IHP Beesel. DEF
Tekst van het document
Integraal huisvestingsplan gemeente Beesel Primair en voortgezet onderwijs
Opdrachtgever Gemeente Beesel
Datum 19 februari 2024
Referentienummer 2220414/20240219BN01
Auteur(s) Joëlle Wijntjens, Tijmen Bruil, Onno Damen
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV
Inhoudsopgave 1.
2.
Inleiding 1.1
Aanleiding
3
1.2
Scope en status IHP
4
1.3
Leeswijzer
4
1.4
Taken en verantwoordelijkheden
5
Visie op onderwijs 2.1
3.
4.
5.
6.
3
7
De visie in Beesel
7
Visie op huisvesting
11
3.1
Multifunctionaliteit
11
3.2
Flexibiliteit en ruimtegebruik
11
3.3
Duurzaamheid
12
3.4
Total Cost of Ownership (TCO)
15
3.5
Gezondheid
15
3.6
Type maatregelen binnen IHP
16
3.7
Huisvesting (maatschappelijke) partners
20
Huisvestingsscenario’s
21
4.1
Inzicht per kern
21
4.2
Toekomstbeeld
23
4.2.1
Kern Beesel
23
4.2.2
Kern Reuver
25
4.2.3
Kern Offenbeek
26
Financiën
30
5.1
Totale investering IHP
30
5.2
Uitgangspunten
30
5.3
Fasering
31
Slotsom en aanbevelingen
32
6.1
Slotsom
32
6.2
Aanbevelingen
32
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
Afbeelding 1: Grescollege Reuver
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Beesel beschikt op dit moment niet over een geldend Integraal huisvestingsplan (hierna IHP) voor het primair- en voortgezet onderwijs. Ontwikkelingen en vraagstukken van het gebied van onderwijs- en kinderopvanghuisvesting in de gemeente vragen om kaders en een nieuw perspectief. Om deze reden heeft de gemeente de wens uitgesproken om een IHP op te stellen. Het IHP biedt de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties een beleidsperspectief, geborgd in een gedragen en transparant uit te voeren meerjarig huisvestingsplan. Dit plan geeft houvast aan hoe om te gaan met investeringen in gebouwen voor onderwijs en kinderopvang; met als doel het voorzien in duurzame en gezonde onderwijs- en kinderopvangomgevingen voor alle kinderen in de gemeente. Het IHP geeft inzicht in kwantitatieve en kwalitatieve aspecten zoals leerlingontwikkeling, technische staat en functionaliteit van voorzieningen en ontwikkelingen in het aanbod van onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen. Daarmee geeft het IHP inzicht in de grootste knelpunten en geeft het helderheid over de gewenste oplossingsrichtingen. Hierbij is tevens aandacht voor zowel korte- als langere termijnoplossingen.
Het voorliggende IHP-rapport is opgesteld onder begeleiding van ICSadviseurs en in samenwerking met alle schoolbesturen voor het primair en voortgezet onderwijs, de kinderopvangorganisaties en de gemeente Beesel.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
3/33
1.2 Scope en status IHP De gemeente Beesel en de schoolbesturen werken vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting samen. In paragraaf 1.4 zijn de wettelijke taken en verantwoordelijkheden nader toegelicht. Een IHP is een belangrijk lokaal sturingsinstrument in het realiseren van diverse onderwijskundige, beleidsmatige en maatschappelijke ambities waarbij onderwijshuisvesting dus niet alleen een antwoord is op een ruimtevraag, maar ook een strategisch bedrijfsmiddel om genoemde ambities te ondersteunen of te realiseren (PO-raad). Het IHP Beesel biedt een perspectief voor alle onderwijslocaties voor het primair- en voortgezet onderwijs voor de komende zestien jaar (periode 2024 – 2039). Het IHP sorteert daarmee voor op de verwachte wetwijziging, die gemeentes verplichten om een IHP te hebben. De invoering van deze wet wordt verwacht binnen de verdiepingsslag (2024-2027) van dit IHP. Dit IHP is in overleg tussen gemeente, kinderopvang en schoolbesturen tot stand gekomen1. Het IHP vormt een perspectief om alle besluiten rondom investeringen in huisvesting de komende jaren langs te leggen en wordt (bij voorkeur) iedere vier jaar geactualiseerd. Het IHP is als het ware een koersdocument en geen blauwdruk. Op deze manier blijft flexibiliteit (beargumenteerd) behouden.
Het is aan alle partijen om te waarborgen dat projecten en daaraan gekoppelde investeringen mogelijk zijn. Het IHP krijgt status met een vaststellingsbesluit vanuit de gemeenteraad. Naast de investering van de gemeente is er ook sprake van investeringen vanuit schoolbesturen. Als partijen zich onverhoopt niet aan het IHP (kunnen) houden of er onderling niet uitkomen, dan wordt teruggevallen op de Verordening Voorzieningen Onderwijshuisvesting van de gemeente Beesel (geldende vanaf 1 januari 2015). Het IHP is ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad nadat overeenstemming is bereikt in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO).
1.3 Leeswijzer Een belangrijk uitgangspunt voor het IHP is dat het een gezamenlijk plan is van de schoolbesturen, kinderopvang en de gemeente. Betrokkenheid van en draagvlak bij vormt de basis voor de aanpak. Het IHP is opgebouwd uit onderstaande punten: ▪
Actualisatie basisinformatie Voor elke onderwijslocatie is op basis van zoveel mogelijk objectieve informatie een ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, exploitatielasten, technische- en functionele kwaliteit en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de leerlingenprognoses. Tevens is het medegebruik van de (onderwijs) capaciteit inzichtelijk gemaakt. De factsheets zijn als bijlage toegevoegd aan de rapportage.
▪
Visie op onderwijs en huisvesting Om uiteindelijk tot plannen te kunnen komen, wordt eerst de vraag beantwoord wat de gemeente, de kinderopvangorganisaties en de schoolbesturen met hun onderwijs- en kinderopvanghuisvesting beogen. Thema’s als aanbod, inclusief en passend onderwijs, samenwerking, gezondheid en duurzaamheid zijn behandeld in werksessies.
▪
Situatieschets per kern Aan de hand van de basisinformatie (factsheets) en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, is een kansen- en scenariokaart gemaakt van de voorzieningen in de gemeente Beesel. Deze kansen- en scenariokaart geeft de knelpunten per kern in een visualisatie weer. Tijdens de werksessies is per school(gebouw) stilgestaan bij mogelijke ontwikkelrichtingen, samenwerking & clustering en karakteristieken van het onderwijs en/of de huisvesting inclusief kinderopvang. Hieruit zijn verschillende scenario’s naar voren gekomen.
1 In het proces hebben ook een aantal werkbijeenkomsten met de gemeenteraad plaatsgevonden.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
4/33
▪
Scenariovorming, prioritering en oplossingsrichting Op basis van de scenario’s is een prioritering ontstaan met schoolgebouwen die binnen het IHP, in verschillende fasen, om een ingreep vragen. De basisinformatie uit de factsheets, de situatieschets per kern en de prioritering vormen de input voor huisvestingsscenario’s per locatie. Het huisvestingsscenario is erop gericht de geconstateerde knelpunten op te lossen en de geformuleerde ambities te realiseren.
▪
Financiële vertaling huisvestingsscenario’s Voor de huisvestingsscenario’s worden de investeringskosten in beeld gebracht. Op basis hiervan kan vervolgens door de gemeente de consequentie voor de meerjarenbegroting worden gemaakt.
▪
Rapportage IHP De situatieschets per kern, de gezamenlijke ambities en afspraken, oplossingsrichtingen en de scenario’s, inclusief financiële vertaling, zijn vastgelegd in het voorliggende rapport. In deze rapportage is tevens voor elke schoollocatie een voorstel opgenomen voor de toekomstige huisvesting.
1.4 Taken en verantwoordelijkheden De taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbestuur voor onderwijshuisvesting zijn wettelijk bepaald. De afbeelding hieronder toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden.
De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs (inclusief bewegingsonderwijs). Deze zorgplicht is vastgelegd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Deze zorgplicht is verder uitgewerkt in de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Beesel2. De gemeente is verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting en onderwijsleerpakketten,
2 De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Beesel is geldend vanaf 01-01-2015.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
5/33
herstel van constructiefouten (bij bouwheerschap gemeente) en herstel en vervanging bij schade door bijzondere omstandigheden. Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks niet geoormerkte middelen in haar gemeentefonds vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van aanpassingen zijn belegd bij het schoolbestuur. Voor het in stand houden van de schoolgebouwen ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk een materiële instandhoudingsvergoeding. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) werkt aan een wetsvoorstel om een oplossing te bieden voor het grijze gebied tussen ‘groot onderhoud’ (rekening schoolbestuur) en ‘nieuwbouw’ (rekening gemeente). De voorziening renovatie (ook wel vernieuwbouw genoemd) wordt gezien als oplossing voor dit grijze gebied. Er is hiertoe een wetsvoorstel in voorbereiding om de voorziening renovatie wettelijk te verankeren met daarin, naar verwachting, een verantwoordelijkheid voor de gemeente. Het schoolbestuur zal de verplichting krijgen om een meerjaren onderhoudsplan (MJOP) voor haar schoolgebouwen op te stellen3.
Het ministerie van OCW streeft ernaar om de gewijzigde wet in te laten gaan op 1 januari 2025. In dit IHP is renovatie als maatregel opgenomen, zie hoofdstuk 3.6. De werkwijze voor renovatie in dit IHP is geldend tot de inwerkingtreding van veranderende wetgeving.
3 Alle scholen in de gemeente Beesel beschikken reeds over een MJOP. De verantwoordelijkheid voor het opstellen van een MJOP ligt bij het
schoolbestuur.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
6/33
2. Visie op onderwijs Dit hoofdstuk beschrijft de visie op de verschillende thema’s die spelen in het onderwijs, namelijk de doorgaande ontwikkellijn, het aanbod, inclusief en passend onderwijs, beweging en samenwerking en relaties. De visie op onderwijs vormt de basis voor hoofdstuk 3 en 4, waarin de vertaling naar onderwijshuisvesting is gemaakt. De gemeente Beesel heeft vier scholen in het primair onderwijs en één school in het voortgezet onderwijs verspreid over de drie kernen; Beesel, Offenbeek en Reuver.
2.1
De visie in Beesel
Vanuit inhoud samenwerken in een kindcentrum De scholen in Beesel vormen samen met de kinderopvang een kindcentrum4. Een kindcentrum wordt gezien als de fysieke leeromgeving waar een brede ontwikkeling van jeugdigen plaatsvindt, met een doorlopende (leer)lijn van 0-12 jaar5 (inhoudelijke samenwerking en warme overdracht)(Jeugdbeleid 2023-2026). Waar mogelijk met een breed scala aan voorzieningen in of nabij het gebouw. Daarnaast is binnen een kindcentrum aandacht voor vroegtijdig op individueel niveau zorg- en/of leerbehoeften van kinderen signaleren en samenwerking met ouders om zo een sluitend netwerk te maken rondom het kind in het gezin. Dit geheel draagt bij aan de maximale ontwikkeling van kinderen ten aanzien van kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming en zorgt ervoor dat je in Beesel kunt ontspannen, met plezier en gezond kunt opgroeien en opvoeden (Jeugdbeleid Beesel 2023-2026). Om een toekomstbestendig kindcentrum te realiseren vraagt dit om structurele samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs. Dit vindt plaats in de fysieke nabijheid van elkaar. Het inhoudelijke initiatief ligt bij het schoolbestuur en de kinderopvangorganisatie. Gezamenlijk organiseren zij het gewenste pedagogisch- en educatieve aanbod.
Nadere toelichting van de voorschool in Beesel De voorschoolse voorzieningen voor kinderen zijn een plek om te spelen en te ontdekken voor de brede ontwikkeling (sociaal- emotioneel en cognitief). In Beesel is het belangrijk dat alle kinderen naar een voorschoolse voorziening gaan. Het biedt een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Door deze voorschool te integreren bij een basisschool ontstaat een optimale doorlopende ontwikkellijn binnen een kindcentrum. Kinderen worden zo in beperkte mate blootgesteld aan veranderingen binnen de fysieke omgeving en de kinderen kunnen henzelf focussen op leren en ontwikkelen. Het onderwijs- en kinderopvangaanbod De schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties in de gemeente Beesel voorzien in een divers en passend onderwijs- en kinderopvangaanbod. Binnen de kernen kunnen de kinderen veilig opgroeien, spelen en leren en kan een kind zijn/haar talenten volledig ontwikkelen. De kindcentra vormen de fysieke leeromgeving waar een brede ontwikkeling van kinderen plaatsvindt. Afhankelijk van de lokale behoeften en aanbod kan een kindcentrum worden verbreed met andere maatschappelijke partners zoals een consultatiebureau.
4 In Beesel maken alle basisscholen al geruime tijd onderdeel uit van de brede scholengedachte waarbij de kinderopvang ondergebracht is
in, of nabij de school (Jeugdbeleid 2023-2026, pagina 12). 5 Op niet alle scholen is een 0-12 jaar voorziening. Dit is wel de ambitie.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
7/33
Het bieden van keuzevrijheid aan ouders en leerlingen is een kernwaarde. Het hebben van verschillende onderwijsconcepten op korte afstand van huis zorgt ervoor dat kinderen en ouders iets te kiezen hebben. Het is belangrijk dat iedere school in staat is een eigen visie en identiteit op te stellen en deze uit te dragen, ook wanneer er bijvoorbeeld sprake zou zijn van meerdere scholen geïntegreerd in één gebouw. Om inclusief onderwijs en kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven is het van belang dat de keuze er is en behouden blijft. Het Grescollege biedt als enige voortgezet onderwijsvoorziening binnen Beesel en Limburg Jenaplanonderwijs op vmbo-, havo- en atheneumniveau aan. Het bieden van een breed aanbod blijft het uitgangspunt, maar dit dient wel toekomstbestendig en betaalbaar te blijven. Toekomstbestendig wil zeggen dat het aanbod past bij de vraag. Daarnaast is het aanbod sterk afhankelijk van het aanbod van de docenten om ambities te realiseren. Inclusief en passend onderwijs en kinderopvang Daarnaast streven de partners naar een voorzieningenpeil waar (bijna) alle kinderen in Beesel de mogelijkheid hebben om te leren en te spelen in de eigen kern. Dit vanuit het belang van thuisnabij, inclusief en passend onderwijs en kansengelijkheid. Dit betekent dat kinderen in het reguliere onderwijs zich optimaal kunnen ontwikkelen met de ondersteuning die daarvoor nodig is.
Het bieden van extra ondersteuning heeft namelijk de voorkeur boven doorverwijzen naar het speciaal (basis)onderwijs6 en is passend binnen het gedachtegoed van passend en inclusief onderwijs. Schoolbesturen kijken per school of de zorgbreedte aansluit op de behoeften. Wanneer de zorgbehoefte bij het kind toeneemt en/of scholen niet tegemoet kunnen komen aan de zorgbehoefte, is de school verantwoordelijk om in overleg met ouders een passend onderwijsaanbod te realiseren in de regio. Nadere toelichting van de rijke schooldag Kinderen hebben recht op gelijke kansen. Ieder kind moet zijn talenten kunnen ontdekken en zich volledig kunnen ontwikkelen, ongeacht de achtergrond of financiële situatie. De Rijke Schooldag is, door de Rijksoverheid, in het leven geroepen om alle kinderen de kans te geven om zichzelf ten volle te kunnen ontplooien door het bieden van aanvullende activiteiten op het gebied van sport, cultuur, cognitieve begeleiding en sociaal-emotionele ontwikkelingen. Deze activiteiten staan in het kader van een brede aanpak van bestrijding van armoede en kansenongelijkheid. In de gemeente Beesel wordt de rijke schooldag zoveel mogelijk vormgegeven met lokale organisaties en verenigingen. Dit vindt plaats op school, maar ook buiten school. Voorbeelden zijn: samenwerking met Welkoop (winkel in de school) en ouderen komen naar de school toe (’t Spick).
Nadere toelichting van de zorgplicht passend en inclusiever onderwijs Scholen moeten ervoor zorgen dat elk kind een passende plek krijgt. Ook als het kind extra begeleiding en ondersteuning nodig heeft. Deze verplichting voor scholen heet zorgplicht. De zorgplicht geldt voor kinderen die al op school zitten en kinderen die worden aangemeld. De school zoekt in overleg met de ouders een passende plek (Rijksoverheid, passend onderwijs).
6 De gemeente Beesel heeft geen speciaal (basis)onderwijsvoorziening waardoor kinderen veelal lang onderweg zijn naar een voorziening in
een andere gemeente. Vanuit het oogpunt van sociale ontwikkeling is dit niet wenselijk. De spreiding van speciaal (basis)onderwijs is onderdeel van het samenwerkingsverband Noord-Limburg en niet in dit IHP opgenomen. Door het belang van het kind voorop te stellen kijken de scholen wel kritisch naar doorverwijzen. Er is behoefte vanuit de gemeente om samen met de schoolbesturen te onderzoeken of het mogelijk is om een dependance binnen de gemeente te realiseren.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
8/33
De kinderopvangorganisaties werken tevens aan inclusiever en passende kinderopvang, door bijvoorbeeld verbreding van de expertise van de professionals in de (reguliere) kinderopvang. Op deze manier is er voor alle kinderen een passende (kinderopvang)plek. Denkrichting om voor inclusiever en passend onderwijs meer ruimte te geven In het onderwijs zijn er twee ontwikkelingen die op gespannen voet staan met de normatieve vierkante meters: 1. 2.
Passend onderwijs en het streven om te komen tot meer inclusief onderwijs. Het onderwijs ontwikkelt zich naar onderwijsconcepten met een meer gepersonaliseerde werkwijze.
Beide ontwikkelingen hebben invloed op de ruimtebehoefte en -vraag vanuit het onderwijs. Het gaat dan om meer diversiteit aan werkplekken, meer spreekruimten en aanvullende ondersteuningsruimten (mindervalidentoilet, douche et cetera), om zo meer ruimte te geven aan begeleiding/ondersteuning (bijvoorbeeld vanuit school en/of jeugdhulp) maar ook dat kinderen kunnen leren op de plek die bij de leerling/activiteit past (bijvoorbeeld in stilte of in groepsverband samenwerken aan een project). In een bestaand gebouw met overmaat kan de leegstand ingezet worden, maar bij nieuwbouw ‘die aan de maat’ gemaakt wordt, bestaat die mogelijkheid niet. Hiervoor is een beleidsregel van ‘meer meters’ een mogelijkheid om het onderwijs tegemoet te komen. Dit betekent concreet dat scholen de keuze kunnen maken om bij nieuwbouw beargumenteerd (voorwaarde) extra vierkante meters te vragen aan de gemeenteraad. Dit wordt inzichtelijk gemaakt bij het plan van aanpak en kan ook worden afgewezen. De extra meters geeft de mogelijkheid om meer individuele werkplekken, overlegplekken en spreekkamers te realiseren. De wens is om zo ruim en slim mogelijk te bouwen, dit kan ook zijn grenzend aan een park om buitenonderwijs mogelijk te maken.
Als de ruimtebehoefte van de school toeneemt door groei in leerlingenaantallen, dan wordt eerst de toegenomen ruimtebehoefte verrekend met de extra bruto vierkante meters. De investering van deze ‘meer meters’ wordt gepleegd vanuit de gemeente. De exploitatielasten komen voor rekening van het schoolbestuur. De investering wordt gepleegd bij nieuwbouw (of uitbreiding) en vernieuwbouw. Bovenstaande biedt de ruimte om ‘boven-normatief’ te denken en ook ruimtelijk maatwerk te leveren. In elk project wordt de afweging gemaakt of onderwijsinstellingen de extra meters kunnen exploiteren en welke kansen multifunctioneel ruimtegebruik biedt zonder investering in extra meters maar wel het bereiken van de gewenste functionaliteit. Doorgaande ontwikkellijn De doorgaande ontwikkellijn in Beesel (0-12 jaar) begint in een kindcentrum, waarbij kinderopvang en het primair onderwijs inhoudelijk samenwerken. Hier is reeds op ingespeeld door op alle basisschoolvoorzieningen een kindaanbod te realiseren. De focus bij de transitie van primair naar voortgezet onderwijs (12-18 jaar) ligt bij een warme overdracht. Het is daarbij belangrijk dat die overgang soepel verloopt, waardoor een leerling in zijn/haar ontwikkeling niet wordt gestoord door de verandering van systeem (maximale ontwikkelkansen).
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
9/33
Samenwerking en relaties Een optimale samenwerking tussen kinderopvang, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en maatschappelijke partijen versterkt het netwerk aan voorzieningen rondom de kinderen in Beesel (en verder voor het voortgezet onderwijs). Waar mogelijk en kansrijk kunnen nieuwe samenwerkingen worden aangegaan en bestaande samenwerking inhoudelijk en ruimtelijk worden versterkt. Het samenbrengen van meerdere voorzieningen op één locatie geeft de mogelijkheid om effectief en slim met de ruimte en elkaars expertise om te gaan. Binnen de gemeente wordt op alle basisonderwijslocaties reeds samengewerkt tussen verschillende kindpartners, maar ook met lokale verenigingen en ouderenopvang. Dit kenmerkt de gemeente door innovatieve samenwerkingen aan te gaan waarbij sociale en lokale disciplines elkaars paden kruisen. Een voorbeeld hiervan is het op een speelse manier betrekken van de Beeselse basisschooljeugd bij de traditie van het spel rondom de legende van Sint Joris en de draak. Maar ook het betrekken van het lokale bedrijfsleven binnen het primair- en voortgezet onderwijs (bijvoorbeeld project met de Welkoop in de school, Grescollege en gezamenlijke huisvesting met (kleine) ondernemers). Niet alleen op inhoudelijk en ruimtelijk vlak biedt de samenwerking kansen. Ook op organisatorisch vlak worden kansen gezien.
Flexibele inzet van het personeel, zoals het slim inzetten van onderwijsassistenten, pedagogisch professional en vakleerkrachten voor het bewegingsonderwijs, biedt een oplossing om met de huidige personeelstekorten om te gaan. Een belangrijke voorwaarde voor een verdergaande samenwerking is goed overleg tussen de partijen. Door middel van de (opnieuw) opgestarte LEA wil de gemeente Beesel dit overleg structureel faciliteren en organiseren.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
10/33
3. Visie op huisvesting De visie op onderwijshuisvesting borduurt voort op de visie op onderwijs en vertaalt dit in huisvesting gerelateerde thema’s zoals huisvestingscenario’s, duurzaamheid, energie, aardgasvrij, circulariteit, binnenklimaat, flexibiliteit en bredere investeringen. Voor elk thema wordt de gezamenlijke visie en ambitie beschreven. Daarnaast worden deze ambities vertaald in concrete en haalbare spelregels voor de uitvoering.
3.1 Multifunctionaliteit Traditionele schoolgebouwen faciliteren onderwijs. Lesuren vinden doorgaans plaats tussen 8:00 en 16:00 uur van maandag tot en met vrijdag. Een traditioneel schoolgebouw biedt zelden de voorzieningen om het gebouw naast deze tijden voor andere doeleinden dan onderwijs te gebruiken aangezien deze scholen zijn gesticht in tijden met een andere (onderwijs)visie. Door het treffen van de juiste voorzieningen is het mogelijk om een accommodatie te realiseren die multifunctioneel inzetbaar is. Buiten schooltijden is het mogelijk de school open te stellen voor het gebruik van bijvoorbeeld de buitenschoolse opvang en het beschikbaar stellen van de sportzaal voor verenigingen. Om dit te bewerkstelligen dient echter wel rekening gehouden te worden met een aantal facetten, met als voornaamste veiligheid. Multifunctionaliteit kan ook plaatsvinden tijdens lesuren, door te kijken naar flexibel ruimtegebruik. Een voorbeeld hiervan is kinderopvang en ouderenopvang, waarbij leegstaande ruimten ingezet kunnen worden. Schoolbestuur en kindpartner nemen de verantwoordelijkheid voor een evenredige afstemming van het ruimtegebruik en de evenredige verdeling van de exploitatielasten naar mate van verbruik.
Daarnaast sluit de gemeente of het schoolbestuur (afhankelijk van de eigendomssituatie) huurovereenkomsten met partijen met een redelijke financiële tegemoetkoming die minimaal kostprijsdekkend is.
3.2 Flexibiliteit en ruimtegebruik Het realiseren van flexibele huisvesting vraagt in de planvormingsfase van (vervangende) nieuwbouw of renovatie rekening te houden met: ▪ ▪
▪
Uitbreidingsmogelijkheden: bij planvorming rekening houden met (toekomstige) uitbreiding zonder dat de uitbreiding het onderwijskundige of kinderopvangconcept tenietdoet. Aanpasbaarheid: bij planvorming rekening houden met toekomstige aanpasbaarheid om groei, krimp en/of onderwijsontwikkeling (flexibel) op te vangen. Deze aanpasbaarheid kent een houdbaarheid van ongeveer tien jaar in verband met doorontwikkeling van nieuwe en slimmere technologie. Transformeren van functie: bij scholen in kleine kernen (constructief) rekening houden met het transformeren van schoolgebouwen naar een andere functie voor het schoolgebouw. Dit betekent dat bij de planvorming rekening wordt gehouden met het veranderen van functie naar bijvoorbeeld woningen. Belangrijk aandachtspunt is dat de transformeerbaarheid niet ten koste mag gaan van de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs.
Indien een situatie ontstaat waarbij een onderwijsvoorziening te maken heeft met leegstand, dan bepaalt de onderwijsorganisatie in hoeverre leegstand een (financieel) probleem is. Indien de leegstand door het schoolbestuur als probleem wordt ervaren, dient in afstemming met de gemeente een plan opgesteld te worden om de leegstand terug te dringen en daarmee de capaciteit af te stemmen op de behoefte. Deze plannen dienen afgestemd te zijn op de toekomstige normatieve ruimtebehoeften (aantal leerlingen) en (maatschappelijke) ontwikkelingen binnen een gebied (bijvoorbeeld dorpsontwikkelingen). Het uitgangspunt is niet te bouwen voor leegstand. Dit vanuit de filosofie dat de voorzieningen bekostigd zijn of worden met maatschappelijke middelen. Investeringen worden daarom beargumenteerd en maatschappelijk verantwoord gepleegd. Bij het maken van integrale en toekomstbestendige plannen wordt vanzelfsprekend ook gekeken naar het huisvesten van kinderopvangfuncties en/of overige partners.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
11/33
Vanuit de gedachte van kindcentra zijn onderwijs en kinderopvang op basis van gelijkwaardigheid gehuisvest in het gebouw. Dit betekent dat bij vraagstukken rond krimp of groei kinderopvang niet wijkt voor het onderwijs, maar in overleg tussen gemeente, onderwijs en kinderopvang wordt gekeken naar oplossingen. Deze werkwijze geeft onderwijs- en kinderopvangorganisaties de mogelijkheid om per situatie maatwerk te leveren, daarbij de gemeente in eerste plaats een financiële verplichting heeft in het realiseren van onderwijsmeters. Voor het realiseren van kinderopvangmeters kan in de plannen rekening gehouden worden maar deze komen financieel voor rekening van de kinderopvang. Dit kan door vooraf mee te financieren of achteraf terug te betalen van een investering op basis van huur aan het schoolbestuur of de gemeente. Dit is afhankelijk van het eigendom na realisatie. Het uitgangspunt hierin is borgen van de continuïteit die noodzakelijk is om te kunnen bouwen aan en participeren in langdurige inhoudelijke samenwerking. Concreet: de groei van de school mag niet leiden tot het wijken van de kinderopvang, want dat is (onder andere) niet bevorderlijk voor de doorlopende leerlijn. Dit vraagt wel om afspraken binnen het IHP hoe een eventuele uitbreiding bekostigd wordt en welke dekking daar tegenover staat (zie paragraaf 3.7).
Een ander belangrijk element is dat de schoolorganisatie een geheel vormt en als zodanig kan functioneren. Daarom is het van belang om onderwijs zoveel als mogelijk vanuit één locatie aan te bieden opdat groepsdoorbrekend onderwijs en onderwijs op maat in groepen goed georganiseerd kan worden. De school vormt samen met de kinderopvang een geheel en wordt op een locatie gehuisvest (of kinderopvang in directe nabijheid). In voorkomende gevallen treden gemeente en schoolbesturen in overleg bij een capaciteitsvraagstuk over tijdelijk medegebruik (met een maximale tijd van vier jaar). Hierbij is het uitgangspunt dat het ruimtegebruik de onderwijs- en kinderopvangorganisatie faciliteert en kinderen ten goede komt. In kindcentra waar meerdere onderwijsorganisaties onderdeel van uitmaken worden heldere afspraken gemaakt over gezamenlijk ruimtegebruik. Hierbij staat het huisvesten van kinderen voorop. Bij een capaciteitsvraagstuk treden gemeente en schoolbesturen in overleg om tot een passende oplossing te komen. Daarnaast is het belangrijk aandacht te hebben voor de veiligheid in en rondom het gebouw, ook voor de voorzieningen van kinderopvang7. Dan gaat het over openbaar gebied zoals bijvoorbeeld nadenken over het scheiden van verkeersstromen en goede haal- en brengvoorzieningen met nadruk op een veilige omgeving voor kinderen en ouders te voet of met de fiets.
Dit mede vanuit het oogpunt van duurzaamheid en bewegen te stimuleren. Middelen voor het openbaar gebied zijn geen onderdeel van de onderwijshuisvestingsmiddelen.
3.3 Duurzaamheid De Nederlandse overheid heeft met het ondertekenen van het Klimaatakkoord 8 de doelen voor verduurzaming duidelijk gemaakt. In 2050 moet Nederland energieneutraal en gasloos zijn. Dit moet bijdragen aan de ambitie om de CO2-uitstoot te reduceren met 95% ten opzichte van 1990. In 2030 is het streven om 55-60% minder CO2-uitstoot te generen. De duurzaamheidsvisie 2019-2030 van Beesel; focus, lef en draakkracht, focust zich op vijf thema’s om gezamenlijk een beweging te maken naar een economisch veerkrachtige, duurzame en groene gemeente, waar iedereen gezond en veilig kan (be)leven en werken en waar iedereen meetelt en meedoet. De thema’s zijn: duurzame energie, klimaatadaptie en biodiversiteit, schone en slimme mobiliteit, circulaire economie en sociale duurzaamheid. Deze thema’s pakt de gemeente aan met lef. Waar nodig worden de grenzen van de regelgeving opgezocht en is er durf om van geijkte paden af te wijken. Ten slotte wordt duurzaamheid draakkrachtig opgepakt, wat staat voor draagvlak en daadkracht.
7 Voor de kinderopvang gelden de wettelijke veiligheidsvoorschriften, welke in eerste aanleg voor rekening van de houder van de
kinderopvang komen. 8 Klimaatakkoord 2019 – Rijksoverheid. Het Klimaatakkoord is een belangrijk deel van de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
12/33
Binnen het IHP worden, in lijn met het duurzaamheidbeleid en geldende wet- en regelgeving, duurzaamheidsambities geformuleerd voor onderwijshuisvesting. Onderwijshuisvesting, gefinancierd met maatschappelijke middelen vanuit overheidswege, valt onder maatschappelijk vastgoed. Duurzame energie Het thema duurzame energie staat voor energiebesparing (wat je niet gebruikt hoef je niet op te wekken), het opwekken van duurzame energie en aardgasloos maken (Duurzaamheidsvisie 2019-2030). Voor nieuwbouw betekent dit dat de ambitie hoger ligt dan het Bouwbesluit9 (1 januari 2021) waarin Bijna Energie Neutraal (BENG) als eis geldt. De ambitie ligt op Energie Neutraal Gebouw (ENG) en daarmee is het saldo energieverbruik en energieopbrengst, met betrekking tot gebouwgebonden energie, nul. Daarnaast wordt aardgasloos gebouwd. Voor renovatie geldt dat BENG zoveel mogelijk wordt gehaald. Ook dient bij de renovatie te worden onderzocht of de stap naar aardgasvrij kan worden gemaakt. De Transitievisie Warmte beschrijft de gemeentebrede aanpak om de gebouwde omgeving gefaseerd van het aardgas af te laten gaan tot aan 2050. Het IHP houdt rekening met de plannen die zijn ontwikkeld in het kader van de Transitievisie Warmte Beesel. Bestaande schoolgebouwen worden aardgasloos bij renovatie, vervangende nieuwbouw of plannen uit de Transitievisie Warmte Beesel.
Een schoolgebouw kan ook energieopwekkend zijn met behulp van hernieuwbare energie. De gemeente draagt zorg bij nieuwbouw voor het aantal zonnepanelen dat vereist is om te voldoen aan de uitgangspunten zoals beschreven in het IHP. Het schoolbestuur kan ervoor kiezen om voor eigen rekening meer zonnepanelen te realiseren. Met voldoende dakoppervlak kunnen zonnepanelen op een school een bijdrage leveren aan een energieneutrale wijk. De opbrengsten vloeien daarmee zoveel mogelijk terug naar de gemeenschap.
9 Vanaf 1 januari 2024 zijn de technische voorschriften waaraan een bouwwerk/gebouw moet voldoen vastgelegd in Besluit Bouwwerken
Leefomgeving (BBL).
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
13/33
Versnelde duurzaamheidsmaatregelen zijn een goede ontwikkeling voor het milieu. Echter leert het verleden dat de netbeheerder in Limburg in 2022 geen nieuwe aansluitingen meer verleende aan nieuwe bedrijven. De capaciteit op het hoogspanningsnet was in 2022 niet genoeg om de sterke toename aan gebruik te kunnen dekken. Het RES (Regionaal Energie Strategie) geeft aan zorgvuldig stroom op te wekken door niet meer op te wekken dan dat er daadwerkelijk verbruikt wordt om zo ook energie te besparen. Klimaatadaptie en biodiversiteit Door de klimaatverandering verwacht de gemeente meer weersextremen zoals extreme buien en lange perioden van droogte en hitte. Door rekening te houden met de buiteninrichting wil de gemeente hier voorbereid op zijn. Voor de schoolomgeving is het van belang om te anticiperen op meer groen (daar waar mogelijk met biodiversiteit) en het verminderen van bestaande verharding en/of het tegengaan van nieuwe verharding. Voorbeelden zijn het vergroenen van schoolplein of daken. Gemeente Beesel zet in op het stimuleren van de aanleg van blauwgroene schoolpleinen, ook wel natuurlijke schoolpleinen genoemd. Op deze pleinen wordt afgeweken van het traditioneel betegelde schoolplein. Een groen schoolplein heeft nadruk op natuurlijke elementen, biodiversiteit en educatieve mogelijkheden. Het schoolplein bestaat voornamelijk uit natuurlijke elementen.
Deze natuurlijke elementen komen ook terug als speeltoestellen. Voor educatieve doeleinden is een moestuin een goed voorbeeld als element van het groene schoolplein, waar kinderen interactief de natuurlijke wereld kunnen ontdekken. Vanuit biodiversiteit (verscheidenheid van plant- en diersoorten) wordt zodanig gebouwd en ingericht dat een gebouw bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Circulaire economie Voor een klimaatneutraal Europa in 2050 moet de economische groei worden losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen, en moet worden overgestapt op circulaire productie- en consumptie-systemen (Europese Green deal 2019). Indien hergebruik van grondstoffen niet mogelijk is wordt het gescheiden (afval) of gerecycled. In een deeleconomie zorgt het onderling delen van spullen voor een efficiënter gebruik. Al doende ontstaat een kringloopeconomie met toekomstbestendige ondernemingen en voldoende werkgelegenheid, waarbij grondstoffen behouden blijven voor de toekomst (Duurzaamheidsvisie 2019-2030). De ambitie is om per project bij het uitwerken van de plannen te beoordelen welke circulaire maatregelen genomen kunnen worden, zoals aandacht voor een circulair ontwerpproces en uitgaan van circulair/demontabel bouwen waar dat verantwoord kan.
Het toepassen van circulaire principes, waarbij wordt ingezet op hergebruik van materialen, kan van invloed zijn op de restwaarde van het gebouw. Het toepassen van dergelijke principes heeft dus mogelijk ook financiële consequenties. De komende jaren wordt op basis van ervaring gekeken welke inverdieneffecten ook financieel ingerekend kunnen worden. Sociale duurzaamheid Alle duurzaamheidsthema’s worden benaderd vanuit de beleving van de mens. De klus samen klaren en er samen sterker van worden. Er wordt gewerkt vanuit openheid, flexibiliteit en continuïteit zodat iedereen op zijn manier een bijdrage kan leveren. Nadere toelichting wet Milieubeheer Bij situaties die voortkomen uit de Wet Milieubeheer is een spanning tussen de verplichtingen en bekostiging. Een schoolbestuur ontvangt geen aanvullende bekostiging om maatregelen die voortkomen uit de Wet Milieubeheer (erkende maatregelenlijst energiebesparing) te financieren. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het realiseren van deze maatregelen. Wel heeft de gemeente een toezichthoudende taak in deze. Omdat beide partijen geen vaste aanvullende bekostiging ontvangen is het in de praktijk lastig om tot realisatie van de voorzieningen te komen. Gemeente en schoolbesturen blijven hierover in gesprek.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
14/33
Voor de huisvesting vraagt duurzaamheid om: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Nieuwbouw: ENG+-gemiddeld Frisse Scholen Klasse B (waar mogelijk Klasse A) en aardgasloos. Renovatie: BENG+-gemiddeld Frisse Scholen Klasse B (waar mogelijk Klasse A) en aardgasloos. Aandacht voor circulariteit in het ontwikkelproces (circulair ontwerpproces) en uitgaan van circulair bouwen waar dat verantwoord kan. Waar het verantwoord kan circulair slopen/oogsten van gebouwen en hergebruik van grondstoffen (in toekomstige schoolgebouwen). Buitenruimte: blauwgroene schoolpleinen (gezamenlijke verantwoordelijkheid).
3.4 Total Cost of Ownership (TCO) De kosten van een gebouw bestaan niet enkel uit de bouwkosten tijdens de realisatiefase van het proces. Tijdens de levensduur van het gebouw komen daar ook kosten bij voor het beheer en exploitatie (lees: de instandhouding, een school bestuurlijke verantwoordelijkheid). Het concept ‘Total Cost of Ownership’ (TCO) gaat hierover en tracht de totale eigendomskosten over de gehele levensduur in beeld te brengen. Om goed in beeld te krijgen hoeveel een gebouw kost over zijn gehele levensduur is het belangrijk om de overige eigendomskosten ook duidelijk te hebben. Dit kan namelijk gevolgen hebben voor keuzes tijdens het ontwerpproces. Materialen, installaties of producten kunnen bij de aanschaf of installatie duurder zijn maar minder onderhoud nodig hebben of langer meegaan waardoor de totale kosten minder blijken. Hierbij valt te denken aan onderhoudsvrije vloeren of installaties die lagere energiekosten hebben. Dit vraagt om een andere manier van kijken naar gebouwen en hun levensloop. Op projectniveau moeten hiervoor keuzes worden gemaakt. Bij elk project dat voortkomt uit het IHP wordt een businesscase gemaakt waarin TCO leidend is. Deze businesscase kan ook gebruikt worden als onderbouwing voor de (eventuele) bijdrage vanuit het schoolbestuur.
3.5 Gezondheid Binnenklimaat Gezonde (school)gebouwen met een goed binnenklimaat stimuleren goed onderwijs en een goede werkomgeving. Het belang van een goed binnenklimaat is de afgelopen jaren, mede door COVID-19, nog duidelijker geworden. Een goed binnenklimaat heeft een wetenschappelijk bewezen positief effect op de leer- en ontwikkelprestaties en verminderd gezondheidsklachten. Het is de ambitie dat alle schoolgebouwen in de gemeente Beesel een gezond binnenklimaat hebben. Gemeente en schoolbesturen hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om deze ambitie te realiseren. Een gezonde school is een schoolgebouw met een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Bij (ver)nieuwbouw dienen de eisen van het Bouwbesluit gevolgd te worden die grotendeels aansluiten bij Frisse Scholen klasse B (van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De praktijk en ervaring leren echter dat ook relatief nieuwe schoolgebouwen soms een matig binnenklimaat hebben, ondanks de uitgebreide installatiesystemen. Het is daarom van belang om de ervaringen uit die projecten mee te nemen en bij nieuwe projecten te kiezen voor oplossingen die zich hebben bewezen in de praktijk. Het streven is om bij iedere nieuwbouw Frisse Scholen Klasse B of hoger te realiseren.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
15/33
Nadere toelichting investeringen in binnenklimaat Voor investeringen in het binnenklimaat is ook een spanning aanwezig vanuit investeringen. Zowel gemeente als schoolbesturen ontvangen hiervoor geen aanvullende bekostiging. Beide zien wel de noodzaak tot investeringen. Binnen het IHP wordt er bij bestaande gebouwen voor gekozen investeringen in binnenklimaat mee te nemen op natuurlijke momenten, zoals renovatie, grote onderhoudsinvesteringen of wanneer er vanuit Rijksoverheid dwingende maatregelen worden opgelegd. Bij bestaande gebouwen, op natuurlijke momenten, gaat het om maatwerk per locatie. Dit betekent dat metingen en maatwerkadvies aan de basis staan voor gerichte ingrepen. Op basis van deze gerichte ingrepen worden vervolgens afspraken gemaakt over de kostenverdeling tussen gemeente en schoolbesturen (en eventueel andere gebruikers van betreffende locatie). Bewegen In het Regionaal Beleidsplan Jeugd 2022 en verder10 staat de ambitie beschreven om in Noord-Limburg een impuls te geven aan de ontwikkeling van gezondheid en gezond gedrag door in te steken op jonge kinderen middels LiFi (Netwerk Gezonde Leefstijl Noord-Limburg), de Gezonde Basisschool van de Toekomst, de Limburgse netwerkaanpak voor kinderen met (risico op) overgewicht en obesitas en het Preventieakkoord.
In lijn met het regionaal beleidsplan is investeren in beweging een aspect om de gezondheid te bevorderen. De beleidsnota lokaal Jeugdbeleid 2023-2026 onderschrijft deze gedachte. Net als bij een gezond binnenklimaat draagt bewegen bij aan goede leerprestaties en de ontwikkeling van een kind. Om kinderen uit te dagen tot meer bewegen, kunnen de binnen- en buitenomgeving beweegvriendelijk en beweegprikkelend ingericht worden. Denk hierbij aan hoogteverschillen, klimmuren en meubilair dat bewegen stimuleert, maar ook activiteiten die een school en de kinderopvang organiseert: beweegactiviteiten in de pauze en naschoolse sportactiviteiten. Bij de bestaande locaties wordt de buitenruimte gehandhaafd en wordt gekeken naar het realiseren van blauwgroene schoolpleinen11. Bij nieuwbouw is een blauwgroen schoolplein het uitgangspunt. Deze schoolpleinen zijn kenmerkend door de klimaatbestendige, gezonde en natuurrijke speelleeromgeving voor een school. Daarnaast is het aan het schoolbestuur en de opvangorganisaties om de buitenruimte en binnenruimte op een interessante wijze vanuit de gezamenlijke pedagogische visie vorm te geven en in te richten. Ook kan gedacht worden aan het realiseren van onderwijs- en opvangvoorzieningen nabij of samen met sportvoorzieningen. In het voortgezet onderwijs is sprake van voldoende buitenruimte (sportvelden) voor het bewegingsonderwijs.
Voor het basis- en voortgezet onderwijs moet er ook voldoende capaciteit zijn om alle scholen van voldoende klokuren gym te voorzien12.
3.6 Type maatregelen binnen IHP Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het IHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente, kinderopvangorganisaties en schoolbesturen gepleegd worden. In dit IHP wordt een viertal scenario’s onderscheiden: 1. 2. 3. 4.
(Vervangende) nieuwbouw13; Renovatie; In stand houden; Afstoten.
Indien noodzakelijk is er ruimte voor een maatwerkoplossing.
10 Samenwerkingsverband Primair onderwijs Noord-Limburg, regionaal beleidsplan Jeugd. 11 Bijvoorbeeld met behulp van Groenblauwe schoolpleinenrevolutie. 12 Vanaf het schooljaar 2023-2024 is twee lesuren bewegingsonderwijs verplicht op de basisschool. 13 Uitbreiding is een vorm van nieuwbouw.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
16/33
Per scenario wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren. Bouwheerschap In beginsel ligt het bouwheerschap bij het betreffende schoolbestuur. De gemeente stelt de financiële middelen en/of grond beschikbaar en het schoolbestuur is zelf verantwoordelijk voor het tot stand brengen van de nieuwbouw of renovatie. In uitzondering hierop kunnen gemeente en schoolbestuur overeenkomen om het bouwheerschap bij de gemeente en/of een externe partij neer te leggen. Per project, ook afhankelijk van de complexiteit van het project, maakt het schoolbestuur in overleg met de gemeente afspraken over het bouwheerschap. (Vervangende) nieuwbouw Bij de maatregel nieuwbouw gaat het om schoolgebouwen waarvoor in het IHP een noodzaak tot vervanging is aangetoond. Deze gebouwen hebben binnen afzienbare tijd een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw nodig. Bij nieuwe schoolgebouwen wordt gestreefd naar een maximale bijdrage aan de verduurzamingsopgave. Boven op de bestaande wetgeving om BENG te realiseren, is de ambitie uitgesproken om bij nieuwbouw van scholen te voldoen aan ENG. Dit wordt gedaan omdat er Europese wetgeving in de maak is om vanaf 2027 ENG wettelijk te verplichten.
Het streven op het gebied van gezondheid is om gemiddeld Frisse Scholen klasse B te behalen en waar mogelijk op onderdelen Frisse Scholen klasse A. Voor de maatregel (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ ▪ ▪ ▪
▪
▪
▪ ▪ ▪ ▪
Een businesscase dient aan te tonen of nieuwbouw een beter alternatief is voor vernieuwbouw/renovatie (indien daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context). De businesscase dient in gezamenlijke opdracht van gemeente en schoolbestuur te worden gemaakt om eenzijdige sturing te voorkomen. De gemeente financiert ENG en gemiddeld Frisse Scholen klasse B, waarbij per project wordt bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen klasse A kan worden behaald binnen het budget. Een businesscase, met daarin maatregelen met een rendabele terugverdientijd in de exploitatie (passend binnen het Onderwijsaccountantsprotocol), moet aantonen of hogere duurzaamheidseisen zoals nul op de meter haalbaar zijn. De hogere duurzaamheideisen kunnen worden gemaakt met een bijdrage vanuit het schoolbestuur. Het uitgangspunt is dat deze eenmalige bijdrage kan worden verantwoord door terugverdienen passend binnen het Onderwijsaccountantsprotocol. Er dienen voorafgaand aan de planvorming afspraken gemaakt te worden tussen de gemeente en het schoolbestuur over het eventueel inbrengen van gereserveerd onderhouds- en exploitatiebudget ten behoeve van aanvullende duurzaamheidseisen. Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn.
De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget. Bij nieuwbouw van maatschappelijke voorzieningen wordt uitgegaan van een levensduur van 40 jaar. Het stichtingskostenbedrag voor nieuwbouw is gedifferentieerd opgebouwd. Voor het primair onderwijs betekent dit dat wordt uitgegaan van een stichtingskostenbedrag van € 3.450,- tot € 3.900,- per bruto vierkante meter en voor het voortgezet onderwijs een minimaal stichtingskostenbedrag van € 3.450,- per bruto vierkante meter (prijspeil januari 2024). Advies een jaarlijkse indexering van 5% vanaf 2024 voor de eerste vijf jaar en 2% voor de daaropvolgende jaren)14. De bedragen zijn aan ontwikkeling onderhevig, maar zijn richtingbepalend voor het IHP.
14 Indien de bouwconjunctuur negatiever uitvalt dan heeft dit gevolgen voor de percentages.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
17/33
▪
▪
▪
Bij het daadwerkelijk maken van de nieuwbouwplannen wordt nogmaals gekeken hoe de feitelijke leerlingenaantallen zich verhouden tot de leerlingenprognoses en wordt de omvang van de nieuwbouw definitief bepaald. Scholen kunnen beargumenteerd vanuit inclusiever en passend onderwijs meer meters aanvragen. Dit moeten de schoolbesturen apart en beargumenteerd inzichtelijk maken in de businesscase. Tijdens het Programma van Eisen-traject wordt dit nader aangescherpt. De onderbouwde financieringsaanvraag wordt vervolgens aangeboden aan de raad.
Het realiseren van uitbreiding bij een schoolgebouw is een variant van nieuwbouw. Een uitbreiding is in verhouding tot volledige nieuwbouw een klein project, waardoor het investeringsbedrag kan oplopen (afhankelijk van de grootte). Bij een dergelijke kleine uitbreiding is het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw leidend en wordt gestreefd naar minimaal BENG. Renovatie De VNG heeft samen met de koepelorganisaties PO-Raad en VO-Raad een advies tot wijziging van de wet ingediend, waaronder het toevoegen van renovatie als alternatief voor nieuwbouw15. In het advies van de VNG, PO-raad en VO-raad wordt het uitgangspunt gehanteerd dat renovatie dient te worden beschouwd als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw, om de levensduur van schoolgebouwen te verlengen, waarbij het gebouw (weer) voldoet aan de functionele eisen en kwaliteitseisen. Hierbij zijn ook de wettelijke eisen van toepassing en de ambities van nieuwbouw worden zoveel mogelijk benaderd. Een voorbeeld vormt het voldoen aan BENG. Dit is in bestaande bouw niet volledig haalbaar, maar wordt beredeneerd zoveel mogelijk gehaald. Verder wordt per casus bezien op welke wijze renovatie verantwoord is qua investeringen versus opbrengst. De afweging voor (levensduurverlengende) renovatie wordt gemaakt wanneer een gebouw 40 jaar in gebruik is geweest zonder grootschalige tussentijdse investeringen.
Bij renovatie wordt gekeken naar: ▪ ▪ ▪ ▪
Functionele staat: verbeteren van de functionaliteit (flexibiliteit, multifunctionaliteit en aansluiten onderwijsconcept); Technische staat: levensduurverlenging door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen; Ruimtelijke staat; Verduurzaming van het gebouw (benaderen ambitie BENG).
Onderdeel van de businesscase is een vergelijking met de kosten van vervangende nieuwbouw op basis van kapitaallastniveau inclusief eenmalige investeringen zoals tijdelijke huisvesting. Indien de kosten te veel oplopen kan vervangende nieuwbouw de te prefereren keuze zijn in verband met het halen van maximaal rendement uit het inzetten van maatschappelijke middelen (lees: lage structurele lasten). De businesscase bestaat tenminste uit inzicht in: ▪ De kosten van instandhouding op basis van het uitgevoerde onderhoud van de afgelopen vijf jaar en een actueel meerjaren onderhoudsplan; ▪ De staat van het gebouw op basis van een objectieve schouw conform de systematiek van de verordening aangevuld met een gebrekenrapportage inclusief indicatie van de benodigde investeringen om deze op te lossen; ▪ Benodigde aanpassingen op basis van een actueel ruimteprogramma (inhoudelijke wensen kindcentrum) en op basis van de meest actuele leerlingenaantallen en leerlingenprognoses; ▪ Benodigde investeringen voor vernieuwen van bouwkundige en installatietechnische aspecten; ▪ Benodigde investeringen voor verduurzaming; ▪ Wet- en regelgeving op het gebied van binnenklimaat; ▪ De actuele boekwaarde; ▪ Benodigde tijdelijke huisvesting of andere investeringen. 15 De verwachting is dat de nieuwe wet vanaf 2023 vastgesteld wordt. In afwachting daarvan geldt tot 2024 bovenstaande voor renovatie.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
18/33
Voor zowel renovatie als vervangende nieuwbouw wordt een investeringsraming op kengetallenniveau gemaakt. Deze investeringen worden vertaald naar een kapitaallast op basis van actuele parameters (zoals rekenrente en afschrijvingstermijnen) van de gemeente Beesel. Bij nieuwbouw wordt ook het eenmalig afboeken van de boekwaarde betrokken. Zo kan een vergelijk gemaakt worden tussen renovatie en vervangende nieuwbouw. Voor de realisatie van een renovatie gelden de volgende uitgangspunten: ▪ Het realiseren is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en schoolbesturen op basis van genoemde businesscase annex maatregelenplan; ▪ De kosten voortkomend uit de gebrekenrapportage betreffen onderhoudswerkzaamheden en zijn voor rekening van het schoolbestuur vanuit haar onderhoudsverplichting; ▪ De gemeentelijke bijdrage is maximaal 70% van de investering voor nieuwbouw met een jaarlijkse indexering van 2,5% vanaf 2024 en de daaropvolgende jaren. Het percentage van 70% vormt het kantelpercentage vanaf wanneer nieuwbouw vanuit bedrijfseconomisch oogpunt verantwoorder is. Deze gemeentelijke bijdrage wordt niet overschreden. Zo wel, dan is in de businesscase beargumenteerd aangegeven waarom dit gebeurt16. De gemeentelijke bijdrage is een invulling van het voorstel vanuit de VNG en PO-raad dat de gemeente bijdraagt in de bekostiging van renovatie.
Daarmee wordt vooruitgelopen op de verwachte nieuwe wetgeving waarin renovatie als voorziening wordt opgenomen; ▪ De hogere duurzaamheideisen kunnen worden gemaakt met een bijdrage vanuit het schoolbestuur. Het uitgangspunt is dat deze eenmalige bijdrage kan worden verantwoord door terugverdienen passend binnen het Onderwijsaccountantsprotocol. ▪ Kwaliteitsniveau Frisse Scholen B; ▪ Bij renovatie wordt uitgegaan van ingrepen die de levensduur met 20 jaar verlengen. In het proces om te komen tot een afweging voor renovatie zijn nog drie spelregels van toepassing: ▪ Indien er aanleiding is om de bouwkundige en installatietechnische maatregelen ter discussie te stellen, kan een gebrekenrapportage inclusief maatregelen opgesteld worden ter onderbouwing; ▪ Er kunnen argumenten zijn om een bestaand gebouw toch te handhaven in plaats van (vervangende) nieuwbouw (bijvoorbeeld monument). Dit dient uitgebreid beargumenteerd te worden in een businesscase. Daarna is het een maatregel die conform de genoemde maatregelen voor bekostiging in aanmerking komt; ▪ Aandacht voor in- of uitbreiden van het gebouw met behoud van het onderwijsconcept. In stand houden
▪ ▪ ▪ ▪
Bij in stand houden gaat het om een activiteit van het schoolbestuur om een bestaand gebouw in stand te houden en waar geen sprake is van nieuwbouw of renovatie. Hiervoor geldt: Het gebouw moet een adequaat kwaliteitsniveau behouden. Het schoolbestuur zet hiervoor haar middelen in vanuit de materiële instandhoudingsvergoeding. Deze activiteit vergt geen bijdrage vanuit de gemeente. Mogelijk wordt een schoolbestuur wel geconfronteerd met verplichte maatregelen vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Afstoten
Dit betreft gebouwen die niet langer als schoolgebouw in gebruik blijven en teruggegeven worden conform verordening Onderwijshuisvesting aan de desbetreffende gemeente. Daarmee worden ze onttrokken aan de onderwijsbestemming.
16 Voorbeelden van argumenten kunnen zijn: monumentale status, beeldbepalend gebouw, geen alternatieve locatie beschikbaar, hoge
boekwaarde van een gebouw en (kwalitatief) verschillende bouwdelen (met verschillende bouwjaren).
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
19/33
3.7 Huisvesting (maatschappelijke) partners Vanwege de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang is huisvesting van kinderopvang ook een belangrijk gegeven. Bij nieuwbouw is het uitgangspunt gezamenlijke huisvesting. Er zijn twee mogelijkheden om tot huisvesting van kinderopvang te komen: (1) investering door de kinderopvangorganisatie zelf 17 of (2) investering door de gemeente met een kostprijsdekkende huurovereenkomst via de gemeente. Deze regels kunnen ook toegepast worden op andere organisaties/functies dan kinderopvang. In bestaande situaties waar kinderopvang gebruik maakt van (leegstaande) ruimten in een onderwijsvoorziening is sprake van gelijkwaardigheid in huisvesting. Dit betekent dat bij groei van het onderwijs de kinderopvang niet wijkt. Om de groei van het onderwijs op te vangen blijft kinderopvang zitten en worden groepsruimten voor het onderwijs bijgebouwd (uitbreiding). In dat geval wordt de uitbreiding aangemerkt als beredeneerde aantoonbare investering ten behoeve van kinderopvang en wordt de gemeente via een (kostprijsdekkende) huurvergoeding gecompenseerd voor de kapitaallasten. Indien de opvangorganisatie niet aan de huurvergoeding kan voldoen, dan wijkt zij wel. NB: Voor bovenstaande geldt dat rekenschap gegeven wordt aan het Didam-arrest.
De reikwijdte van deze uitspraak is op dit moment nog niet volledig helder in verband met de definitie van ‘overheidslichaam’. Stelselwijziging kinderopvang Het kabinet wil de kinderopvang vanaf 2027 (bijna) gratis maken voor alle werkende ouders. De verwachting is dat de drempel om kinderen naar de kinderopvang te brengen lager wordt, waardoor de vraag zal toenemen. Dit heeft personele gevolgen, maar ook gevolgen voor de huisvesting (toename ruimtebehoefte). Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang (BMK) verwacht met ingang van 2027 een toename in gebruik van kinderopvang (grotere vraag) van ongeveer 10%. Wanneer ook kinderen van niet-werkende ouders (bijna) gratis naar de kinderopvang mogen is de verwachte toename 29%. Voor bestaande overeenkomsten (huur of medegebruik) worden de geldende afspraken voortgezet. Op natuurlijke momenten wanneer een investering noodzakelijk is (bijvoorbeeld vervangende nieuwbouw of renovatie), als er andere inhoudelijke punten zijn die aanpassing van huisvesting vragen of wanneer partijen een langdurige samenwerking willen aangaan worden bestaande afspraken aangepast via een kostprijsdekkende huur.
17 Investering door de kindpartner is een keuze, geen voorwaarde voor samenwerking. Vanuit de inhoud kiest de onderwijsorganisatie de
samenwerkingspartner.
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
20/33
4. Huisvestingsscenario’s 4.1 Inzicht per kern Basisgeneratie primair onderwijs De meest actuele leerlingenprognoses (Pronexus, 2023) geven inzicht in de verwachte ontwikkeling van het aantal leerlingen in de komende jaren. Pronexus geeft daarbij aan: “In de ramingen van leerlingenaantallen zijn twee ontwikkelingen verwerkt. Dit zijn de trends in de omvang van de basisgeneratie in de afzonderlijke gebieden van de gemeente Beesel en de schoolkeuze. Bij de opzet van de prognoses zijn cijfers verwerkt met een uitsplitsing van leerlingen naar herkomstgebied”. In tabel 1 is een uitsplitsing per kern gevormd naar de doelgroep voor het basisonderwijs. Kern
2023
2024
2028
2033
2038
∆ 2023 2038
Beesel
149
153
182
188
189
+40
Reuver
468
467
488
500
514
+46
Offenbeek
380
366
344
345
349
-31
TOTAAL
997
986
1.014
1.033
1.052
+55
Tabel 1 – Leerlingenprognose basisonderwijs
Woningbouwontwikkelingen De prognose van deze basisgeneratie vloeit voort uit de demografische ontwikkelingen die zich in het verleden hebben voorgedaan, maar met name de aannames in groei en trends voor de toekomst. Een belangrijke component daarvan is de woningbouwontwikkelingen. Een totaaloverzicht van de woningbouwontwikkelingen en de woningvoorraad in de gemeente is opgenomen in onderstaande tabel.
Kern
2023
2024
2028
2033
2038
∆ 2023 2038
Beesel
1.109
1.114
1.187
1.236
1.239
+130
Reuver
2.839
2.841
2.969
3.071
3.071
+232
Offenbeek
2.148
2.164
2.209
2.286
2.286
+138
TOTAAL
6.096
6.119
6.365
6.593
6.596
+500
Tabel 2 – Woningbouwontwikkelingen
De woonzorgvisie (2023-2033) laat zien op welke wijze de gemeente de komende jaren aan de slag gaat voor een toekomstbestendige woningvoorraad. De ambitie is om 500 woningen te bouwen. Hiervan zijn minimaal 330 woningen voor de eigen inwoners en migratie. Aanvullend zet de gemeente in op de bouw van 170 woningen in het duurdere segment (inzetten op instroom van sterke huishoudens van buiten) (Woonzorgvisie, pagina 11).
2220414/20240219BN01 | www.icsadviseurs.nl
21/33
Leerlingontwikkeling Op basis van de basisgeneratie en een belangstellingspercentage is door Pronexus vervolgens de leerlingenprognose per school opgesteld. Deze prognoses worden gehanteerd als uitgangspunt in dit IHP. Tabel 3 geeft een overzicht van de leerlingenprognose per school voor het primair onderwijs. Tabel 4 doet dit voor het voortgezet onderwijs. 2023 en 2024 zijn de absolute aantallen, overige zijn prognoses. School