Ontwerp-bestemmingsplan
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
32
Zelfredzaamheid Het ontstaan van een koude of warme BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Wel dienen overlevenden het pand te ontvluchten in verband met secundaire branden. De zelfredzaamheid wordt verhoogd door de realisatie van een grondwal, die de aanwezigen beschermt tegen de hittestraling van een fakkelbrand. De gemeente heeft het voornemen een grondwal met scherm tussen het spoor en het plangebied aan te leggen. Door een grondwal aan te leggen, kunnen uitstromende vloeistoffen worden tegengehouden en worden bewoners afgeschermd van rondvliegende puin als gevolg van een BLEVE. Verder wordt de drukgolf afgebogen. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Evacuatie wordt pas in gang gezet als de situatie dat toelaat. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.
Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: • op tijd ter plaatse te zijn; • voldoende opstelplaatsen te hebben; • voldoende blusmiddelen te hebben. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.1.5
Milieuzonering
Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd).
Hoofdstuk 4
33
Toetsing Onderhavig initiatief is gelegen in een door de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' gedefinieerde ‘gemengd gebied’. Het plangebied wordt grotendeels omringd door woningen, maar op korte afstand zijn gemengde functies en bedrijven aanwezig. De beoogde woningen zelf vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Wel dient inzichtelijk te worden gemaakt of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden en bedrijfsvoering worden beperkt. In de omgeving zijn enkele bedrijfsmatige functies gelegen. In het kader van bedrijven en milieuzonering betekent dit dat de onderstaande richtafstanden in acht moeten worden genomen. Activiteit
Afstand (m)
Milieucategorie
Richtafstand
Supermarkt, Greswarenstraat 1 Middelbare school, Keulseweg 36 Horeca centrum, Keulseweg 33 Woonwinkel, Keulseweg 24
15 20 40 35
1 2 1 1
10 30 10 10
Volgens de quickscan zit er tussen de beoogde woningbouw en de middelbare school een afstand van circa 20 m. Voor de middelbare school geldt in beginsel een richtafstand van 30 meter. Er is echter sprake van een gemengd gebied. In dat geval kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Er dient derhalve een richtafstan van 10 meter te worden gehanteerd. Er wordt derhalve voldaan aan alle richtafstanden. In de toekomstige situatie zal voor de beoogde woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. De bestaande bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Conclusie Vanuit het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen voor het beoogde initiatief.
4.2 Leidingen en infrastructuur De leidingen die in de omgeving van het plangebied liggen zijn besproken in paragraaf 4.1.4. Voor het overige zijn verder geen leidingen en kabels gelegen in of nabij het plangebied. Vanuit het aspect ‘leidingen en infrastructuur’ bestaan geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Hoofdstuk 4
34
4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1
Archeologie
Voor het hele grondgebied van de gemeente Beesel is een archeologische verwachtingsbeleidsadvieskaart opgesteld. Deze kaart is vastgesteld 19 april 2010. Rond de kernen van Beesel en Reuver liggen verschillende archeologisch waardevolle terreinen. Bescherming van archeologische waarden is geregeld via de erfgoedverordening die door de gemeenteraad is vastgesteld op 15 november 2010. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen zijn er verschillende mogelijkheden: 1. het archeologiebeleid wordt in het bestemmingsplan overgenomen; 2. het terrein wordt op basis van onderzoek in een selectiebesluit vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. Het selectiebesluit baseert de gemeente op archeologisch onderzoek overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor de vaststelling voor het geldend bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ heeft een archeologisch bureau- en veldonderzoek plaatsgevonden.5 Tijdens het veldonderzoek zijn enkele archeologisch indicatoren aangetroffen. Door de aanwezigheid van een opgebracht dek (esdek), was de bodem in het voorliggende plangebied plaatselijk nog niet verstoord ten tijde van het in ontwikkeling nemen van het bestemmingsplan “Oppe Brik”. Gemeente Beesel heeft een door de gemeenteraad vastgestelde archeologische beleids- en advieskaart. Op deze kaart heeft het gebied “Oppe Brik" een hoge archeologische verwachtingswaarde.
Doelstelling van deze gebieden is het behoud van archeologie in de bodem. Hiervoor is vastgelegd geen bodemingrepen mogen plaatsvinden die dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld. Bij planvorming is archeologisch onderzoek voorgeschreven. Behoud van archeologie in de bodem kan onder meer worden bereikt door ‘archeologie-vriendelijk’ te bouwen. Indien dit niet mogelijk is, schrijft het archeologiebeleid voor dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet inzicht geven in de aard, omvang, datering, diepteligging, gaafheid, conservering en waarde van de archeologische resten.
5
Notitie ‘Molenveld-Zuid in Reuver, gemeente Beesel; een archeologisch bureauonderzoek, verkennend booronderzoek en inspectie’, RAAP 2 september 2013, ISSN: 0925-6369
Hoofdstuk 4
35
Figuur 4.3: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Beesel met globale ligging plangebied (blauwe pijl)
Voor het gehele plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Nadat een bureauonderzoek met veldonderzoek is uitgevoerd, is een proefsleuvenonderzoek gedaan. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is een selectiebesluit genomen om een archeologische opgraving uit te laten voeren. De opgraving is overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten. Tijdens de opgraving werden circa 700 vondsten gedaan. Het gebied is door middel van een selectiebesluit van burgemeester en wethouders vrijgegeven voor bebouwing. 4.3.2
Cultuurhistorie
Binnen en nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorische elementen gelegen waarop het planvoornemen van invloed is.
Hoofdstuk 4
36
Conclusie Binnen het plangebied bestaan er geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie of archeologie.
4.4 Ecologie 4.4.1
Algemeen
Beleidskader De Wet natuurbeheerbescherming bevat het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en soorten. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in overeenstemming zijn met de Wnb. De provincie is bevoegd gezag voor soortenbeschermingsbepalingen en gebiedsbeschermingsbepalingen uit deze wet. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden ten opzichte van deze gebieden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking. Dit betekent dat ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Hoofdstuk 4
37
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden of als deze effecten kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); Andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstand De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. 4.4.2
Toetsingskader
Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' (Duitsland) en ‘Swalmdal’ bevinden zich respectievelijk op circa 3,0 kilometer ten oosten en 5,7 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien
Hoofdstuk 4
38
de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 30 huurwoningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd6. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Door BRO is een quickscan flora en fauna uitgevoerd 7. De volledige quickscan is separaat als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.
Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status, noch nestlocaties van soorten zonder beschermde status verloren. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een broedgeval dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen voor een vleermuissoort. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen of foerageergebied voor vleermuizen. Wel dient, om verstoringen of overtredingen met betrekking tot vliegroutes te voorkomen, licht schijnend of uitstralend op de bomenrij en de vleermuistoren ten oosten van het plangebied te worden vermeden. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren.
Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van
6 7
BRO, AERIUS-berekening Oppe Brik, Reuver, projectnr.: P04267, d.d. 7 juli 2021. BRO, Quickscan flora en fauna ‘Oppe Brik’ te Offenbeek, projectnr.: P04267, d.d. 29 april 2021.
Hoofdstuk 4
39
de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Conclusie en aanbevelingen Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrij en de vleermuistoren ten oosten van het plangebied te worden vermeden, zowel tijdens de werkzaamheden als in de toekomstige situatie; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Er zijn in huidige situatie weinig tot geen lijnvormige landschapselementen, zoals bomenlanen of sloten, aanwezig binnen en in de directe omgeving van het plangebied, die als vliegroute kunnen dienen voor een vleermuissoort.
Er is slechts een enkele bomenrij aanwezig ten oosten van het plangebied, tussen Oppe Stein en het Grescollege. Hierdoor is de vleermuistoren slecht bereikbaar voor vleermuizen. Door bomen aan te planten binnen de openbare ruimte van huidig plangebied kan de bereikbaarheid, en daarmee de functionaliteit, van de vleermuistoren worden verhoogd. Tevens biedt het plangebied in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels.
Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
Hoofdstuk 4
40
Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. 4.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect ‘Ecologie’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Het voorliggende initiatief betreft de toevoeging van maximaal 33 woningen, met stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ in ‘rest bebouwde kom.’ De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van 26 sociale huurwoningen en 7 woningen in de vrije huursector in ‘rest bebouwde kom’ van de gemeente Beesel (weinig stedelijke gemeente). De ontwikkeling zorgt voor een verkeersgeneratie van circa 210,6 (211) mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. Dit betreft de bruto verkeersgeneratie. Binnen het geldende bestemmingsplan waren reeds 12 woon-werkkavels toegestaan. Dit zou leiden tot een verkeersgeneratie van 103,2 (104) mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van 12 vrijstaande koopwoningen. De verkeersgeneratie van de bedrijfsmatige activiteiten op de woon-werkkavels is hierbij buiten beschouwing gelaten, omdat dit sterk afhankelijk is van het type bedrijvigheid. Indien deze wel meegenomen zou worden, valt de potentiële verkeersgeneratie van de huidige planologische situatie hoger uit. De netto verkeersgeneratie komt hiermee op maximaal 107 mvt / etmaal.
Wat betreft profiel en capaciteit zijn de omliggende wegen berekend op de gestelde verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen binnen het plangebied. Parkeren Er worden maximaal 33 woningen gerealiseerd in het plangebied. Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd conform de ‘Parkeerbijdragenregeling Beesel 2013’. Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
41
4.6 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie die in 2017 heeft plaatsgevonden tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.
Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ De brochure van de Limburgse waterbeheerders bevat de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Structuurvisie Beesel De gemeente Beesel zet maximaal in op het afkoppelen van hemelwater volgens de volgorde ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Daarnaast is als gevolg van klimaatverandering een robuustere inrichting van het watersysteem noodzakelijk. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.
Hoofdstuk 4
42
Oppervlaktewater Het plangebied ligt niet binnen het stroomvoerend en/of bergend regime van de Maas. Daarnaast ligt volgens de Leggerkaart van de provincie Limburg geen oppervlaktewater in of rondom het plangebied. Het planvoornemen heeft derhalve geen effect op oppervlaktewater. Hemel- en afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de gemeente Beesel ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 30 nieuwe woningen. Per twee blokken wordt de tussenliggende ruimte ingericht als openbaar groen. Deze groenstroken zorgen voor een goede hemelwaterinfiltratie. Conclusie Als gevolg van de realisatie van 30 woningen, treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.7 M.e.r.-beoordeling Algemeen Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Toets m.e.r.-plicht In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In de voorgenomen ontwikkeling worden 30 woningen gerealiseerd. De bouw van 30 woningen komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het
Hoofdstuk 4
43
project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De realisatie van de woningen dient te worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een plan voor een dergelijke ontwikkeling is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Met de bouw van 33 woningen wordt ruimschoots onder de drempelwaarde gebleven. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017, is een m.e.r.-beoordeling echter ook vereist indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Conclusie 1. De ontwikkeling van de wooneenheden komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen MER te worden opgesteld.; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D 11.2 genoemde ‘drempelwaarde’ worden niet overschreden; 3.
Omdat de activiteit wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarde niet worden overschreden, moet voor dit plan wel een beperkte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd; In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Hoofdstuk 4
44
Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het project richt zich op de realisatie van maximaal 33 woningen. Deze ontwikkeling vindt plaats op een braakliggend perceel.
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Bodem (zie ook paragraaf 4.1.1): de milieuhygiënische bodemkwaliteit in het plangebied reeds in beeld gebracht en is de bodem geschikt bevonden voor de realisatie van de nieuwbouwwijk. Geluid (zie ook paragraaf 4.1.2): Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het spoortraject Venlo - Roermond meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB, echter de maximale grenswaarde van 68 dB niet
Hoofdstuk 4
45
Kenmerken van het project Criteria
Toets overschrijdt. Overeenkomstig de Wet geluidhinder zullen burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel een hogere waarde vaststellen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting ten behoeve van het oprichten van de woningen. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Externe veiligheid (zie ook paragraaf 4.1.4): Het plangebied is gelegen binnen de inventariesatieafstand van een buisleiding en binnen het invloedsgebied van het spoor. Er heeft een risicoanalyse plaatsgevonden en een beperkte verantwoording. Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Milieuzonering (zie ook paragraaf 4.1.5): Er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals deze gelden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Vanuit het aspect ‘Milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.5): Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd voor het beoogde aantal woningen en de omliggende wegen van het plangebied kunnen de verkeerstoename aan. Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden waar de woningen zijn voorzien, bestemd tot ‘Gemengd’ ten behoeve van maximaal 12 woon-werk kavels. Op het perceel is momenteel braakliggende grond.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
gebieden waarin bij communau-
N.v.t.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Hoofdstuk 4
46
Kenmerken van het project Criteria
Toets
N.v.t.
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.3): binnen het plangebied en de directe omge-
tureel of archeologisch belang
ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 4.3): Het plangebied is archeologisch vrijgegeven.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale be- Nee. tekenis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk
(voormalige EHS)
Nederland (NNN). Zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebie-
Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Waterparagraaf’.
den, en grondwaterbeschermingsgebieden
Kenmerken van het potentiële effect Gevoelig gebied
Toets
Bereik van het effect (geografische N.v.t. zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van N.v.t. het effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeer-
Er worden maximaal 33 woningen gerealiseerd. De effecten zijn blijvend.
baarheid van het effect
Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Conclusie Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project;
Hoofdstuk 4
47
2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
48
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Deze heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse regels artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van de geldende bestemmingsplannen ‘Bebouwde gebieden Beesel’ en ‘Bebouwde gebieden, veegplan 2019’ van de gemeente Beesel.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. De planlocatie is deels bestemd als ‘Woongebied’ en deels bestemd als ‘Verkeer’. Binnen de gehele bestemming ‘Woongebied’ is een bouwvlak opgenomen.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels;
Hoofdstuk 5
49
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1
Inleidende regels
De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2
Bestemmingsregels
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.
Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht.
Hoofdstuk 5
50
‘Verkeer’ De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. ‘Verkeer – Spoorweg’ Binnen de bestemming ‘Verkeer - Spoorweg’ zijn de gronden bestemd voor spoorwegvoorzieningen. Daarnaast zijn onder meer wegen en straten, ongelijkvloerse kruisingen ten behoeve van wegen, straten en water, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. In afwijking van de andere bestemmingen wordt de maximale goot- en bouwhoogte van bouwwerken hier gemeten vanaf de bovenkant Spoorstaaf. ‘Woongebied’ De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid, webwinkels, ontsluitingswegen, tuinen, erven en verhardingen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen ten dienste van de woningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. ‘Waarde – Archeologie 1’ De gronden binnen deze bestemming zijn naast de andere bestemmingen mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. 5.3.3
Algemene regels
In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels met betrekking tot bestaande afwijkende maatvoering en ondergronds bouwen opgenomen.
Hoofdstuk 5
51
Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is beschreven wat in ieder geval verstaan dient te worden als strijdig gebruik, en zijn regels ten aanzien van parkeren opgenomen. Algemene afwijkingsregels Middels de algemene afwijkingsregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van geringe afwijkingen in het plan. Algemene wijzigingsregels Deze bepaling geeft aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid om kleine wijzigingen aan te brengen het bestemmingsplan. Overige regels De overige regels bevatten een verwijzing naar andere wettelijke regelingen. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
52
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.
De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro: de bouw van een of meerdere woningen; de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². De gemeente is eigenaar van de grond en het plangebied maakt deel uit van de grondexploitatie Oppe Stein. De economische uitvoerbaarheid is hierin reeds verankerd. Uit artikel 6.12, tweede lid Wro en artikel 6.2.1a Besluit ruimtelijke ordening vloeit voort dat er geen verhaalbare kosten zijn die een (nieuw) exploitatieplan noodzakelijk maken. Kostenverhaal is niet aan de orde.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleggen burgemeester en wethouders met het Waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrok-
Hoofdstuk 6
53
ken rijks- en provinciale diensten. In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vraagt de gemeente aan de relevante besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. Inspraak Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode bestaat voor een ieder de mogelijkheid een zienswijze op het plan in te dienen.
Hoofdstuk 6
54
7. PROCEDURE 7.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Vooroverleg met betrokken instanties; Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een
verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 7
55
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladderonderbouwing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Externe veiligheid Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna
Regels
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van Meten
4 9
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
11
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Verkeer Verkeer - Spoorweg Woongebied Waarde - Archeologie 1
11 12 13 16
Hoofdstuk 3
Algemene regels
18
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
18 19 20 21 22 23
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
24
Artikel 13 Artikel 14
Overgangsrecht Slotregel
24 25
Bijlagen bij regels
27
Bijlage 1
28
2
Staat van bedrijfsactiviteiten aan-huis-gebonden-bedrijvigheid
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
Regels
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Oppe Stein te Offenbeek met identificatienummer NL.IMRO.0889.BPOppeStein-ON01 van de gemeente Beesel. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan-huis-gebonden bedrijvigheid:
a. het bedrijfsmatig verlenen van diensten; b. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk; dat door zijn beperkte omvang in een woning met bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. 1.6
aan-huis-gebonden beroep:
het aan huis uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door zijn beperkte omvang binnen de woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Deze diensten kunnen betrekking hebben op juridisch, medisch, therapeutisch, administratief, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied. 1.7
achtererf:
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.8
antenne:
een constructie bestaande uit een mast, een ontvang- en zenddraad of een stelsel van draden, danwel een schotel bestemd voor (tele)communicatiedoeleinden.
4
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
1.9
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.10
bed & breakfast:
een voorziening voor overnachting met het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de woonfunctie. Het bieden van een overnachtingsmogelijkheid aan personen die tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid verrichten valt niet onder bed & breakfast. 1.11
(beperkt) kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald. 1.12
bestaand:
a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan danwel gebouwd is of kan worden krachtens een verleende vergunning voor het bouwen; b. gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals krachtens een vergunning voor het gebruik is toegestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; c. bestaande aantal: het aantal zoals toegestaan krachtens een vergunning op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. 1.13
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.14
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.16
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.17
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
5
1.18
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met inbegrip van de begane grond. De begane grond is een bouwlaag, kelders en zolders in de kap zijn geen aparte bouwlaag. 1.19
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20
bouwperceelsgrens:
een grens van een bouwperceel. 1.21
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.22
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.23
caravan:
een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig die of dat bedoeld is voor woon-, dag- of nachtverblijf en bedoeld is om als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook als deze wagen of voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, is hij voor de toepassing van dit plan een caravan. 1.24
carport/overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak zonder of met ten hoogste één tot de eigen constructie behorende wand of wanden. 1.25
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen voor eigen gebruik of verbruik, dat niet betreft de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.26
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27
geluidzoneringsplichtige inrichting:
een inrichting, waarvoor op grond van de Wet geluidhinder een geluidzone geldt.
6
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
1.28
hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.29
horeca:
een bedrijf waar: bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor consumptie ter plaatse worden bereid en verstrekt; bedrijfsmatig logies wordt verstrekt; inrichtingen waar een kans- of behendigheidsspel wordt uitgeoefend; seksinrichtingen vallen niet binnen dit begrip. 1.30
maatschappelijke voorzieningen:
voorzieningen voor: a. religieuze, onderwijs-, medische, (semi-)overheids-, sportieve, sociale en welzijnsdoeleinden; b. voor onderwijs en overheidsdiensten, welke een min of meer openbaar karakter hebben. 1.31
overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.32
risicovolle inrichting:
een inrichting waarvoor het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico geeft of risico-afstand voor het toelaten van kwetsbare of beperkt-kwetsbare objecten. 1.33
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is: a. seksuele handelingen worden verricht; b. vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Deze regels verstaan onder een seksinrichting in ieder geval: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.34
voorerf:
erf dat geen onderdeel is van het achtererf. 1.35
voorgevel:
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
7
1.36
voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn die buitenwerks strak loopt langs de voorgevel van een gebouw, tot aan de perceelsgrenzen. 1.37
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn voor een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit. Hieronder vallen onder andere duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen voor berging en infiltratie van hemelwater. 1.38
webwinkel:
het al dan niet hobbymatig dan wel bedrijfsmatig verkopen van goederen via internet, waarbij de goederen elders worden bezorgd en er geen sprake is van voor publiek toegankelijke winkelruimte of showroom. 1.39
woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
8
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
Artikel 2
Wijze van Meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
vanaf het dichtst bij de perceelsgrens gelegen punt van het gebouw op 1 m boven peil en haaks op de perceelgrens. 2.2
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken, gemeten buitenwerks en 1 m boven peil. 2.3
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren, op 1 m boven peil. De grootste maat is daarvoor bepalend. 2.5
dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel (in geval van een lessenaardak is dit de hoogte van de goot aan de lage zijde van het dak). 2.7
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9
peil:
a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddelijk aan de weg grenst is dit de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang: b. in andere gevallen is dit de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte terrein;
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
9
tenzij elders in deze regels anders bepaald.
10
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
voorzieningen voor verkeer en verblijf; parkeervoorzieningen; een geluidsafschermende voorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm'; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 10 m.
Bestemmingsplan "Oppe Stein te Offenbeek" (ontwerp)
11
Artikel 4 4.1
Verkeer - Spoorweg
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Spoorweg' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
spoorwegvoorzieningen; wegen en straten; ongelijkvloerse kruisingen ten behoeve van wegen, straten en water; een geluidsafschermende voorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm'; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. De goothoogte mag maximaal 5 m ten opzichte van de Bovenkant Spoorstaaf zijn. b. De gezamenlijk oppervlakte mag maximaal 150 m2 zijn. 4.2.2