CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.0889.BPOffenbekermarkt9-VA01

Raadscommissievergadering 12 april 2021, gemeente BeeselBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Offenbekermarkt13.185 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het voormalige kerkgebouw, dat op circa 75 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt, is in het geldende bestemmingsplan aangeduid als ‘specifieke vorm van waarde - monument’. Aangezien de voorliggende ontwikkeling op ruime afstand ligt, heeft deze geen negatieve effecten op het monument. Voor het overige liggen in de omgeving geen monumentale, karakteristieke gebouwen en zijn geen historische elementen aanwezig. Conclusie Binnen het plangebied bestaan er geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie of archeologie.

Hoofdstuk 4

31

4.4 Ecologie Beleidskader De Wet natuurbeheer bevat het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en soorten. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in overeenstemming zijn met de Wnb. De provincie is bevoegd gezag voor soortenbeschermingsbepalingen en gebiedsbeschermingsbepalingen uit deze wet. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden ten opzichte van deze gebieden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking. Dit betekent dat ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Toetsing Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg (Duitsland)', ‘Swalmdal’ en ‘Leudal’ bevinden zich respectievelijk op 2,4 kilometer ten oosten, 6,3 kilometer ten zuiden en 9 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de sloop van de bestaande opstallen betreft en de realisatie van

Hoofdstuk 4

32

9 levensloopbestendige woningen, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied berekend.7 Uit deze berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlagen 3 opgenomen onderzoeksrapportage. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden of als deze effecten kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing Het plangebied ligt niet binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel betreft een goudgroene natuurzone, en ligt ongeveer 220 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone is niet noodzakelijk. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  Andere soorten (artikel 3.10).

7

BRO, Aeriusberekening Offenbekermarkt Reuver, Projectnr. P02523, d.d. 20 juli 2020.

Hoofdstuk 4

33

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing Om de (potentieel) aanwezige soorten in beeld te brengen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.8 Deze quickscan is als bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de quickscan volgt dat potentieel de navolgende beschermde soorten in het plangebied aanwezig kunnen zijn: broedvogels, vleermuizen, de huismus en steenmarters.

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;  Met betrekking tot de steenmarter dient het bouwrijp maken van het plangebied in de vrijgestelde periode van deze soort te worden uitgevoerd. Dit betreft de periode van half augustus t/m februari;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. In september 2020 is het nadere onderzoek naar vleermuizen opgestart.

Tijdens deze najaarsronde is er geen binding met de woning waargenomen. Wel vlogen er enkele vleermuizen door het parkje direct ten zuiden van de woning. Vanaf medio april 2021 wordt dit onderzoek voortgezet. Vanaf het voorjaar wordt daarnaast onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de gierzwaluw en de huismus. Ter bescherming van eventuele natuurwaarden is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat vóór het onderzoek en het nemen van eventueel benodigde mitigerende maatregelen kan worden aangevangen met slopen.

8

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Offenbekermarkt 9’ te Reuver, Projectnr. P02523, d.d. 10 juni 2020.

Hoofdstuk 4

34

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Ecologie totaal Vanuit het aspect ecologie bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Mochten al beschermde soorten aanwezig zijn, dan kan gelet op de voorwaardelijke verplichting pas met sloop worden gestart indien dit in voldoende mate is onderzocht en eventuele mitigerende maatregelen zijn genomen.

4.5 Verkeer en parkeren Verkeer De ontwikkeling van negen levensloopbestendige grondgebonden woningen heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg, die wordt berekend op basis van de CROW-publicatie nr. 381 ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Volgens de CROWrekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ zullen de woningen een verkeersgeneratie van circa 47 motorvoertuigbewegingen per etmaal tot gevolg hebben op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van 9 woningen (gemiddelde woningen, exclusief kamerverhuur en serviceflats) in het gebiedstype ‘schil centrum’ in de gemeente Beesel. De Offenbekermarkt, Sint Jozefweg, Pater Claretstraat, Keulseweg en omliggende wegen kunnen deze beperkte verkeerstoename goed verwerken.

Parkeren Het uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bij bouwplannen of plannen voor een gewijzigd gebruik van gebouwen, die leiden tot een vergroting van de parkeervraag, wordt voorzien in parkeerruimte op eigen terrein. Op deze manier wil de gemeente Beesel de bereikbaarheid en de leefbaarheid van de gemeente bevorderen.

Hoofdstuk 4

35

De beoogde ontwikkeling zorgt op basis van de gemeentelijke parkeernormen voor een parkeerbehoefte van 1,2 parkeerplaatsen per woning Voor de negen woningen zijn afgerond 11 parkeerplaatsen (9 x 1,2 = 10,8) benodigd. In het kader van onderhavig initiatief wordt bij iedere woning een parkeerplaats gerealiseerd. In totaal zijn er dus 9 parkeerplaatsen aanwezig op eigen terrein. Bovendien worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de toegangsweg in de nabijheid van de woningen. Kortom, het plan voldoet aan de overeengekomen parkeernormen. Vanuit het aspect parkeren is er dus geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Nationaal:  Nationaal Waterplan;  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie die in 2017 heeft plaatsgevonden tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.

Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Hoofdstuk 4

36

Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ De brochure van de Limburgse waterbeheerders bevat de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Structuurvisie Beesel De gemeente Beesel zet maximaal in op het afkoppelen van hemelwater volgens de volgorde ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Daarnaast is als gevolg van klimaatverandering een robuustere inrichting van het watersysteem noodzakelijk. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden. Hemel- en afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de gemeente Beesel ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken.

Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Het hemelwater wordt aangesloten op een infiltratievoorziening op eigen terrein en geïnfiltreerd in de bodem. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg en het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) geldt het volgende: Dynamische bergings/infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050. Voor Noord en Midden-Limburg dient daarbij een buiduur van één dag te worden gehanteerd, zijnde 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Het gemeentelijk beleid is als volgt: Een van de eisen is dat een centrale infiltratievoorziening aangelegd moet worden. Omdat het hier een probleemgebied betreft voor wat betreft de kans water op straat, wordt als voorwaarde gesteld om een infiltratievoorziening aan te leggen die is gedimensioneerd worden op een bui van T=10 met een leegloop binnen 24 uur.

Hoofdstuk 4

37

Toetsing De afvoer van hemelwater van de woningen en omliggende bestrating zal op iedere kavel apart worden gerealiseerd met infiltratiekratten. De openbare bestrating zal aangesloten worden op de infiltratievoorziening aan de noord-oost zijde van het plangebied. Overleg waterbeheerder Er is overleg gevoerd met Waterschap Limburg omtrent de omvang van de hemelwaterberging, omdat in de bestaande situatie reeds sprake is van 530 m 2 verharding en 401 m2 dakoppervlak. De totale verhardingen en dakoppervlak zal in de nieuwe situatie 1.611 m 2 bedragen. In overleg met het Waterschap is bepaald dat rekening moet worden gehouden met een berging van 40 mm. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.7 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van negen woningen binnen het centrum van Offenbeek. In de bestaande situatie is ter plaatse 1 woning met diverse bijgebouwen gelegen. Deze bestaande woning en opstallen worden gesloopt en vervolgens worden de beoogde negen woningen gebouwd. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen. Deze drempelwaarde bedraagt een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Blijkens jurisprudentie9 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

9

O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).

Hoofdstuk 4

38

en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename met acht wooneenheden binnen een bestaand centrumgebied. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

Hoofdstuk 4

39

5.

JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Deze heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse regels artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van de geldende bestemmingsplannen ‘Bebouwde gebieden Beesel’ en ‘Bebouwde gebieden, veegplan 2019’ van de gemeente Beesel.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. De planlocatie is volledig bestemd als ‘Wonen’. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen dat nagenoeg het volledige plangebied betreft. Middels gevellijnen is weergegeven waar de woningen en bijbehorende bouwwerken (ongeveer) komen te. Daarnaast is een aanduiding opgenomen waarbinnen de ontsluiting kan worden gerealiseerd.

5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

Hoofdstuk 5

40

   

Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.

In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.

Hoofdstuk 5

41

De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woningen, aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid, webwinkels, tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen ten dienste van de woning, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er is een aanduiding opgenomen ten behoeve van de te realiseren ontsluitingsweg. Binnen deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het kader van eventueel te beschermen natuurwaarden. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels met betrekking tot bestaande afwijkende maatvoering en ondergronds bouwen opgenomen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is beschreven wat in ieder geval verstaan dient te worden als strijdig gebruikt, en zijn enkele afwijkingsmogelijkheden daarvan gegeven. Algemene afwijkingsregels Middels de algemene afwijkingsregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van geringe afwijkingen in het plan. Algemene wijzigingsregels Deze bepaling geeft aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid om kleine wijzigingen aan te brengen het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

42

Overige regels De overige regels bevatten een verwijzing naar andere wettelijke regelingen en bevatten een regeling omtrent het parkeren. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 5

43

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.

De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro:  de bouw van een of meerdere woningen;  de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²;  de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Aangezien dit initiatief ziet op het bouwen van negen woningen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waardoor een verplichting geldt tot kostenverhaal. In het kader van het kostenverhaal sluiten de gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst af.

Hoofdstuk 6

44

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleggen burgemeester en wethouders met het Waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vraagt de gemeente aan de relevante besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. Omgevingsdialoog De ontwikkelende partij heeft de beoogde woningbouwontwikkeling besproken met de eigenaren van naburige percelen. Geen van de omwonenden heeft bezwaren geuit tegen deze ontwikkeling. Inspraak Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijze op het plan ingediend.

Hoofdstuk 6

45

7. PROCEDURE 7.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Vooroverleg met betrokken instanties;  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een

verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 7

46

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=22f124c1-3361-49d0-bf7f-b4ff3f4d7922