CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan IKC Beesel

Raadscommissievergadering 1 december 2025, gemeente BeeselBij agendapunt: Omgevingsplanwijziging IKC Beesel12.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke motivering TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22c Integraal Kindcentrum Beesel’ Gemeente Beesel

NL.IMRO.0889.OPIKCBeesel-VA01

Colofon Motivering: ‘Hoofdstuk 22c Integraal Kindcentrum Beesel’ Rapportnummer: 2024.3363 Status: Vastgesteld Datum: 15 september 2025 Projectlocatie Sint Antoniusstraat ong. (naast 17) 5954 NA Beesel Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V.

Bezoekadres: Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker

Hurksestraat 60 5652 AL Eindhoven

Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland

Telefoon 085 043 1949

Email info@reland.nl

© september 2025 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding..................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doel ............................................................................................ 5

1.2

Projectgebied .................................................................................................. 5

1.3

Het omgevingsplan........................................................................................... 6

1.4

Leeswijzer ........................................................................................................ 6

HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ......................................................................... 7 2.1

Inleiding .......................................................................................................... 7

2.2

Gebiedsprofiel................................................................................................. 7

2.3

Huidige situatie projectgebied .......................................................................... 7

HOOFDSTUK 3 Voorgenomen ontwikkeling ....................................................................... 9 3.1

Inleiding .......................................................................................................... 9

3.2

Projectbeschrijving .......................................................................................... 9

HOOFDSTUK 4 Beleid en regelgeving ................................................................................ 11 4.1

Inleiding .......................................................................................................... 11

4.2

Rijksbeleid ....................................................................................................... 11

4.3

Provinciaal beleid ........................................................................................... 13

4.4

Gemeentelijk beleid ........................................................................................ 15

HOOFDSTUK 5 Fysieke leefomgeving ............................................................................... 16 5.1

Leeswijzer ...................................................................................................... 16

5.2

Erfgoed.......................................................................................................... 16

5.3

Beschermen van de gezondheid ...................................................................... 17

5.4

Bodem ........................................................................................................... 19

5.5

Water(systemen) ........................................................................................... 20

5.6

Ecologie ......................................................................................................... 21

5.7

Geluid ............................................................................................................23

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht ............................................................................25

5.9

Geur ............................................................................................................. 26

5.10

Externe veiligheid ...........................................................................................27

5.11

Milieubelastende activiteiten ...........................................................................28

5.12

Niet-gesprongen explosieven .......................................................................... 31

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ......................................................... 31

5.14

Mobiliteit ........................................................................................................32

5.15

Molenbiotoop .................................................................................................35

5.16

Duurzaamheid en klimaatadaptatie ............................................................... 36

5.17

Trillingen ....................................................................................................... 36

5.18

Energietransitie .............................................................................................. 37

5.19

Lichthinder ..................................................................................................... 37

5.20

Bezonning ......................................................................................................38

5.21

Slagschaduw ................................................................................................. 39

5.22

Windhinder ................................................................................................... 39

5.23

Project-mer-beoordeling ............................................................................... 40

HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid....................................................................................... 41 6.1

Economische uitvoerbaarheid ......................................................................... 41

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................. 41

HOOFDSTUK 7 Belangenafweging en conclusie ............................................................... 43 7.1

BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIII Bijlage IX Bijlage X

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? ............ 43

Programma van eisen IKC Archeologisch onderzoek Historisch bodemonderzoek Infiltratieonderzoek Aerius-berekening Quickscan flora en fauna Akoestisch onderzoek Onderzoek verkeersafwikkeling Verslag omgevingsdialoog Nota van zienswijzen

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding en doel

De gemeente Beesel is voornemens een integraal kindcentrum (IKC) te ontwikkelen bij het sportpark aan de Sint Antoniusstraat te Beesel. Binnen het IKC is ruimte voor basisonderwijs, kinderopvang, dagopvang voor ouderen en sport. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het geldende omgevingsplan. Om de gewenste situatie te realiseren, dient derhalve te worden afgeweken van de geldende planologische mogelijkheden. Hiervoor is het noodzakelijk een planologische procedure te doorlopen, in dit geval een wijziging van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan middels de TAM-IMRO procedure. Onderliggend document betreft de onderbouwing behorende bij de wijziging van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan. In deze onderbouwing wordt het plan nader toegelicht en wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied betreft de locatie aan de Sint Antoniusstraat ong. (naast 17) te Beesel. De locatie bevindt zich op het sportpark Solberg. Het projectgebied is gelegen binnen de percelen welke kadastraal bekend staan als gemeente Beesel, sectie G, nummers 2762 en 3567 (figuur 1). De totale oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 1 hectare.

Figuur 1: Kadastrale situatie met projectgebied blauw omkaderd.

5

1.3

Het omgevingsplan

Voor het projectgebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Beesel geldend. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, aangevuld met regels van het Rijk, de zogenaamde bruidsschat. Voor het projectgebied zijn derhalve de regels zoals vastgelegd in het (voormalige) bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden Beesel’ en bijbehorende veegplannen en geconsolideerde versies van toepassing. Het projectgebied beschikt over de enkelbestemming ‘Sport’. De gronden beschikken daarnaast over de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’.

Figuur 2: Uitsnede bestemmingsplan Bebouwde gebieden Beesel (geconsolideerd). Projectgebied rood omkaderd.

De gewenste realisatie van het IKC en bijbehorende voorzieningen is niet rechtstreeks mogelijk conform de geldende planregels. Om de gewenste situatie mogelijk te maken is dan ook een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Beesel noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer

Deze motivering ten behoeve van de wijziging van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Beesel bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het gebiedsprofiel en de huidige situatie van het projectgebied. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid en de regelgeving. In hoofdstuk 5 is getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 zijn de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en hoofdstuk 7 betreft een afweging van de belangen.

6

HOOFDSTUK

2 Gebieds- en projectprofiel

2.1

Inleiding

2.2

Gebiedsprofiel

In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het projectgebied en de omgeving waarin het zich bevindt.

Het projectgebied bevindt zich op sportpark Solberg aan de Sint Antoniusstraat. De Sint Antoniusstraat verbindt de kern Beesel met het zuidelijk gelegen buurtschap Rijkel. De locatie vormt de overgang van het bebouwde gebied richting het buitengebied. Ten noorden en ten noordoosten van de locatie zijn derhalve overwegend stedelijke functies aanwezig zoals wonen, maatschappelijke en sportvoorzieningen aanwezig. Direct ten noorden van de locatie wordt het bebouwd gebied uitgebreid met de komst van circa 27 nieuwe woningen in het verlengde van de Juffrouw Hensenlaan. Ten zuiden van de locatie zijn voornamelijk agrarische functies en natuur aanwezig. Tenslotte bevindt de locatie zich op circa 330 meter van de oever van de Maas.

Figuur 3: Overzicht van de omgeving met projectgebied rood omcirkeld.

2.3

Huidige situatie projectgebied

In de huidige situatie worden de gronden binnen het projectgebied hoofdzakelijk gebruikt als voetbalveld. Dit veld staat ook wel bekend als het ‘Rijkelse Veld’. De voorzijde van het terrein wordt gebruikt als parkeerplaats waarop tevens inzamelcontainers voor huishoudelijk afval aanwezig zijn. Het 7

terrein wordt aan de noordzijde en zuidwestzijde afgeschermd door een bomenrij. De aangrenzende gronden van het sportterrein worden gebruikt ten behoeve van akkerbouw. Hier worden diverse gewassen geteeld.

Figuur 4: Vooraanzicht van de projectlocatie vanaf de Sint Antoniusstraat.

8

HOOFDSTUK

3 Voorgenomen ontwikkeling

3.1

Inleiding

3.2

Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de beoogde situatie omschreven.

De gemeente Beesel is voornemens om binnen het projectgebied een IKC te vestigen. De directe aanleiding voor de ontwikkeling van het IKC is de matige staat van het huidige schoolgebouw. Verder zijn functies die verbonden zijn met de school verspreid over diverse locaties. Zo zijn de opvanglocaties van de kinderopvangorganisatie verdeeld over drie verschillende locaties binnen Beesel en is de gymzaal niet bij de school gelegen. Met de ontwikkeling van het IKC worden al deze functies geïntegreerd onder één dak. De open inloop van ouderen die nu in de school is gevestigd wordt eveneens in het IKC ondergebracht. Concreet wordt in de beoogde situatie voorzien in een basisschool met een capaciteit van circa 160 leerlingen, een kinderdagverblijf (0-4 jarigen) met circa 12 kindplaatsen, een speelleergroep (2-4 jarigen) met circa 16 kindplaatsen, een buitenschoolse opvang (4-13 jarigen) met circa 33 kindplaatsen en een gymzaal waar zowel de school als sportverenigingen gebruik van kunnen maken. Voor de open inloop van ouderen wordt rekening gehouden met maximaal 20 deelnemers per dag voor drie dagen per week.

Figuur 5: Indicatief vooraanzicht van het beoogde IKC.

Het gebouw zal worden uitgevoerd als twee bouwlagen met een kap. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk ten hoogste 9 en 12 meter. Het gebouw wordt ten minste 10 meter uit de zijdelingse en achterste bouwvlakgrenzen gebouwd. Er zal gebruik worden gemaakt van baksteen en houtstructuren met natuurlijke kleuren. 9

De buitenruimte van het IKC wordt ingezet ten behoeve van sport en spel. Er is tevens ruimte voor groen deze wordt ingevuld door de aanplant van nieuwe bomen, hagen en de aanleg van een wadi ten behoeve van waterretentie (figuur 6).

Figuur 6: Beoogde buiteninrichting.

Parkeren vindt net zoals in de huidige situatie plaats aan de voorzijde van het projectgebied. Hier is ruimte voor 42 parkeerplaatsen. Verder zullen er 96 parkeerplaatsen voor fietsen worden gerealiseerd. Deze parkeervoorzieningen zullen buiten schooltijden tevens worden gebruikt voor de sportaccommodatie. Er wordt nog onderzocht of de inzamelcontainers voor huishoudelijk afval op de locatie behouden kunnen blijven. Uit het onderzoek zal blijken wat de meest passende locatie is voor de inzamelcontainers. Daarbij worden zowel locaties onderzocht in het gebied rond het sportpark/IKC als elders. De wijze van afvalinzameling wordt daarnaast gewijzigd, waardoor er minder inzamelcontainers nodig zijn.

10

HOOFDSTUK

4 Beleid en regelgeving

4.1

Inleiding

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving.

In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie/beschrijving van de doorwerking van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het projectgebied opgenomen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: a) Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; b) De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; c) Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; d) Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening te worden gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de NOVI.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de van toepassing zijnde omgevingsaspecten en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze van invloed is op de fysieke leefomgeving. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Vanuit de algemene rijksregels voor de fysieke leefomgeving zijn vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels van het Rijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee 11

door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning (artikel 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e). Bij deze regels gaat het over normen voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed .

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bkl en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bkl geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder voor duurzame verstedelijking is een uitwerking van hetgeen is opgenomen in het NOVI en ziet op ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Op basis van jurisprudentie kan gesteld worden dat de grens in beginsel ligt op het toevoegen van 12 woningen of meer, dan wel 500 m² of meer voor andere ontwikkelingen. De tweede vraag is of het een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Om dit te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in de huidige en toekomstige situatie.

Toetsing initiatief

Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt immers een nieuwe functie toegevoegd op een locatie met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2. Op basis van artikel 5.129g van het Bkl dient inzicht te worden gegeven in de behoefte van de stedelijke ontwikkeling en of de stedelijke ontwikkeling binnen het bestaande stedelijk gebied gerealiseerd wordt.

12

In dit geval betreft het een functiewijziging die het gevolg is van een verplaatsing van bestaande functies naar een nieuwe locatie. Voor de verplaatsing is een programma van eisen opgesteld waaraan de nieuwe locatie en nieuwe bebouwing aan moet voldoen. Het programma van eisen is gebaseerd op de te verwachten behoefte aan onderwijs, kinderdagopvang en sportvoorzieningen. Op deze wijze kan de behoefte van de beoogde functies voldoende gemotiveerd worden. Het programma van eisen is bijgevoegd als bijlage I. Op deze wijze wordt voldaan aan de eerste eis vanuit de systematiek van de ladder. Verder betreft het een functiewijziging binnen bestaand stedelijk gebied. Op deze wijze wordt automatisch voldaan aan de tweede voorwaarde conform de systematiek van de ladder. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde. 4.2.4

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. In de Limburgse omgevingsvisie wordt het toekomstbeeld voor 2030-2050 geschetst voor de provincie. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg (zie paragraaf 4.3.2).

Toetsing initiatief

Het projectgebied is volgens de algemene zonering gelegen binnen de landelijke kern (figuur 7). Binnen de landelijke kern is het van belang de leefbaarheid en vitaliteit van de kernen te waarborgen. Investeringen in lokale voorzieningen zoals onderwijs, kinderdagopvang, sport en ouderenzorg dragen direct bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de kern Beesel. Tevens draagt de investering in goede onderwijslocaties op termijn bij aan de doelstellingen die de provincie heeft op het economische vlak. Kortom kan worden gesteld dat de ontwikkeling past in het beleid zoals omschreven in de omgevingsvisie Limburg. 13

Figuur 7: Uitsnede van het kaartmateriaal behorende bij de omgevingsverordening Limburg met projectlocatie rood omcirkeld.

4.3.2

Omgevingsverordening Limburg Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening is op 1 januari, gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking getreden. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven). Uit voorgaande paragraaf blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen de landelijke kern. Voor de ontwikkeling van een IKC binnen de landelijke kern zijn geen specifieke regels opgenomen in de omgevingsverordening.

Toetsing initiatief

Voor de ontwikkeling van een IKC in de landelijke kern gelden geen specifieke regels uit de omgevingsverordening. In de voorgaande paragraaf (4.3.1) is reeds aangetoond dat de ontwikkeling wel voldoet aan de Limburgse principes en algemene zonering. Verdere toetsing aan de Omgevingsverordening is dan ook niet aan de orde. Onderhavige ontwikkeling voldoet daarmee aan de provinciale omgevingsverordening.

14

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Structuurvisie Beesel De gemeente Beesel heeft nog geen omgevingsvisie vastgesteld. Derhalve vindt toetsing plaats aan de geldende structuurvisie uit 2011. In de structuurvisie wordt ingegaan op de sociale leefomgeving. Hier wordt aangegeven dat Beesel is gericht op een levendige gemeenschap. Hier wordt in de toekomstvisie veel aandacht aan besteed. Tevens is er aandacht voor sportstimulering. In de algemene trends wordt gesignaleerd dat er sprake is van een toenemend aantal ouderen en sprake is van een toenemende vraag naar kinderopvang en buitenschoolse opvang. Verder wordt aangegeven dat er een lichte afname is ten aanzien van de ruimtebehoefte van het basisonderwijs.

Toetsing initiatief

Met het initiatief worden de diverse trends die de gemeente identificeert in haar structuurvisie beantwoord. Het nieuwe pand geeft immers voldoende ruimte voor de toenemende vraag naar kinderopvang en buitenschoolse opvang. Daarnaast biedt de ontwikkeling van het IKC de kans om het te grote bestaande schoolgebouw van de basisschool te verruilen voor deze nieuwe locatie. Door het dubbelgebruik van het pand voor diverse functies ontstaat tevens kruisbestuiving tussen de diverse functies en doelgroepen. Op deze wijze is ook ingespeeld op het toenemende aantal ouderen door een open inloop mogelijk te maken. Daarnaast zijn er sportfaciliteiten aanwezig die bijdragen aan de gezondheid van de kinderen. Al met al zal de ontwikkeling van het IKC bijdragen aan het in stand houden van de levendige gemeenschap binnen Beesel.

15

HOOFDSTUK 5.1

5 Fysieke leefomgeving

Leeswijzer De Omgevingswet (Ow) is sinds 1 januari 2024 in werking getreden. De

omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. In deze wet zijn meerdere wetten en regels gebundeld. Er zijn vier AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur) vastgesteld: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het omgevingsbesluit over bevoegd gezag (welk orgaan is bevoegd en welke procedure is van toepassing). Omdat de onderdelen uit de fysieke leefomgeving, zoals genoemd in art. 1.2 Ow, beoordeeld dienen te worden in het kader van een wijziging van het omgevingsplan, worden in dit hoofdstuk de activiteiten en/of werkzaamheden van de beoogde ontwikkeling getoetst. In elke paragraaf van dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op hetgeen er over dit aspect is opgenomen in de Omgevingswet, waarna vervolgens de beoogde ontwikkeling op deze punten per aspect wordt getoetst.

5.2

Erfgoed

Het beleidskader Cultureel Erfgoed (art. 5.130 lid 1 Bkl) is opgesteld voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving en om als instrument uitvoering te geven aan het archeologiebeleid of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten.

Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads- en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden. Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied zal een analyse worden uitgevoerd voor de mogelijkheid tot bescherming van het cultureel erfgoed.

Archeologie

Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Conform het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Beesel heeft het projectgebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ . In de planregels is 16

opgenomen dat een onderzoeksplicht naar mogelijk aanwezige archeologische waarden verplicht is indien de ingrepen in de bodem dieper zijn dan 40 cm of groter zijn dan 500 m2 binnen de dubbelbestemming Archeologie 1 of als de ingrepen in de bodem dieper zijn 40 cm of groter zijn dan 1.000 m2 in de dubbelbestemming Archeologie 2. Het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Beesel bestendigd hiermee het beleid uit het gemeentelijke archeologische beleidskader.

Toetsing initiatief

Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Wel zijn er enkele gemeentelijke monumenten aanwezig in de omgeving. Ten noordwesten van het plangebied is een kapel aanwezig welke is aangewezen als gemeentelijk monument. Tevens is op de t-splitsing een monumentale lindeboom aanwezig. Beide objecten zullen door onderhavige ontwikkeling niet worden aangetast. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding. Met onderhavige ontwikkeling vinden er bodemingrepen plaats die de ontheffingsvrije waarden voor wat betreft het aspect archeologie overschrijden. Derhalve is er een archeologisch onderzoek benodigd en uitgevoerd. Onderstaand zijn de bevindingen uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar bijlage II. Op basis van het aangetroffen bodemprofiel zijn kunnen er archeologische sporen in de top van de rivierduinafzettingen aangetroffen worden. Dit niveau wordt direct onder de A-horizont (Aap- en/of Aa-horizont) verwacht. Recente diepere bodemverstoringen zijn niet aangetroffen.

Op basis van de aangetroffen bodemopbouw kan de lage archeologische verwachting voor de periode midden-paleolithicum – laat-paleolithicum en de hoge archeologische verwachting vanaf het mesolithicum - vroege middeleeuwen gehandhaafd blijven. Voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd blijft de middelhoge archeologische verwachting gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf circa 30 centimeter beneden maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd indien ingrepen dieper dan dit niveau gaan plaatsvinden. Naar aanleiding van de conclusies uit het archeologisch onderzoek zal nader onderzoek worden uitgevoerd.

5.3

Beschermen van de gezondheid

Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. 17

Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen en externe veiligheid een belangrijke rol.

Spuitzones

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient, in het kader van de borging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, afstand worden gehouden tussen gevoelige objecten en agrarische gronden waarop teelt van gewassen plaatsvindt. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden.

Veehouderijen

Er zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond (intensieve) veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Specifiek geldt dat in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen er sprake is van een verhoogd risico op longklachten.

Toetsing initiatief Spuitzones

Ten noordwesten en ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich agrarische bouwlanden waarop gewassen worden geteeld, te weten de percelen, kadastraal bekend als gemeente Beesel, sectie N, nummers 30 en 83. Gemeente Beesel is met de eigenaar van het perceel N83 in gesprek om deze gronden te verwerven. Na verwerving heeft de gemeente zelf de regie op het gebruik van de grond en is er geen sprake meer van een eventuele spuitzone vanuit dit perceel. Perceel N30 ligt aan de overzijde van de Sint Antoniusstraat en wordt ruimtelijk van het IKC gescheiden door deze straat en een parkeerterrein. De kleinste afstand tussen het akkerbouwperceel en de buitenruimte bij het beoogde IKC is ca. 22 meter. Het gebouw zelf ligt op minstens 30 meter afstand. Het akkerbouwperceel is relatief klein van omvang (circa ¾ ha.) en heeft een ongunstige vorm, waardoor het niet efficiënt te bespuiten is. Enkel in het geval van een noordwestelijke windrichting kunnen gewasbeschermingsmiddelen in de richting van het IKC waaien. De overwegende windrichting in Nederland is echter zuidwestelijk, gewasbeschermingsmiddelen waaien daarbij niet richting het IKC. Bij de bouw van het IKC worden aan de voorzijde van het gebouw zo min mogelijk te openen ramen gerealiseerd. Eventuele te openen ramen zijn 18

bovendien alleen bedoeld om te spuien, aangezien de ventilatie via een gesloten systeem plaatsvindt. De techniekruimte en luchtinlaat van het systeem zijn op meer dan 50 meter afstand van het agrarische perceel gelegen, dus op voldoende afstand van de spuitzone. Door deze maatregelen wordt de invloed van eventueel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen significant verkleind.

Veehouderijen

De meest nabijgelegen intensieve veehouderijen bevinden zich op circa 1 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Daarnaast zijn er binnen een straal van 2 kilometer van het projectgebied geen geitenhouderijen aanwezig. Het initiatief wordt derhalve niet gehinderd door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving.

Algemeen

Uit de algehele toetsing van de fysieke leefomgevingsaspecten in het vervolg van dit hoofdstuk blijkt dat er ook voor overige aspecten geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling en de gezondheid hiermee niet in het geding komt.

5.4

Bodem

Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen uit artikel 2.34 Bkl: • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; ▪ §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect bodem. Er wordt immers een nieuw gevoelig object mogelijk gemaakt binnen het projectgebied. Derhalve is er een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit het bodemonderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage III. De locatie kan op basis van de verzamelde gegevens uit het historisch bodemonderzoek als onverdacht worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. De locatie is tevens onverdacht op het voorkomen van asbestverdacht materiaal in de bodem. De verwachte bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief, een actualiserend verkennend bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. In de rapportage wordt volledigheidshalve nog gewezen naar de verdachte deellocatie aan de Bovenste Solbergweg. Hier vinden echter geen wijzigingen plaats. Zodoende vormt deze verdachte deellocatie geen belemmering voor het initiatief.

19

5.5

Water(systemen)

Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijziging of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen die de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgen opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.

Aangezien onderhavige ontwikkeling niet in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde.

5.5.1

Kenmerken watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.

Toetsing initiatief Grondwater

In het projectgebied zal geen grondwater worden onttrokken. Daarnaast zullen er geen activiteiten plaats vinden die het grondwater mogelijk kunnen vervuilen. Er worden ten aanzien van grondwater dan ook geen belemmeringen verwacht.

Oppervlaktewater In het projectgebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en er zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd.

Afvalwater

In de huidige situatie is er geen afvalwater afkomstig van de locatie. In de beoogde situatie wordt het afvalwater middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd.

20

Hemelwater

Aangezien de hoeveelheid verharding en bebouwing binnen het projectgebied toeneemt zal de hoeveelheid te verwerken hemelwater eveneens toenemen. Het hemelwater zal worden opgevangen binnen de projectlocatie en krijgt hier de kans om te infiltreren in de bodem. Uit het uitgevoerde infiltratieonderzoek (bijlage IV) blijkt dat de doorlatendheid van de bodem matig tot zeer goed is. Er wordt geadviseerd een infiltratievoorziening in de bovengrond of ondiepe ondergrond aan te leggen, bijvoorbeeld een infiltratieveld, wadi, greppel, grindkoffers en/of infiltratiekratten. Het aanleggen van grindpalen ten behoeve van infiltratie naar dieper gelegen lagen is niet noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande wordt voorgesteld om het hemelwater dat op daken en verharding valt af te voeren naar de wadi’s die op het terrein worden aangelegd. De wadi’s worden zodanig ontworpen dat ze veilig zijn voor kinderen en extra speelmogelijkheden bieden. Met deze maatregelen kan het terrein 60 mm water bufferen per vierkante meter verhard oppervlak.

Conclusie

Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling geen belemmeringen vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water.

5.6

Ecologie

5.6.1

Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht.

De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna.

In hoofdstuk 11 van het Bal is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, lid 1, en onder e Ow verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Het verbod geldt: 1. Niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen die zijn aangewezen in een omgevingsverordening. 2. In gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Er is sprake van een algemene zorgplicht voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen 21

van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In dit geval kan worden volstaan met toetsing voor het aspect stikstof aangezien voor de overige aspecten geen negatieve effecten worden verwacht.

Toetsing initiatief

Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland/Limburg gelegen. Op een afstand van circa 100 meter ten zuiden van het projectgebied zijn meerdere percelen gelegen die deel uitmaken van Natuurnetwerk Nederland. Het betreft het natuurgebied Solberg. Binnen het natuurnetwerk Nederland geldt een ‘nee, tenzij’-benadering. Aangezien het projectgebied buiten het Natuurnetwerk is gelegen en de bouwwerkzaamheden op geruime afstand worden uitgevoerd heeft de beoogde ontwikkeling geen gevolgen voor de percelen die deel uitmaken van het Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Swalmdal’ welke op een afstand van circa 1,5 kilometer van het projectgebied is gelegen. Om de effecten van onderhavige ontwikkeling op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een Aerius-berekening uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de berekening weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage V. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief.

5.6.2

Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is:

22

a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden

gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen c.

zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Toetsing initiatief

Ten einde inzichtelijk te maken of er beschermde soorten aanwezig zijn binnen het projectgebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is Onderstaand zijn de resultaten van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VI. Als gevolg van de uitgevoerde quickscan worden de volgende voorwaarden/aanbevelingen meegegeven: ▪ De berm rond de Sint Antoniuskapel dient beschermd te worden tegen zwaar bouwverkeer dat van en naar de bouwplaats rijdt. Hiermee wordt voorkomen dat het ecologisch bermbeheer rond de kapel voor niets is geweest. ▪ Door tijdens de bouwfase geen nachtverlichting toe te passen, wordt voorkomen dat de vliegroute van vleermuizen wordt verstoord door verlichting. Indien het nodig is om de bouwplaats toch te verlichten, dan moet amberkleurige verlichting gebruikt worden. Voor deze kleur zijn vleermuizen niet gevoelig. ▪ Om de vliegroute van vleermuizen niet te verstoren mag de mast van verlichting in de nabijheid van de zuidelijke bomenrij niet hoger zijn dan de aanzet van de kroon van de bomen. Ook mag de verlichting de kroon van de bomen niet verlichten. Nachtelijke verlichting dient zo veel mogelijk beperkt te blijven. ▪ Het verstoren van broedende vogels moet zo veel mogelijk voorkomen worden. Daarom is het aan te raden om de rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Er bestaat geen wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen. De aanwezigheid van een broedgeval is hierin leidend. Indicatieve datumgrenzen is de periode van 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Wanneer bovenstaande voorwaarden/aanbevelingen worden opgevolgd zal de beoogde ontwikkeling geen onevenredige negatieve effecten veroorzaken voor aanwezige flora en fauna. Er is dan ook geen nader onderzoek noodzakelijk. Het aspect soortenbescherming vormt dan ook geen belemmering.

5.7

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet hebben enerzijds betrekking op geluid als 23

gevolg van een activiteit en anderzijds op geluid als gevolg van geluidsbronsoorten met een aandachtsgebied. 1. Regels voor geluid als gevolg van een activiteit zijn door de gemeente vastgelegd in het (tijdelijke) omgevingsplan; 2. Regels voor geluid als gevolg van geluidsbronsoorten met een aandachtsgebied zijn terug te vinden in het Bkl en de provinciale omgevingsverordening. Geluid als gevolg van een activiteit wordt getoetst aan n het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau LAmax). Geluid als gevolg van geluidsbronsoorten wordt getoetst aan de standaard- en grenswaarden zoals opgenomen in het Bkl. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Toetsing aan bovenstaande regels is noodzakelijk indien een nieuw geluidsgevoelig gebouw (zoals gedefinieerd in artikel 3.21 van het Bkl) of een nieuwe geluidsbron wordt toegevoegd.

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geluid. Er wordt immers nieuwe geluidsgevoelige bebouwing (onderwijsfunctie en kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van beide functies) binnen het projectgebied gerealiseerd. Derhalve is er een akoestisch onderzoek benodigd en uitgevoerd. Andersom moet ook worden gekeken naar de activiteiten die binnen het projectgebied plaatsvinden en welke gevolgen deze activiteiten hebben voor omliggende geluidgevoelige functies. Ook dit aspect is onderzocht in het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Onderstaand zijn de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VII. Uit het onderzoek volgt: • dat het geluid op de onderwijsfunctie voor alle omliggende geluidbronsoorten voldoet aan de standaardwaarde; • dat voor de onderwijsfunctie ook zonder aanvullende maatregelen voldaan kan worden aan de eisen aangaande de binnenwaarde; • dat de plannen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; • dat het geluid bij omliggende woningen als gevolg van het nieuw beoogde kindcentrum (school+gym) voldoet aan de eisen uit het Omgevingsplan; • dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 24

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht

Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl).). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen.

Toetsing initiatief

Middels de NIBM-tool is berekend of de beoogde ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Hierbij is uitgegaan van het maximaal aantal verkeersbewegingen dat als gevolg van de vestiging van het IKC zal plaatsvinden. Uit de tool blijkt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate

Figuur 8: NIBM-tool

25

bijdraagt aan luchtverontreiniging (figuur 8). Derhalve is geen nader onderzoek noodzakelijk. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. Tevens dient binnen het projectgebied sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit ten behoeve van de nieuwe gevoelige functies. Hiervoor wordt gekeken naar de achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De grenswaarde voor beide concentraties bedraagt 40 μg/m. Uit de concentratiekaarten van het RIVM blijkt dat de achtergrondconcentratie fijnstof circa 13,76 μg/m bedraagt. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide bedraagt circa 9,32 μg/m. Er wordt dus voldaan aan de grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering.

5.9

Geur

De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.

Individuele geurhinder

In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig.

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geur. Er worden immers nieuwe verblijfsruimten voor mensen toegevoegd die worden gezien als geurgevoelige objecten. Om een beeld te krijgen van de geursituatie ter plaatse is gekeken naar de afstand tot (intensieve) veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt een vaste afstand van 50 meter tot een geurgevoelig gebouw. Voor dieren met een geuremissiefactor gelden geen vaste afstanden. Binnen 50 meter van de 26

projectlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig. Binnen een straal van 1 kilometer zijn ook geen (intensieve) veehouderijen gelegen waarvoor een geuremissiefactor geldt. Hierdoor kan worden verondersteld dat de beoogde ontwikkeling niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf ligt. Een nadere toetsing aan het aspect geur is niet aan de orde.

5.10

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

Risiconormering

In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebeiden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het 27

gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.

Toetsing initiatief

Met behulp van de Atlas Leefomgeving (figuur 9) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.

Figuur 9: Uitsnede Atlas Leefomgeving met projectgebied rood omcirkeld.

Uit de kaart blijkt dat op korte afstand van het projectgebied geen inrichtingen aanwezig zijn die gevolgen hebben voor het plaatsgebonden risico. Daarnaast is de projectlocatie gelegen buiten de aandachtsgebieden van de Maas. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11

Milieubelastende activiteiten

Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die

nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in

hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbijbehorende nevengeschikte milieubelastende 28

activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. Om e.e.a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en gevoelige objecten bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding.

Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.

Toetsing initiatief

De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gebied dat de overgang vormt van het buitengebied naar de bebouwde kom. In deze overgangszone zijn voornamelijk woningen, maar ook enkele bedrijven aanwezig. In dit geval wordt derhalve uitgegaan van het gebiedstype gemengd gebied. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen het beoogde IKC (de gymzaal en buitenruimte betreffen geen gevoelig object en kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten) en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven/functies.

29

Locatie

Functie

Ouddorp 9 Ouddorp 7

Kwekerij 10 meter Grondgebonden 10 meter agrarisch bedrijf (geen veehouderij) Paardenhouderij 30 meter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=96a10c93-19a2-49cf-9d6c-1e1f13e7c9f1