CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan IKC Beesel

Raadscommissievergadering 1 december 2025, gemeente BeeselBij agendapunt: Omgevingsplanwijziging IKC Beesel12.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Burgemeester Janssenstraat 37 Sint Antoniusstraat 17

Sportpark

Richtafstand

30 meter

Werkelijke afstand Ca. 100 meter Ca. 220 meter

Ca. 350 meter Ca. 10 meter

Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet aan alle richtafstanden kan worden voldaan. Hierbij is met name de afstand tot het omliggende sportcomplex van belang. Voor deze functie geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. De beoogde maatschappelijke functie grenst direct aan de naastgelegen sportfunctie. In de regels van dit omgevingsplan is echter geregeld dat hoofdgebouwen op een afstand van minimaal 10 meter van de zijdelingse bouwvlakgrens moeten worden gebouwd. De minimale afstand van geluidsgevoelige gebouwen tot de bestaande sportfunctie bedraagt dan ook 10 meter. Aangezien de beide functies op verschillende tijden worden gebruikt zullen worden, het IKC vooral overdag en doordeweeks en de sportvelden doorgaans op avonden en in het weekend, kunnen beide functies naast elkaar bestaan, zonder dat er inbreuk wordt gedaan op het verblijfklimaat van het IKC. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat omliggende functies niet in hun mogelijkheden worden beperkt. Daarnaast kan worden verondersteld dat het IKC geen hinder ondervindt van omliggende functies. Andersom moet ook worden gekeken naar de invloed van het IKC op de omgeving. Binnen het IKC zijn diverse functies aanwezig. Volgens de VNGpublicatie geldt voor scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs, gymnastiekzalen en kinderopvang milieucategorie 2.

Bij deze milieucategorie hoort een richtafstand van 10 meter tot omliggende gevoelige objecten in gemengd gebied. De meest nabijgelegen gevoelige objecten betreffen de woningen aan de overzijde van de Sint Antoniusstraat. Hieronder vallen ook de nog te realiseren woningen binnen het plan ‘Kleine Solberg’. Het nieuwe IKC (inclusief buitenruimte en parkeerplaatsen zal op een ruimere afstand dan 10 meter van de betreffende woningen worden gerealiseerd (figuur 10). Het IKC vormt derhalve geen belemmering voor het woon en leefklimaat ter plaatse.

30

Figuur 10: Richtafstand (10 m) t.o.v. omliggende woningen (bron: HMB).

Uit het bovenstaande blijkt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.12

Niet-gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving. Gemeente Beesel heeft geen regels opgesteld met betrekking tot niet-gesprongen explosieven. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vindt desondanks toetsing plaats van dit aspect.

Toetsing initiatief

Conform de BeoBOM ruimingskaart heeft binnen het projectgebied geen ruiming plaatsgevonden van niet-gesprongen explosieven. Het projectgebied is ook niet aangeduid als verdachte locatie met betrekking tot niet-gesprongen explosieven. Daarom kan gesteld worden dat de locatie als onverdacht aangemerkt kan worden.

Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen

Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden. 31

5.13.1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.

Toetsing initiatief

Binnen het projectgebied zijn geen leidingen aanwezig die zijn voorzien van een planologische beschermingszone. Derhalve vormt dit aspect geen belemmeringen.

5.13.2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.

Toetsing initiatief

In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5.14

Mobiliteit

Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 32

Verkeersgeneratie

Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.

Toetsing initiatief

In de huidige situatie zijn er reeds verkeersbewegingen afkomstig van de locatie als gevolg van het gebruik als sportpark. Door de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen per saldo toenemen. Voor de locatie is een onderzoek uitgevoerd naar de verkeersafwikkeling. Uit dit onderzoek blijkt dat het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie zal toenemen met circa 213 tot 415 bewegingen. Uit het onderzoek blijkt dat het aantal verkeersbewegingen ruim onder de gestelde normen blijft en derhalve geen belemmeringen zal veroorzaken. Hierbij is ook rekening gehouden met de uitbreiding van de woonwijk aan de andere zijde van de Sint Antoniusstraat (plan Kleine Solberg). Tevens is gekeken naar het realiseren van een veilige school-thuis route. Om een veilige school-thuis route te waarborgen zijn aanpassingen noodzakelijk aan het gedeelte van de Sint Antoniusstraat dat binnen de bebouwde kom is gelegen. De noodzakelijke maatregelen zijn opgenomen in het onderzoek naar de verkeersafwikkeling in bijlage VIII. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

Parkeren

Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De gemeente Beesel gaat uit van de meest recente CROW publicatie (744) en de Parkeerbijdrageregeling Beesel 2013.

Toetsing initiatief

Voor de beoogde functie zijn verschillende vormen van parkeren noodzakelijk. Er is sprake van regulier parkeren door bijvoorbeeld medewerkers van de locatie, kort parkeren door ouders die kinderen komen afzetten en er is sprake van fietsparkeren. Voor de drie vormen van parkeren wordt onderstaand het noodzakelijke aantal parkeerplaatsen berekend. Regulier parkeren van auto’s. In onderstaande tabel is aangegeven hoeveel parkeerplaatsen er per functie in het IKC noodzakelijk zijn. Deze cijfers zijn gebaseerd op de gemiddelden uit de CROW publicatie en het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in niet stedelijk gebied.

33

Functie Basisschool Kinderdagverblijf Inloop ouderen Gymzaal

Eenheid Per leslokaal Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo

Aantal 7 291

Kencijfer 0,75 1,4

Parkerplaatsen 5 4

186

1,4

3

538

2,8

8 (50%)

Totaal

20

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er in de beoogde situatie 20 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Voor de gymzaal geldt dat het gebruik hiervan grotendeels buiten school- en opvangtijden zal plaatsvinden. Derhalve kan door het toepassen van dubbelgebruik worden volstaan met minder parkeerplaatsen. Natuurlijk moet wel rekening gehouden worden met een gedeeltelijke overlap en extra piekmomenten bij toernooien en evenementen. Derhalve wordt een percentage van 50% gehanteerd voor de overlapmomenten. Zodoende komt het aantal parkeerplaatsen afgerond uit op 8 voor de gymzaal. Kort parkeren (kiss&ride) Binnen de projectlocatie dient voldoende gelegenheid te zijn om kinderen af te zetten. Dit kan middels een gelegenheid voor kort parkeren. Voor kort parkeren worden de kencijfers uit onderstaande tabel aangehouden. Functie Basisschool groep 1-3 Basisschool groep 4-8 Kinderdagverblijf

Aantal kinderen 45

% auto 50

Tijdfactor

Parkeerplaatsen

0,5

Reductiefactor 0,75

115

50

0,25

0,85

7

28

60

0,25

0,75

3

8

De aanvangstijden van kinderopvang en basisschool volgen elkaar op. Op basis hiervan kan met 15 kiss&ride-plaatsen worden volstaan. Voor de open inloop zijn geen extra parkeerplaatsen nodig. Vanwege de latere aanvangstijd maken zij gebruik van bestaande parkeergelegenheid. Fietsparkeren Binnen de projectlocatie zal voldoende gelegenheid zijn om fietsen van medewerkers, kinderen en bezoekers te realiseren. Voor fietsparkeren gelden de volgende richtlijnen:

34

Functie

Eenheid

Aantal

Parkeerplaatsen

160

Kencijfer 4,3

Leerlingen basisschool (<250 leerlingen) Personeel basisschool en kinderopvang Personeel open inloop Gymzaal Totaal

Per 10 leerlingen Per 10 leerlingen

188

0,4

8

Per werknemer Per 100 m2 bvo

6 5,38

0,7 4,0

4 22 103

69

Net zoals bij het regulier parkeren is in deze situatie sprake van enige vorm van dubbelgebruik tussen de gymzaal en de andere functies. Er kan derhalve worden volstaan met een kleiner aantal fietsparkeerplaatsen dan 103. Uitwerking In het plan is rekening gehouden met bovenstaande parkeereisen. Er is in overleg met de gebruikers (de basisschool en de kinderopvang) echter besloten om beperkt af te wijken van de kencijfers van kort parkeren. De parkeerplaatsen worden buiten schooltijden, wanneer de naastgelegen sportaccommodatie geopend, is ook gebruikt voor parkeren voor de sportaccommodatie. Het is wenselijk om ten minste het bestaande aantal parkeerplaatsen (39) te handhaven. In de beoogde situatie zijn in totaal 42 parkeervakken voorzien (zie figuur 7, hoofdstuk 3). Daarmee neemt het aantal parkeerplaatsen toe ten opzichte met de huidige situatie. Alle parkeerplaatsen worden ingericht als haaks parkeren. Deze parkeerplaatsen zijn zowel inzetbaar voor kort parkeren als voor regulier parkeren. Op basis van het bovenstaande worden er ruim voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. Tenslotte zijn er 96 fietsparkeerplaatsen voor leerlingen voorzien. Medewerkers parkeren in de overdekte fietsenstalling. Zodoende is er ook ruim voldoende parkeergelegenheid voor fietsen. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.15

Molenbiotoop

Om de werking van molens te kunnen waarborgen worden deze beschermd voor de oprichting van hoge bebouwing. Hoge bebouwing kan immers wind wegnemen zodat de werking van molens wordt beperkt.

Toetsing initiatief

Op een afstand van circa 400 meter is de molen ‘De Grauwe Beer’ gelegen. Om de werking van deze molen te beschermen wordt binnen het projectgebied de bestaande molenbiotoop opgenomen. Tevens wordt deze doorgetrokken binnen de maatschappelijke bestemming. Binnen de molenbiotoop is geen bebouwing voorzien waardoor het voornemen geen belemmering vormt voor de werking van de molen.

35

5.16

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever worden.

Toetsing initiatief Onderhavige ontwikkeling gaat gepaard met de aanleg van een kwalitatief hoogwaardige inrichting van de buitenruimte. Hier is voldoende ruimte voor waterberging. De groene inrichting van de omgeving heeft verder positieve gevolgen hebben voor het tegengaan van hittestress. Derhalve kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling bestand is tegen de effecten van klimaatverandering.

5.17

Trillingen

Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.

De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. 36

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden trilgevoelige ruimten toegevoegd. Er zullen daarnaast ook trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. In de nabijheid van het projectgebied zijn geen functies aanwezig die bovenmatig veel trillingen veroorzaken. Er is derhalve geen aanleiding voor het uitvoeren van een specifiek onderzoek. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.18

Energietransitie

In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie, maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden.

Toetsing initiatief

Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.19

Lichthinder

Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. 37

In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling zal in beperkte mate verlichting worden geplaatst binnen het projectgebied. Er zal indien noodzakelijk aangepaste verlichting worden gebruikt om de aanwezige natuur en vliegroutes van vleermuizen zo min mogelijk te belasten. Het aspect lichthinder vormt derhalve geen belemmering.

5.20

Bezonning

Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen.

TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.

Toetsing initiatief

Binnen het projectgebied zal in de toekomstige situatie bebouwing en groen worden geplaatst. Gezien de ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden echter niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.

38

5.21

Slagschaduw

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).

Toetsing initiatief

In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.22

Windhinder

Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Deze (stedenbouwkundige) oplossingen kunnen zijn: - Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing; - Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden; - Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen. Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het antal uren per jaar). In de NEN-norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: - Ingeval van gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; - Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; - Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.

Deze normering is echter niet wettelijk verplicht, maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).

Toetsing initiatief

In de nabijheid van het projectgebied is geen hoge bebouwing gelegen tevens zal geen nieuwbouw van hoge gebouwen plaatsvinden. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 39

5.23

Project-mer-beoordeling

Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden.

Toetsing initiatief

Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in kolom I van bijlage V Omgevingsbesluit. Dat houdt in dat bij aanleg, wijziging of uitbreiding beoordeeld moet worden of er sprake is van nadelige milieueffecten op de omgeving. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige milieueffecten heeft op de omgeving. Het bevoegd gezag kan dan ook besluiten dat geen milieueffectrapportage hoeft worden opgesteld.

40

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer. In dit geval is de gemeente Beesel de initiatiefnemer. De kosten voor de wijziging van het omgevingsplan komen dan ook voor rekening van de gemeente Beesel.

6.1.2

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow).

In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

In dit geval is sprake van een gemeentelijk initiatief. De kosten van de procedure en de toekomstige exploitatie van de gronden worden gedragen door de gemeente Beesel. Derhalve is het kostenverhaal niet aan de orde. 6.1.3

Nadeelcompensatie In dit geval is sprake van een ontwikkeling op initiatief van de gemeente Beesel. Nadeelcompensatie kan dan ook niet worden verhaald op een andere initiatiefnemer. Er is derhalve geen nadeelcompensatieovereenkomst opgemaakt.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie Voorafgaand aan de formele procedure heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Omwonenden zijn in juni 2024 en februari 2025 middels een informatieavond voor omwonenden geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Een verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage IX bij deze onderbouwing.

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze de belangen van belanghebbenden zijn meegenomen in onderhavige ontwikkeling.

Naast omwonenden is het initiatief ook voorgelegd aan diverse overheidsinstanties en mede overheden, specifiek de Veiligheidsregio LimburgNoord, GGD, Waterschap Limburg en de provincie Limburg. De reacties geven geen aanleiding tot aanpassingen in de voorliggende omgevingsplanwijziging. 6.2.2

Ontwerp Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geldt voor de wijziging van het omgevingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Als gevolg hiervan is het ontwerp wijziging van het 41

omgevingsplan voor 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft hierbij de mogelijkheid gehad een zienswijze in te dienen. Tijdens de inzagetermijn zijn 2 reacties met zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen is het plan aangepast. De zienswijzen, reactie op de zienswijzen en aanpassingen in het plan zijn opgenomen in de nota van zienswijzen (bijlage X). 6.2.3

Bezwaar/ Beroep Na het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

42

HOOFDSTUK 7.1

7 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een integraal kindcentrum op het bestaande terrein van sportpark de Solberg. Binnen het kindcentrum is ruimte voor basisonderwijs, verschillende vormen van kinderopvang, een gymzaal en open inloop van omwonenden en ouderen. Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat de ontwikkeling past binnen het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door eventuele omgevingsaspecten. Ook de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan zijn in voldoende mate verzekerd. Derhalve wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=96a10c93-19a2-49cf-9d6c-1e1f13e7c9f1