P04376 Veegplan buitengebied Beesel 2023 Bijlagen bij Toelichting 20240425
Tekst van het document
de gemeente Beesel en de regionale context; een thematisch overzicht van de al bestaande relevante beleidskaders en van de relevante trends en ontwikkelingen; een SWOT welke een overzicht van de sterkten, zwakten, kansen en bedreigingen geeft voor de gemeente; de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie voor de gemeente Beesel tot 2030. Hierin wordt ook ingegaan op de deelgebieden door per deelgebied de kernkwaliteiten, het streefbeeld en de thematische ontwikkelingsrichtingen te verwoorden; de uitvoering, inclusief de wijze waarop de gemeente kostenverhaal wil toepassen bij ruimtelijke projecten.
Ambitie voor ‘kern Beesel’ is: ‘Als sluitstuk van de hoogwaterbeschermingsmaatregelen, worden de kaden voor zover noodzakelijk rond Beesel verhoogd’ (pag. 47). Ambitie voor ‘Buitengebied’ is: ‘De veiligheid langs de Maas zoveel mogelijk te realiseren door rivierverruimingsmaatregelen en natuurvriendelijke oevers. Een verhoging van de waterkeringen vormt het mogelijk noodzakelijke sluitstuk van de hoogwaterbescherming’ (pag. 52) Conclusie Met de dijkversterking blijft voldoende ruimte voor de ambities en ontwikkelingsrichtingen van de gemeente. De dijkversterking draagt bij aan de veiligheidswensen en is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisie.
3.4.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 Het plassengebied is een compact gebied en gelegen in de Nederlandse gemeenten Echt-Susteren, Maasgouw, Leudal, Roermond en Beesel en de Belgische gemeenten Kinrooi en Maaseik. De intergemeentelijke structuurvisie (IG-SV) schetst het toekomstbeeld voor de Maasplassen tot 2030. Met een gemeenschappelijk gedragen toekomstvisie kunnen ontwikkelingen beter en met meer onderlinge samenhang tot stand worden gebracht. Daarnaast maakt de structuurvisie het voor de gemeenten mogelijk om beter samen met andere organisaties ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De gemeente Beesel heeft de ambitie om het gebied aantrekkelijker te maken voor recreanten, toeristen en eigen inwoners. Verder zijn de volgende ambities beschreven: •
Rivierkundige structuur: Voor het traject vanaf de molen Grauwe Beer wordt in noordelijke richting gekozen voor een herprofilering van de Maasoever. Vanwege de bijzondere landschappelijke kwaliteiten wordt hier gekozen voor een evenwichtige maatregel en wordt niet ingezet op de optimale rivierkundige ingrepen met de grootste bijdrage aan het behalen van de taakstelling;
18
HWBP Noordelijke Maasvallei • •
Natuur en landschap: Het gaat om het versterken en beter benutten en beleven van het landschap en de aanwezige natuurwaarden, vaak in samenhang met de cultuurhistorische waarden, landbouw en recreatie; Recreatie en toerisme: De gemeente streeft naar een verbreding van het aanbod verblijfsrecreatie en zoekt daarnaast vooral naar mogelijkheden om recreatie te koppelen aan natuur, landschap en cultuur.
Conclusie De doelstelling van het dijkversterkingsprogramma is primair: het verbeteren van de waterveiligheid in de Maasvallei (versterkingsopgave). Daarnaast geldt als secundaire doelstelling: het versterken van gebiedskwaliteiten (opgave ruimtelijke kwaliteit). De dijkversterking draagt dus bij aan de wensen wat betreft rivierkundige structuur, natuur, landschap, recreatie en toerisme, en is daarmee in overeenstemming met de IG-SV. 3.4.3 Archeologiebeleid gemeente Beesel 2010 Sinds september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht. De Wamz, die is opgenomen in de Monumentenwet, geeft gemeenten beleidsruimte om de archeologische monumentenzorg op het gemeentelijk grondgebied beleidsmatig en financieel zelf in te vullen. De gemeente moet zich hierbij houden aan het rijks- en provinciaal beleid. Op onderstaande figuur is de archeologische beleidskaart van Beesel weergeven. In de bijbehorende tabel is opgenomen welke voorwaarden gelden bij de omgevingsvergunning en het omgevingsvergunningenstelsel. Het beleid van de archeologische beleidskaart is vertaald in de regels van de bestemmingsplannen Buitengebied Beesel (vastgesteld 24-06-2013) en bebouwde gebieden Beesel (vastgesteld op 15-12-2014). Daarin liggen de regels vast omtrent archeologie en archeologisch onderzoek.
In de bestemmingsplannen is bepaald dat een omgevingsvergunning slechts mag worden verleend als geen onevenredige schade wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden. Hiervoor dient de aanvrager een archeologisch onderzoek uit te voeren voor het gehele perceel waarin de archeologische waarde, naar het oordeel van het bevoegd gezag (gemeente Beesel), in voldoende mate is vastgesteld. Onder andere is bepaald dat het bevoegd gezag een selectiebesluit moet nemen om een terrein vrij te geven voor de aangevraagde omgevingsvergunning. Daarbij kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden stellen aan de omgevingsvergunning: 1. 2. 3.
De verplichting tot het treffen van technische maatregelen; De verplichting tot het doen van opgravingen; De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, voor rekening van de verstoorder te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
19
HWBP Noordelijke Maasvallei
Figuur 7 Archeologische beleidskaart gemeente Beesel (bron: gemeente Beesel)
20
HWBP Noordelijke Maasvallei Tabel 1 Bijbehorend bij archeologische beleidskaart gemeente Beesel (bron: gemeente Beesel) Archeologische verwachting hoog
middelhoog
Beleidsadvies behoud in huidige staat van eventuele resten
Voorwaarde voor behoud voorwaarden aan de omgevingsvergunning en omgevingsvergunningen-stelsel bij plangebied groter dan 500 m2 en/of gelegen binnen een straal van 50 m van hoge of zeer hoge waarde: geen bodemingrepen van dieper dan 40 cm beneden het maaiveld
behoud in huidige staat van eventuele resten
voorwaarden aan de omgevingsvergunning en omgevingsvergunningen-stelsel bij plangebied groter dan 1.000 m2 en/of gelegen binnen een straal van 50 m van hoge of zeer hoge waarde: geen bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden het maaiveld
geen
voorwaarden aan de omgevingsvergunning en omgevingsvergunningen-stelsel bij plangebied kleiner dan 5.000 m2 geen onderzoek, tenzij gelegen binnen een straal van 50 m van hoge archeologische waarde
geen
geen
laag
zeer laag
Conclusie In bijlage II is opgenomen welke activiteiten afwijken van de dubbelbestemmingen archeologie. Het betreft enerzijds constructies, waarvoor de aannemer te zijner tijd een omgevingsvergunning voor de bouw zal aanvragen. In het kader van deze toekomstige vergunningverlening zal een nader archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en kan de gemeente een selectiebesluit nemen. Het behoud van archeologisch waarden is daarmee geborgd. Voor overige werken en werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde, is het behoud van archeologische waarden met het projectplan Waterwet geborgd (zie ook paragraaf 1.4).
21
HWBP Noordelijke Maasvallei 4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de effecten van de strijdige onderdelen zoals opgenomen in bijlage II ten aanzien van verschillende omgevingsaspecten toegelicht. Indien nodig worden mitigerende activiteiten benoemd om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. In deze beschrijving van effecten worden, bij verschillende omgevingsaspecten, ook effecten beschreven van activiteiten die niet strijdig zijn met het bestemmingsplan. Dit is aan de orde voor zover deze activiteiten van invloed zijn op het totale effect van de afwijkende activiteiten. In de aanmeldingsnotitie, zie bijlage VII, zijn omgevingsaspecten getoetst op mogelijke effecten. Dit document is als input gebruikt bij deze ruimtelijke onderbouwing. Ook zijn beschikbare onderzoeken separaat als bijlage toegevoegd, het gaat om: • • • • • • • • • • • •
Bijlage VIII Bureaustudie archeologie en cultuurhistorie; Bijlage IX Rapportage verkennend onderzoek archeologie en cultuurhistorie; Bijlage X Bureaustudie (water)bodem kwaliteit; Bijlage XI Verkennend (water)bodemonderzoek; Bijlage XII Rapportage verkennend (water)bodemonderzoek (veegronde); Bijlage XIII Bureaustudie CE; Bijlage XIV Bureaustudie Flora en Fauna en ecologie; Bijlage XV Inventarisatie Flora en fauna; Bijlage XVI Memo sloop objecten; Bijlage XVII Rapportage effectbeoordeling natuur soortenbescherming; Bijlage XVIII Rapportage effectbeoordeling natuur overig; Bijlage XIX Rapportage akoestiek.
4.1 Archeologie Archeologie is van belang voor de activiteiten waarvoor afgeweken wordt van het bestemmingsplan, omdat voor het realiseren van de maatregelen de bodem wordt geroerd (onder andere ten behoeve van de vervangende waterkering, de verticale maatregelen voor piping en stabiliteit met een grotere diepte dan 0,4 m beneden maaiveld). Om de archeologische waarden te beschermen bij de activiteiten waarvoor afgeweken wordt van het bestemmingsplan wordt een proces doorlopen, dat het gemeentelijke beleid volgt (zie paragraaf 3.4.3.). Met dit geschetste proces, is zorgvuldige omgang met archeologische waarden geborgd. Archeologische waarden staan uitvoering van het project daarmee niet in de weg. 4.2 Cultuurhistorie De dorpskern van Beesel is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Ter hoogte van dijkvak 4, grenzend aan dijkvak 3 wordt het Terras Maashof, binnen dit beschermde dorpsgezicht, richting de Maas verplaatst. Deze verplaatsing heeft geen wezenlijke verandering voor het stedenbouwkundig beeld ter plaatse tot gevolg en leidt daarmee niet tot aantasting van het beschermde dorpsgezicht. Ook de overige afwijkingen hebben geen nadelige gevolgen voor cultuurhistorie tot gevolg, hetgeen in bijlage VIII en bijlage IX voor het gehele dijktraject Beesel nader wordt onderbouwd.
4.3 Landschap Een groot deel van het plangebied bij Beesel is in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangewezen als Bronsgroene landschapszone, Zilvergroene natuurzone of Goudgroene natuurzone, zie onderstaande figuur. De Goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen de Goudgroene natuurzone streeft de provincie naar behoud en beheer van bestaande natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Voor een beschrijving van de kenmerken van de Goudgroene natuurzone en mogelijke effecten wordt verwezen naar de paragraaf Natuur.
22
HWBP Noordelijke Maasvallei
Figuur 8 natuurzones en landschapszones (bron: intern ontwerpteam IBM) Het beleid binnen de Bronsgroene landschapszone en Zilvergroene natuurzone is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. De voorgenomen activiteiten voor de dijkversterking Beesel, waaronder de strijdige activiteiten, zijn beoordeeld in het licht van de voornoemde zones. Geconcludeerd wordt dat er lokaal een negatief effect kan optreden op het groene karakter als gevolg van bomenkap en kap van andere beplanting in het projectgebied. Daarnaast is er sprake van beperkte aantasting van de kernkwaliteiten visueel-ruimtelijk karakter en reliëf, onder andere als gevolg van de verhoging van keringen danwel de aanleg van nieuwe keringen. Voor een nadere onderbouwing van deze effecten wordt verwezen naar hoofdstuk 2 in het bijgevoegde compensatieplan (bijlage XXII). Ten behoeve van de dijkversterking is een compensatieplan uitgewerkt, waarin zowel invulling wordt gegeven aan compensatie vanuit natuur als landschap. In dit plan is tevens opgenomen hoe en waar bomen en beplanting gecompenseerd worden en hoe daarbij wordt aangesloten op de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone.
Met het terugbrengen van bomen en beplanting kan de identiteit van het gebied worden versterkt en worden de lokale negatieve effecten op de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone gemitigeerd. In het projectplan waterwet, als ook in bijlage XXII van deze ruimtelijke onderbouwing, is het compensatieplan opgenomen. 4.4 Bodem Een aantal activiteiten waarvoor moet worden afgeweken van het bestemmingsplan vinden in de bodem plaats, waardoor de effecten op de bodemkwaliteit inzichtelijk moeten zijn. Uit onderzoeken blijkt dat op een aantal locaties in Beesel (lichte) verontreiniging in de (water)bodem aanwezig is. Indien een aanwezige bodemverontreiniging (mogelijk) wordt beïnvloed, geldt een saneringsplicht (o.a. BUS-melding of saneringsplan). Hierdoor blijft de bodemkwaliteit altijd gelijk of verbetert. Voor het thema bodem treden daardoor geen negatieve effecten op de (water)bodemkwaliteit op. Om te voorkomen dat het aantreffen van (niet voorziene) bodemverontreiniging tot vertraging leidt in de uitvoeringsfase zal de aannemer vooraf een werkplan of plan van aanpak opstellen, waarin
23
HWBP Noordelijke Maasvallei procedures worden vastgelegd zodat op korte termijn actie kan worden ondernomen en wordt voldaan aan wet- en regelgeving. Dit wordt geborgd via het nog te sluiten contract. Het doel van het werkplan is om vooraf overeenstemming te krijgen met het bevoegd gezag over de te volgen procedures en de te hanteren werkwijze, zodat de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de wettelijke kaders, zijnde het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Wet bodembescherming (Wbb) voor de bodem aan de binnendijkse zijde (de landbodem) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Waterwet voor de bodem aan de buitendijkse zijde (de waterbodem). De activiteiten voor de dijkversterking kunnen op deze wijze op beheerste wijze en zonder of met minimale vertraging uitgevoerd worden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het uitvoeren van de activiteiten in het kader van de dijkversterking Beesel. Een kanttekening hierbij is dat de bodemonderzoeken naar de mogelijke aanwezigheid van PFAS nog niet zijn afgerond. Zolang de wet- en regelgeving voor het onderdeel PFAS nog niet is aangepast zal in ieder geval worden gewerkt volgens het tijdelijke handelingskader voor PFAS houdende grond en baggerspecie. Het tijdelijke handelingskader biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS-houdende grond en baggerspecie.
Dit kader zal juridisch worden verankerd via een wijziging van de Regeling bodemkwaliteit. Een definitief handelingskader voor het omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie is op dit moment, vierde kwartaal 2019, nog niet beschikbaar omdat er nog een aantal belangrijke onderzoeken in uitvoering zijn over PFAS in grondwater, bio-accumulatie, mobiliteit en uitloogkarakteristieken van PFAS. Naar verwachting worden de onderzoeken begin 2020 afgerond en zal het definitieve handelingskader voor PFAS daarna worden opgesteld. Zodra het definitieve handelingskader is opgesteld en juridisch is verankerd, zal gewerkt worden volgens dit definitieve kader. 4.5 Niet gesprongen explosieven Het gebied wordt verdacht van niet gesprongen explosieven. In het geval van grondwerkzaamheden wordt de grond eerst nader onderzocht, indien nodig onschadelijk gemaakt, en vervolgens vrijgegeven. Niet gesprongen explosieven vormen geen belemmering voor de voorgenomen activiteiten van dijkversterking Beesel. 4.6 Water De verticale maatregelen voor piping en stabiliteit passen niet binnen de bestemming water - rivier in de dijkvakken 2, 3, 6 en 9. De gevolgen van de voorgenomen activiteit waarvoor afgeweken moet worden van het bestemmingsplan hebben effect op oppervlakte- en grondwater. Daarom moeten de effecten op de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit inzichtelijk worden gemaakt.
Ten aanzien van de effecten op het oppervlaktewater. De Huilbeek is het enige aanwezige oppervlaktewater in dijktraject Beesel. De Huilbeek wordt gekruist door de kering in deelgebied 3 en deelgebied 4. Om te voorkomen dat hier effecten met betrekking tot doorstroming optreden, wordt een afsluitbaar kunstwerk geplaatst. Het kunstwerk kan tijdelijk afgesloten worden bij hoogwater in de Maas. Indien nodig kan door middel van een pomp het beekwater op de Maas worden geloosd. Er zijn geen mitigerende maatregelen noodzakelijk. Ten aanzien van de effecten op het grondwater is er gekeken naar (opstuwing van) grondwaterstroming en vernatting onder dagelijkse omstandigheden. Om piping tegen te gaan tijdens hoogwater op de Maas, wordt mogelijk een ondoorlatende verticale constructie geplaatst in de deelgebieden 1, 2, 3 en 4. Tijdens hoogwater zorgt dit voor verminderde vernatting ten opzichte van de huidige situatie. Tijdens dagelijkse omstandigheden, met grondwaterstroming richting de Maas, kan de verticale constructie tot hogere grondwaterstanden leiden nabij de binnenteen van de dijk, met mogelijk een negatief effect op de huidige binnendijkse ontwatering van (landbouw)percelen. Dit effect is onderzocht met behulp van het grondwaterstromingsmodel MODFLOW.
Uit deze quickscan is gebleken dat de opstuwing van het grondwater nabij de verticale constructie maximaal 0,10 meter bedraagt en verder binnendijks afneemt. Aangezien de freatische grondwaterstand circa 3,5 meter onder maaiveldniveau ligt, leidt deze opstuwing niet tot afgeleide effecten op het huidige maaiveldgebruik. Het nemen van mitigerende maatregelen is niet noodzakelijk vanwege het uitblijven van effecten. De aspecten oppervlakte- en grondwater vormen derhalve geen belemmering voor uitvoering van de activiteiten waarvoor van de vigerende bestemmingsplannen wordt afgeweken. 4.7 Natuur De afwijkingen van de vigerende bestemmingsplannen kunnen effecten hebben op de bestaande natuurwaarden. Tevens passen de dijkversterking, inclusief verticale maatregelen voor piping en
24
HWBP Noordelijke Maasvallei stabiliteit in dijkvakken 5, 7, 8, 9 en 11 niet binnen de bestemming Natuur. In dit kader is ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit de onderzoeken opgenomen. Beschermde gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Swalmdal. Dit ligt op circa 400 meter van de werkzaamheden bij Rijkel en daarmee mogelijk binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Verschillende delen in de omgeving van het plangebied zijn in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als Goudgroene natuurzone (onderdeel van Natuur Netwerk Nederland (NNN)) of Zilvergroene natuurzone. Voor wat betreft de Goudgroene natuurzone betreft het voornamelijk een zone rond de Huilbeek, met uitzondering van het deel waar de Huilbeek de kern van Beesel kruist. Daarnaast zijn de bosgebieden op de hoge ruggen ten zuiden van Beesel aangeduid als Goudgroene natuurzone. Daar waar de dijk de oever van de Maas nadert, raakt het dijklichaam een gebied dat is aangewezen als Goudgroene natuurzone. Ook het Beesels Broek is gelegen binnen de Goudgroene natuurzone en is tevens aangewezen als Natte natuurparel op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Een Natte natuurparel heeft prioriteit bij het realiseren van goede eco-hydrologische voorwaarden.
Een strook buitendijks bij de oever van de Maas en een gebied ten westen van de Beekstraat zijn aangewezen als Zilvergroene natuurzone. Er is beoordeeld dat er geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebied Swalmdal optreden. Ook is er geen sprake van ruimtebeslag en de kwantiteit van het leefgebied van habitattypen neemt dus niet af. De effecten van stikstofdepositie op Swalmdal in de aanlegfase staat in onderstaand tekstkader. Effecten tijdens aanlegfase Tijdens de aanlegfase van de dijkversterking kunnen effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie, bijvoorbeeld door de inzet van graafmachines en de transportbewegingen (vracht- en scheepvaartverkeer) voor de aan- en afvoer van materiaal. De tijdelijke toename van stikstofdepositie gedurende de aanlegfase is berekend en op basis hiervan is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. De uitstoot is tijdelijk en eenmalig en bovendien gering. Significant negatieve effecten zijn uit te sluiten. Er treden geen belangrijke nadelige milieugevolgen op.
De werkzaamheden in dijkvakken 2, 3, 7, 8, 9, 10 en 11 hebben ruimtebeslag op gebieden die zijn aangeduid als Goudgroene natuurzone (onderdeel van NNN). De beheertypen zijn ‘nog om te vormen tot natuur’, ‘rivier- en beekbegeleidend bos’, ´Dennen-, Eiken- en Beukenbos’, ‘Kruiden- en faunarijk grasland’ en ‘Droge Heide’. Het ruimtebeslag op de Goudgroene natuurzone in de dijkvakken 2 en 3 betreft het natuurbeheertype ‘kruiden- en faunarijk grasland’. Dit betreft een tijdelijk effect. De grasbekleding die op de huidige dijk aanwezig is, wordt op de nieuwe dijk ook weer teruggebracht. Langetermijneffecten op dit natuurbeheertype op deze locatie zijn uitgesloten. Enkele agrarische percelen zijn aangewezen als Zilvergroene natuurzone. Hiervoor zijn geen beheertypen aangewezen maar is de functie als ecologische verbinding met het oog op de doelen voor Natura 2000-gebieden en de Goudgroene natuurzone van belang. Er zijn geen permanente negatieve effecten op de functie als ecologische verbinding van het dijktalud in de Zilvergroene natuurzone. Er zijn geen aanvullende mitigerende maatregelen aan de orde. Voor ruimtebeslag op natuurbeheertypen is compensatie aan de orde. Op grond van provinciaal beleid dient een activiteit binnen de Goudgroene natuurzone te worden gecompenseerd, financiële compensatie is hierbij het uitgangspunt.
De exacte omvang van de financiële compensatie wordt in overleg met de provincie bepaald. Beschermde soorten Kenmerken van het gebied en aanwezige soorten Uit onderzoek blijkt dat in de omgeving van de voorgenomen activiteit (potentieel) leefgebied aanwezig is voor algemeen voorkomende beschermde soorten, zoals eekhoorn, bever, das en verschillende soorten vleermuizen. Daarnaast zijn in de omgeving jaarrond beschermde nesten van vogels (steenuil) aanwezig en is rugstreeppad aangetroffen. De voorgenomen activiteit leidt tot tijdelijke verstoring van beschermde soorten en tot tijdelijke en permanente vernietiging van leefgebied van beschermde soorten. Voor veel van de algemeen voorkomende soorten (waaronder ook eekhoorn) geldt een (periodieke) vrijstelling op grond van de Beleidsregels passieve soortenbescherming Limburg en/of de Gedragscode
25
HWBP Noordelijke Maasvallei Flora- en faunawet voor Waterschappen (d.d. 6-2-2012). De effecten worden waar nodig en mogelijk gemitigeerd door het nemen van maatregelen. Voor vleermuizen, rugstreeppad en alle soorten broedvogels zijn specifieke maatregelen nodig om overtredingen van verbodsbepalingen te voorkomen. Een ontheffing voor deze soorten, uitgezonderd steenuil, is niet nodig mits de maatregelen worden genomen. Omdat bij steenuil (nestkast perenboom Ouddorp 22) het risico aanwezig is dat het tijdelijk verlaten van de kast het voortplantingssucces vermindert in het broedseizoen volgend op de uitvoeringsperiode, is voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ontheffing aangevraagd. Voor het vernietigen en het verstoren van dassenburchten met het verlaten van de burcht als gevolg, is eveneens een ontheffing aangevraagd en wordt voor compensatie gezorgd in de vorm van een kunstburcht. Ook voor het vernietigen van een beverhol (vaste rustplaats) in de oever van de Huilbeek ter hoogte van de ‘achterdeur’ is een ontheffing aangevraagd. Compensatie voor bever is niet nodig gezien de alternatieven in het resterende leefgebied ten zuiden van de aan te leggen dijk.
Effecten op beschermde soorten worden waar nodig gemitigeerd door de planning van de werkzaamheden zo veel mogelijk af te stemmen op het gebruik van het plangebied door beschermde soorten (zoals tijdens de kwetsbare periode) of om te voorkomen dat soorten het plangebied gebruiken. De mitigerende maatregelen (zowel algemeen als soortspecifiek) zijn opgenomen in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Effectbeoordeling flora en fauna Beesel (bijlage XVII). Deze maatregelen zijn ook voorwaarden voor de Wnb ontheffing en/of het ecologisch werkprotocol. Daarnaast werkt het waterschap conform de geldende gedragscode Flora- en Faunawet (momenteel tijdelijk verlengd) en zal volgens de nieuwe gedragscode op grond van de Wet natuurbescherming gaan werken wanneer deze is vastgesteld. De compensatie voor de das is uitgebreid uitgewerkt in het activiteitenplan voor de Das (zoals ingediend bij de ontheffingaanvraag Wnb). In het compensatieplan is inzicht gegeven in de globale situering van de compenserende maatregel, namelijk de realisatie van een kunstburcht. In het projectplan waterwet, als ook in bijlage XXII van deze ruimtelijke onderbouwing, is het compensatieplan opgenomen. Mochten er na de maatregelen nog permanente effecten op leefgebied of verblijfplaatsen optreden, dan betreft dit voor de soorten geen grote delen van potentieel (essentieel) leefgebied.
Daarom worden er voor de meeste soorten ook geen effecten op de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten verwacht en is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. 4.8 Verkeer De activiteiten waarvoor wordt afgeweken van het bestemmingsplan, zoals nieuwe keringen en de komst van verticale maatregelen voor piping en stabiliteit, hebben effecten op verkeer en vervoer. Om deze reden is inzicht in de effecten ten aanzien van dit aspect noodzakelijk. Bij het aanleggen van de kering wordt de bereikbaarheid van percelen hersteld. De doorgaande weg over de dijkbocht tussen de molen De Grauwe Beer en Ouddorp in dijkvak 1 wordt op vergelijkbare wijze als de huidige situatie hersteld. Bij deelgebied 2 en 3 worden op- en afritten gerealiseerd voor de bereikbaarheid. Naast de op- en afritten is een weg langs de buitenteen van deelgebied 3 in het ontwerp opgenomen. Dit om de buitendijks liggende percelen te ontsluiten. Hierbij zijn ook twee keerlussen opgenomen omwille van de bedrijfsvoering voor deze percelen. De Huilbeekweg wordt in de uiteindelijke situatie tot aan de aansluiting op hoge grond ten noorden van de Holleweg gesloten voor gemotoriseerd verkeer, inclusief landbouwvoertuigen. Ter plaatse van dijkvak 8 moet de Bussereindseweg worden verhoogd in verband met de kruising met de nieuwe dijk.
Hierdoor moet de weg ter plaatse van de kruin met circa 0,7 meter worden verhoogd. Als gevolg van een flauwe hellingshoek om tot het hoogste punt te komen, blijft hier sprake van een verkeersveilige situatie. Ten gevolge van de wegophogingen kunnen nabijgelegen geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) blootgesteld worden aan een toegenomen geluidsemissie afkomstig van wegverkeer. Uit een worst-case inschatting is gebleken dat dit mogelijke geluidseffect beperkt blijft tot een toename van minder dan 1 dB (decibel). Hierbij is het geluidsniveau van de huidige situatie vergeleken met de geluidsbelasting bij een ophoging van de weg bij dezelfde verkeersintensiteit. Bij de beoordeling van het effect is uitgegaan van een integrale verhoging van 2 meter over de gehele lengte. In de praktijk zal de verhoging lokaal zijn waardoor de daadwerkelijke effecten lager zullen uitvallen. Het effect is zo beperkt
26
HWBP Noordelijke Maasvallei dat het niet tot aanvullende geluidsoverlast zal leiden. Een onderbouwing hiervan is opgenomen in bijlage XIX. Negatieve effecten op verkeer en vervoer zijn hiermee uitgesloten. De uitvoering van de activiteiten waarvoor van het bestemmingsplan moet worden afgeweken is daarom mogelijk. Er zijn geen mitigerende maatregelen noodzakelijk. 4.9 Luchtkwaliteit Daarnaast is de vraag of de activiteiten waarvoor wordt afgeweken van de vigerende bestemmingsplannen effecten hebben op de luchtkwaliteit. Nadelige effecten voor mens en milieu moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Gezien de aard van de activiteiten waarvoor moet worden afgeweken, kan worden uitgesloten dat zij additionele effecten hebben op de luchtkwaliteit. Dit thema vormt daarom geen belemmering voor uitvoering van het project. 4.10 Externe veiligheid Binnen de onderdelen waarvoor wordt afgeweken van de vigerende bestemmingsplannen liggen geen kwetsbare objecten of risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan. 4.11 Licht, geluid en trillingen In de gebruiksfase worden geen effecten op geluid of trillingen verwacht. In de aanlegfase kunnen echter kortstondige effecten ten aanzien van licht, geluid en trillingen door uitvoering van de activiteiten optreden.
Om de effecten op personen te minimaliseren, worden de activiteiten in afstemming met de bewoners uitgevoerd. Om de effecten op dieren te minimaliseren, wordt zoveel mogelijk gewerkt buiten de gevoelige perioden van diersoorten. Ook vindt eventueel een aangepast licht- en geluidbeheer plaats. Tevens worden negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen door buiten de actieve periode (maart november, tussen een uur voor zonsondergang en een uur na zonsopkomst) van vleermuizen te werken. De verwachting is dat de effecten minimaal zijn, gezien de korte duur van de activiteiten, namelijk uitsluitend in de aanlegfase. Bovendien zijn er maatregelen mogelijk, zoals voorboren of gebruik maken van hoogfrequent trillen, waarmee eventuele effecten verder kunnen worden beperkt. Het waterschap Limburg spant zich in om een aannemer te selecteren, die extra aandacht besteedt aan hinderbeperkend werken. Het waterschap neemt hiertoe EMVI criteria op in haar uitvraag. Daarnaast worden de activiteiten goed bewaakt en in afstemming met de bewoners uitgevoerd. Indien nodig wordt te zijner tijd door de toekomstig aannemer voor de activiteiten een hinderontheffing aangevraagd op grond van het Bouwbesluit en/of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Beesel. 4.12 Zichtlijn De dijkversterking kan effecten hebben op bestaande zichtlijnen vanuit omliggende woningen.
Ter plaatse van dijkvakken 2, 3 en 4 is het zicht op dit moment al beperkt door de hoogte en plaatsing van de huidige dijk. De verwachting is dat door ophoging van de kering het zicht nog iets beperkter zal zijn. Ter plaatse van dijkvakken 1, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11, waar de ophoging van de kering afwijkt van de vigerende bestemmingsplannen, is dit effect beperkt. Dit is in dijkvakken 1, 5, 6 en 7 het gevolg van een beperkte ophoging van de bestaande of nieuwe kering, de beperkte omvang van nieuwe keringen, dan wel de grote afstand tot bestaande woningen. Voor de dijkvakken 8, 9, 10 en 11 (achterdeur) is het effect eveneens beperkt. Dijkvakken 9, 10 en 11 zijn gelegen ten westen van de Huilbeek waar geen woningen in de buurt staan. De kruin van dijkvak 8 ligt lager dan de onderkant van de ramen van de woningen aan de oostzijde van de Bussereindseweg, waardoor het uitzicht vanuit de woningen niet of nauwelijks wordt gehinderd door de aanleg van de dijk. Het uitzicht naar het zuiden vanuit de woning Bussereindseweg 10 wordt enigszins beperkt, maar vanwege de afstand tot de dijk (circa 80 m) en de hoogteligging van het perceel is de beperking gering.
27
HWBP Noordelijke Maasvallei 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen activiteiten voor het dijktraject bij Beesel, als onderdeel van het hoogwaterbeschermingsprogramma Noordelijke Maasvallei, is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opgenomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft geen juridische rol als bevoegd gezag in relatie tot de Waterwet, m.e.r.-beoordeling, enzovoorts, maar legt wel de normen vast en is grotendeels verantwoordelijk voor de financiering. Aangezien de voorgenomen activiteiten voor dijktraject Beesel onderdeel zijn van het Hoogwaterbeschermingsprogramma, is de financiële uitvoerbaarheid van het project gewaarborgd. 5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Proces De afgelopen jaren, tijdens de planvormingsfase, is er veel contact geweest met de (grond)eigenaren, bevoegde gezagen en andere omgevingspartijen. Zo is de voortgang van het project weergeven via de website van het Waterschap Limburg (www.waterschaplimburg.nl en vervolgens zoeken op dijkversterking Beesel). Hier wordt de stand van zaken beschreven en zijn de stappen die genomen zijn en zullen worden in een planning weergegeven. Daarnaast kan eenieder contact met Waterschap Limburg opnemen via email (info@waterschaplimburg.nl) of telefoon (088-88 90 100). Afstemmingsmomenten met de omgeving De afstemmingmomenten met de omgeving variëren van brede informatieavonden tot individuele keukentafelgesprekken. Ook hebben enkele omgevingswerkgroepen plaatsgevonden, waarbij met een afvaardiging van betrokkenen bij het project de stand van zaken is doorgesproken. Daarnaast hebben gesprekken plaatsgevonden die specifieke aandacht vragen, bijvoorbeeld voor een specifiek onderwerp. Voorbeelden hiervan zijn de dijk tussen de Molen en kwekerij Bouten, de inpassing van het terras Maashof en de aansluiting op de hoge grond ter plaatse van de voortuinen aan de Bussereindseweg. De algemene informatieavonden hebben plaatsgevonden op 25 januari 2017, 26 september 2017, 24 januari 2018 en 12 maart 2019.
Op 25 januari 2017 is het gesprek voor het eerst aangegaan over het dijktracé Beesel met daarbij de mogelijke oplossingsrichtingen en het proces dat doorlopen moet worden bij een dergelijke dijkversterking. Op 26 september 2017 zijn voor de diverse deelgebieden alternatieven gepresenteerd. Op 24 januari 2018 is een extra informatieavond georganiseerd voor het dijktracé ten noorden van Ouddorp. En op 12 maart 2019 is het overall beeld van de stand van zaken van het gehele dijk tracé toegelicht op weg naar een projectplan Waterwet. In het jaar 2018 heeft met name afstemming plaatsgevonden op losse tracé-onderdelen, waardoor de behoefte bestond voor het presenteren van het totaalbeeld. In de 2e helft van 2018 heeft met enkele bijeenkomsten, specifiek voor de aansluiting op de hoge grond door het Huilbeekdal, een inhaalslag plaatsgevonden voor dit dijktracé. Dit is noodzakelijk gebleken omdat de direct betrokkenen niet aangehaakt waren bij de eerdere brede informatiebijeenkomsten. Bij de keuze van het voorkeursalternatief door het Dagelijks Bestuur van het waterschap is daarnaast ook vastgesteld dat er een optimalisatie moest plaatsvinden van de exacte plek waar aansluiting moest worden gezocht met de hoge grond. De omgeving had het liefst gezien dat de aansluiting op de hoge grond zuidelijker was gekozen.
In hun ogen heeft dit minder impact en zouden meer onbeschermde woningen kunnen worden beschermd. Vanuit onder andere rivierkunde, ruimtelijke kwaliteit en kosten is echter een andere afweging gemaakt. Na de keuze van het exacte aansluitingspunt op de hoge grond zijn voorstellen gedaan om de impact op de betreffende voortuinen zo veel mogelijk te minimaliseren. Voor Beesel is ook een omgevingswerkgroep gevormd. Een omgevingswerkgroep is een klankbordgroep van 20 tot 25 personen waar belanghebbenden, betrokken partijen en Waterschap Limburg elkaar ontmoeten en constructief samen praten over de versterking van een dijktraject. In een omgevingswerkgroep worden geen besluiten genomen. De omgevingswerkgroep is in 2017 twee maal bijeen geweest. Op 12 april 2017 is de opgave toegelicht en is stil gestaan bij de aandachtspunten bij de verschillende dijktracés. In de omgevingswerkgroep van 27 juni 2017 is ingezoomd op belangrijkste effecten per dijktraject en de komende processtappen. Op 25 februari 2019 is de informatieavond van 12 maart 2019 voor besproken en zijn aandachtspunten opgehaald voor de realisatiefase. In 2018 is daarbij meer op specifieke delen van het dijktracé overleg gevoerd. Voorbeelden hiervan zijn de dijk tussen de Molen en Bouten, de dijk langs Ouddorp en het tracé nabij Holleweg/Beekstraat.
In de één-op-één-gesprekken met de bewoners zijn wensen opgehaald die er spelen. Deze wensen zijn vervolgens geïnventariseerd om objectief vast te stellen of deze een plek moeten krijgen in het contract
28
HWBP Noordelijke Maasvallei voor aanbesteding en al dan niet meegenomen moeten worden in het grondverwervingsproces. De terugkoppeling van de wensen die zijn opgehaald in de zogenaamde keukentafelgesprekken vindt plaats in het grondverwervingsproces dat momenteel loopt. Vanaf eind maart 2019 zijn de eerste gesprekken in dit kader opgestart. Naast het ophalen van informatie vanuit de omgeving, zijn er ook concrete ideeën vanuit de omgeving die hebben geleid tot daadwerkelijke oplossingen in het ontwerp. Voorbeelden hiervan zijn de dijk tussen de molen en kwekerij Bouten, de mogelijkheden voor een aangepast terras bij de Maashof en het niet realiseren van een fietspad op de dijk langs de Maas. De afstemming met de omgeving is dan ook meer dan uitsluitend informatieoverdracht. Bij een dergelijk proces is het helaas niet mogelijk om aan alle wensen vanuit de omgeving tegemoet te komen. Daarnaast zijn er ook formele momenten waarop de omgeving kan inspreken op de plannen. Het gaat hier om de (vergunningen)procedures die momenteel lopen. Bij elke procedure is het mogelijk om zowel schriftelijk als mondeling te reageren. Het gaat concreet om: • • •
•
M.e.r.-beoordelingsprocedure. Hierin zijn de gevolgen van een plan voor het milieu in kaart gebracht. Belanghebbenden die direct in hun belang worden geraakt door de m.e.r.beoordelingsprocedure kunnen hierop inspreken; Projectplan Waterwet voor de verbetering van een dijk (technisch, inhoudelijk, procesmatig en financieel). Eenieder kan hierop inspreken of schriftelijk reageren; Verschillende omgevingsvergunningen (onder andere met betrekking tot ruimtelijke ordening en planologie en bomenkap). Het waterschap vraagt deze aan bij de gemeente Beesel. Deze worden gezamenlijk met het m.e.r.-beoordelingsbesluit en het projectplan Waterwet door deze overheden gepubliceerd. Eenieder kan hierop inspreken of schriftelijk reageren; Bij publicatie van de besluiten en plannen; deze liggen ter inzage bij het waterschap Limburg in Roermond, bij de gemeente Beesel, bij de provincie Limburg en Rijkswaterstaat.
Naast de website en mogelijkheden om beroep in te dienen kan het dijkversterkingsproces ook worden gevolgd via de nieuwsbrief ‘Dijkversterkingen en -verleggingen’. Hiervoor kunt u zich aanmelden via het contactformulier op de website van Waterschap Limburg (www.waterschaplimburg.nl). In de nieuwsbrief wordt de aanpak van de dijkversterking weergeven. De brief wordt verspreid naar ruim 22.000 adressen. Beekherstel Huilbeek en groene buffer Het beekherstel van de Huilbeek en de aanleg van een nieuwe buffer nabij de Beekstraat/Holleweg volgen een eigen traject en maken geen onderdeel uit van de dijkversterkingsplannen. 5.3 Vervolg Op de besluitvorming, volgend op deze vergunningaanvraag, door de gemeente Beesel is de projectprocedure (paragraaf 2 van hoofdstuk 5 uit de) Waterwet van toepassing. Dit omdat sprake is van de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen. Gedeputeerde Staten bevorderen hierbij, conform artikel 5.8 uit de Waterwet, de gecoordineerde voorbereiding van de besluiten die nodig zijn voor uitvoering van dit projectplan Waterwet. Dit betekend in dit geval dat Gedeputeerde Staten de zienswijzen op het projectplan Waterwet alsmede de andere uitvoeringsbesluiten, zoals het besluit dat middels deze aanvraag wordt gevraagd van de gemeente Beesel, verzamelen en de afhandeling daarvan coordineren.
Hierdoor is op de besluitvorming als gevolg van onderhavige vergunningaanvraag de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afd. 3.4 Algemene wet bestuursrecht, Awb) van toepassing. Het ontwerp-projectplan Waterwet is door het Dagelijks Bestuur van Waterschap Limburg, namens het Algemeen Bestuur, vastgesteld op 11 juni 2019. Voor de duidelijkheid en transparantie naar de burgers toe, is besloten om alle benodigde besluiten voor dit project gezamenlijk ter inzage te leggen. Het betreft hier de volgende ontwerpbesluiten: • • • •
Ontwerp Projectplan Waterwet, inclusief de Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling en het bijbehorende m.e.r.-beoordelingsbesluit; Ontwerp Leggerwijzigingsbesluit; Ontwerp Omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan; Ontwerp Omgevingsvergunning voor de kap van bomen.
De ontwerpbesluiten zijn middels een gezamenlijke publicatie door Gedeputeerde Staten van Limburg en het Dagelijks Bestuur van Waterschap Limburg bekend gemaakt. Eenieder heeft zienswijzen kunnen indienen bij Gedeputeerde Staten van Limburg gedurende een termijn van zes weken na publicatie. De
29
HWBP Noordelijke Maasvallei beantwoording van de ingediende zienswijzen op onderhavig uitvoeringsbesluit is vastgelegd in een Nota van Antwoord die door de gemeente Beesel is verwerkt in haar definitieve besluit naar aanleiding van onderhavige vergunningaanvraag. Het definitieve besluit van de gemeente Beesel naar aanleiding van deze vergunningaanvraag wordt wederom, gezamenlijk met het projectplan Waterwet, het Leggerwijzigingsbesluit en de Omgevingsvergunning voor de bomenkap, gezamenlijk ter inzage gelegd. Dit wordt gedaan na vaststelling van het projectplan Waterwet door het Dagelijks Bestuur (namens het Algemeen Bestuur) van Waterschap Limburg alsmede na goedkeuring van het vastgestelde projectplan Waterwet door Gedeputeerde Staten van Limburg. Gedeputeerde Staten dienen binnen dertien weken na indiening van het vastgestelde projectplan een goedkeuringsbesluit te nemen. Hierna worden alle definitieve besluiten door Gedeputeerde Staten gepubliceerd. De stukken liggen vanaf dat moment gedurende een periode van zes weken ter inzage. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden, die tevens een zienswijze tegen de ontwerp besluiten hebben ingediend, beroep instellen tegen het goedkeuringsbesluit en alle bijbehorende definitieve besluiten. Het beroepschrift moet worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Naast bovengenoemde besluiten is een aantal andere (uitvoerings)besluiten op een later moment aangevraagd. Het betreft hier (inmiddels aangevraagd): • •
•
Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (bij provincie Limburg) voor tijdelijke stikstofdepositie in de aanlegfase; Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (bij provincie Limburg) voor verstoring van (leefgebied) van beschermde soorten (flora en/of fauna), in dit geval Steenuil, Das en Bever; Een verzoek tot het nemen van een Verkeersbesluit (bij gemeente Beesel) op grond van de Wegenverkeerswet 1994 voor het mogen treffen van fysieke verkeersmaatregelen (afsluiting van wegen, aanbrengen van bebording en dergelijke) als gevolg van de dijkversterking.
Daarnaast wordt een aantal andere benodigde (uitvoerings)besluiten, zoals de aanvraag om een Omgevingsvergunning voor het bouwen van verticale maatregelen voor piping en stabiliteit, in een latere fase door de aannemer aangevraagd. Bijbehorende besluiten worden dan ook later vastgesteld. 5.4 Planschaderegeling Voor het wijzigen, versterken of aanleggen van een primaire waterkering is een projectplan Waterwet opgesteld. Het projectplan Waterwet is geen planologisch besluit. Als het verbreden of het verleggen van een dijk niet past in het bestemmingsplan dan is nodig het bestemmingsplan te herzien of met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingplan. Hierdoor kan planschade ontstaan, dit is waardevermindering van onroerende zaken of inkomensschade die ontstaat door een wijziging van de planologische situatie. De Wet ruimtelijke ordening bevat een grondslag voor vergoeding van planschade. Vergoeding van planschade is samengevat alleen mogelijk indien de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de burger of de onderneming behoort te komen en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Normaal gesproken is de gemeente het bevoegd gezag voor een verzoek om vergoeding van planschade, maar op grond van de Waterwet blijft de regeling van de Wet ruimtelijke ordening buiten toepassing in de situatie dat iemand een beroep doet of kan doen op de schadevergoedingsregeling (regeling nadeelcompensatie) van de Waterwet. Dit betekent dat het waterschap beslist op een verzoek tot vergoeding van planschade.
30
HWBP Noordelijke Maasvallei 6
Conclusie
Voor dijktraject Beesel zijn in bijlage II de onderdelen weergegeven waarvoor middels onderhavige aanvraag vergunning wordt gevraagd voor het afwijken van de vigerende bestemmingsplannen. Het betreft afwijkingen van de volgende bestemmingsplannen: •
Bestemmingsplan Buitengebied Beesel (bestemmingsplan, deels onherroepelijk in werking (vastgesteld 24-06-2013));
Hieronder vallen dijkvak 1, dijkvak 2, dijkvak 3, dijkvak 4, dijkvak 5, dijkvak 6, en beide achterdeuren (dijkvak 7 en dijkvakken 8-9-10-11). •
Bebouwde gebieden Beesel (bestemmingsplan, deels onherroepelijk in werking (vastgesteld op 15-12-2014));
Hieronder vallen dijkvak 3 en dijkvak 4. De afwijkingen sluiten aan bij vigerend beleid van het rijk, provincie, gemeente Beesel en waterschap en leiden niet tot andere of nadelige effecten voor mens en milieu. Ten aanzien van het gemeentelijk beleid gaat het dan om: •
Structuurvisie Beesel: met de dijkversterking blijft voldoende ruimte voor de ambities en ontwikkelingsrichtingen van de gemeente. De dijkversterking draagt bij aan de veiligheidswensen en is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisie.
•
Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030: met de dijkversterking blijft voldoende ruimte voor de ambities en ontwikkelingsrichtingen van de gemeente. De dijkversterking draagt bij aan de wensen wat betreft rivierkundige structuur, natuur, landschap, recreatie en toerisme, en is daarmee in overeenstemming met de IG-SV.
•
Archeologiebeleid gemeente Beesel 2010: de geplande activiteiten van dijkversterking Beesel houden rekening met de mogelijke aanwezige archeologische waarden in en rondom het plangebied. Zo worden werkzaamheden uitgevoerd in lijn met het gemeentelijk archeologisch beleid.
Ten aanzien van de gevolgen voor mens en milieu zijn diverse omgevingsaspecten onderzocht, zoals de effecten van de afwijkingen ten aanzien van archeologie, cultuurhistorie, landschap, bodem, niet gesprongen explosieven, water, natuur, verkeer, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geluid en trillingen en zichtlijnen. De conclusies uit uitgevoerd onderzoek zijn hieronder beschreven. 6.1 Archeologie Enkele activiteiten zijn strijdig met de vigerende dubbelbestemmingen archeologie. Het betreft enerzijds constructies, waarvoor de aannemer te zijner tijd een omgevingsvergunning voor de bouw zal aanvragen. In het kader van deze toekomstige vergunningverlening zal een nader archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en kan de gemeente een selectiebesluit nemen. Het behoud van archeologisch waarden is daarmee geborgd. Voor overige werken en werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde, is het behoud van archeologische waarden met het projectplan Waterwet geborgd. Het behoud van archeologische waarden is hiermee geborgd. 6.2 Cultuurhistorie De dorpskern van Beesel is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Ter hoogte van dijkvak 4, grenzend aan dijkvak 3, wordt het Terras Maashof, binnen dit beschermde dorpsgezicht, verplaatst.
Deze verplaatsing heeft geen wezenlijke verandering voor het stedenbouwkundig beeld ter plaatse tot gevolg en leidt daarmee niet tot aantasting van het beschermde dorpsgezicht. Ook de overige afwijkingen hebben geen nadelige gevolgen voor cultuurhistorie tot gevolg, hetgeen in bijlage VIII nader wordt onderbouwd. 6.3 Landschap Een groot deel van het plangebied bij Beesel is in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangewezen als Bronsgroene landschapszone of Zilvergroene natuurzone. De voorgenomen activiteiten voor de dijkversterking Beesel, waaronder de strijdige activiteiten, zijn beoordeeld in het licht van de voornoemde zones. Geconcludeerd wordt dat er lokaal een negatief effect kan optreden op het groene karakter als gevolg van bomenkap en kap van andere beplanting in het projectgebied. Daarnaast is er sprake van beperkte aantasting van de kernkwaliteiten visueel-ruimtelijk karakter en reliëf, onder andere als gevolg van de verhoging van keringen danwel de aanleg van nieuwe keringen.
31
HWBP Noordelijke Maasvallei Ten behoeve van de dijkversterking is een compensatieplan uitgewerkt, waarin zowel invulling wordt gegeven aan compensatie vanuit natuur als landschap. In dit plan is tevens opgenomen hoe en waar bomen en beplanting gecompenseerd worden en hoe daarbij wordt aangesloten op de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone. Met het terugbrengen van bomen en beplanting kan de identiteit van het gebied worden versterkt en worden de lokale negatieve effecten op de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone gemitigeerd. In het projectplan waterwet, als ook in bijlage XXII van deze ruimtelijke onderbouwing, is het compensatieplan opgenomen. 6.4 Bodem Een aantal activiteiten waarvoor moet worden afgeweken van het bestemmingsplan vinden in de bodem plaats, waardoor de effecten op de bodemkwaliteit inzichtelijk moeten zijn. Uit onderzoeken blijkt dat op een aantal locaties in Beesel (lichte) verontreiniging in de (water)bodem aanwezig is. Indien een aanwezige bodemverontreiniging (mogelijk) wordt beïnvloed, geldt een saneringsplicht (onder andere BUS-melding of saneringsplan). Hierdoor blijft de bodemkwaliteit altijd gelijk of verbetert. Voor het thema bodem treden daardoor geen negatieve effecten op de (water)bodemkwaliteit op.
Om te voorkomen dat het aantreffen van (niet voorziene) bodemverontreiniging tot vertraging leidt in de uitvoeringsfase zal de aannemer vooraf een werkplan of plan van aanpak opstellen, waarin procedures worden vastgelegd zodat op korte termijn actie kan worden ondernomen en wordt voldaan aan wet- en regelgeving. Dit wordt geborgd via het nog te sluiten contract. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het uitvoeren van de activiteiten in het kader van de dijkversterking Beesel. Een kanttekening hierbij is dat de bodemonderzoeken naar de mogelijke aanwezigheid van PFAS nog niet zijn afgerond. Zolang de wet- en regelgeving voor het onderdeel PFAS nog niet is aangepast zal in ieder geval worden gewerkt volgens het tijdelijke handelingskader voor PFAS houdende grond en baggerspecie. Het tijdelijke handelingskader biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit kader zal juridisch worden verankerd via een wijziging van de Regeling bodemkwaliteit. Een definitief handelingskader voor het omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie is op dit moment, vierde kwartaal 2019, nog niet beschikbaar omdat er nog een aantal belangrijke onderzoeken in uitvoering zijn over PFAS in grondwater, bio-accumulatie, mobiliteit en uitloogkarakteristieken van PFAS.
Naar verwachting worden de onderzoeken begin 2020 afgerond en zal het definitieve handelingskader voor PFAS daarna worden opgesteld. Zodra het definitieve handelingskader is opgesteld en juridisch is verankerd, zal gewerkt worden volgens dit definitieve kader. 6.5 Niet gesprongen explosieven Het gebied wordt verdacht van niet gesprongen explosieven. In het geval van grondwerkzaamheden wordt de grond eerst nader onderzocht, indien nodig onschadelijk gemaakt, en vervolgens vrijgegeven. Niet gesprongen explosieven vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van dijkversterking Beesel. 6.6 Water De verticale maatregelen voor piping en stabiliteit passen niet binnen de bestemming water - rivier in de dijkvakken 2, 3, 6 en 9. De gevolgen van de voorgenomen activiteit waarvoor afgeweken moet worden van het bestemmingsplan hebben effect op oppervlakte- en grondwater. Daarom moeten de effecten op de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit inzichtelijk worden gemaakt. Ten aanzien van de effecten op het oppervlaktewater. De Huilbeek is het enige aanwezige oppervlaktewater in dijktraject Beesel. De Huilbeek wordt gekruist door de kering in deelgebied 3 en deelgebied 4. Om te voorkomen dat hier effecten met betrekking tot doorstroming optreden, wordt een afsluitbaar kunstwerk geplaatst. Het kunstwerk kan tijdelijk worden afgesloten bij hoogwater in de Maas.
Indien nodig kan door middel van een pomp het beekwater op de Maas worden geloosd. Er zijn geen mitigerende maatregelen noodzakelijk. Ten aanzien van de effecten op het grondwater is er gekeken naar (opstuwing van) grondwaterstroming en vernatting onder dagelijkse omstandigheden. Om piping tegen te gaan tijdens hoogwater op de Maas, wordt mogelijk een ondoorlatende verticale constructie geplaatst in de deelgebieden 1, 2, 3 en 4. Tijdens hoogwater zorgt dit voor verminderde vernatting ten opzichte van de huidige situatie. Tijdens dagelijkse omstandigheden, met grondwaterstroming richting de Maas, kan de verticale constructie tot hogere grondwaterstanden leiden nabij de binnenteen van de dijk, met mogelijk een negatief effect op de huidige binnendijkse ontwatering van (landbouw)percelen. Gebleken is dat de opstuwing van het grondwater nabij de verticale constructie maximaal 0,10 meter bedraagt en
32
HWBP Noordelijke Maasvallei binnendijks verder afneemt. Aangezien de freatische grondwaterstand circa 3,5 meter onder maaiveldniveau ligt, leidt deze opstuwing niet tot afgeleide effecten op het huidige maaiveldgebruik. Het nemen van mitigerende maatregelen is niet noodzakelijk vanwege het uitblijven van effecten. De aspecten oppervlakte- en grondwater vormen derhalve geen belemmering voor uitvoering van de activiteiten waarvoor van de vigerende bestemmingsplannen wordt afgeweken. 6.7 Natuur De afwijkingen van de vigerende bestemmingsplannen kunnen effecten hebben op de bestaande natuurwaarden. Tevens passen de dijkversterking, inclusief verticale maatregelen voor piping en stabiliteit in dijkvakken 5, 7, 8, 9 en 11 niet binnen de bestemming Natuur. In dit kader is ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit de onderzoeken opgenomen. Beschermde gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Swalmdal. Dit ligt op circa 400 meter van de werkzaamheden bij Rijkel en daarmee mogelijk binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Verschillende delen in de omgeving van het plangebied zijn in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als Goudgroene natuurzone (onderdeel van Natuur Netwerk Nederland (NNN) of Zilvergroene natuurzone.
Voor wat betreft de Goudgroene natuurzone betreft het voornamelijk een zone rond de Huilbeek, met uitzondering van het deel waar de Huilbeek de kern van Beesel kruist. Daarnaast zijn de bosgebieden op de hoge ruggen ten zuiden van Beesel aangeduid als Goudgroene natuurzone. Daar waar de dijk de oever van de Maas nadert, raakt het dijklichaam een gebied dat is aangewezen als Goudgroene natuurzone. Ook het Beesels Broek is gelegen binnen de Goudgroene natuurzone en is tevens aangewezen als Natte natuurparel op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Een Natte natuurparel heeft prioriteit bij het realiseren van goede eco-hydrologische voorwaarden. Een strook buitendijks bij de oever van de Maas en een gebied ten westen van de Beekstraat zijn aangewezen als Zilvergroene natuurzone. Er is beoordeeld dat er geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebied Swalmdal optreden. Ook is er geen sprake van ruimtebeslag en de kwantiteit van het leefgebied van habitattypen neemt dus niet af. De werkzaamheden in dijkvakken 2, 3, 7, 8, 9, 10 en 11 hebben ruimtebeslag op gebieden die zijn aangeduid als Goudgroene natuurzone (onderdeel van NNN). De beheertypen zijn ‘nog om te vormen tot natuur’, ‘rivier- en beekbegeleidend bos’, ´Dennen-, Eiken- en Beukenbos’, ‘Kruiden- en faunarijk grasland’ en ‘Droge Heide’.
Het ruimtebeslag op de Goudgroene natuurzone in de dijkvakken 2 en 3 betreft het natuurbeheertype ‘kruiden- en faunarijk grasland’. Dit betreft een tijdelijk effect. De grasbekleding die op de huidige dijk aanwezig is, wordt op de nieuwe dijk ook weer teruggebracht. Langetermijneffecten op dit natuurbeheertype op deze locatie zijn uitgesloten. Enkele agrarische percelen zijn aangewezen als Zilvergroene natuurzone. Hiervoor zijn geen beheertypen aangewezen maar is de functie als ecologische verbinding met het oog op de doelen voor Natura 2000-gebieden en de Goudgroene natuurzone van belang. Er zijn geen permanente negatieve effecten op de functie als ecologische verbinding van het dijktalud in de Zilvergroene natuurzone. Er zijn geen aanvullende mitigerende maatregelen aan de orde. Voor ruimtebeslag op natuurbeheertypen is compensatie aan de orde. Op grond van provinciaal beleid dient een activiteit binnen de Goudgroene natuurzone te worden gecompenseerd, financiële compensatie is hierbij het uitgangspunt. De exacte omvang van de financiële compensatie wordt in overleg met de provincie bepaald. Beschermde soorten Kenmerken van het gebied en aanwezige soorten Uit onderzoek blijkt dat in de omgeving van de voorgenomen activiteit (potentieel) leefgebied aanwezig is voor algemeen voorkomende beschermde soorten, zoals eekhoorn, bever, das en verschillende soorten vleermuizen.
Daarnaast zijn in de omgeving jaarrond beschermde nesten van vogels (steenuil) aanwezig en is rugstreeppad aangetroffen. De voorgenomen activiteit leidt tot tijdelijke verstoring van beschermde soorten en tot tijdelijke en permanente vernietiging van leefgebied van beschermde soorten. Voor veel van de algemeen voorkomende soorten (waaronder ook eekhoorn) geldt een (periodieke) vrijstelling op grond van de Beleidsregels passieve soortenbescherming Limburg en/of de Gedragscode Flora- en faunawet voor Waterschappen (d.d. 6-2-2012). De effecten worden waar nodig en mogelijk gemitigeerd door het nemen van maatregelen.
33
HWBP Noordelijke Maasvallei Voor vleermuizen, rugstreeppad en alle soorten broedvogels zijn specifieke maatregelen nodig om overtredingen van verbodsbepalingen te voorkomen. Een ontheffing voor deze soorten, uitgezonderd steenuil, is niet nodig mits de maatregelen worden genomen. Omdat bij steenuil (nestkast perenboom Ouddorp 22) het risico aanwezig is dat het tijdelijk verlaten van de kast het voortplantingssucces vermindert in het broedseizoen volgend op de uitvoeringsperiode, wordt voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ontheffing aangevraagd. Voor het vernietigen en het verstoren van dassenburchten met het verlaten van de burcht als gevolg, is eveneens een ontheffing aangevraagd en voor compensatie gezorgd in de vorm van een kunstburcht. Ook voor het vernietigen van een beverhol (vaste rustplaats) in de oever van de Huilbeek ter hoogte van de ‘achterdeur’ wordt een ontheffing aangevraagd. Compensatie voor bever is niet nodig gezien de alternatieven in het resterende leefgebied ten zuiden van de aan te leggen dijk. Effecten op beschermde soorten worden waar nodig gemitigeerd door de planning van de werkzaamheden zo veel mogelijk af te stemmen op het gebruik van het plangebied door beschermde soorten (zoals tijdens de kwetsbare periode) of om te voorkomen dat soorten het plangebied gebruiken.
Deze maatregelen zijn ook voorwaarden voor de Wnb ontheffing en/of het ecologisch werkprotocol. Daarnaast werkt het waterschap conform de geldende gedragscode Flora- en Faunawet (momenteel tijdelijk verlengd) en zal volgens de nieuwe gedragscode op grond van de Wet natuurbescherming gaan werken wanneer deze is vastgesteld. De compensatie voor de das is uitgebreid uitgewerkt in het kader van de ontheffingaanvraag Wnb. In het compensatieplan is inzicht gegeven in de globale situering van de compenserende maatregel, namelijk de realisatie van een kunstburcht. In het projectplan waterwet, als ook in bijlage XXII van deze ruimtelijke onderbouwing, is het compensatieplan opgenomen. Mochten er na de maatregelen nog permanente effecten op leefgebied of verblijfplaatsen optreden, dan betreft dit voor de soorten geen grote delen van potentieel (essentieel) leefgebied. Daarom worden er voor de meeste soorten ook geen effecten op de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten verwacht en is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. 6.8 Verkeer De activiteiten waarvoor wordt afgeweken van het bestemmingsplan, zoals nieuwe keringen en de komst van verticale maatregelen voor piping en stabiliteit, hebben effecten op verkeer en vervoer. Om deze reden is inzicht in de effecten ten aanzien van dit aspect noodzakelijk.