t_NL.IMRO.0889.BPOuddorp98-VA01
Tekst van het document
Arvalis B.V. Steegstraat 5 6041 EA Roermond Telefoon Fax E-mail Internet
(0475) 355700 (0475) 355777 Info@arvalis.nl www.arvalis.nl
IBAN NL28 RABO00174117752 KvK. Roermond nr. 13043513
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
IDN Nummer:
NL.IMRO.0889.BPOuddorp9.VA01
Opdrachtgever:
Kwekerij Bouten B.V.
Adres:
Ouddorp 9, 5954 BD Beesel
Opgesteld door:
Arvalis B.V. T. Bergsma en K. Bartels
Datum:
22-4-2021
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. 1.1 1.2
Bestaande situatie Toekomstige situatie
Hoofdstuk 2. 2.1 2.2 2.3
Europees en Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
7 10 12
PLANBESCHRIJVING
15
Ligging plangebied Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Stedenbouwkundige/ruimtelijke aspecten Vigerend bestemmingsplan. Landschappelijke inpassing en water
15 15 17 17 24
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid Handhaving Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure
Hoofdstuk 6. 6.1 6.2 6.3
RANDVOORWAARDEN / ONDERZOEKEN
Milieu Externe veiligheid Waterparagraaf Cultuurhistorie en Archeologie Natuurwaarden en landschapswaarden Kabels en leidingen Verkeer en infrastructuur Molenbiotoop Brandveiligheid
Hoofdstuk 5. 5.1 5.2 5.3 5.4
3 4
7
Hoofdstuk 4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
3
BELEIDSKADER
Hoofdstuk 3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
BESCHRIJVING BESTAANDE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE
JURIDISCHE TOELICHTING
Planstukken Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels
•
27 27 32 35 39 42 45 46 47 49
51 51 51 52 53
55 55 55 55
Bijlage(n) 1. Situatie geplande bedrijfsontwikkeling; 2. Principe besluit gemeente Beesel; 3. Advies “Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal”; 4. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsbijdrage; 5. Bedrijfsontwikkelingsplan; 6. Bodemonderzoek; 7. Archeologisch Onderzoek; 8. Flora- en Faunaonderzoek; 9. Natura 2000 Notitie en Aerius-berekeningen; 10. Windvang onderzoek “De Grauwe Beer”; 11. Verkeerstoets.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
1
Hoofdstuk 1. BESCHRIJVING BESTAANDE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 1.1
Bestaande situatie
Kwekerij Bouten B.V. exploiteert op de locatie “Ouddorp 9 te Beesel” sinds 1975 een glastuinbouwbedrijf. In een kas met een oppervlakte van circa 16.420 m2 teelt men een zeer uitgebreid assortiment planten. De afzet van de planten vindt plaats via de veiling, tuincentra, gemeentes, bedrijven, instellingen en particulieren middels de aanwezige winkel op de bedrijfslocatie. Het bedrijf is in 2005 door Koen Bouten overgenomen van zijn ouders waarna reeds een bedrijfsuitbreiding is gerealiseerd in 2005 middels de nieuwbouw van glasopstanden en in 2013 is een nieuwe winkel gerealiseerd. Er is hiermede recentelijk reeds fors geïnvesteerd in de bedrijfslocatie door betreffende ondernemer. Verplaatsing van het bedrijf is geen optie. Het bedrijf is sterk afhankelijk van de huisverkoop aan consumenten op de locatie. Het bedrijf realiseert ruim 70% van zijn omzet (van de zelf geteelde producten) uit directe verkoop aan hoofdzakelijk consumenten uit de regio. Ook verzorgt het bedrijf de bloembakken in de openbare ruimte in de bijvoorbeeld de gemeente Beesel, gemeente Venlo en diverse andere gemeentes en bij instellingen in de regio. Het bedrijf is sterk geworteld/afhankelijk van de directe regio. Ook maakt het bedrijf vrijwel uitsluitend gebruik van personeel uit de regio.
Er werken op dit moment zo’n 15 personen uit de regio en daar komen na bedrijfsuitbreiding wederom een aantal personen bij. Het bedrijf vervult ook een rol in de versterking van de toeristische en recreatieve sector in de gemeente Beesel en omliggende gemeenten en visa verse. Dit aangezien er klanten naar het bedrijf komen en dit combineren met bijvoorbeeld een bezoek aan een terras in de regio, een restaurant of combineren met een overnachting.
afbeelding 1, Luchtfoto actuele bedrijfssituatie, bron: www.slagboompeeters.com
Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied is gelegen nabij de Maas, ten zuidwesten van de kern Beesel. Zie de navolgende topografische kaart.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
3
afbeelding 2, Topografische kaart met plangebied rood omlijnd.
1.2
Toekomstige situatie
Het voorgenomen bouwplan bestaat uit realisatie van 8.736 m² glasopstanden aan de zuidzijde van de bedrijfslocatie met bijbehorende loods. Het is cruciaal dat deze uitbreiding aan de zuidzijde kan worden gerealiseerd om ook het bestaande teeltgedeelte verder te kunnen automatiseren. Tevens is een verdere uitbreiding van 6.336 m² glasopstanden met bijbehorende loods aan de noordzijde noodzakelijk. In totaal bedraagt de uitbreiding van de glasopstanden hiermede 15.072 m² en komt de totale glasoppervlakte inclusief de bestaande glasopstanden van 16.420 m2 uit op 31.492 m2. In bijlage 1 is een situatietekening opgenomen van de bestaande situatie inclusief geplande uitbreiding van de bedrijfslocatie waarvan ook een uitsnede is opgenomen als afbeelding 3. Op deze afbeelding is ook de dijkversterking weergegeven, welke reeds vergund is. Deze dijkversterking wordt op korte termijn gerealiseerd. Na de dijkversterking komt het bedrijf richting de maaszijde achter een hogere dijk te liggen. De voor de uitbreiding benodigde gronden zijn inmiddels verworven. Het vigerende bouwvlak heeft de enkel bestemming “Agrarisch-Glastuinbouw”. De geplande uitbreiding is momenteel in hoofdzaak bestemd voor “Agrarisch met waarden” voor een deel hebben de gronden reeds de enkel bestemming “Agrarisch-Glastuinbouw”.
De gronden met de enkel bestemming “Agrarisch met waarden” zijn vooral bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. Om het gewenste gebruik mogelijk te maken is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
4
afbeelding 3, overzichtstekening bestaande en toekomstige situatie
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
5
Hoofdstuk 2.
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
2.1
Europees en Nationaal beleid 2.1.1
Structuurvisie infrastructuur en ruimte (2012)
De kaders van het nieuwe rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie heeft als credo 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig'. De SVIR omvat drie hoofddoelen, die als volgt zijn geformuleerd: 1. Concurrerend Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; 2. Bereikbaar Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. Leefbaar en veilig Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. De nationale belangen hebben onder andere betrekking op bijvoorbeeld ruimte voor waterveiligheid, behoud van nationale unieke cultuurhistorische kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur. De juridische borging van de nationale belangen in bestemmingsplannen vindt plaats door middel van de AMvB Ruimte. 2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan gemeenten opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in de AMvB Ruimte. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden. Van de nationale belangen die in de AMvB Ruimte zijn geregeld, zijn de volgende van toepassing op het plangebied:
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
7
•
•
Grote rivieren De Maas behoort tot de vier grote rivieren van Nederland. Het nationale belang strekt zich tot het vrijhouden van het stroomvoerend deel van het rivierbed en het tegengaan van grootschalige en kapitaalintensieve ontwikkelingen die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren. In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met het rivierbed door middel van de gebiedsaanduiding “rivierdal”. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden tevens bedoeld voor de instandhouding van het rivierdal. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament Gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van een primaire waterkering hebben worden bestemd als 'waterkering'. De beschermingszone wordt weergegeven met een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' wanneer er sprake is van een dijk en in alle overige gevallen met een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - waterstaatswerk'. Wijzigingen van bestemmingen op gronden met de functie van primaire waterkering of beschermingszone zijn alleen mogelijk als daardoor geen belemmeringen ontstaan voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering. De betreffende dubbelbestemmingen en aanduidingen worden in onderhavig bestemmingsplan opgenomen.
• afbeelding 4, Aanduiding "Rivierbed" binnen de algemene regels ruimtelijke ordening.
De locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘Rivierbed”. Voor het verlies aan waterbergend vermogen dient er compensatie plaats te vinden. 2.1.3
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. De Wnb betreft zowel soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als bescherming van (Europese) natuurgebieden (voorheen Natuurbeschermingswet 1998). De soortenbescherming is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving. De gebiedsbescherming is gericht op het beschermen van (natuur)gebieden. Deze natuurgebieden betreffen onder andere de zogenoemde "Speciale Beschermingszones" op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Samen worden deze zones aangeduid als het "Natura 2000 netwerk". Op grond van de Wnb moet wanneer er bij ontwikkelingen sprake is van een "significant (negatief) effect" op een Natura 2000-gebied een zogenoemde "passende beoordeling" worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
8
Natura 2000 bestaat uit een Europees netwerk van belangrijke natuurgebieden. Het netwerk wordt beschermd door twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van strikt te beschermen gebieden, zogenaamde 'speciale beschermingszones'. In Nederland is de bescherming van de speciale beschermingszones geregeld via de Natuurbeschermingswet 1998.
Plangebied
afbeelding 5, Ligging Natura 2000-gebieden
Nabij het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen natura 2000gebied is op ca. 1.250 m. afstand het Swalmdal. Daarnaast liggen op een afstand van ca. 4 km. Het Leudal en enkele natura 2000-gebieden in Duitsland. Gezien de aard van de ontwikkeling en de ruime afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied zijn er geen significant negatieve effecten op deze gebieden. Zie ook paragraaf 4.5.1. voor een nadere afweging op dit punt. 2.1.4
Ladder duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
9
Conform art. 1.1.1 van het betreffende besluit is een stedelijke ontwikkeling een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De onderhavige wijziging van het bestemmingsplan is geen stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking is niet nodig.
2.2
Provinciaal beleid 2.2.1
Provinciaal omgevingsplan Limburg
Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (het POL) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Limburg en is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid. Het POL wordt doorlopend geactualiseerd en aangevuld. In het vervolg van deze paragraaf wordt steeds uitgegaan van de meest actuele vastgestelde POL aanvulling. De diverse POL aanvullingen worden periodiek verwerkt in de perspectieven kaart. Daarnaast vindt momenteel een actualisatie plaats waarbij de Ontwerp Omgevingsvisie Limburg ter inzage is gelegd in de periode van 7 september t/m 18 oktober 2020. 2.2.1.1
Zonering
Plangebied
afbeelding 6, POL kaart1, zonering Limburg
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
10
Toetsing. Het projectgebied is op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als Bronsgroene landschapszone. De basis voor deze zone wordt gevormd door de rivier- en beekdalen en de steilere hellingen. Het betreft overwegend landbouwgronden maar ook andere functies als verblijfsrecreatieve terreinen, woningen en linten van bebouwing kunnen voorkomen. De zonering is indicatief op kaart gezet, gemeenten kunnen dit verder specificeren. In het POL is opgenomen dat hier ruimte is voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De gemeente heeft de bronsgroene landschapszone overgenomen in het bestemmingsplan. Het voorliggende initiatief past binnen het beleid zoals dat is vastgesteld voor de bronsgroene landschapszone. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bronsgroene landschapszone' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en of versterking van de kernkwaliteiten binnen de 'Bronsgroene landschapszone' volgens het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014'. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bronsgroene landschapszone' niet worden gebouwd, anders dan afrasteringen van maximaal 1 meter hoog, ten behoeve van agrarische beheer. Het bestemmingsplan kent geen regels die de gevraagde uitbreiding mogelijk maken.
Dit betekent dat de uitbreiding alleen mogelijk is indien dit niet in strijd is met de beleidsdoelstellingen van de bronsgroene landschapszone. Het bestemmingsplan maakt het, met een wijzigingsbevoegdheid mogelijk, om over te gaan tot vergroting van het bouwvlak. Ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf. 2.2.2
Provinciale omgevingsverordening
Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Glastuinbouw Voor de glastuinbouw streeft de provincie Limburg een verdergaande concentratie en clustering na. Dit doet ze door nieuwvestiging enkel toe te staan in de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
11
Het plangebied is gelegen buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw. Buiten de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw is doorgroei, boven de 3 hectare glasopstanden, onder voorwaarden mogelijk in combinatie met sloop van bestaande kassen waarbij een sloopverhouding wordt gehanteerd van 2 m² te slopen glasopstanden per m² nieuwe glasopstanden. Dit is beleidsmatig vastgelegd in het Limburgse Kwaliteitsmenu. De gemeenten Venlo, Horst aan de Maas, Peel en Maas hebben deze module uitgewerkt in een regionale glas-voor-glasregeling. Overige gemeenten kunnen zelf een gemeentelijke uitwerking van de module glastuinbouw uit het Limburgs Kwaliteitsmenu opstellen of aansluiten bij de genoemde gemeenten. Gezien het beperkte belang van de glastuinbouw binnen de gemeente Beesel heeft deze gemeente geen apart beleid voor de glastuinbouw. De achterliggende gedachte van de regeling is het gelijktijdig verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van Limburg en het bieden van uitbreidingsruimte aan de glastuinbouw. Het steven is een geleidelijke afbouw op minder duurzame locaties. Dit betekent dat vergroting van een bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan in de Goudgroene natuurzone en Zilvergroene natuurzone. Onderhavige locatie is niet gelegen in de Goudgroene of Zilvergroene natuurzone. De gewenste uitbreiding van het bouwvlak is niet in strijd met dit beleid.
2.3
Gemeentelijk beleid 2.3.1
Structuurvisie
De gemeente Beesel heeft op 13 oktober 2011 haar structuurvisie vastgesteld. In deze Structuurvisie Beesel heeft de gemeenteraad de hoofdlijnen van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen en de hoofdzaken van het te voeren ruimtelijk beleid vastgesteld. Per deelgebied zijn de specifieke kernkwaliteiten, het streefbeeld voor de toekomst (2030), en de bijbehorende ontwikkelingsrichtingen uitgewerkt. De landbouw is een drager van een vitaal landelijk gebied. Ontwikkelingsrichting in het buitengebied is onder meer om de landbouw zo veel mogelijk de ruimte te geven binnen de randvoorwaarden die het landschap eraan stelt. De provincie Limburg heeft het Limburgs Kwaliteitsmenu (hierna: LKM) opgesteld. Het LKM is een uitwerking van het POL. Het gemeentelijk kwaliteitsmenu (hierna: GKM) is opgenomen in de Structuurvisie Beesel. Op basis van het GKM zijn alle mogelijke ontwikkelingen buiten de contouren door de gemeente in modules uitgewerkt. Tabel 7.1 geeft aan waar welke ontwikkeling mogelijk is. Volgens tabel 7.1 is uitbreiding van glastuinbouw een ontwikkeling in het buitengebied die in het gebiedstype gemeente Beesel niet is toegestaan in bos- en natuurgebied, het rivierdal en de beekdalen. In open agrarisch gebied is uitbreiding alleen mogelijk binnen het bouwblok.
in overige agrarische gebieden is uitbreiding mogelijk zolang deze de kleinschaligheid van het landschap niet aantast en past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. In het GKM is ook voor de uitbreiding van glastuinbouw de bijdrage in het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu beschreven. Een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing en afkoppelen van hemelwater is altijd een voorwaarde bij een ontwikkeling in het buitengebied. Aanvullend op het vereiste van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing en de afkoppeling van het hemelwater moet een extra kwaliteitsverbetering worden gerealiseerd. Die kwaliteitsverbetering bestaat uit de sloop van solitair gelegen glasopstanden. De norm voor de verhouding tussen uitbreiding en sloop van glasopstanden in netto vierkante meters is 1:2. Indien feitelijk compenseren niet mogelijk is, kan een bijdrage worden gestort in het gemeentelijk kwaliteitsfonds. Deze bijdrage wordt dan besteed aan landschapsontwikkeling passend in de omgeving zoals uitgewerkt in het gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan (LOP). Borging van de kwaliteitsverbeterende maatregelen vindt plaats door een voorwaardelijke bepaling in de omgevingsvergunning en door het sluiten van een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
12
Vanuit de gemeente Beesel is advies gevraagd aan BRO voor wat betreft het gemeentelijk kwaliteitsmenu. In de Structuurvisie Beesel is wel al aangegeven binnen welke gebiedstypen de gemeente de uitbreiding van glastuinbouw aanvaardbaar c.q. wenselijk acht. Deze gebiedstypen kunnen worden beschouwd als locaties die toekomstbestendig zijn voor glastuinbouw. Volgens de structuurvisiekaart is de betreffende locatie aan de Ouddorp 9 gelegen binnen een gebiedstype waar de uitbreiding van glastuinbouw aanvaardbaar is. Op basis hiervan kan ervan worden uitgegaan dat dit een toekomstbestendige locatie betreft en kan op basis van de bestuursafspraken gemotiveerd afgeweken worden van het huidige gemeentelijk beleid waardoor alleen een sloopverplichting van toepassing is voor het deel van de uitbreiding boven de 3 hectare netto glasopstand. In het vigerende bestemmingplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de vergroting van het bestemmingsvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf. In de planregels zijn de voorwaarden opgenomen voor medewerking aan deze wijzigingsbevoegdheid.
Tot slot is nog van belang dat in het van zienswijzenrapport van het bestemmingsplan Buitengebied als reactie is opgenomen dat een uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf in beginsel niet past op gronden met de aanduiding 'kernrandzone' en 'rivierdal', echter dat hieraan eventueel toch medewerking kan worden verleend, indien kan worden aangetoond dat met een uitbreiding per saldo een substantiële ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt geleverd. Daarbij ligt het bedrijf binnenkort, na de dijkversterking, welke reeds vergund is achter de binnenkort te versterken dijk. Uit het voorgaande blijkt dat de gevraagde ontwikkeling onder voorwaarden voldoet aan het gemeentelijk beleid. 2.3.2
Beste locatie keuze / alternatievenonderzoek
Kwekerij Bouten B.V. is een glastuinbouwbedrijf dat is gevestigd en geworteld aan de rand van Beesel. Binnen het bedrijf worden producten geproduceerd die voor een belangrijk deel in de regio worden afgezet. Hiervoor wordt voornamelijk gebruik gemaakt van medewerkers uit de directe omgeving van het bedrijf. Het elders oprichten van de “uitbreiding” zou leiden tot een ongewenste splitsing van de bedrijfsactiviteiten. Als gevolg van het noodzakelijke transport tussen de vestigingen zouden de bedrijfskosten sterk stijgen. In een sterk competitieve markt met veel concurrenten op lokaal en regionaal niveau kunnen deze meerkosten niet doorberekend worden aan de klanten. Ook zou dit leiden tot een aanvullende, onnodige extra, uitstoot van b.v. CO 2 en stikstofoxiden. Het bedrijf heeft daarnaast ook een zeer sterke band met de bevolking van Beesel en andere in de directe nabijheid gelegen dorpen. Niet alleen zijn de eigenaren er geboren en woonachtig maar ook een aanzienlijk deel van het personeel is afkomstig uit deze plaats. Als gevolg van de sterk wisselende afzet is men in belangrijke mate afhankelijk van tijdelijke, zeer flexibel ingestelde, arbeidskrachten. Het oprichten van de uitbreiding op een andere locatie is voor het bedrijf alleen zinvol indien dit gepaard gaat met een verplaatsing van de bestaande bedrijfsactiviteiten naar de nieuwe locatie.
Dit heeft tot gevolg dat niet alleen geïnvesteerd dient te worden in een nieuwe loods en bijbehorende glasopstanden maar ook in een verplaatsing van de huidige bedrijfsactiviteiten. Gezien de aard van het bedrijf de samenstelling van het personeelbestand en de totale met een verplaatsing gepaard gaande kosten is een dergelijke verplaatsing van het bedrijf niet realistisch.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
13
Hoofdstuk 3. 3.1
PLANBESCHRIJVING
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen nabij de Maas, op een afstand van ca. 150 m. van de kern de kern Beesel. De locatie is gelegen in de gemeente Beesel, sectie 2N, nummers 318, 329, 330, 331, 332, 379 en 387. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 4,9 hectare.
afbeelding 7, topografische kaart met indicatief plangebied (rood omlijnd).
Het plangebied maakt deel uit van de kernrandzone van Beesel en grenst aan een gebied met open bouwland gelegen tussen de Maas en de zone met bossen op de terrasrand ten zuidoosten van het plangebied. Het ruimtelijk kader wordt gevormd door navolgende elementen: a. De bebouwing en beplanting van het ten westen gelegen erf met de molen. b. De eiken ten noordwesten van het plangebied, c. Bebouwing en beplanting op ten noorden gelegen erven in de kernrandzone van Beesel, d. Een groep solitaire bomen ten noordoosten van het plangebied, e. Het bosje ten zuidoosten van het plangebied, een bomenrij en een groensingel ten oosten hiervan.
3.2
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
Kwekerij Bouten B.V. exploiteert op de locatie “Ouddorp 9 te Beesel” sinds 1975 een glastuinbouwbedrijf. In de kas met een oppervlakte van 16.420 m2 teelt men een zeer uitgebreid assortiment planten. Een belangrijk deel van de afzet vindt plaats via de eigen winkel bij het bedrijf. Om een gezond bedrijf te houden is het noodzakelijk de aangegeven bedrijfsuitbreiding op korte termijn te kunnen realiseren..
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
15
Het voorgenomen bouwplan bestaat uit realisatie van 8.736 m² glasopstanden aan de zuidzijde van de bedrijfslocatie met bijbehorende loods. Het is cruciaal dat deze uitbreiding aan de zuidzijde kan worden gerealiseerd om ook het bestaande teeltgedeelte verder te kunnen automatiseren. Tevens is een verdere uitbreiding van 6.336 m² glasopstanden met bijbehorende loods aan de noordzijde noodzakelijk. In totaal bedraagt de uitbreiding van de glasopstanden hiermede 15.072 m² en komt de totale glasoppervlakte inclusief de bestaande glasopstanden van 16.420 m2 uit op 31.492 m2. De bedrijfsuitbreiding om de kwekerijactiviteiten uit te breiden is noodzakelijk op basis van navolgende aspecten: • Afnemers vragen om partijen van voldoende grote omvang. Alleen dan is het mogelijk om rechtstreeks met hen, zonder tussenkomst van derden zaken met ze te doen; • Binnenkort wordt het EG plantenpaspoort geïntroduceerd. Om hiermee op een effectieve manier te kunnen werken is een voldoende grote omvang noodzakelijk; • De eisen die gesteld worden aan de productie worden steeds strenger.
De investeringen die noodzakelijk zijn om hieraan te voldoen zijn alleen mogelijk bij een voldoende grote omvang; • Het bestaande productie proces kan efficiënter worden ingericht door verdere automatisering zodat de stijgende vaste kosten van diverse machines en installaties over een grotere glasoppervlakte te kunnen verdelen om een acceptabele kostprijs te behouden; • De bestaande kassen zijn moeilijk te goed in te richten voor “warme” teelten. Dit is noodzakelijk om ook in de winter te kunnen produceren. Particuliere en andere afnemers willen graag jaarrond zaken doen met dezelfde toeleveranciers. Ook is de arbeidsbehoefte dan beter verdeeld over de 4 seizoenen. Een goede arbeidsverdeling is nodig om personeelsleden te behouden voor het bedrijf; • Vaste personeelsleden zijn moeilijk te verwerven als er 2 maanden weinig werk en 2 maanden veel werk is er dient dus een bredere vaste basis in de winterperiode te zijn; Gezien de recente investeringen, het belang van de huisverkoop, en de regionale binding met het personeel, is verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie geen haalbare optie.
afbeelding 8, Luchtfoto met plangebied
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
16
3.3
Stedenbouwkundige/ruimtelijke aspecten
Historie Het plangebied is gelegen nabij de Maas, ten zuidwesten van de kern Beesel, maakt deel uit van de kernrandzone van Beesel en grenst aan een gebied met open bouwland gelegen tussen de Maas en de zone met bossen op de terrasrand ten zuidoosten van het plangebied. In het begin van de vorige eeuw was het plangebied in gebruik als bouwland. Het maakte deel uit van een gebied met open bouwland. Het landschap glooide lichtjes, werd gekenmerkt door het voorkomen van zw-no gerichte hoogteverschillen bestaande uit ruggen of lage duinen en randen van door de Maas gevormde terrassen. Met name de terrasranden waren minder bruikbaar als akkerland, werden meestal niet in gebruik genomen. Ten zuidoosten van het plangebied werd was in die tijd een langgerekte zone met heide en bos. In de eerste helft van de 20st eeuw veranderde in het plangebied relatief weinig. Het bosje ten zuidoosten van het plangebied werd deels gerooid. In de jaren zestig werden teeltvoorzieningen en een bebouwing op het ten noordwesten van de weg, aan de Maas gelegen perceel en een boomgaard ten noordoosten van het plangebied gerealiseerd. In de jaren zeventig werden teeltvoorzieningen en een bebouwing ten zuidoosten van de weg gerealiseerd. Het bosje ten zuidoosten van het plangebied werd grotendeels gerooid.
In de jaren tachtig werd de Maas verbreed en werd de bebouwing en de teeltvoorzieningen ten zuidoosten van de weg, in het plangebied uitgebreid. In de jaren negentig werd de kas uitgebreid. karakteristiek De landschappelijke context is te kenschetsen als nabij de Maas gelegen oud bouwland. Kenmerkend voor de inpassing van erven in deze context is het voorkomen van; a. geschoren hagen, hoogstamfruitbomen en solitaire bomen als noot en kastanje nabij de bebouwing, b. grove gemengde hagen of bomenrijen aan de veldkanten. In de eerste helft van de 20st eeuw veranderde in het plangebied en de context relatief weinig. In de jaren zestig werden teeltvoorzieningen en een bebouwing op het ten noordwesten van de weg, aan de Maas gelegen perceel en een boomgaard ten noordoosten van het plangebied, gerealiseerd. In de jaren zeventig werden teeltvoorzieningen en een bebouwing ten zuidoosten van de weg gekarteerd. Het bosje ten zuidoosten van het plangebied werd grotendeels gerooid. In de jaren tachtig werd de Maas verbreed en werd de bebouwing en de teeltvoorzieningen ten zuidoosten van de weg, in het plangebied uitgebreid. In de jaren negentig werd de kas uitgebreid. Het bosje ten zuidoosten van de kas werd weer grotendeels als bos gekarteerd.
3.4
Vigerend bestemmingsplan.
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit . Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 2.3. 3.4.1
Vigerend bestemmingsplan
De locatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel’, van de gemeente Beesel. Dit plan is vastgesteld bij raadsbesluit van d.d. 24 juni 2013 en deels onherroepelijk en in werking. Op 25 september 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Beesel een Veegplan voor het buitengebied vastgesteld. Dit plan is geheel onherroepelijk. Op 26 september 2017 heeft de gemeenteraad het ‘bestemmingsplan buitengebied Beesel’ (geconsolideerd) vastgesteld.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
17
Deze geconsolideerde versie is een gebruiksvriendelijke weergave van eerdere bestemmingsplannen. Het is geen nieuw bestemmingsplan dat door de gemeenteraad van Beesel is vastgesteld, maar slechts een integrale (en daardoor beter leesbare) weergave van de bovengenoemde geldende bestemmingsplannen. Aan deze integrale (geconsolideerde) versie van het bestemmingsplan kunnen derhalve geen rechten worden ontleend.
afbeelding 9, uitsnede vigerend bestemmingsplan
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel” Voor de locatie is de navolgende detailinformatie van belang; • Enkelbestemming; o Agrarisch – Glastuinbouw o Agrarisch met waarden • Dubbelbestemming; o Archeologie Het gehele plangebied is voorzien van deze dubbelbestemming. o Waterstaat – Rivierbed Het gehele plangebied is voorzien van deze dubbelbestemming. o Waarde – Ecologische hoofdstructuur
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
18
•
Bouwvlak
•
Functieaanduiding specifieke vorm van detailhandel – kwekerij. Het gehele bouwvlak is van deze aanduiding voorzien. Gebiedsaanduiding o Kernrandzone. Het gehele plangebied is van deze gebiedsaanduiding voorzien. o Hoge archeologische verwachtingswaarde.
•
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
19
o
Lage archeologische verwachtingswaard
afbeelding 10, Vanwege een eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek heeft het rood omlijnde gebied geen archeologische verwachtingswaarde.
o o o o
Rivierdal. Het gehele plangebied is van deze gebiedsaanduiding voorzien. Reconstructiewetzone – verwevingsgebied. Het gehele plangebied is van deze gebiedsaanduiding voorzien. Vrijwaringszone – molenbiotoop. Het gehele plangebied is van deze gebiedsaanduiding voorzien. Vrijwaringszone – waterstaatswerk 1
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
20
o
Vrijwaringszone – waterstaatswerk.2.
Bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied gemeente Beesel;’ Voor de locatie is de navolgende detailinformatie van belang: • Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone verwevingsgebied te vervallen. Voor de gehele locatie vervalt hiermede deze gebiedsaanduiding; • Dubbelbestemming: o Waarde – Ecologische hoofdstructuur te vervallen.
. Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Ecologische Hoofdstructuur te vervallen' vervalt de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologische Hoofdstructuur'. •
Gebiedsaanduidingen
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
21
• afbeelding 11, Overzicht gebiedsaanduidingen
Wijzigingsregels Het vigerende bestemmingsplan geeft in art. 10.8.4 het college van Burgemeester en wethouders de bevoegdheid de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaand glastuinbouwbedrijf, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, met dien verstande dat: a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond; De onderhavige uitbreiding is noodzakelijk voor een gezonde toekomst van het bedrijf. Zie hiervoor ook het toegevoegde Bedrijfsontwikkelingsplan, bijlage 5. Ook is door de “Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal” positief geadviseerd over dit bedrijfsontwikkelingsplan in combinatie met het landschappelijk inpassingsplan. b. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; Het bedrijf is gezien zijn omvang meer dan volwaardig. c. de oppervlakte van het bouwvlak maximaal 3 ha. bedraagt; De oppervlakte bedraagt na de uitbreiding meer dan 3 ha en hiermede wordt niet voldaan aan deze wijzigingsregel. d. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van: 1. de bestemmingen 'Waarde - Ecologische Hoofdstructuur te vervallen' of 'Waarde Provinciale ontwikkelingszone groen te vervallen'; 2.
de aanduidingen 'bos en natuur', 'kernrandzone', 'rivierdal' en 'open agrarisch gebied'; De gronden zijn gelegen in een gebied met de aanduidingen 'kernrandzone' en ‘rivierdal’ en hiermede wordt niet voldaan aan deze wijzigingsregel.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
22
e. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits: 1. de kleinschaligheid van het landschap niet wordt aangetast 2. de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden; De uitbreiding past binnen het aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische natuurlijke waarden. Ook wordt de kleinschaligheid van het landschap niet aangetast. f. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten in het lint naar het achtergelegen gebied niet onevenredig worden aangetast; De uitbreiding vindt niet plaats binnen het bebouwingslint. g. elders tenminste twee keer zoveel bestaand glas wordt gesloopt dan met het wijzigingsplan aan nieuwe glasopstand mogelijk wordt gemaakt; • Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het advies vanuit de “Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal” dient 2 m² per m² uitbreiding van de glasopstanden boven de 3 hectare netto glas afgedragen te worden aan het gemeentelijk kwaliteitsfonds. h. indien een (regionaal) fonds aanwezig is waaruit de sloop van bestaande glasopstanden wordt gefinancierd, in afwijking van het bepaalde onder g.
een bijdrage kan worden gestort in dat fonds die overeenkomt met het in dat fonds afgesproken normbedrag per m2, vermenigvuldigd met twee keer de oppervlakte van de nieuwe glasopstand die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt; • Conform advies vanuit de “Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal” dient 2 m² per m² uitbreiding van de glasopstanden boven de 3 hectare netto glas afgedragen te worden aan het gemeentelijk kwaliteitsfonds. i. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 5. Er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5. Conclusie De gevraagde uitbreiding voldoet niet aan de voorwaarden die hiervoor in de wijzigingsregels zijn opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Dit men name op onderstaande punten: o De beoogde oppervlakte van het nieuwe bouwvlak bedraagd meer dan 3 ha. o De locatie is gelgen binnen de aanduidingen 'kernrandzone' en ‘rivierdal’. Doordat niet voldaan wordt aan de voorwaarden van het bestemmingsplan is voor de realisatie van de uitbreiding een buitenplanse wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Er dient voldaan te worden aan de diverse voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening. Vanuit de gemeente Beesel is advies gevraagd aan BRO voor wat betreft de maximale bouwvlakmaat in de wijzigingsregels.
BRO heeft de gemeente geadviseerd om aan te sluiten op de recente (eind 2018) vastgestelde regionale afspraken waarbij een referentiemaat van 3 hectare netto glasopstand van toepassing is. Ten aanzien van de sloopverplichting bij de uitbreiding van glastuinbouw is een tekstvoorstel gedaan voor de voorwaarden bij de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en bouwvlak van een bestaand glastuinbouwbedrijf. Hiermee sluit deze regeling aan op het beleid in omliggende gemeenten, waar alleen een sloopverplichting in een verhouding 1:2 geldt bij uitbreidingen boven de referentiemaat van 3 hectare netto glasopstand. Gelet op de actuele regionale bestuursafspraken bij het POL2014 voor de regio Noord-Limburg, waarin één van de opgaven is om voldoende ontwikkelruimte te creëren voor glastuinbouw op toekomstbestendige locaties, is het redelijk om de sloopverplichting in Beesel los te laten voor toekomstbestendige locaties kleiner dan de referentiemaat van 3 hectare en deze alleen nog op te leggen voor het deel van een uitbreiding dat groter is dan 3 hectare. Daarnaast wordt een dijkversterking doorgevoerd waarna status ‘rivierbed’ kan worden opgeheven bij gebieden achter een versterkte kering in de Limburgse Maasvallei.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
23
3.5
Landschappelijke inpassing en water
Het planvoornemen dient op een ruimtelijke en landschappelijke kwalitatieve wijze te worden ingepast in de omgeving. Daarvoor is een landschapsinrichtingsplan opgesteld, zie bijlage 4, waarin wordt onderbouwd wordt hoe de beoogde ontwikkelingen gepaard gaat met een verbetering van de kwaliteit van de omgeving. Daarbij dient te worden voldaan aan de voorwaarden die aan een dergelijke bedrijfsontwikkeling worden gesteld conform het Limburgs Kwaliteitsmenu. Kort samengevat worden onder deze voorwaarden (agrarische) bedrijfsontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarbij tegelijkertijd als tegenprestatie de omgevingskwaliteit wordt verbeterd. Bedrijfsontwikkelingsplan (BOP) en tegenprestatie In het BOP geeft de initiatiefnemer inzicht in de aard van de voorgenomen ontwikkelingen en de effecten hiervan op de omgevingskwaliteit. Het initiatief moet in ieder geval passen binnen het POLbeleid. Omdat het planvoornemen mogelijkerwijs leidt tot aantasting van de omgevingskwaliteit, dient door de initiatiefnemer een duurzame tegenprestatie te worden geformuleerd, gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Het opgestelde BOP en het Landschappelijk inpassingsplan gaat in op de genoemde voorwaarden en hoe daar aan wordt voldaan. In deze bestemmingsplantoelichting is de onderbouwing van het planvoornemen, zoals in het BOP verwoord, integraal verwerkt, zie ook bijlage 6.
Het bedrijfsontwikkelingsplan is tezamen met het landschappelijk inpassingsplan voorgelegd aan de kwaliteitscommissie welke positief geadviseerd heeft. Het advies van de kwaliteitscommissie is opgenomen in bijlage 3. 3.5.1
Landschappelijke inpassing
De landschappelijke context is te kenschetsen als nabij de Maas gelegen oud bouwland. Kenmerkend voor de inpassing van erven in deze context is het voorkomen van; a. geschoren hagen, hoogstamfruitbomen en solitaire bomen als noot en kastanje nabij de bebouwing, b. grove gemengde hagen of bomenrijen aan de veldkanten. Het plangebied maakt deel uit van de kernrandzone van Beesel en grenst aan een gebied met open bouwland gelegen tussen de Maas en de rug met bossen ten zuidoosten van het plangebied. Betreffende de ruimtelijke beleving is een onderscheid te maken tussen de beleving uit de nabijheid en de beleving over grotere afstand. De noordwestkant toont zich als de voorkant en wordt uit de nabijheid waargenomen vanaf de Maaskant (Ouddorp en Kerkeveldweg), de noordoostkant en kleinere delen van de zuidoostkant zijn te beschouwen als zijkant en achterkant, worden waargenomen vanaf de Kernrandzone van Beesel. De zuidwestkant wordt waargenomen over grote afstand via het open bouwland; de molen, het bos en doorkijken op de Maas kleuren het beeld. De aanwezige beplanting bestaat uit eiken, beukenhagen en een bosje. Deze elementen sluiten qua beeld en verschijningsvorm goed aan bij de kenmerken van de landschappelijke context. De beplanting verkeert in goede conditie. Het bosje is eigendom van derden. De ontwikkeling omvat een uitbreiding van de kassen en de loodsen.
Parallel hieraan zal de in de jaren 90 gerealiseerde nooddijk worden verhoogd en in zuidoostelijke richting worden doorgetrokken. Het bedrijf zal conform de huidige situatie worden ontsloten. Aan de zuidwestkant zal een laaddock worden toegevoegd. De eiken aan de westkant zullen worden gerooid in het kader van de dijkverzwaring. Het plangebied richt de voorkant op de Maas, de zijkanten op de kernrandzone en de nieuwe dijk met daar achtergelegen oud bouwland, de achterzijde van oudsher op het bosje en het bos. Dit voerde naar de navolgende situatieve grondslag per zijde; a) Maaskant; transparantie, lagere verfijnde hagen. b) Kernrandzone; grovere hagen en hoogstamfruit. c) Openbouwland + nieuwe dijk: in stand houden openheid, dijk schermt af, lijft het plangebied in bij de kernrandzone. d) Boskant; beslotenheid bewaren, accentueren hoogteligging door infiltratiegreppels.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
24
Het beplantingsplan omvat op grond van het voorafgaande de realisatie van navolgende elementen: a) B1 Zuilvormige haagbeuken; b) H1 geschoren hagen van beuk, c) H2 gemengde hagen (beuk, liguster, haagbeuk, veldsdoorn), d) V1 hoogstamfruitbomen, e) G1 kruidenrijk grasland. richtlijnen aanleg en beheer Betreffende de aanleg en het beheer zijn de navolgende richtlijnen te hanteren: o B1 De haagbeuken zullen worden opgekroond tot een hoogte van 200-250 cm. o H1 De hagen zijn te realiseren middels de aanplant van 4 stuks plantmateriaal per meter. De omvang bij aanplant bedraagt 60-80 cm per meter. De hagen zijn in stand te houden op een hoogte van 80-90 cm. o H2 De hagen zijn te realiseren middels de aanplant van 4 stuks plantmateriaal per meter. De omvang bij aanplant bedraagt 80-100 cm per meter. De hagen zijn in stand te houden op een hoogte van 120-130 cm. o V1 De hoogstamfruitbomen zijn aan te planten in de stamomvang 12/14 cm. De bomen zijn te voorzien van een boompaal en conform goed gebruik jaarlijks te snoeien. o G1 De stroken met grasland zullen worden ingezaaid met een mengsel voor de ontwikkeling van kruidenrijk grasland op lemige zandgronden; bv mengsel 508 van Pleijboza. Het grasland zal 1 tot 2 x per jaar, na 1 augustus worden gemaaid, het maaisel zal worden afgevoerd. 3.5.1.1
Kwaliteitsbijdrage
Naast de landschappelijke inpassing is conform het GKM (gemeentelijk kwaliteitsmenu) een kwaliteitsbijdrage te leveren. De navolgende aspecten zijn als kwaliteitsbijdrage te rangschikken: a. Beschikbaar stellen van grond voor de aanleg van de dijk (ter hoogte zuidwestkant van het plangebied). b. In stand houden van openheid; inrichten en beheren van de ruimte rond de kassen aan de noordwestkant, zuidoostkant en zuidwestkant als kruidenrijk grasland. c. De noordoostelijke en zuidoostelijke oevers van de infiltratievoorziening aan de zuidwestkant glooiiend profileren om de ontwikkeling van de oevervegetatie en betekenis voor amfibien te versterken. d. Het leveren van de financiële kwaliteitsbijdrage zoals is vastgelegd in het advies van het Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
25
Hoofdstuk 4. 4.1
RANDVOORWAARDEN / ONDERZOEKEN
Milieu 4.1.1
Milieu effect rapport
In 2001 is de Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen opgesteld. In 2006 is deze richtlijn geïmplementeerd in de Nederlandse milieuregelgeving door middel van een wijziging van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994. Bij deze wijzigingen is de figuur van de planmer (mer = milieueffectrapportage) geïntroduceerd. Ten aanzien van plannen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn overheden verplicht een plan-mer uit te voeren. De plan-mer dient een passende beoordeling van de gevolgen van het plan voor het milieu te bevatten. Ook ten aanzien van bestemmingsplannen welke mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben geldt deze onderzoeksplicht onder voorwaarden. Onderhavig plan valt niet onder de in onderdeel C of onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten. Geconcludeerd wordt derhalve dat het opstellen van een milieueffectrapportage of beoordeling in de onderhavige situatie niet nodig is. 4.1.2
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Het Activiteitenbesluit)
In het besluit zitten algemene regels voor bedrijven die onder de Wm vallen en voorheen een milieuvergunning nodig hadden. Het Barim (Activiteitenbesluit) maakt onderscheid tussen 3 categorieën van bedrijven: type A, B en C. Het hangt af van de milieubelasting, onder welke categorie een bedrijf valt. Type A bedrijven moeten zich houden aan de regels van het Barim (Activiteitenbesluit) maar zijn niet meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Type B bedrijven zijn wel meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Voor type C bedrijven geldt dat zij (voor het onderdeel milieu) nog steeds een omgevingsvergunning moeten aanvragen Het Activiteitenbesluit is een Algemene Maatregel van Bestuur. Het betekent dat bedrijven aangeduid met het begrip inrichting, die onder dit besluit vallen, geen aparte vergunning nodig hebben, maar wel moeten voldoen aan de regels uit het besluit. De regels zijn bedoeld om een zo groot mogelijke bescherming van het milieu te bereiken. Meer specifiek gaat het daarbij om het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van gevaar, schade of hinder voor de directe omgeving. Daarnaast zijn meer op preventie gerichte voorschriften opgenomen over verwijderen, voorkomen en hergebruiken van afvalstoffen en zuinig gebruik van energie en water.
De vergunningplicht betreft: • Omgevingsvergunning milieu (Wabo, artikel 2.1 onder e) en/of • Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (Wabo, artikel 2.1 onder i). De Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) is een toestemming van het bevoegd gezag voordat een bedrijf kan starten met deze activiteiten. Deze vergunning bevat verder geen voorschriften. Sinds 1 januari 2011 heeft een bedrijf deze vergunning nodig voor specifiek aangewezen activiteiten. Het onderhavige initiatief heeft betrekking op een glastuinbouwbedrijf welke aangemerkt wordt als een type B inrichting. Gelijktijdig met de ter zijner tijd in te dienen omgevingsvergunning voor de activiteit bouw zal een melding gedaan worden conform het activiteitenbesluit. Vanuit de raad zijn nog een tweetal vragen gesteld. Vraag 1: “Hoe wordt getoetst of de aanvraag past binnen de gemeentelijke duurzaamheidsvisie van voorjaar 2019? Met name t.a.v. gebruik fossiele brandstoffen en energiebesparing”.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
27
Vraag 2: “Zal er, door de 4 seizoenenteelt, ook sprake (kunnen) zijn van lichtemissie naar de omgeving en wordt dit getoetst aan milieueisen? Met andere woorden is er een vergunning voor lichtemissie en gaat de ondernemer telen met behulp van kunstlicht?” Antwoord vraag 1: De kwekerij maakt gebruik van aardgas. Na realisatie van de nieuwbouw zal er een nieuwe ketelinstallatie worden geplaatst waarbij in de nieuwe energiezuinige glasopstanden de gewassen worden geteeld met meer energiebehoefte en in de bestaande glasopstanden de energie extensiever gewassen geteeld gaan worden. Daarnaast heeft de kwekerij het voornemen om zijn elektraverbruik te gaan verduurzamen middels een investering in zonnepanelen op het dak van het bedrijfsgebouw. Antwoord vraag 2: Er is geen voornemen vanuit de initiatiefnemer om gebruik te gaan maken van belichting voor de teelt van de gewassen 4.1.3
Bodem en grondwater
De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. Toetsing Econsultancy heeft in opdracht van Arvalis Venlo een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het voorliggende initiatief alsmede de Bouwverordening, voor de realisatie van nieuwe glasopstanden. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Op basis van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de gehele onderzoekslocatie kan worden beschouwd als grootschalig onverdacht.
Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging betreft een wijziging naar een minder gevoelig gebruik, van agrarisch naar (agrarische) bedrijfslocatie. Een onderzoek van een onverdachte locatie is in dat kader niet noodzakelijk. Op basis van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de gehele onderzoekslocatie kan worden beschouwd als grootschalig onverdacht. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging betreft een wijziging naar een minder gevoelig gebruik, van agrarisch naar (agrarische) bedrijfslocatie. Een onderzoek van een onverdachte locatie is in dat kader niet noodzakelijk. Echter is op basis van het vooronderzoek geconcludeerd dat de bovenste 0,3 m -mv van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie kan worden beschouwd als een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een homogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HO). De bovenste 0,3 m -mv is verdacht voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). In het kader van de bestemmingsplanwijziging adviseert Econsultancy deze ‘’verdachte’’ locatie te onderzoeken.
Het doel van het bodemonderzoek in deze situatie is vast te stellen of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde overschrijdt en of dit een belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik.
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
28
Indien afvoer van grond is voorzien adviseert Econsultancy tevens om de af te voeren bodemlagen te onderzoeken op de aanwezigheid van PFAS en GenX. De aanleiding hiervoor is het recent vrijgegeven handelingskader (Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, I&W, d.d. 8 juli 2019). 4.1.4
Wet geluidhinder
Verkeers- en industrielawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object (gebouw of terrein), dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Als geluidgevoelige objecten zijn in de Wet geluidhinder aangemerkt woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. Als ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ zijn in art. 1.2 Besluit geluidhinder aangewezen onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Als geluidsgevoelig terrein zijn in dat artikel aangewezen een woonwagenstandplaats en een ligplaats voor een woonschip. Een kas en een daarbij behorend kantoorgebouw zijn geen geluidgevoelige functies. Aangezien in dit project geen sprake is van nieuwe geluidsgevoelige objecten is omgevingsgeluid vanwege wegverkeerslawaai niet van invloed op dit initiatief. In de paragraaf milieuzonering wordt ingegaan op het geluid dat de inrichting produceert. 4.1.5
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Bijlage 1 van de Regeling NIBM geeft aan, wanneer een nieuwe inrichting of een uitbreiding van een bestaande inrichting NIBM is. In de Regeling NIBM zijn voor twee categorieën inrichtingen (getalsmatige) grenzen opgesteld: 1. landbouwinrichtingen (voorschrift 1A.1 en 1B.1)
Bestemmingsplan “Ouddorp 9” Gemeente Beesel
29
2. spoorwegemplacementen (voorschrift 1A.2 en 1B.2) Glastuinbouw Voor verwarmde glastuinbouw geldt een getalsmatige NIBM-grens van 2 hectare oppervlakte (3% criterium). Deze grenzen gelden voor nieuwbouw van een glastuinbouwbedrijf, alsook voor bedrijven die hun kasoppervlakte uitbreiden. In het laatste geval is de oppervlaktegrens alleen van toepassing op de uitbreiding. Een bedrijf dat geen ruimteverwarming in de kassen gebruikt, is per definitie NIBM, ongeacht de omvang (subcategorie c). In de onderhavige situatie bedraagt de totale uitbreiding minder dan 2 ha. De toelichting bij de Regeling NIBM zegt het volgende over de onderbouwing van de grens van 2 hectare voor glastuinbouw: “De aanwijzing van verwarmde kassen (1A.1, onder d en 1B.1, onder d) volgt uit berekeningen van TNO en het RIVM. Uit deze berekeningen volgt (samengevat) dat een kassencomplex van 2 ha (verwarmd of met ruimteverwarming) met een schoorsteen van 7 meter hoog leidt tot een concentratiebijdrage van circa 1.15 - 1.22 µg/m3 en aldus niet de 3% grens overschrijdt.” De berekeningen van TNO en RIVM zijn uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model. Daarbij is uitgegaan van de gemiddelde emissie van NO2 per hectare. Er is dus geen onderscheid gemaakt tussen het type gewasteelt. De fijn stof uitstoot is in het onderzoek niet verdisconteerd. Kassen worden bijna uitsluitend verwarmd met aardgas of propaan-butaan.
Hierbij komt geen noemenswaardige hoeveelheid fijn stof vrij. De toetsing van individuele bedrijven aan de NIBM-grens is niet afhankelijk van het type gewasteelt, of de technische uitrusting (stookinstallaties/WKK). De grens van 2 hectare geldt dus voor zowel energie-intensieve als energie-extensieve teelt. NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
Het grote voordeel van deze NIBM rekentool is dat slechts een beperkt aantal invoergegevens nodig is. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Met beperkte invoergegevens kan dus worden vastgesteld of een ontwikkeling NIBM is. Daartoe dient de verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling te worden ingevoerd. De uitbreiding van de kas bedraagt in dit geval circa 1,5 ha. Dit betekent een extra verkeersgeneratie van circa 4 vrachtwagenbewegingen per etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool wordt een jaar van realisatie ingegeven waarbij elk volgende jaar de emissies van de voertuigen dalen door de verscherpte wetgeving vanuit overheidszijde. Gelet op de vanuit de initiatiefnemer verwachtte jaarlijkse beperkte groei van bezoekers is een eventuele toename van verkeersbewegingen in de komende 10 jaar qua emissie van stikstofdioxide en fijnstof nagenoeg weg te strepen tegen de verminderde emissies van de voertuigen in de komende jaren. Er is aanvullend een extra berekening gemaakt waarbij een toename van 50 voertuigen (100 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) als uitgangspunt is genomen waarvan 4% vrachtverkeer waarvan de berekening onderstaand is opgenomen.