectieven kaart. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de ecologische en mensgerichte functies: de specifiek en algemeen ecologische functie (SEF resp. AEF) en de functies drinkwaterwinning en agrarisch water.

Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

35

afbeelding 13, Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021, Uitsnede kaart 3 Regionaal watersysteem. Zoals uit afbeelding 13 blijkt is het plangebied gelegen in het rivierbed van de Maas. 4.3.2

Beleidslijn Grote Rivieren

Na het hoogwater in de rivieren in 1993 en in 1995 werd duidelijk dat het water in de rivier veel meer afvoercapaciteit nodig had. Op 14 juli 2006 is de beleidslijn formeel in werking getreden. De Beleidslijn grote rivieren geldt voor alle grote rivieren en is bedoeld om plannen en projecten in de uiterwaarden te beoordelen. De beleidslijn biedt onder strikte voorwaarden meer mogelijkheden voor wonen, werken en recreëren in het rivierbed. De voorwaarden hebben betrekking op de afvoercapaciteit van de rivier ter plaatse: nieuwe activiteiten mogen de afvoer niet hinderen en geen belemmering vormen voor toekomstige verruiming van het rivierbed. Voor burgers en bedrijven die zich in het rivierbed vestigen geldt verder dat eventuele schade als gevolg van hoogwater voor eigen rekening is. De Beleidslijn grote rivieren maakt het mogelijk om bestaande bebouwing in het rivierbed een nieuwe bestemming te geven waardoor leegstand voorkomen wordt. Daarnaast blijven delen van het rivierbed voorbehouden aan riviergebonden activiteiten zoals overslagbedrijven, scheepswerven en jachthavens. Ander gebruik is alleen mogelijk als er op andere locaties meer ruimte voor de rivier wordt gecreëerd,

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

36

afbeelding 14, Uitsnede kaart 13 Kaartenatlas beleidslijn Grote Rivieren.

De locatie is gelegen in het waterbergend deel van het rivierbed. Conform art. 2.4.3 van het besluit is de gevraagde ontwikkeling binnen het waterbergend deel van een rivierbed alleen mogelijk indien 1. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. 2. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. 3. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd. In onderhavig bestemmingsplan wordt aangegeven dat ontwikkelingen binnen het rivierbed niet mogelijk zijn, dan wel enkel wanneer vooraf advies door de waterbeheerder is gegeven.

Vanuit waterbeheerder is aangegeven dat voor het verlies aan waterbergend vermogen er compensatie plaats dient te vinden. Het bestemmingsplan is daarmee niet in strijd met de Beleidslijn grote rivieren. Toetsing In het kader van de “Dijkverbetering Beesel” is vanuit het Waterschap Limburg het initiatief genomen tot verdere dijkversterking waarbij onder andere een dijk rondom het bedrijf wordt versterkt. In dit kader is een integrale gebiedsafweging gemaakt op basis van dit artikel en zijn de rivierbed belangen geborgd.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

37

4.3.3

Watertoets

Sinds de wettelijke verankering van de watertoets in het Besluit op de ruimtelijke ordening van 1 november 2003 worden de waterbeheerders eerder en vaker betrokken bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen (Bro artikel 3.1.1). In de praktijk wordt vooral een wateradvies gevraagd voor concept- of voorontwerpbestemmingsplannen en projectbesluiten. Op het gebied van waterhuishouding bestaan er verschillende relaties tussen de taken van gemeenten en waterbeheerders. Een van die relaties verloopt via het spoor van de ruimtelijke ordening. De watertoets omvat een procedure waarmee de waterhuishoudkundige belangen optimaal in ruimtelijke plannen kunnen worden opgenomen en in de bijbehorende belangenafweging worden meegenomen. Voor de waterbeheerders is het van belang dat primaire wateren, lijnvormige elementen en waterkeringen (inclusief bijbehorende beschermingszones, profielen van vrije ruimte, meanderzones en inundatiegebieden), zuiveringstechnische werken (inclusief beschermingszones en milieuhinderzones) en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden planologisch worden beschermd. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en bestemmingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Qua afvalwater is het bedrijf reeds op de drukriolering aangesloten voor wat betreft de huishoudelijke afvalwaterstromen (kantine, toilet e.d.). De voorgestelde ontwikkelingen maken geen nieuwe aansluitingen mogelijk. In de nieuwe situatie zullen deze voorzieningen licht intensiever gebruikt worden. Omgang met hemelwater: De omgang met hemelwater is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan en zal hieronder kort toegelicht worden. Het hemelwater van de aan de zuidwestkant te realiseren kas zal worden opgevangen en infiltreren in voorzieningen ten zuidoosten, zuidwesten en noordwesten van deze kas. De bodem heeft normaliter een hoge opname capaciteit. In uitzonderlijke situaties, bij bijzonder hoge waterstanden van de Maas, kan de opname van de bodem (door ondergrondse stuwing of kwel) te wensen over laten. De infiltratieruimtes zullen dan worden uitgepompt; hier zullen voorzieningen voor worden getroffen. De totale omvang van de verglaasde of verharde ruimte bedraagt bijna 35.000 m2.

Uitgaande van een norm van 100 mm zal een volume van ongeveer 3.500 m³ water ter infiltratie moeten worden geborgen. Deze hoeveelheid wordt verdeeld over de voorzieningen aan de zuidwestkant en noordoostkant. Aan de zuidkant kan 1.765 m³ worden geborgen, aan de noordkant 1.770 m3. Daarmee wordt ruimschoots aan de behoefte voldaan. De op het bouwperceel aanwezige woning is aangesloten op riolering. Hierop wordt het huishoudelijke afvalwater vanuit de woning en het bedrijf geloosd. Toetsing Het waterplan welke opgenomen is in het landschappelijk inpassingsplan is reeds door Waterschap Limburg beoordeeld en akkoord bevonden. Huishoudelijk afvalwater De op het bouwperceel aanwezige woning is aangesloten op riolering. Hierop wordt het huishoudelijke afvalwater vanuit de woning en het bedrijf geloosd.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

38

Wateronttrekkingen Het bedrijf heeft een geregistreerde watervoorziening middels een eigen put, kenmerk BT-P0015. De maximale onttrekking bedraagt minder dan 10 m3.

4.4

Cultuurhistorie en Archeologie

De inventarisatie gegevens van de Cultuur Historische Waardenkaart hebben een informatieve en signaleringsfunctie, en maken de informatie zichtbaar die momenteel voorhanden is over de Limburgse cultuurhistorie. Ze vormen zo de startdocumenten om te komen tot een integrale cultuurhistorische waardenkaart voor de provincie Limburg. Zij kunnen er toe bijdragen om de cultuurhistorische dimensie te betrekken bij ruimtelijke, toeristische en culturele ontwikkelingen en voornemens. 4.4.1

Bouwkunde

Plangebied

afbeelding 15, Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, bouwkunde

Zoals uit bovenstaande waardenkaart blijkt zijn er in en direct aangrenzend aan het plangebied geen te beschermen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Op relatief korte afstand is de Molen “De Grauwe Beer” gelegen en in de kern van Beesel zijn meerdere monumenten gelegen.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

39

4.4.2

Historische geografie

Plangebied

afbeelding 16 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, historische geografie.

De locatie is gelegen nabij de molen “De grauwe beer” een aantal veldkruizen. Tussen de maas en het plangebied ligt een dijk met weg. Aan de oostzijde lag vroeger een oude onverharde weg. De locatie wordt omschreven als een cultuurlandschap dat sedert 1830 matig is veranderd. Momenteel is het aangemerkt als bouwland (agrarisch gebruik). 4.4.3

Archeologische waarden

Uitgangspunt is het archeologisch erfgoed in situ (op de oorspronkelijke vindplaats) te beschermen. Op Europees niveau is daarvoor door het Rijk het Verdrag van Malta ondertekend en zijn verplichtingen aangegaan. Voor archeologisch waardevolle terreinen, zoals aangegeven op de Archeologische monumentenkaart Limburg en voor gebieden met een (middel)hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, moeten bij voorgenomen ruimtelijke activiteiten de archeologische waarden door middel van vooronderzoek in kaart worden gebracht. De gegevens over de archeologie zijn onderverdeeld in: • Archeologische monumenten Deze bevatten de rijksmonumenten en de te beschermen archeologische monumenten en terreinen, die van hoge archeologische waarde of betekenis zijn. • Grens Via Belgica Deze grens geeft globaal de breedte aan waar het tracé van deze Romeinse weg is aangelegd. • Historische dorpskernen Dit bevat de beschermende dorpsgezichten en historische buitenplaatsen. • IKAW (indicatieve archeologische waarden). Deze zogenaamde archeologische verwachtingskaart geeft een gebiedsindeling in drie categorieën, op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een lage, midden, danwel een hoge archeologische verwachting).

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

40

Relevant toetsingskader De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe 'de verstoorder betaalt' voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Conclusies archeologisch onderzoek Econsultancy heeft in opdracht van Kwekerij Bouten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Ouddorp 9 te Beesel in de gemeente Beesel, zie bijlage 7.

Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting hebben de zones langs de restgeul in het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum, een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Bronstijd en Nieuwe tijd en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Mesolithicum, Neolithicum en IJzertijd - Late Middeleeuwen. Voor de restgeul geldt een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit alle perioden. Wel kunnen hier puntvondsten in de vorm van rituele deposities worden verwacht. In het plangebied is een Jonge Dryas Maasterras aangetroffen, doorsneden door een restgeul met plaatselijk een bovenliggend laat holoceen oeverdek. In het overgrote deel van het plangebied is dit oeverdek echter opgenomen in de bouwvoor en de verstoorde bovengrond. Op basis van de aangetroffen bodemprofielen kan de gespecificeerde verwachtingswaarde zoals opgesteld in het bureauonderzoek blijven gehandhaafd. Voor het noordelijke deelgebied worden vanwege de aanwezigheid van een verstoorde bovenlaag en plaatselijk een laat holoceen (vanaf de 17e eeuw) oeverdek geen archeologische resten verwacht in de bovenste 50 cm tot plaatselijk 135 cm –mv. In het zuidelijk deelgebied worden archeologische resten onder de bouwvoor verwacht vanaf 40 cm – mv.

Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt waarbij er, afgezien van de funderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 50 cm onder het huidige maaiveld in het noordelijk deelgebied en 40 cm onder het huidige maaiveld in het zuidelijk deelgebied. Het verstoringsoppervlak ten behoeve van de funderingen mag hierbij niet meer bedragen dan circa 1% van de oppervlakte van het plangebied. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Mocht het niet mogelijk zijn om de archeologische waarden in situ te behouden, dan adviseert Econsultancy om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De realisatie van de nieuwe glasopstanden zullen op een archeologievriendelijke wijze worden gebouwd waardoor onder de 1% zal worden gebleven qua verstoringsoppervlak.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

41

4.5

Natuurwaarden en landschapswaarden 4.5.1

Natura 2000

In de Wet natuurbescherming is opgenomen, dat nieuwe economische activiteiten of uitbreidingen van bestaande activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op Natura 2000-gebieden. De depositie van stikstof ten gevolge van de ontwikkeling op de locatie Ouddorp 9 te Beesel is berekend, zie bijlage 9. De depositie van stikstof in natura 2000 gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend. De berekeningen betreffen enerzijds de realisatie/aanlegfase en anderzijds de gebruiksfase. De berekening van het effect van de beoogde situatie met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn als gevolg van het voorgenomen project. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Er is geen sprake van vergunningplicht t.a.v. stikstofdepositie 4.5.2

Natuurbeheerplan Limburg

afbeelding 17, Uitsnede beheertype kaart 2020.

In het natuurbeheerplan Limburg is een strook ten zuiden van de bestaande locatie aangemerkt als botanisch waardevol grasland en botanisch waardevol akkerland. Deze strook maakte in het verleden deel uit van de EHS. Deze aanduiding is vervallen. In de onderhavige situatie is er sprake van een perceel dat al decennia agrarisch gebruikt wordt voor de akker- en tuinbouw. Het perceel heeft in de praktijk geen toegevoegde natuurlijke waarde.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

42

4.5.3

Gebiedsbescherming

Ten aanzien van flora en fauna dient in eerste instantie rekening gehouden te worden met gebiedsbescherming. Deze bescherming geschiedt op basis van de Wet natuurbescherming. Sinds 2005 zijn hierin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden opgenomen als natura 2000gebieden. Beoordeeld moet worden of de uitbreiding en/of wijziging van de inrichting significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In onderstaande afbeelding is het meest nabijgelegen gebied “het Swalmdal” en ten opzichte van de inrichting aangegeven.

Plangebied

afbeelding 18, Natura 2000-gebieden

Het meest nabijgelegen gebied is gelegen op een afstand van ca. 1.300 meter. De nabij gelegen gebieden in het Duitsland en het Leudal liggen op een afstand van minimaal 4.000 meter. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de betreffende gebieden heeft de gevraagde ontwikkeling heeft geen significante negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van de gebieden. Daarbij is in paragraaf 4.5.1. reeds aangegeven dat vanuit de Aerius-berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn als gevolg van het voorgenomen project. Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden. De voorgenomen ontwikkeling is hiermede vergunbaar.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

43

4.5.4

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming vormt voor wat betreft de soortenbescherming een concrete en correcte implementatie van de habitatrichtlijn. Doel is de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. Als gevolg van ruimtelijke ingrepen is het mogelijk dat beschermde soorten beschadigd, verstoord of vernietigd worden. Als op basis van onderzoeksgegevens blijkt dat beschermde soorten voorkomen, kan dit consequenties hebben voor de voorgenomen ruimtelijke ingreep. Indien er sprake is van het voorkomen van beschermde sier- en plantensoorten uit tabel 1 behorende bij de FF-wet dan geldt een vrijstelling en moet de zorgplicht worden nagekomen. Zijn er soorten aangetroffen die in tabel 2 behorende bij de FF-wet voorkomen, dan geldt er alleen een vrijstelling als er een goedgekeurde gedragscode van toepassing is. Er is geen door de minister goedgekeurde gedragscode en dus is er geen vrijstelling voor dier- en plantensoorten uit tabel 2 van toepassing. Bij soorten uit tabel 3 behorende bij de Ff-wet kan in geval de soort voorkomt in bijlage 1 bij het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geen ontheffing nodig zijn afhankelijk van getroffen maatregen Gezien de aard van de ontwikkelingen zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn. In andere gevallen moet bij soorten uit tabel 3 altijd ontheffing worden aangevraagd.

Alleen als er geen beschermde dier- of plantensoorten voorkomen in het in het projectgebied hoeft er zeker geen ontheffing te worden aangevraagd. Als er wel beschermde dier- of plantensoorten in het projectgebied zitten, maar er kan aangetoond worden dat de voorgenomen activiteiten geen effecten hebben op beschermde dier- of plantensoorten, dan hoeft er ook geen ontheffing te worden aangevraagd. In beide gevallen is de zorgplicht van toepassing. Pas als er én beschermde dier- en plantensoorten voorkomen in het projectgebied én de activiteiten effecten hebben op de dier- of plantensoorten dan komt een toets aan de tabellen 1, 2 en 3 van de Wet natuurbescherming. De beschermde soorten worden als volgt onderscheiden: o Algemene soorten (FF1); o Overige soorten (FF2); o Streng beschermde soorten (FF3). Als soorten uit de derde categorie door het project schade zullen leiden, is het de vraag of het project wel doorgang kan vinden. Bij soorten uit de tweede categorie zal in ieder geval aangetoond moeten worden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Pas dan zal ontheffing verkregen kunnen worden. Voor de soorten uit de eerste categorie geldt een algemene vrijstelling, waarbij de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming centraal staat. 4.5.5

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: o bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; o gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; o landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; o ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; o alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

44

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.5.6

Toetsing

Econsultancy heeft in opdracht van Kwekerij Bouten een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Ouddorp 9 te Beesel, zie bijlage 8. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Ten aanzien van de streng beschermde torenvalk dienen graaf- en bouwwerkzaamheden op deellocatie B buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk blijkt, dient voorafgaand aan het broedseizoen een check op geschikte nestlocaties binnen 75 meter rondom deellocatie B plaats te vinden. Indien geschikte nestlocaties voor de torenvalk worden aangetroffen, is een nader onderzoek naar het gebruik van de onderzoekslocatie en omgeving door de torenvalk noodzakelijk. Bij werkzaamheden op deellocatie A is verstoring van de torenvalk vanwege de afstand tot de potentiële broedlocatie niet aan de orde. Ten aanzien van algemene broedvogels geldt dat overtreding op voorhand kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen stobben, takkenhopen en begroeiing inclusief het gras te verwijderen.

Verder dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. De werkzaamheden zullen zo worden uitgevoerd dat de aanwezige broedvogels niet verstoord worden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. De onderzoekslocatie is gelegen nabij Natura 2000-gebieden en maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Geadviseerd wordt om, voor beide deellocaties, middels een vooronderzoek Natura 2000 de effecten van de voorgenomen ingreep op het Natura 2000-gebied nader te onderzoeken, zie ook paragraaf 4.5.1 voor toetsing. Met betrekking tot de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt geadviseerd om in eerste instantie in overleg te treden met de Provincie Limburg over de benodigde vervolgstappen.

4.6

Kabels en leidingen

De Regeling externe veiligheid buisleidingen strekt ertoe om buisleidingen voor het transport van aardgas en aardolieproducten onder de werking te brengen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). De gevolgen van het onder de werking brengen van het Bevb zijn voor buisleidingen voor aardgas en aardolieproducten voldoende onderzocht. De noodzakelijke uitzonderingen voor deze buisleidingen op de algemene regels van het Bevb worden ook in deze regeling vastgelegd. Een uniforme rekenmethodiek wordt voorgeschreven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De buisleidingen met overige chemische stoffen (zoals etheen, propeen, koolstofdioxide) zullen later worden aangewezen nadat de rekenmethodiek voor die stoffen is vastgesteld, de consequenties van aanwijzing voldoende zijn onderzocht en tevens duidelijk is welke eventuele uitzonderingen op het Bevb nodig zijn. De verplichting tot het verantwoorden van het groepsrisico bij het vaststellen van bestemmingsplannen is vereenvoudigd voor situaties waarbij sprake is van een zeer beperkt groepsrisico of een zeer beperkte toename van het groepsrisico.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

45

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Verkeer en infrastructuur

Binnen het planvoornemen is rekening gehouden met het aspect verkeer en vervoer. Bij meer dan 100 werknemers of meer dan 500 bezoekers per dag of meer dan 2 miljoen transportkilometers per jaar voor verladers en uitbesteed vervoer of meer dan 1 miljoen transportkilometers per jaar voor eigen vervoerders worden voorschriften ten aanzien van verkeer en vervoer relevant geacht. Dit is gebaseerd op de handreiking “wegen naar preventie bij bedrijven” (bron: InfoMil, december 2005). In onderhavige situatie worden deze grenzen niet overschreden. Een verdere toetsing op dit onderdeel is niet nodig. Bezoekers en personenauto’s Het plangebied zal voor bezoekers ontsloten blijven worden conform de huidige situatie via OuddorpKerkstraat-Nieuwstraat-Bussereindseweg in de richting van de A73. De aanwezige bestaande parkeervoorziening voor personenauto’s worden uitgebreid middels een overloopzone parkeren om ervoor zorg te dragen dat bezoekers te allen tijde op de bedrijfslocatie zelf kunnen parkeren waardoor geen overlast ontstaat voor de omgeving. Richting de toekomst is de verwachting dat slechts een beperkte groei van aantallen bezoekers/personenauto’s te verwachten is doordat de uitbreiding van het bedrijf ziet op uitbreiding van de kwekerijactiviteiten. Met de uitbreiding van de kwekerij kan een groter deel van de planten welke verkocht wordt in de bestaande winkel zelf geteeld worden.

De afgelopen jaren is een deel van het sortiment welke verkocht wordt in de winkel ingekocht bij andere kwekers omdat de bestaande glasopstanden qua uitrusting hiervoor niet meer geschikt waren. Voor de winkel is geen uitbreiding voorzien. Initiatiefnemer realiseert de uitbreiding daarbij in 2 fases waarbij z.s.m. zal worden gestart met de uitbreiding van de kwekerij aan de zuidzijde. Er wordt vanuit initiatiefnemer een beperkte jaarlijkse toename van bezoekers verwacht van de bestaande winkel. De uitbreiding van de kwekerijactiviteiten is noodzakelijk om een toekomstbestendige bedrijfsvoering te blijven behouden. De nieuw aan te leggen overloopzone parkeren zal jaarlijks slechts incidenteel gebruikt worden. Echter initiatiefnemer wil ervoor zorgdragen dat ten allen tijde op zijn eigen terrein geparkeerd kan worden. Nu staan in het piekseizoen wel eens enkele auto’s langs de weg geparkeerd. De overloopzone parkeren is een zone die gebruikt kan worden voor parkeren maar waar normaliter niet of nauwelijks gebruikt van gemaakt zal worden. Deze overloopzone parkeren kan dan ook gebruikt worden voor bezoekers welke een aanhangwagentje meenemen aangezien deze in de huidige situatie vaak 2 tot soms wel 4 parkeerplaatsen in beslag nemen op de huidige parkeerplaats als zij in dwarsrichting op de huidige parkeerplaats parkeren.

Dit maakt ook dat de bruikbare capaciteit van de huidige parkeerplaats (met 80 parkeerplaatsen) in de praktijk veel lager is als de genoemde 80 personenauto’s. Op basis van ervaringen van initiatiefnemer zal na uitbreiding op basis van de huidige bezoekers en de voorziene beperkte jaarlijkse toename het aantal van 500 bezoekers per dag niet worden overschreden (in het hoogseizoen jaarlijks van 20 april tot 20 mei). Momenteel heeft het bedrijf in het hoogseizoen circa 250 bezoekers per dag en in de komende 10 jaar wordt jaarlijks een groei voorzien van circa 10 bezoekers per dag.

Er is een aanvullende verkeerstoets uitgevoerd door Accent Adviseurs waarbij als bijlage 11 het volledige rapport is ingesloten. In het rapport wordt geconcludeerd dat het parkeeraanbod van 140 parkeerplaatsen ruim voldoende is om aan de gemiddelde parkeervraag van 131 parkeerplaatsen per dag op basis vaneen worst case scenario te voldoen. Conclusie qua verkeersbewegingen is dat de inzichtelijk gemaakte toename niet leidt tot een overschrijding van de gewenste intensiteit op de betreffende erftoegangswegen. De intensiteit past in zowel een gemiddelde als in een pieksituatie ruim in de huidige wegcategorisering. Met dergelijke intensiteiten is het bovendien niet te verwachten dat op kruispuntniveau problemen met de verkeersafwikkeling ontstaan. Het is dan ook niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

46

Vrachtwagenbewegingen en nieuw laaddock De ontsluiting voor aan- en aflevering door bedrijven voor vrachtwagens zal conform de huidige situatie via Ouddorp-Kerkstraat-Nieuwstraat-Bussereindseweg in de richting van de A73 worden gehandhaafd. Momenteel wordt, gezien de omvang van het bedrijf, niet met volle vrachtwagens product aan/afgevoerd. In de huidige situatie is sprake van 4 vervoersbewegingen met de eigen vrachtauto en 4 vervoersbewegingen met vrachtwagens vanuit toeleveranciers. In de situatie na uitbreiding kan de beladingsgraad van de vrachtwagens verder toenemen waardoor er slechts enkele vrachtwagenbewegingen per etmaal in de piekperiode extra te verwachten zijn. Dit mede gelet op het feit dat vanuit Kwekerij Bouten op Veiling Rhein Maas te Herongen (Duitsland) sinds kort een verzamelbox wordt gehuurd om transportstromen met eigen transport zo maximaal mogelijk te kunnen combineren om vervoersbewegingen uit te kunnen sparen alsook de bijbehorende kosten. Ter hoogte van de loods aan de zuidwestkant van het plangebied zal een nieuw laaddock worden gerealiseerd. Hierbij zal ook een opstel- en wachtruimte worden gerealiseerd.

Trillingen: Bloemen- en Plantenkwekerij Bouten B.V. maakt in hoofdzaak gebruik van de vrachtwagen voor transport van planten. Dit zijn producten die prima met volle vrachtwagens getransporteerd kunnen worden zonder dat sprake is van “zwaar” beladen vrachtwagens waarvan bij bijvoorbeeld zandtransport sprak van is. Daarbij heeft Bloemen en Plantenkwekerij Bouten B.V. sinds 2020 een laaddock met bedrijfsruimte in Herongen bij afzetorganisatie Rhein-Maas om de bestaande vervoersbewegingen zo maximaal mogelijk te combineren. Zo kan een vervoersbeweging om planten weg te brengen vanuit de kwekerij naar de afzetorganisatie Rhein-Maas in Herongen worden gecombineerd met het ophalen van aangekochte planten van derden welke deze in Herongen afleveren. Hiermede vindt t.o.v. voor 2020 (na uiteraard een aanloopperiode van gewenning) nog nauwelijks rechtstreekse belevering plaats vanuit andere kwekers. Hiermede wordt nu reeds vanuit initiatiefnemer een slimme combinatie gemaakt om onnodige transportstromen (lees beperkt beladen vrachtwagenbewegingen) te voorkomen. Gelet op het feit dat dit ook kostenbesparingen met zich mee brengt zal initiatiefnemer er alles aan gelegen zijn dit zo maximaal mogelijk te doen. Gelet hierop verwacht initiatiefnemer niet dat er 4 extra vervoersbewegingen met vrachtwagens per weekdaggemiddelde benodigd zijn.

Op basis van bovengenoemde nadere toelichting behoeft geen vrees te zijn voor toename van trillingen. Het extra vrachtverkeer is er alleen in de maanden november en december. Nu is er in deze maanden alleen inkoop en in die maanden kan dus de heen vracht al extra worden benut voor afzet middels eigen vervoer. Echter er is worst-case doorgerekend in de plannen.

4.8

Molenbiotoop

Het plangebied is gelegen op korte afstand van de molen “De Grauwe Beer”. De molen is gebouwd in 1614 in Zaandam als een houtzaagmolen. In 1891 werd de molen verscheept naar Beesel en opgebouwd op de kleine Solberg. Hierbij werd de molen heringericht om te dienen als korenmolen. Tot in de jaren 60 is de molen in bedrijf gebleven. In 1982-1983 werd de molen gerestaureerd en verplaatst naar de oever van de Maas. De molen is sindsdien op vrijwillige basis geregeld in bedrijf. De molen liep de afgelopen decennia vier keer onder water na overstromingen van de Maas. Daarom is de molen op 9 september 2014 60 meter landinwaarts op een hogere plek geplaatst. In verband met de ligging van de bouwlocatie in de nabijheid van molen De Grauwe Beer gelden binnen de regelgeving restricties voor de bouwhoogte.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

47

afbeelding 19, Molen "De grauwe Beer" en de bestaande kassen. Bron; Google Earth streetview.

4.8.1

Bestemmingsplan

Conform art. 45.28 zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' tevens bestemd voor het beschermen van: • de functie als werktuig van de beltmolen 'De Grauwe Beer'; • de waarde van de molen als landschapsbepalend element. Hier zijn de volgende regels van toepassing; • binnen een straal van 100 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht, hoger dan het onderste punt van de verticale staande wiek van de molen; • binnen een straal van 100 tot 500 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen de bebouwing en het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen. Het plangebied is gelegen op circa 110 m. gerekend vanaf het middelpunt van de molen. Conform het vigerende bestemmingsplan is vanuit de gemeente Beesel overleg gevoerd en advies gevraagd bij de Molenstichting als zijde beheerder van de molen. In bijlage 10 is het advies van 21 september 2020 de Molenstichting ingesloten. Formeel adviseert het bestuur van “Stichting Korenmolen De Grauwe Beer” negatief echter zij geven aan dat zij geen verdere bezwaren in zullen dienen. 4.8.2

Windvangonderzoek

In opdracht van initiatiefnemer is een indicatieve studie verricht ten einde vast te stellen in hoeverre het bouwplan van invloed is op de windvang van de molen De Grauwe Beer, zie bijlage 10. Hierbij wordt onder meer gebruik gemaakt van statistische gegevens van het heersende windklimaat bij de molen. Het heersende windklimaat bij de molen is vastgesteld conform de NPR 6097. Met de bijbehorende door het KNMI ontwikkelde software wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de omliggende bebouwing en begroeiing tot 6 km afstand van de molen. Middels aanvullende berekeningen is vastgesteld hoe vaak de wind uit de richting van het bouwplan komt en, zonder enige lokale verstoring, binnen het windsnelheidsbereik van de molen valt. Het blijkt dat deze situatie zich 2,4% van de tijd voordoet. Gedurende deze tijd, 214 uren per jaar, zou dan een verslechtering van de draaimogelijkheden kunnen optreden. De overige tijd (97,6%) komt de wind uit een andere richting of komt de windsnelheid niet overeen met het draaibereik van de molen. Het percentage 2,4% is ten opzichte van het totaal aantal uren in een jaar. Indien de maximale invloed van het plan uitgedrukt wordt ten opzichte van het bruikbare windaanbod dan komt dit overeen met 7,3% van de bruikbare wind. De werkelijke invloed op de bedrijfsvoering is natuurlijk veel kleiner dan deze 2,4% (of uitgedrukt t.o.v.

de bruikbare wind: 7,3%), aangezien gedurende deze uren de wind niet volledig zal wegvallen. Het percentage drukt slechts het aandeel uren uit waarin er effect zal optreden vanuit de betreffende

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

48

windrichtingen. De werkelijke invloed van het bouwplan op de relevante windvang van de molen wordt derhalve ingeschat op een fractie van het vermelde maximum.

4.9

Brandveiligheid

Om brand te voorkomen wordt uitsluitend gewerkt met goedgekeurde installaties en worden de gebouwen conform het bouwbesluit gebouwd. Er zijn voldoende vluchtwegen en brandblusmiddelen aanwezig. Voor de primaire bluswatervoorziening dient er op maximaal 40 meter vanaf de gebouwen een voor blusvoertuigen goed toegankelijke bluswatervoorziening te worden aangelegd met een capaciteit van ten minste 60 m3/uur. Een dergelijke voorziening zal bij uitvoering van de plannen in overleg met de afdeling brandpreventie worden aangelegd.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

49

Hoofdstuk 5. 5.1

UITVOERBAARHEID

Economische uitvoerbaarheid

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Beesel en de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden afgesloten om afspraken in de uitvoering te borgen. Tenslotte wordt ook een planschadeverhaalsovereenkomst zoals bedoeld in art. 6.4a Wro gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Beesel komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

5.2

Handhaving

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit wijzigingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Hoe minder knellend de regels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. Om in de toekomst adequaat handhavend te kunnen optreden zijn duidelijke regelingen voor duidelijke doelen noodzakelijk.

De uitgangspunten van het plan moeten op een heldere en goed traceerbare wijze zijn vertaald in de juridische opzet van het plan. Van elk voorschrift moet het oorspronkelijke doel traceerbaar zijn. Door de in dit plan gemaakte keuze voor een systematische planopzet, uitgesplitst naar diverse aspecten, die corresponderen met de verschillende bestemmingen, kan op eenvoudige wijze de vertaling van toelichting naar ‘gemeentelijk beleid’ en bebouwing- en gebruiksvoorschriften worden gevolgd. Het doel van de opgenomen regelingen is steeds duidelijk. Handhaving binnen het kader van het wijzigingsplan Na het van kracht worden van dit wijzigingsplan moet toegezien worden op handhaving van de volgende regelingen: • gebruiksvoorschriften voor gronden en opstallen: opgetreden moet worden tegen strijdig gebruik van gronden en opstallen, zoals omschreven in de doeleindenomschrijving en gebruiksvoorschriften voor gronden en opstallen; • de bebouwingsvoorschriften: opgetreden moet worden tegen illegale bouwsels, dat wil zeggen bouwsels die zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning worden gebouwd en afwijken van de bebouwingsregels; • omgevingsvergunningen: opgetreden moet worden tegen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, die omgevingsvergunning plichtig zijn maar zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

51

•

de tegenprestatie: Voor de uitbreiding van het bouwvlak is een tegenprestatie van de ondernemers vereist. Middels een privaatrechtelijke overeenkomst dient ervoor gezorgd te worden dat de ondernemers de verplichting hiertoe nakomen.

De wijze waarop handhavend zal worden opgetreden (via artikel 125 van de Gemeentewet en/of via afdeling/hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht) is vastgelegd in het handhavingsbeleid van de gemeente Beesel. Bij het nemen van handhavingsbesluiten wordt getoetst aan beleidsregels, zoals de handhavingsnota. Daarnaast is het van belang dat de regelingen uit het wijzigingsplan bekend zijn bij de bewoners en gebruikers van opstallen en gronden. Ruime publicitaire aandacht in het kader van vaststelling en goedkeuring en een actieve opstelling bij vragen en opmerkingen van bewoners en gebruikers dragen daar aan bij. Aanschrijvingen De aanschrijvingen in het kader van het gemeentelijke handhavingsbeleid zullen conform de regelingen uit de bijbehorende beleidsnota worden uitgevoerd.

5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. De stukken zijn vanaf 16 oktober t/m 2 november 2020 aangeboden voor vooroverleg. Het plan is niet in strijd met het provinciaal beleid. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan niet vooraf besproken met de provincie Limburg. In het kader van het vooroverleg is op 28-10-2020 vanuit Provinciale zijde aangegeven dat: “Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen”.

Het plan is voor overleg reeds eerder aangeboden aan het Waterschap Limburg en heeft hierop reeds positief geadviseerd. Tevens heeft ook vooroverleg met Rijkswaterstaat plaatsgevonden. In het kader van het vooroverleg is op 26-10-2020 vanuit Rijkswaterstaat om een aanpassing in de regels door te voeren voor wat betreft de waterbelangen hetgeen heeft plaatsgevonden. Zienswijzen Op basis van de zienswijzen welke ingediend zijn is de toelichting nader aangevuld op onderdelen. Tevens is een aanvullende verkeerstoets uitgevoerd. De gevraagde ontwikkeling is daarbij ruimtelijk toelaatbaar.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

52

5.4

Procedure

Voordat de wettelijke procedure ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de Wet ruimtelijke ordening kan worden opgestart, wordt eerst het (voor)ontwerp bestemmingsplan aan diverse instanties toegezonden ten behoeve van overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze bepaling schrijft voor dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Tevens zal voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan inspraak op het voorontwerp bestemmingsplan worden verleend. Na de overlegronde wordt de vaststellingsprocedure zoals omschreven in art. 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening opgestart. Deze procedure kan als volgt worden samengevat: de procedure start met een openbare kennisgeving van het ontwerp - bestemmingsplan, waarna het ontwerp bestemmingsplan wordt gepubliceerd en gedurende een termijn van 6 weken door één ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerp - bestemmingsplan kunnen worden ingebracht.

Na de termijn van de terinzagelegging dient de gemeenteraad binnen 12 weken te beslissen omtrent de vaststelling van het plan. Na de publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan hebben belanghebbenden 6 weken de tijd om tegen het plan in beroep te gaan. Het bestemmingsplan treedt de dag na afloop van de beroepstermijn in werking.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

53

Hoofdstuk 6. 6.1

JURIDISCHE TOELICHTING

Planstukken

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • plantoelichting • planregels; • verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was, is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. • De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: • Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; • PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; • Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

6.2

Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.

6.3

Toelichting op de regels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. • Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De regels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan voor het Buitengebied van de gemeente Beesel zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld op 19 december 2017. Onderdelen die niet van belang zijn voor het plangebied zijn verwijderd.

Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=a3797b4b-264b-4753-8cc8-e1813e4bf4b1