CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.0889.BPOffenbekermarkt9-VA01

Raadscommissievergadering 12 april 2021, gemeente BeeselBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Offenbekermarkt13.185 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Offenbekermarkt te Reuver’ Gemeente Beesel Vastgesteld

Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Offenbekermarkt te Reuver’ Gemeente Beesel Vastgesteld

Rapportnummer:

P02523

IMRO:

NL.IMRO.0889.BPOffenbekermarkt9-VA01

Datum:

4 maart 2021

Opdrachtgever:

P+ Consultancy

Projectleider BRO:

HLe

Concept:

juli 2020

Voorontwerp:

september 2020

Ontwerp:

Januari 2021

Vaststelling:

26 april 2021

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, negen grondgebonden woningen, Offenbekermarkt, Reuver, gemeente Beesel.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 14

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van negen grondgebonden woningen aan de Offenbekermarkt BRO te Reuver. Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Opbouw bestemmingsplan

3 3 4

2. GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing

5 5 6 6

3. BELEID 3.1 Rijksbeleid

8 8

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid

8 9 10 11

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.3 Regionaal beleid

11 12 12 15

3.3.1 Regionale Woonvisie Noord Limburg 2020-2024 3.4 Gemeentelijk beleid

15 16

3.4.1 Structuurvisie Beesel 3.4.2 Woonvisie 2016-2022, Herijking Woonvisie 2019 3.4.3 Afwegingskader woningbouwverzoeken 3.4.4 Vigerende bestemmingsplannen 3.4 Afweging beleidskader

16 18 19 20 21

4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten

22 22

4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.2 Leidingen en infrastructuur 4.3 Archeologie en cultuurhistorie

Inhoudsopgave

22 23 23 25 28 30 30

1

4.4 Ecologie 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Waterhuishouding 4.7 M.e.r.-beoordeling

32 35 36 38

5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels

40 40 40 40

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

41 41 42 43

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

44 44 45

7. PROCEDURE 7.1 Procedure

46 46

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Archeologisch onderzoek Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 5: Advies Veiligheidsregio

47 47 47 47 47 47

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om ter plaatse van de Offenbekermarkt 9 de bestaande burgerwoning met bijbehorende opstallen te slopen en te vervangen door negen grondgebonden woningen. De initiatiefnemer en huidige eigenaar hebben overeenstemming bereikt over de verkoop van de betreffende percelen.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden Beesel’, dat is vastgesteld op 20 juni 2016 door de gemeenteraad van Beesel. Dit plan is op onderdelen herzien middels het geldende bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden, veegplan 2019’, dat op 16 december 2019 is vastgesteld. Op de voorliggende locatie hebben alleen enkele wijzigingen van de regels plaatsgevonden in dit veegplan. Het gehele plangebied is in de vigerende bestemmingsplannen bestemd tot ‘Wonen’. Binnen deze bestemming zijn woningen toegestaan, maar de nieuwbouw van woningen is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Deze aanduiding ontbreekt op het plangebied, waardoor de beoogde realisatie van negen grondgebonden woningen op basis van de geldende bestemmingsplannen niet rechtstreeks mogelijk is.

Hoofdstuk 1

3

De geldende bestemmingsplannen bevatten ook geen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden op basis waarvan de woningen mogelijk gemaakt kunnen worden. De gemeente Beesel heeft middels een principebesluit (kenmerk VB20200008, d.d. 2 april 2020) aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan dit initiatief. Hierbij geldt de voorwaarde dat bij alle negen woningen sprake is van een nultredenwoning. Dit zijn woningen waarbij alle basisvoorzieningen (keuken, woonkamer, natte cel en tenminste één slaapkamer) op de begane grond aanwezig zijn danwel met een lift bereikbaar zijn.

1.2 Opbouw bestemmingsplan Deze toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2 beschrijft het gebiedsprofiel, besluitprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing.  Hoofdstuk 3 beschrijft het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleidskader.  Hoofdstuk 4 beschrijft de toetsing aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten.  Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten.  Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid.  Hoofdstuk 7 geeft een toelichting op de procedure.

Hoofdstuk 1

4

2.

GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel Het plangebied ligt aan de Offenbekermarkt 9, centraal in de kern Offenbeek en ten oosten van Reuver. Het plangebied omvat de percelen, kadastraal bekend als Beesel, sectie C, nummers 2809 en 2808. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.650 m 2. Het perceel is gedeeltelijk bebouwd met één woning en bijbehorende opstallen.

Luchtfoto met kadastrale perceelgrenzen in de bestaande situatie (plangebied blauw omlijnd)

Figuur 1 Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)

De Offenbekermarkt vormt de zuidoostelijke grens van het plangebied. De Offenbekermarkt bestaat uit twee rijstroken met daartussen een brede parkachtig ingerichte groenstrook. Zuidelijk op deze groenstrook ligt een kapel. Aan beide zijden van het plangebied staan vrijstaande woningen. Aan

Hoofdstuk 2

5

noordwestelijke kant grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen aan de Amerslosestraat. Ten noordoosten van de Offenbekermarkt ligt basisschool de Meander. Ten zuidwesten van de Offenbekermarkt staat de voormalige kerk van Offenbeek die een nieuwe bestemming heeft gekregen als indoor trampolinehal. De verdere omgeving bestaat voornamelijk uit woongebieden, die deel uitmaken van de kern Offenbeek. Het plangebied zelf is gedeeltelijk bebouwd met een vrijstaand woonhuis en bijbehorende opslaggebouwen. Deze opslaggebouwen dienen voor de uitoefening van een hobbymatige kippenfokkerij en als opslaglocatie voor een hovenier Voor de rest is het perceel begroeid met enkele heesters, struwelen en ligt er een grasveldje.

2.2 Besluitprofiel Initiatiefnemer is van plan om het verouderde woonhuis en de bijbehorende opstallen te slopen en ter plaatse negen grondgebonden nultredenwoningen te realiseren. Met de sloop van de aanwezige verouderde bebouwing ontstaat er een uitermate geschikte inbreidingslocatie binnen de kern Offenbeek. Bij de realisatie van het initiatief wordt het perceel ingevuld met kwalitatief hoogwaardige woningen. De woningen worden uitgevoerd in één bouwlaag met kap. Alle benodigde voorzieningen komen op de begane grond. Onder de kap komt een zolderruimte met een vaste trap. Dit geeft de mogelijkheid voor een tweede slaapkamer of hobbykamer. Bij elke woning komt een parkeerplaats (eventueel) met carport. In het openbare gebied (binnen het plangebied) komen daar nog een twee parkeerplaatsen bij. De drie woningen liggen direct aan de Offenbekermarkt. De overige zes woningen komen aan een interne ontsluitingsweg te liggen.

2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing De huidige bedrijvigheid op deze locatie verdwijnt en daar komt volledig wonen voor in de plaats. Het onderhavige plangebied is groot genoeg voor de beoogde woningen zonder dat de omliggende woningen in hun woon- en leefklimaat worden beperkt. Het straatbeeld wijzigt maar weinig. In de huidige situatie is sprake van een woonhuis met brede inrit. De twee nieuwbouwwoningen aan de zuidzijde van de ontsluitingsweg hebben een oppervlakte en bouwhoogte die nagenoeg gelijk is aan de bestaande woning. De inrit wordt vervangen door een ontsluitingsweg en alleen aan de noordzijde van de inrit komt er één extra woning.

Hoofdstuk 2

6

De onsamenhangende bebouwing op het achterterrein wordt vervangen door kwalitatief hoogwaardige woningen. Het plan heeft kortom positieve ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige effecten voor de omgeving.

Figuur 2 Situering nieuwbouwwoningen

Hoofdstuk 2

7

3.

BELEID Dit hoofdstuk gaat in op de relevante beleidsaspecten op rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;

Hoofdstuk 3

8

5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.

Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Het Barro heeft voor de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor het planvoornemen.

Hoofdstuk 3

9

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat geldt bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Volgens artikel 1.1.1 Bro is dit: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling enige omvang moet hebben.1 Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierin is de Ladder teruggebracht naar de essentie. Een voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voorzien in een behoefte. Daarnaast moet gemotiveerd worden wanneer de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Bij woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen is sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.

De onderhavige locatie heeft een woonbestemming voor één woning. Dit plan voegt acht woningen toe. Nu er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

10

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Figuur 3 Uitsnede POL 2014 met ligging plangebied (rood omlijnd)

Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit zijn de gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Het accent binnen deze gebieden ligt op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, balans tussen voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving.

Hoofdstuk 3

11

Afweging De voorgenomen realisatie van de negen grondgebonden nultredenwoningen past binnen het gemengde woon/werkgebied. Daarnaast draagt het initiatief bij aan de transformatie van een rommelige woon- en bedrijfslocatie binnen de woonomgeving. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Afweging In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. De verordening bevat ook regels voor woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening moet een ruimtelijk plan voor nieuwbouw van woningen in de regio Noord-Limburg voldoen aan de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan voor de nieuwbouw van woningen, een verantwoording dient te bevatten hoe het bovenstaande is ingevuld.

De toelichting bij het ruimtelijk plan moet ook verantwoorden hoe het plan bijdraagt aan opgave die de regio heeft voor het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Beesel heeft de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg' vastgesteld. Paragraaf 3.3.1 gaat hierop in. Afweging milieubeschermingsgebieden Volgens de kaarten behorende bij de omgevingsverordening ligt het plangebied niet binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones voor natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode

Hoofdstuk 3

12

2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd.

Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Hoofdstuk 3

13

Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf.

Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging Deze ontwikkeling voorziet in levensloopbestendige nultredenwoningen binnen het bestaand woongebied. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 3

14

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Noord Limburg 2020-2024 In de Regionale Woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Deze Regionale Woonvisie is in de gemeente Beesel vastgesteld op 14 september 2020. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. Hierbij wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van onze regio. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een

Hoofdstuk 3

15

bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:  De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen;  Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment. Afweging De beoogde ontwikkeling zorgt voor een kwantitatieve toename met acht wooneenheden op een rommelige locatie met onsamenhangende bebouwing en bedrijfsmatige activiteiten naast de woonfunctie . Er is sprake van een inbreidingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief draagt bij aan de bestaande kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte, omdat het hier levensloopbestendige nultredenwoningen betreft. Uit de analyse van de Stec Groep blijkt dat juist voor dit soort woningen een groeiende behoefte ontstaat. Het onderhavige initiatief past dan ook binnen de kaders van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Beesel Op 12 september 2011 heeft de gemeenteraad van Beesel de ‘Structuurvisie Beesel’ vastgesteld. De structuurvisie Beesel geeft een strategische en duurzame ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het hele grondgebied van de gemeente met een horizon van 20 jaar. De gemeente geeft hierin niet alleen aan wat ontwikkeld gaat worden, maar ook hoe dit ontwikkeld gaat worden. De structuurvisie vormt het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. Wat betreft wonen wordt in de structuurvisie aangegeven dat het aantal senioren toeneemt. Een belangrijke opgave ligt daardoor in de aanpassing van de bestaande woningvoorraad aan de wijzigende behoeften voor deze doelgroep. Enerzijds dienen bestaande woningen geschikt te worden gemaakt, zodat bewoners langer zelfstandig kunnen wonen. Daarnaast dienen nieuwe woningen in de kernen nabij voorzieningen bij voorkeur levensloopbestendig te worden uitgevoerd. Specifiek voor de dubbelkern Reuver-Offenbeek wordt als kans genoemd het inspelen op de vraag naar een gedifferentieerd woningaanbod, onder meer door bestaande woningen aan te passen aan de huidige woonwensen en duurzaam bouwen.

Wat betreft wonen zijn de volgende ontwikkelingsrichtingen genoemd voor de dubbelkern:  Ontwikkelen van woningbouwlocatie Bergerhof, deels voor de doelgroep starters, doorstromers en jonge gezinnen en deels voor vitale, koopkrachtige huishoudens uit de hogere inkomensgroepen

Hoofdstuk 3

16

uit de (boven)regionale markt. Deze laatste doelgroep draagt bij aan een kwalitatief hoogwaardige afronding van de kernrand rond de historische boerderij Bergerhof.  Ontwikkelen van woningen op herstructurerings- en inbreidingslocaties voor alle doelgroepen maar vooral voor senioren en zorgvragers.  Woningbouw en wijkontwikkeling die voldoet aan de eisen van de toekomst op het gebied van duurzaamheid, klimaatrobuustheid, energiezuinigheid, veiligheid en 100% levensloopbestendigheid. Afweging Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied binnen een woongebied / rode contour. Gelet op de ligging in een woongebied is de beoogde woningbouw functioneel passend. Daarnaast past het initiatief binnen de genoemde ontwikkelrichtingen voor wonen in de structuurvisie. Er is namelijk sprake van de ontwikkeling van woningen op een inbreidings- en herstructureringslocatie. Het betreft hier bovendien nultredenwoningen die zich specifiek richten op senioren en zorgvragers. Daarnaast sluit het initiatief aan bij de uitgangspunten met betrekking tot duurzaamheid en energiezuinigheid, aangezien het gasloze woningen betreft.

Hoofdstuk 3

17

Uitsnede kaart Structuurvisie Beesel met globale ligging plangebied (blauwe pijl)

3.4.2 Woonvisie 2016-2022, Herijking Woonvisie 2019 In 2016 heeft de gemeenteraad van Beesel de Woonvisie 2016-2022 vastgesteld. Deze gemeentelijke woonvisie geeft een beeld van de opgaven voor de komende jaren met een doorkijk naar 2030. Het gemeentelijk woonbeleid is voornamelijk gericht op verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, het op peil houden van het draagvlak voor voorzieningen ten behoeve van de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van kernen en het zorgen voor geschikte woningen voor alle doelgroepen. In 2019 heeft een herijking van de woonvisie plaatsgevonden op basis van een woningmarktanalyse, die eveneens in 2019 is uitgevoerd. De hoofdlijnen van deze herijking zijn als volgt.  De gemeente blijft inzetten op een toekomstbestendige woningvoorraad. De woningmarktanalyse bevestigt het belang van een duurzame, levensloopbestendige en toekomstbestendige woningvoorraad.  In lijn met de Woonvisie 2016-2022, bevestigt de analyse dat een bewuste omgang met nieuwbouw noodzakelijk is. Het is belangrijk om te bouwen voor de juiste doelgroep met de daarbij behorende behoeften.  Er zijn vooral kansen gesignaleerd voor huurwoningen tot de eerste huurgrens (in 2018 tot circa

Hoofdstuk 3

18

    

€ 460,-) en voor de middeldure en duurdere huur- en koopwoningen, met name in de dubbelkern Reuver-Offenbeek. Doorstroming is zeer belangrijk om de juiste personen op de juiste plek terecht te laten komen. Rekening moet worden gehouden met de vergrijzing en de kleiner wordende samenstelling van huishoudens. Op termijn wordt een opgave verwacht van koop naar vrijehuursector en een verschuiving van reguliere grondgebonden woningen naar nultredenwoningen en appartementen. Rond 2023 wordt een omslag in de behoeften verwacht, doordat er koopwoningen vrijkomen en vooral behoefte is aan (onderhoudsvrije) huurproducten. De lage mutatiegraad van corporatiewoningen vraagt om aandacht.

Afweging De voorliggende ontwikkeling van negen grondgebonden nultredenwoningen draagt bij aan een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad. De onderhavige woningen zijn levensloopbestendig en rolstoelgeschikt. Volgens de woonvisie en de herijking daarvan wordt levensloopbestendig bouwen een belangrijke opgave. De behoefte aan geschikte woningen voor de doelgroep senioren neemt toe als gevolg van de vergrijzing van de bevolking. Het beoogde programma speelt in op de verwachte demografische transitie van vergrijzing en het behoud van draagvlak voor voorzieningen. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan een duurzame woningvoorraad, aangezien de woningen gasloos worden uitgevoerd. Kort samengevat sluit de ontwikkeling goed aan bij de opgaven die worden genoemd in de gemeentelijke woonvisie en de actuele en toekomstige woonbehoefte. 3.4.3 Afwegingskader woningbouwverzoeken De gemeente heeft een afwegingskader voor woningbouwverzoeken, dat criteria bevat waarop de gemeente nieuwe woningbouwinitiatieven beoordeelt en afweegt aan welke initiatieven zij medewerking wil verlenen. Het afwegingskader bestaat uit een ruimtelijk kader en een volkshuisvestelijk kader. Op basis van de opgenomen criteria kan een woningbouwinitiatief punten scoren.

Indien een initiatief 11 of meer punten scoort, waarvan minimaal 5 binnen het ruimtelijke kader, dan is sprake van een wenselijk initiatief en is de gemeente bereid daaraan mee te werken. De onderhavige ontwikkeling voldoet net niet aan het gewenste puntenaantal. Op basis van het door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde actieplan Wonen, kan vanuit volkshuisvestelijk oogpunt toch medewerking aan dit initiatief worden verleend. Voorwaarde is dat extra kwaliteit bij de nieuwe woningen wordt toegevoegd. Voor dit initiatief geldt dat deze extra kwaliteit blijkt uit de rolstoeltoegankelijkheid en de duurzaamheid in het plan.

Hoofdstuk 3

19

3.4.4 Vigerende bestemmingsplannen Het plangebied ligt binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden Beesel’. Dit plan is naderhand op onderdelen herzien middels het geldende bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden, veegplan 2019’. Op de voorliggende locatie hebben alleen enkele wijzigingen van de regels plaatsgevonden in dit veegplan. Het gehele plangebied is in de vigerende bestemmingsplannen bestemd tot ‘Wonen’. Binnen deze bestemming is een bouwvlak aanwezig dat vrijwel het gehele perceel omvat. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ van toepassing het totale plangebied.

Figuur 4 Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplannen met ligging plangebied (rood omlijnd)

Binnen de bestemming ‘Wonen’ is een veelheid aan functies toegelaten, waaronder wonen in woningen, aan huis gebonden beroepen en bedrijvigheid. Bouwwerken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegelaten, dat in dit geval nagenoeg de gehele planlocatie omvat. Wat betreft wonen is aangegeven dat de nieuwbouw van woningen niet is toegestaan, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Deze aanduiding ontbreekt op het plangebied, waardoor de beoogde realisatie van negen grondgebonden woningen op basis van de geldende bestemmingsplannen niet rechtstreeks mogelijk is. De geldende bestemmingsplannen bevatten ook geen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden op basis waarvan de woningen mogelijk gemaakt kunnen worden.

Hoofdstuk 3

20

Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht indien sprake is van bouwwerkzaamheden en/of bodemingrepen met oppervlakte van meer dan 500 m 2 en een diepte van meer dan 40 cm. Paragraaf 4.2 gaat in op het aspect archeologie. Afweging De beoogde nieuwbouw van negen grondgebonden woningen is niet toegestaan binnen de huidige woonbestemming, omdat binnen deze bestemming geen nieuwe woningen zijn toegestaan. Dit bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk.

3.4 Afweging beleidskader Uit de voorgaande alinea’s blijkt dat de beoogde woningbouwontwikkeling past binnen de diverse relevante beleidskaders. In het volgende hoofdstuk worden de bouwplannen getoetst aan de overige (milieutechnische) randvoorwaarden.

Hoofdstuk 3

21

4.

ONDERZOEK Bij voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)-invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de aspecten bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en parkeren.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1

Bodem

De plaatselijke bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.2 Voor de volledige onderzoekrapportage is wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting. Tijdens de veldinspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Bij de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van boring 3 bijmengingen met baksteen en slakken waargenomen. In boring 10 zijn bijmengingen met baksteen en kooldeeltjes waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met cadmium en zink. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met cadmium en zink. Uit het rapport volgen de navolgende conclusies en aanbevelingen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw).

De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.

2

Aeres Milieu B.V., Verkennend bodemonderzoek Offenbekermarkt 9 te Reuver, projectnummer: AM20185, d.d. 20 mei 2020

Hoofdstuk 4

22

Conclusie Ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.2

Geluidhinder

Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet bepaalt hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. De woningen zijn volgens de Wgh geluidgevoelige objecten. De wegen in de omgeving van het plangebied zijn allemaal 30 km/uur-wegen, die geen onderzoekszone hebben volgens de Wgh. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect geluidhinder bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 4.1.3

Luchtkwaliteit

Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer beschrijft de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Hoofdstuk 4

23

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Daarin is opgenomen dat, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%, een project NIBM is. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3.000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is slechts sprake van de toevoeging van 8 wooneenheden, waarmee ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse minder dan 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Derhalve wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor het initiatief.

Hoofdstuk 4

24

4.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s worden beoordeeld op de volgende maatstaven:  het plaatsgebonden risico;  het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 de Wet Basisnet in werking getreden. Deze wet omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom een risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. De appartementen betreffen een kwetsbare objecten conform artikel 1, lid 1 onder l van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het ver-

Hoofdstuk 4

25

voer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. In de Structuurvisie Beesel is daarnaast een veiligheidskaart opgenomen, waarop alle risicobronnen binnen de gemeente en de risicocontouren daarvan zijn opgenomen.

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauwe pijl)

Uitsnede veiligheidskaart gemeente Beesel met globale ligging plangebied (blauwe pijl)

Risicovolle bedrijvigheid In de directe omgeving van het plangebied ligt geen risicovolle bedrijvigheid. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op een afstand van ruim 1000 meter ten zuidwesten van het plangebied en betreft een gasdrukregel- en meetstation aan de Charles Ruysstraat 12. Deze inrichting heeft slechts een beperkt invloedsgebied, dat bij lange na niet tot het plangebied reikt. Daarnaast ligt een tankstation met LPG op circa 850 meter ten noordwesten van het plangebied aan de Rijksweg 113. Het invloedsgebied van deze inrichting is 150 meter. Het plangebied ligt daar ruimschoots buiten. Risicovol transport In de directe omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 580 meter ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn Venlo-Roermond. Over deze spoorlijn vindt risicovol transport plaats. Ter plaatse is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour 10-6. Gezien de grote afstand van het plangebied tot de spoorlijn heeft de voorliggende ontwikkeling ook geen invloed op het groepsrisico vanwege de spoorlijn. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische stoffen die over het spoor worden vervoerd. Dit levert geen directe belemmeringen op voor de ontwikkeling.

Wel is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Hiervoor wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Parallel aan het spoor is een hogedruk aardgasleiding van Gasunie gelegen. Dit betreft een leiding met een uitwendige diameter van 219 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied

Hoofdstuk 4

26

van deze leiding bedraagt 95 meter. Het plangebied is ruimschoots daarbuiten gelegen. Vanuit de ligging ten opzichte van de leiding zijn er hiermee geen belemmeringen. Verder in westelijke richting, op een afstand van circa 780 meter tot het plangebied, vindt in beperkte mate risicovol transport plaats over de Rijksweg (N271). De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg is 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gezien de grote afstand tot het plangebied en de aard van de stoffen die over de Rijksweg worden vervoerd (uitsluitend brandbare vloeistoffen en slechts incidenteel een vrachtwagen met brandbaar gas), ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Op circa 545 meter ten oosten van het plangebied vindt tot slot risicovol transport plaats over de A73. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg is 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gezien de grote afstand van het plangebied tot de A73 heeft de voorliggende ontwikkeling geen invloed op het groepsrisico vanwege de weg. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische stoffen die over de A73 worden vervoerd. Dit levert geen directe belemmeringen op voor de ontwikkeling. Wel is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig.

Hiervoor wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Verantwoording groepsrisico Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Venlo-Roermond en de A73 is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van artikel 8 van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de betreffende transportassen is gelegen. Bij de beperkte verantwoording dient op basis van artikel 7 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items:  De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.  De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect

Verantwoording

De mogelijkheden ter voorbereiding

Voor wat betreft de A73 en de spoorweg Venlo-Roermond bestaan er met name

van bestrijding en beperking van de

risico’s in verband met ongelukken met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch

omvang van een ramp of zwaar onge-

scenario). Gezien de grote tussenliggende afstanden tussen het plangebied en

val.

deze transportassen zullen calamiteiten met brandbare vloeistoffen en brandbaar gas (BLEVE3) geen effecten hebben die tot het plangebied reiken.

De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om 3

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 4

27

Aspect

Verantwoording middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. De mogelijkheden voor personen om

Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang

zich in veiligheid te brengen indien

om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten met

zich op de weg een ramp voordoet

giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).

(zelfredzaamheid). Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Bij brief van 20 oktober 2020 heeft de Veiligheidsregio een advies afgegeven. 4 Dit advies is als bijlage 5 in deze toelichting opgenomen. Samenvattend is het advies van de Veiligheidsregio om de ontsluitingsweg zodanig in te richten dat een brandweervoertuig de mogelijkheid heeft om te keren, conform de CROW-richtlijnen. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.5

Milieuzonering

Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is

4

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Principeverzoek bouw 9 woningen, Kenmerk: 2020-002212, d.d. 20 oktober 2020.

Hoofdstuk 4

28

aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd). Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies gelegen, waaronder een supermarkt, overige winkels, horeca, recreatieve voorziening en woningen. Binnen een straal van 50 meter zijn enkel woningen gelegen en derhalve wordt het plangebied aangemerkt als een rustige woonwijk volgens de VNG-publicatie. In de navolgende tabel wordt de omliggende bedrijvigheid rondom het plangebied opgesomd en vindt een toets plaats aan de geldende richtafstanden. Hierbij is gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie conform de vigerende bestemmingsplannen. Bestemming

Huidig gebruik

Milieucategorie

Richtafstand5

Afstand tot plangebied

‘Maatschappelijk’

Basisschool aan de noordoostzijde van

2

30 meter

Circa 60 meter

2

30 meter

Circa 50 meter

het plangebied ‘Maatschappelijk’

Indoor trampolinepark en virtual realityruimtes

‘Gemengd – 1’

Supermarkt

1

10 meter

Circa 105 meter

‘Horeca’

Restaurant/café

1

10 meter

Circa 120 meter

Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel wordt ten opzichte van alle bedrijven in de omgeving voldaan aan de richtafstanden zoals genoemd in de VNG-publicatie. In de woningen zal hiermee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de bestaande bedrijven in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de voorliggende ontwikkeling, mede omdat reeds bestaande woningen op vergelijkbare dan wel kortere afstand tot deze bedrijven zijn gelegen. Conclusie Vanuit het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen voor het beoogde initiatief.

5

Richtafstand op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en ligging binnen ‘gemengd gebied’.

Hoofdstuk 4

29

4.2 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone. Leidingen en infrastructuur vormen kortom geen belemmering voor het initiatief.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Zoals in paragraaf 3.4.4 reeds is aangegeven, is op het volledige plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ van toepassing volgens de vigerende bestemmingsplannen. Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht indien sprake is van bouwwerkzaamheden en/of bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. Dit blijkt ook uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Beesel, waarop aan dit deel van het plangebied de archeologische verwachting ‘hoog’ is toegekend. Bij de beoogde realisatie van negen woningen zijn bodemverstoringen voorzien. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd.6 Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlage. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. De bodem bestaat volgens de extrapolatie in het bureauonderzoek uit hoge bruine enkeerdgronden. Deze zijn echter in de boringen niet aangetroffen. Ter plaatse is er sprake van een ophoging die een oudere Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Beesel met globale ligging plangebied (blauwe pijl) bodem afdekt. Deze oude bodem bestaat in de helft van de gevallen uit een nog duidelijk herkenbare podzolbodem.

Dergelijke podzolbodems duiden op een goed bewaarde bodemopbouw en hiermee ook op de potentiele aanwezigheid van archeologische resten in goede conditie. In boringen 3 en 4 is deze oorspronkelijke bodem aangetast, vermoedelijk bij het ophogen, getuige de

6

Aeres Milieu B.V., Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Offenbekermarkt 9 te Reuver, projectnummer AM20185, d.d. 19 juni 2020

Hoofdstuk 4

30

aanwezigheid van plastic in boring 3. Echter lijkt de aantasting van de oorspronkelijke bodemopbouw relatief beperk, eventueel dieper reikende sporen (zoals putten, greppels en kuilen) kunnen hier mogelijk nog worden aangetroffen. Voor de verstoorde zones (boring 3 en 4) geldt dat de archeologische verwachting voor de periode laat-paleolithicum tot en met neolithicum wordt bijgesteld naar middelhoog. De overige perioden en voor de rest van het terrein blijven de archeologische verwachtingen gehandhaafd. Derhalve wordt geadviseerd dat bij verstoringen die dieper reiken dan 50 centimeter -mv (op 70 centimeter –mv ligt het archeologisch relevante niveau, aangevuld met een buffer van 20 centimeter) een archeologisch vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek vind bij voorkeur plaats middels een proefsleuvenonderzoek. Op 30 september 2020 zijn drie proefsleuven conform het vooraf opgestelde en geaccordeerde Programma van Eisen aangelegd. De proefsleuven bevestigen het beeld dat de noordoostelijke zijde van het plangebied een meer verstoord karakter heeft, terwijl de zuidwestelijke zijde een beter bewaard bodemprofiel herbergt. Het vlak is aangelegd in de top van de C-horizont, dit is gedaan omdat dit het eerst leesbare vlak was. Als gevolg van bioturbatie vertoond het vlak een vlekkerig karakter dat zonder uitzondering als natuurlijk beschouwd kan worden.

Enkele van deze natuurlijke fenomenen zijn ter controle gecoupeerd, maar bevestigden het beeld dat het geen antropogene sporen waren. De noordelijke put, in de meer verstoorde zone, vertoond duidelijk een AC-profielopbouw. Er is hier één scherf aangetroffen het betreft een scherf grijsbakkend aardewerk daterend tussen de 12e en 15e eeuw. De twee meer in het westen gesitueerde werkputten lagen in de beter bewaarde bodems. Hier is sprake van een zeer groot aantal dierbegravingen. Op basis van samenstelling bijvondsten en geur dateren deze alle van de laatste 50 jaar. Er zijn enkele duivenringen aangetroffen in de diergraven met een codering daterend uit 1978. Een aangetroffen pony is daar volgens de eigenaar circa 10 jaar geleden begraven, dit komt over een met de permanent marker stift die onder het graf is aangetroffen. Andere sporen zijn niet aangetroffen. Op basis van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied sprake is van enkel recente verstoringen. Er zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen. Verder archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie Het voorliggende pand waarin de ontwikkeling van appartementen plaatsvindt, is niet aangemerkt als monument of cultuurhistorisch waardevol.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=22f124c1-3361-49d0-bf7f-b4ff3f4d7922