Ontwerp-bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Oppe Stein te Offenbeek’ Gemeente Beesel Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Oppe Stein te Offenbeek’ Gemeente Beesel Ontwerp
Rapportnummer:
P04267
IMRO:
NL.IMRO.0889.BPOppeStein-ON01
Datum:
9 juli 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Beesel
Projectteam BRO:
SDr, IMo
Concept:
18 mei 2021
Ontwerp:
9 juli 2021
Vaststelling: Trefwoorden:
Bestemmingsplan, wijzigen bestemming, woningbouw, Oppe Stein, Offenbeek, gemeente Beesel.
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de wijziging van de huidige gemengde bestemming naar een woonbestemming aan de Oppe Stein te Offenbeek. BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING
3
2. GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing
5 5 6 7
3. BELEID 3.1 Rijksbeleid
9 9
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
9 10 11 13
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.3 Regionaal beleid
13 15 15 17
3.3.1 Regionale Woonvisie Noord Limburg 2020-2024 3.4 Gemeentelijk beleid
17 19
3.4.1 Structuurvisie Beesel 3.4.2 Woonvisie 2016-2022, Herijking Woonvisie 2019 3.4.3 Afwegingskader woningbouwverzoeken 3.4.4 Vigerende bestemmingsplannen
19 21 22 22
4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten
25 25
4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.2 Leidingen en infrastructuur 4.3 Archeologie en cultuurhistorie
25 25 27 29 33 34 35
4.3.1 Archeologie 4.3.2 Cultuurhistorie 4.4 Ecologie
35 36 37
Inhoudsopgave
1
4.4.1 Algemeen 4.4.2 Toetsingskader 4.4.3 Conclusie 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Waterhuishouding 4.7 M.e.r.-beoordeling
37 38 41 41 42 43
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
49 49 49 49
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
50 50 51 52
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 53 53
7. PROCEDURE 7.1 Procedure
55 55
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladderonderbouwing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Externe veiligheid Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING Onderhavig initiatief ziet op de realisatie van maximaal 33 grondgebonden woningen. De locatie is gelegen tussen de spoorlijn Venlo-Roermond en de weg Oppe Stein. Het huidige stedenbouwkundige plan omvat 24 levensloopbestendige huurwoningen en zes traditionele eengezinswoningen. Ook deze laatste categorie worden huurwoningen. Om flexibiliteit in het bestemmingsplan te brengen, worden ten opzichte van het huidige stedenbouwkundige plan drie extra woningen mogelijk gemaakt.
Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Het plangebied is ingevolge het huidige bestemmingsplan ‘Oppe Brik’, zoals vastgesteld op 6 oktober 2014, deels bestemd tot ‘Gemengd’. Binnen de gemengde bestemming zijn de gronden bedoeld voor woon-werk kavels. Wonen is alleen toegestaan ter plaatse van een bedrijfswoning die deel uitmaakt van een werk-wooneenheid. Het overige deel is bestemd tot ‘Verkeer’. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor verkeer en verblijf, parkeer-, groen-, en speelvoorzieningen. De beoogde realisatie van de huurwoningen past niet binnen deze bestemmingen.
Hoofdstuk 1
3
Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro), zodat de beoogde woningen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Oppe Brik' met locatie plangebied (blauw omlijnd)
Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het planvoornemen en de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat een samenvatting van het relevante beleid. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven. In hoofdstuk 6 volgt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
4
2.
GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel De beoogde ontwikkeling vindt plaats tussen de kernen Reuver en Offenbeek in de gemeente Beesel. Deze gemeente is gelegen ten noorden van de stad Roermond, tussen de twee stedelijke gemeenten Roermond en Venlo. Verder grenst de gemeente aan de oostzijde aan de Duitse grens en in westelijke richting aan de rivier de Maas. De gemeente Beesel bestaat uit een drietal dorpskernen en twee buurtschappen.
Figuur 2.1: Luchtfoto omgeving plangebied
De planlocatie maakt deel uit van het perceel dat kadastraal bekend staat als Beesel, sectie K, nummer 3028 en is gelegen in de woonwijk Oppe Brik. Ten noorden van het plangebied ligt de Keulseweg. Deze historische route loopt vanuit het centrum van Reuver door in de oostelijke woonstraten van Offenbeek. Ten noorden van de Keulseweg bevindt zich bedrijventerrein ‘Molenveld’, dat gekenmerkt wordt door
Hoofdstuk 2
5
relatief kleinschalige bedrijfsbebouwing. Ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn Venlo-Roermond.
Figuur 2.2: Luchtfoto met ligging planlocatie (rood omlijnd)
2.2 Besluitprofiel Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van 33 woningen mogelijk. Het stedenbouwkundig initiatief ziet op de realisatie van 30 grondgebonden huurwoningen. De locatie betreft een braakliggend terrein. De 30 woningen worden verdeeld in 24 levensloopbestendige woningen en zes eengezinswoningen.
Hoofdstuk 2
6
Figuur 2.3: Ontwerp situatietekening
2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing De bouwlocatie Oppe Stein leent zich goed voor grondgebonden nieuwbouw. In de nabije omgeving ligt zowel hoogbouw (o.a. de Greswaren en de nieuwe appartementenblokken) als laagbouw. Oppe Stein heeft veel potentie vanwege de aantrekkingskracht van de Greswaren, de hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte en de nabijheid van de gezellige dorpskern met diverse centrumvoorzieningen, zoals supermarkten, horecagelegenheden en een karakteristieke bioscoop. De woningen zijn van esthetische en functionele kwaliteit. Daarnaast zijn ze energiezuinig. Aan de buitenkant en binnenkant is niet te zien of te merken dat het sociale woningbouw betreft. Een toevoeging van de sociale woningen in Oppe Stein zorgt voor meer woonvariatie zonder dat dit ten koste gaat van de esthetische kwaliteit van de wijk. De kwaliteit komt tot uitdrukking in relatief grote woningen met ruime plattegronden, kwalitatief duurzame materialen en een mooie esthetische uitstraling.
Hoofdstuk 2
7
Voor een goede en heldere stedenbouwkundige verkaveling wordt het huidige weggedeelte tegenover de nieuwe school verwijderd. Er komt een nieuwe verbindingsweg naast het nog in te richten parkeerterrein ten noorden van het plan. Hierdoor ontstaat één groot perceel waarop de woningen met de tuinen rug aan rug gesitueerd worden. Dit zorgt voor een optimale woonbeleving en voldoende privacy. Per twee blokken wordt de tussenliggende ruimte ingericht als openbaar groen. Deze groenstroken zorgen voor een goede hemelwaterinfiltratie. De inrichting van woonblokken met tussenliggend groen sluit prima aan op de huidige en geplande stedenbouwkundige bouwmassa’s (o.a. Greswaren, Lidl en appartementen) en het groen in de directe omgeving.
Figuur 2.4: Ontwerp woningbouw vanuit luchtperspectief
Ook de kleurstelling en materialen van de woningen worden afgestemd op de omgeving. Het bouwplan zal bovendien worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Alle woningen worden zeer energiezuinig én als nul-op-de-meter uitgevoerd. Ze zijn voorzien van zonnepanelen, warmtepompen en wtw-units.
Hoofdstuk 2
8
3.
BELEID Dit hoofdstuk gaat in op de relevante beleidsaspecten op rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
Hoofdstuk 3
9
5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.
Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. Volgens de NOVI dient de woningvoorraad aan te sluiten op de woningbehoefte. De woningbehoefte op regionaal en gemeentelijk niveau wordt besproken in de paragrafen 3.3 en 3.4. Hieruit zal blijken dat onderhavig planvoornemen past binnen de woningbehoefte op regionaal en gemeentelijk niveau. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisten opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Hoofdstuk 3
10
Afweging Geen van de bovengenoemde belangen is bij de beoogde ontwikkeling in het geding. Het plangebied is buiten het stroomvoerend en/of bergend regime van de Maas gelegen en heeft daardoor geen effect op het nationale belang ‘Grote Rivieren’. Het initiatief is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat geldt bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Volgens artikel 1.1.1 Bro is dit: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling enige omvang moet hebben.1 Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierin is de Ladder teruggebracht naar de essentie. Een voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voorzien in een behoefte. Daarnaast moet gemotiveerd worden wanneer de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Bij woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen is sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 30 woningen.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve van toepassing. Ten behoeve van deze ontwikkeling is door BRO is een ladderonderbouwing2 opgesteld. De Ladderonderbouwing is opgenomen in bijlage 1 aan deze toelichting. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de volgende bestemming: Gemengd. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft. Bovendien wordt het plangebied omringd door stedelijke functies (Woongebied / Wonen, Maatschappelijk, Bedrijventerrein, Detailhandel). Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). 2 BRO, Ladder voor Duurzame Verstedelijking ‘Oppe Stein’ te Reuver, projectnr.: P04267, d.d. 21 juni 2021.
Hoofdstuk 3
11
Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek gaat het om het primaire verzorgingsgebied gemeente Beesel en het secundaire verzorgingsgebied Noord-Limburg. Kwantitatieve behoefte Het initiatief Oppe Stein, waarbij maximaal 33 woningen worden gerealiseerd, voorziet in een kwantitatieve behoefte: De komende jaren neemt het aantal inwoners in de gemeente Beesel eerst toe en vervolgens af terwijl het aantal inwoners in de regio Noord-Limburg nog toeneemt. Het aantal huishoudens in de gemeente én regio neemt de komende jaren sterker toe dan het aantal inwoners (huishoudensverdunning, groei eenpersoonshuishoudens, vergrijzing). Op basis van de huishoudensprognose zal er in de gemeente Beesel op korte termijn een licht groeiende woningbehoefte zijn van circa 230 woningen tot 2030. In 2020 zijn er 75 woningen gerealiseerd in de gemeente Beesel. Dit betekent dat er nog een resterende behoefte is van 150 woningen. Het initiatief Oppe Stein kan in deze kwantitatieve woningbehoefte voorzien. Woningen kunnen alleen worden toegevoegd wanneer ze een toevoeging van kwaliteit meebrengen.
De woningen dienen hiermee aan te sluiten op de knelpunten van de woningmarkt (zie hierna onder Kwalitatieve behoefte). Kwalitatieve behoefte Het initiatief Oppe Stein, waarbij levensloopbestendige en traditionele eengezinswoningen worden gerealiseerd, voorziet in een kwalitatief woningbehoefte: Op regionaal en lokaal niveau bestaat een groeiende behoefte aan nultredenwoningen en appartementen. Het merendeel van de woningen in het initiatief bestaat uit levensloopbestendige woningen (met badkamer en slaapkamer op de begane grond), waarmee het initiatief inspeelt op deze kwalitatieve behoefte. Bovendien draagt het realiseren van levensloopbestendige woningen voor ouderen bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Traditionele eengezinswoningen maken slechts een klein onderdeel uit van het initiatief. Primair wordt ingezet op levensloopbestendige grondgebonden woningen voor ouderen, maar om een mix aan inwoners en woningtypen te realiseren, zijn ook traditionele eengezinswoningen onderdeel van het plan. Deze woningen zijn geschikt voor jonge stellen die behoefte hebben aan een ruimere gezinswoning. Naast een verschuiving in de opgave van reguliere grondgebonden woningen naar nultredenwoningen en appartementen zien we op termijn ook een verschuiving in de opgave van koop naar vrijesector huur.
Om kwaliteit toe te voegen aan de woningvoorraad wordt daarom gedacht aan het creëren van een mix van sociale- en middenhuur, levensloopbestendige woningen en andersoortige toekomstbestendige
Hoofdstuk 3
12
woonconcepten. Het initiatief realiseert grondgebonden huurwoningen in diverse prijsklassen, en speelt daarmee in op de kwalitatieve behoefte in regio en gemeente. Geen onaanvaardbare effecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van woningen in Oppe Stein te Reuver onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Daarnaast draagt het realiseren van woningen bij aan het creëren van een levendig woon- en leefklimaat in dit deel van Reuver/Offenbeek, waarbij een binnenstedelijke locatie wordt ingezet voor woningbouw. Afweging Uit de Ladderonderbouwing volgt dat er behoefte is aan het type woningen dat op de onderhavige locatie wordt gerealiseerd.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciaal Omgevingsplan 2014
Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Hoofdstuk 3
13
Figuur 3.1: Uitsnede POL2014 met ligging plangebied (rood omlijnd)
Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit zijn de gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Het accent binnen deze gebieden ligt op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, balans tussen voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving. Afweging Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 30 kwalitatief hoogwaardige nieuwbouwwoningen binnen bestaand stedelijk gebied. De realisatie voorziet in voornamelijk levensloopbestendige woningen. Tevens draagt het planvoornemen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, omdat invulling wordt gegeven aan een braakliggend terrein binnen een bestaande stedelijke structuur. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014.
Hoofdstuk 3
14
3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Woningbouw In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening moet een ruimtelijk plan voor nieuwbouw van woningen in de regio Noord-Limburg voldoen aan de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg (voor de doorwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg in relatie tot onderhavige ontwikkeling wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1).
Beschermingszones en beschermingsgebieden In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normering wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren. Uit de kaarten behorende bij de omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Afweging Vanuit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 3.2.3
Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI)
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’
Hoofdstuk 3
15
De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het tweede kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.
Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante
Hoofdstuk 3
16
bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de ‘middenhuur’ en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving.
De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.3). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 30 kwalitatief hoogwaardige woningen. 24 van deze woningen zijn levensloopbestendige woningen en zes woningen zijn eengezinswoningen. Hiermee past het onderhavig initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1
Regionale Woonvisie Noord Limburg 2020-2024
In de Regionale Woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Deze Regionale Woonvisie is de opvolger van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg uit 2016 en is in de gemeente Beesel vastgesteld op 14 september 2020. Een van de centrale opgaven is het aanpakken van de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til
Hoofdstuk 3
17
(Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd.
Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. Hierbij wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van onze regio. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses voor de regio zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep.
Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment. Afweging Het planinitiatief realiseert nieuwe woningbouw binnen het bestaand stedelijk gebied, wat aansluit bij het principe van ‘inbreiding voor uitbreiding’. Bovendien is er sprake van herbestemming op het terrein
Hoofdstuk 3
18
van de voormalige Greswarenfabriek. Hiermee speelt het initiatief in op het zo goed mogelijk gebruiken van de ruimte binnen stedelijk gebied en voldoet het aan deze ruimtelijk kwalitatieve voorwaarden. Het plangebied is reeds bestemd voor 12 woon-werk kavels. Deze zijn tot op heden niet gerealiseerd, omdat hier geen behoefte is aan deze woonvorm. De locatie ligt daardoor nog steeds braak en wordt nu herbestemd tot woningtype waar wel behoefte aan bestaat. Door de herbestemming is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied. Er is een grote behoefte aan zelfstandige woningen en nieuwe woonconcepten voor ouderen. Realisatie in dit segment bevordert de doorstroming. Het merendeel van de beoogde woningen in het initiatief bestaat uit levensloopbestendige woningen in diverse huursegmenten. Deze type woningen passen binnen het beleid om meer levensloopbestendige woningen voor ouderen te realiseren. Hierdoor kan goed worden aangesloten op de bestaande behoefte. Tevens wordt voldaan aan de kwantitatieve behoefte. De komende jaren neemt het aantal inwoners in de gemeente Beesel af terwijl het aantal inwoners in de regio Noord-Limburg nog toeneemt. Het aantal huishoudens in de gemeente én regio neemt de komende jaren sterker toe dan het aantal inwoners (huishoudensverdunning, groei eenpersoonshuishoudens, vergrijzing).
Op basis van de huishoudensprognose zal er in de gemeente Beesel op korte termijn een licht groeiende woningbehoefte zijn van circa 230 woningen tot 2030. Sinds 2019 zijn er per saldo 81 woningen toegevoegd in de gemeente Beesel. Er is nog ruimte om woningen toe te voegen in de gemeente Beesel. In de regio is afgesproken dat nieuwe plannen van meer dan 10 woningen regionaal worden afgestemd. Onderhavig plan voorziet in maximaal 33 woningen. Onderhavig initiatief is derhalve regionaal afgestemd. Er waren geen bezwaren vanuit de regionale werkgroep ten opzichte van dit plan. De beoogde ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Beesel Op 12 september 2011 heeft de gemeenteraad van Beesel de ‘Structuurvisie Beesel’ vastgesteld. De structuurvisie Beesel geeft een strategische en duurzame ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het hele grondgebied van de gemeente met een horizon van 20 jaar. De gemeente geeft hierin niet alleen aan wat ontwikkeld gaat worden, maar ook hoe dit ontwikkeld gaat worden. De structuurvisie vormt het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. Inbreiding heeft daarbij de voorkeur op uitbreiding. In de Toekomstvisie 2030 wordt de gemeente gezien als een ideale en onderscheidende woongemeente. Kwaliteit van de woonomgeving en natuurlijke omgeving staan hierbij voorop. Ook moet het dorpse karakter van de bebouwing en omgeving behouden blijven. Er moet divers gebouwd worden, zodat alle doelgroepen (starters, gezinnen met jonge kinderen en senioren) een plaats kunnen krijgen. Wat betreft wonen zijn de volgende ontwikkelingsrichtingen genoemd voor de kern:
Hoofdstuk 3
19
Ontwikkelen van woningen op herstructurerings- en inbreidingslocaties voor alle doelgroepen maar vooral voor senioren en zorgvragers. Woningbouw en wijkontwikkeling die voldoet aan de eisen van de toekomst op het gebied van duurzaamheid, klimaatrobuustheid en energiezuinigheid, veiligheid en 100% levensloopbestendigheid.
Dubbelkern Reuver-Offenbeek De dubbelkern Reuver-Offenbeek wordt in de toekomst verder ontwikkeld als een aantrekkelijke woonkern voor jong en oud, hoge en lage inkomens, met voor al deze doelgroepen voldoende en diverse voorzieningen op het gebied van sport en cultuur, welzijn en zorg en een gevarieerd winkelaanbod. Om dit streefbeeld te bereiken wordt onder meer ingezet op het versterken van de verbindingen tussen de kernen, een herbestemming van de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en het behoud van de eigen identiteit van de afzonderlijke kernen.
Figuur 3.2: Uitsnede Structuurvisie Beesel met globale ligging planlocatie (geel omcirkeld)
De structuurvisie doet specifieke uitspraken over het voorliggende plangebied. De structuurvisie onderschrijft de strategische ligging van het fabrieksterrein en ziet kansen voor transformatie naar lichte vormen van bedrijvigheid en/of wonen in een kwalitatief hoogwaardige ruimte.
Hoofdstuk 3
20
Afweging Het huidige bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ heeft al voorzien in de transformatie waarbij ruimte wordt geboden aan wonen, maatschappelijke voorzieningen en werk – wooneenheden (lichte bedrijvigheid). Oppe Brik is de laatste grote inbreidingslocatie. Met de ontwikkeling van de wijk streeft de gemeente een voorbeeld te zijn op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendig wonen. Van het totaal aantal woningen is een groot deel als (sociale) huurwoning gepland, die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Er bleek echter geen behoefte te zijn aan woon-werk kavels. Derhalve is ervoor gekozen de bestemming te vervangen voor woningtype waar wel behoefte aan is. Het planinitiatief sluit met de realisatie van grondgebonden huurwoningen (levensloopbestendig en traditioneel, in verschillende prijsklassen) aan op de gemeentelijke ambities. 3.4.2
Woonvisie 2016-2022, Herijking Woonvisie 2019
In 2016 heeft de gemeenteraad van Beesel de Woonvisie 2016-2022 vastgesteld. Deze gemeentelijke woonvisie geeft een beeld van de opgaven voor de komende jaren met een doorkijk naar 2030. Het gemeentelijk woonbeleid is voornamelijk gericht op verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, het op peil houden van het draagvlak voor voorzieningen ten behoeve van de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van kernen en het zorgen voor geschikte woningen voor alle doelgroepen. In 2019 heeft een herijking van de woonvisie plaatsgevonden op basis van een woningmarktanalyse, die eveneens in 2019 is uitgevoerd. De hoofdlijnen van deze herijking zijn als volgt. De gemeente blijft inzetten op een toekomstbestendige woningvoorraad. De woningmarktanalyse bevestigt het belang van een duurzame, levensloopbestendige en toekomstbestendige woningvoorraad. In lijn met de Woonvisie 2016-2022, bevestigt de analyse dat een bewuste omgang met nieuwbouw noodzakelijk is. Het is belangrijk om te bouwen voor de juiste doelgroep met de daarbij behorende behoeften. Er zijn vooral kansen gesignaleerd voor huurwoningen tot de eerste huurgrens (in 2018 tot circa € 460,-) en voor de middeldure en duurdere huur- en koopwoningen, met name in de dubbelkern Reuver-Offenbeek. Doorstroming is zeer belangrijk om de juiste personen op de juiste plek terecht te laten komen.
Rekening moet worden gehouden met de vergrijzing en de kleiner wordende samenstelling van huishoudens. Op termijn wordt een opgave verwacht van koop naar vrijehuursector en een verschuiving van reguliere grondgebonden woningen naar nultredenwoningen en appartementen. Rond 2023 wordt een omslag in de behoeften verwacht, doordat er koopwoningen vrijkomen en vooral behoefte is aan (onderhoudsvrije) huurproducten. De lage mutatiegraad van corporatiewoningen vraagt om aandacht. Afweging Onderhavig initiatief in totaal de realisatie van 30 huurwoningen. Het grootste aandeel van deze woningen, 24 in totaal, zullen levensloopbestendig worden gemaakt. De overige zes woningen zullen eengezinswoningen worden. Deze laatste categorie huurhuizen zullen wat betreft de huurprijzen in het
Hoofdstuk 3
21
midden en hoger segment vallen. Beide categorieën woningen zijn derhalve in lijn met de Woonvisie 2016-2022 en de Herkijking Woonvisie 2019. 3.4.3
Afwegingskader woningbouwverzoeken
De gemeente heeft een afwegingskader voor woningbouwverzoeken, dat criteria bevat waarop de gemeente nieuwe woningbouwinitiatieven beoordeelt en afweegt aan welke initiatieven zij medewerking wil verlenen. Het afwegingskader bestaat uit een ruimtelijk kader en een volkshuisvestelijk kader. Op basis van de opgenomen criteria kan een woningbouwinitiatief punten scoren. Indien een initiatief 11 of meer punten scoort, waarvan minimaal 5 binnen het ruimtelijke kader, dan is sprake van een wenselijk initiatief en is de gemeente bereid daaraan mee te werken. Afweging Op grond van het afwegingskader behaalt het plan voldoende punten. Het plan is hiermee wenselijk op basis van het Afwegingskader woningbouwverzoeken. 3.4.4 Vigerende bestemmingsplannen Op het perceel rusten, op basis van het op 6 oktober 2015 vastgestelde bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ van de gemeente Beesel, de bestemmingen ‘Gemengd’ en ‘Verkeer’ de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’.
Hoofdstuk 3
22
Figuur 3.3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Oppe Brik' met locatie plangebied (blauw omlijnd)
De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid, uitsluitend ter plaatse van de bedrijfswoning (die deel uitmaakt van de werk-wooneenheid); b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ bedrijfsactiviteiten die voorkomen in milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van het bedrijfsgebouw (dat deel uitmaakt van de werk – wooneenheid); c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijfsactiviteiten die voorkomen in milieucategorie 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van het bedrijfsgebouw (dat deel uitmaakt van de werk - wooneenheid); d. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' tevens voor religieuze, onderwijs-, medische, (semi)-overheids-, sportieve, sociale en welzijnsdoeleinden; e. webwinkels; f. parkeervoorzieningen; g. wegen en paden; h. tuinen, erven en verhardingen; i. groenvoorzieningen, j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
Hoofdstuk 3
23
k. l.
nutsvoorzieningen; webwinkels.
De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen voor verkeer en verblijf; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Afweging Het voornemen is niet direct toegestaan binnen de huidige bestemming. Dit bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk.
Hoofdstuk 3
24
4.
ONDERZOEK Bij voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)-invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de aspecten bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en parkeren.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1
Bodem
In het kader van het bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ is de milieuhygiënsche bodemkwaliteit in het plangebied reeds in beeld gebracht en is de bodem geschikt bevonden voor woondoeleinden en de realisatie van de nieuwbouwwijk. Aangezien in de tussenliggende periode geen ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit (negatief) kunnen beïnvloeden is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. 4.1.2
Geluidhinder
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet bepaalt hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Onderzoek De woningen zijn volgens de Wgh geluidgevoelige objecten. In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen de omliggende 30 km/uur wegen ook in het onderzoek te worden betrokken. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de gevels van de te bouwen woningen en/of geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeerslawaai. Door Econsultancy is een onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai3 uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.
3
Econsultancy, Onderzoek weg- en railverkeerslawaai herinrichting Oppe Brik te Reuver, rapportnr.: 15559.002, d.d. 7 juli 2021.
Hoofdstuk 4
25
Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 45 dB vanwege het wegverkeer en ten hoogste 63 dB vanwege het railverkeer bedraagt. Als gevolg van de spoorweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Maatregelen Een verplaatsing van de woningen zal gezien de situering van de spoorweg en de beperkte ruimte op het perceel geen akoestisch significant effect opleveren. De geluidsbelasting als gevolg van de spoorweg kan met maximaal 3 dB worden gereduceerd door het toepassen van raildempers. Met het toepassen van een raildemper over circa 300 meter lengte, ter hoogte van de Lidl tot de kruising met de Keulseweg, kan de geluidsbelasting niet worden gereduceerd tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. Als gevolg van de spoorweg wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB overschreden. Een mogelijke overdrachtsmaatregel is het realiseren van een grondwal met een scherm naast het spoor. De eventuele uitvoering en het materiaalgebruik is in deze fase nog niet bekend. Er wordt een grondwal met een scherm naast het spoor gerealiseerd. De uitvoering en het materiaalgebruik is in deze fase nog niet bekend.
In overeenstemming met de gemeente is uitgegaan van een grondwal met een lengte van circa 180 meter en een hoogte van 5,5 meter. De woningen binnen de overige blokken voldoen na realisatie van de geluidswal met scherm aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. Uit de rekenresultaten blijkt dat na toepassing van de maatregel de geluidsbelasting als gevolg van het railverkeer met circa 5 tot 9 dB afneemt ten opzichte van de situatie zonder een grondwal met scherm Cumulatieve geluidsbelasting In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht in de gecumuleerde geluidsbelasting van alle geluidsbronnen noodzakelijk. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 59 dB zonder en 55 dB met de realisatie van een geluidswal met scherm. Voor de woningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de spoorweg een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd.
De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: de geluidsbelasting bedraagt 63 dB zonder het treffen van maatregelen en 58 dB na realisatie van de genoemde maatregelen; de berekende geluidsbelastingen zijn ruim lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB; bronmaatregelen voor de spoorweg zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren; met de nieuwbouw wordt een nieuwe invulling aan het terrein gegeven; middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 aangetoond.
Hoofdstuk 4
26
Het treffen van bronmaatregelen voor het plan is niet doelmatig. Alleen vanwege het spoor worden hogere waarden vastgesteld. Bij het vaststellen van hogere waarden dient rekening te worden gehouden met het akoestisch klimaat binnen de woningen (het zogenaamde binnenniveau). Met een grondwal met scherm kan voor de woningen binnen blokken B tot en met F aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB worden voldaan. Alleen voor de woningen binnen blok A is een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels noodzakelijk. Zonder maatregelen is een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de een aantal gevels noodzakelijk. Conclusie De rapportage van het akoestisch onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het spoortraject Venlo- Roermond meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB, echter de maximale grenswaarde van 68 dB niet overschrijdt. Overeenkomstig de Wet geluidhinder zullen burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel een hogere waarde vaststellen voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting ten behoeve van het oprichten van de woningen. 4.1.3
Luchtkwaliteit
Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer beschrijft de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden.
Daarin is opgenomen dat, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%, een project NIBM is. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor fijnstof en NO2.
Hoofdstuk 4
27
Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen.
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3.000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de netto toevoeging van 33 woningen. Hiermee wordt ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt in 2020 de concentratie PM10 ter plaatse onder de 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 onder de 10 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Derhalve wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor het initiatief.
Hoofdstuk 4
28
4.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s worden beoordeeld op de volgende maatstaven: het plaatsgebonden risico; het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 de Wet Basisnet in werking getreden. Deze wet omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom een risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. De appartementen betreffen een kwetsbare objecten conform artikel 1, lid 1 onder l van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Door Econsultancy is een onderzoek naar externe veiligheid 4 uitgevoerd.
4
Econsultancy, Rapportage onderzoek externe veiligheid Oppe Stein te Reuver, rapportnrm.: 15559.001, d.d. 7 juli 2021.
Hoofdstuk 4
29
Toetsing
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met ligging planlocatie (blauw omlijnd)
Buisleiding Op circa 36 meter ten westen van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. In de onderstaande tabel is de buisleiding met de bijbehorende inventarisatieafstand weergegeven. Nummer
Naam
Beheerder
Diameter [inch]
Werkdruk [bar]
1
Z-509-01
Gasunie Grid Services
8,62
40
Inventariesatieafstand [m] 95
Omdat het plangebied geheel binnen de inventarisatieafstand van deze buisleiding is gelegen, is een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk Transport De afstand vanaf het midden van het spoor (2) tot de grens van het plangebied bedraagt circa 29 meter. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen ver-
Hoofdstuk 4
30
voerd. Op ruim 205 meter ten westen van het plangebied is de rijksweg N271 (3) gelegen. In de onderstaande tabel zijn per bron de invloedsgebieden en aantallen transporten per stofcategorie weergegeven. Bron
Stofcategorie
Invloedsgebied
Route 50, Roermond – Venlo (2)
A B2 C3 D3 LF1 LF2 LT2 GF3
460 995 35 375 45 45 880 355
N271 (3)
Aantal per jaar 12.400 3.500 1.600 2.500 219 70 8 16
transporten
Het plangebied is alleen gelegen binnen 200 meter van het spoor Roermond - Venlo en bevindt zich binnen het invloedsgebied van de grijs gearceerde stofcategorieën (zie tabel 3.1). Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N271 is dermate beperkt dat het groepsrisico ruim onder de 0,1 x de oriëntatiewaarde ligt. Gezien de afstand van de weg tot het plangebied en de beperkte vervoersaantallen met gevaarlijke stoffen, wordt verder niet ingegaan op de verantwoording van het groepsrisico vanwege de N271. Inrichting Op circa 430 meter ten zuidwesten van de grens van het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation (4) gelegen. De inventarisatieafstand is gelijk aan die van de maatgevende aansluitende buisleiding, in dit geval 45 meter. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Op circa 415 meter ten noorden van het plangebied is een benzineservicestation met vulpunt (5) gelegen. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
Kwantitatieve risicoanalyse buisleiding Uit de kwantitatieve risicoanalyse van de buisleiding volgt dat het gesommeerd groepsrisico in zowel de bestaande als de toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico als gevolg van de buisleiding ter hoogte van het plangebied is lager dan 10-6/jaar en voldoet daarmee aan de grenswaarde. Een deel van het plangebied is echter gelegen binnen de 100%-letaliteitsgrens. Gezien het lage groepsrisico en de zeer kleine kans dat een incident (veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden) optreedt, wordt geadviseerd geen verdere veiligheidsmatregelen te nemen.
Hoofdstuk 4
31
Groepsrisico spoorlijn Roermond - Venlo Met de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt en wordt de ontwikkeling van het plan uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord geacht. Het plan dient aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord te worden overlegd ter beoordeling. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Buisleiding Analyse scenario’s Buisleidingincidenten worden hoofdzakelijk veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden. Het maatgevende scenario met betrekking tot een hogedruk aardgasleiding is een fakkelbrand. Binnen de 100%-letaliteitszone zullen alle aanwezigen in de buitenlucht zo goed als zeker komen te overlijden in geval van een fakkelbrand en zullen alle brandbare materialen (zoals ook de aanwezige bomen) vlam vatten. Zelfredzaamheid Verondersteld mag worden dat de buisleidingen goed onderhouden zijn en in de huidige situatie voldoende gronddekking hebben. Bewoners van de woningen moeten vooraf worden geïnformeerd over aanstaande werkzaamheden aan de leiding en ze te wijzen op de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Aan de leidingen zelf kunnen maatregelen worden getroffen om schade of integriteitsverlies te voorkomen, zoals het toevoegen van een betonnen dekplaat. In geval van een calamiteit wordt er gealarmeerd via het WAS systeem.
Bij tijdige waarschuwingen kunnen aanwezigen in het gebied schuilmogelijkheden zoeken, of het gebied ontvluchten. Afhankelijk van de plaats van de calamiteit kan het plangebied in diverse richtingen worden ontvlucht. Bestrijdbaarheid en hulpverlening De Veiligheidsregio Limburg-Noord zal in haar advies de beperkte verantwoording aanvullen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: • op tijd ter plaatse te zijn; • voldoende opstelplaatsen te hebben; • voldoende blusmiddelen te hebben. Spoorlijn Roermond – Venlo Analyse scenario’s Voor stofcategorie A en C3 moet rekening gehouden worden met de scenario’s fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. Door een ongeval met een tankwagen op de spoorlijn kunnen giftige gassen (B2 en D3) vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. In de onderstaande paragrafen wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De verantwoording moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord.