Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
RAPPORTAGE archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Rustoord, Reuver, gemeente Beesel
Rapport archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Rustoord in Reuver Gemeente Beesel Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
Rapportnummer Versienummer
1
1
24785.001 1
Datum
11-07-2024
Opsteller2
De heer drs. E.F.M. Rademakers
Kwaliteitscontrole
De heer dr. A.C. Mientjes
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld
door de bevoegde overheid. 2
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 17 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden ................................................................................................................ 6 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................................ 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 13 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 15
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 17 Methoden .................................................................................................................................... 17 Resultaten .................................................................................................................................... 17 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 18
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 19
LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.3 Tabel 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op paleogeografische kaarten Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN4) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de Tranchot und v. Müffling kaart uit 1801-1828 Het plangebied op Militair topografische kaart uit 1850-1864 Het plangebied op het Bonneblad uit 1899 Het plangebied op de topografische kaart uit 1955 Het plangebied op de topografische kaart uit 1962 Het plangebied op de topografische kaart uit 2016 Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorstaten
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
24785.001
Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte
Toponiem
Rustoord
Plaats
Reuver
Gemeente
Beesel
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Beesel, sectie B, percelen (al dan niet gedeeltelijk) 4641, 3507, 4615, 3509, 3510, 3511, 3512, 3513, 2937, 3500, 3702, 2346, 4573, 4574, 4575, 4577, 3503, 4576, 3506, 3684 en 3566
Omvang plangebied
circa 13.000 m2
Kaartblad
58E (1:25.000)
Centrumcoördinaten (X/Y)
X: 203.023/Y: 366.507
Archeoregio NOaA
5: Limburgs zandgebied
Bevoegde overheid
Gemeente Beesel
Raadhuisplein 1 5953 AL Reuver
Deskundige namens de bevoegde overheid
Mevr. M. Gommans-Janssen
Telefoon: 077-4749233 E-mail: miriam.gommans@beesel.nl
Uitvoeringsperiode
Juni/juli 2024
Uitvoerders
Econsultancy, de heer drs. E.F.M. Rademakers (archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema( Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5617556100
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het provinciaal depot
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte in juni/juli 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Rustoord te Reuver in de gemeente Beesel. De initiatiefnemer is voornemens om het gebied te herontwikkelen met appartementencomplexen, groenvoorzieningen en de vernieuwing van paden/wegen. Voor de herontwikkeling blijkt dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van de landschappelijke ligging en archeologische waarden uit de directe omgeving van het plangebied is er een middelhoge verwachting opgesteld voor de perioden (Laat-)Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd. Voor de perioden Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van het inventariserend veldonderzoek kan worden gesteld dat een groot deel van het plangebied is verstoord; twee boringen zijn gestuit op een puinlaag en twee boringen toonden een verstoorde bodem aan tot 150/170 cm -mv.
Bij twee boringen is een relatief intacte bodemopbouw aangetroffen, waarbij de C-horizont, bestaande uit Maasafzettingen, zijn aangetroffen tussen de 60 en 110 cm -mv. Er zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Conclusie Het aantreffen van de bodemverstoringen is niet verassend te noemen. Op basis van het historisch kaartmateriaal, in combinatie met de bouwhistorische gegevens (zie paragraaf 2.7), kan namelijk worden
24785.001 versie 1
opgemaakt dat het plangebied grotendeels bebouwd is geweest en (deels) was onderkelderd. Lokaal kan nog een intacte bodem voorkomen (zoals boringen 1 en 3 hebben uitgewezen). Op basis van de verstoorde boringen, de historische bebouwing en de sloop daarvan, mag echter worden geconcludeerd dat het plangebied in grote mate is verstoord, en dat de delen met een intacte bodem zeer versnipperd zullen zijn. Daarnaast zal de toekomstige bebouwing (zie bijlage 7) plaatsvinden op de delen waar reeds bebouwing heeft gestaan; juist deze locaties zullen in grote mate worden verstoord. Op de locaties waar groenvoorzieningen worden geplaatst zullen de bodemingrepen beperkt zijn. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels tegengesproken; door de aanwezigheid van de bodemverstoringen kan de verwachting op het aantreffen van archeologische resten worden bijgesteld naar laag voor alle tijdsperioden. Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden en de verstoorde bodemopbouw, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden en het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy.
Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Beesel), die vervolgens het advies overneemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Beesel wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Beesel op de hoogte te stellen.
24785.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Rustoord in Reuver, gemeente Beesel. De initiatiefnemer is voornemens om het gebied te herontwikkelen met appartementencomplexen, groenvoorzieningen en de vernieuwing van paden/wegen. Voor de herontwikkeling blijkt dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni/juli 2024 door de heer drs. E.F.M. Rademakers (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door de heer dr. A.C. Mientjes (Senior KNA Prospector & Senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.
24785.001 versie 1
1 / 20
Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Beesel; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Rustoord, in de bebouwde kom van Reuver, in de gemeente Beesel (zie kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 13.000 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) rond de 25 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 203.023 en Y: 366.507. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Beesel, sectie B en beslaat (delen van) percelen 4641, 3507, 4615, 3
SIKB.
24785.001 versie 1
2 / 20
3509, 3510, 3511, 3512, 3513, 2937, 3500, 3702, 2346, 4573, 4574, 4575, 4577, 3503, 4576, 3506, 3684 en 3566 (zie kaart 2). Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland, met enkele doorkruisende openbare wegen (zie kaart 3). De omliggende percelen zijn in gebruik als woningen/appartementencomplexen en openbare wegen. Ten noordoosten bevindt zich een begraafplaats. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Bebouwde gebieden Beesel.
Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 40 cm -mv.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de beleidsadvieskaart van de gemeente Beesel en de bijbehorende beleidsnota. Volgens de beleidskaart (zie kaart 4) ligt het zuidoostelijke deel van het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Het noordwestelijke deel ligt in een zone met een middelhoge verwachting. Het uiterst noordwestelijke deel heeft een zeer lage archeologische verwachting.5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket geraadpleegd.6 Binnen het plangebied zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen gegevens bekend over de milieuhygiënische staat van het plangebied.
2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in/ex situ behoud van de archeologische waarde.
4
Portaal voor Ruimtelijke Plannen.
5
Gemeente Beesel, 2010; De Boer et al., 2010.
6
Bodemloket.nl.
24785.001 versie 1
3 / 20
De initiatiefnemer is voornemens om het gebied te herontwikkelen met appartementencomplexen, groenvoorzieningen en de vernieuwing van paden/wegen. Het oppervlak dat bebouwd zal worden met woningen bedraagt, naar schatting op basis van het planontwerp, ongeveer 1.965 m2. De verstoringsdiepte die gepaard zal gaan met de bouw is in dit stadium niet bekend (zie bijlage 7). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
Formatie van Beegden, Laag van Wijchen
Geomorfologie8
Niet gekarteerd
Bodem9
Niet gekarteerd
Geomorfogenetische Kaart Maasdal10
Pleniglaciaal Maasterras
Grondwatertrap
Onbepaald
Landschappelijke ontwikkeling11 Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen in de lager gelegen nieuwe geul en werden er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere terrassen liggen door de verschillende insnijdingsfasen telkens een trede lager. Gedurende de Jonge Dryas, aan het einde van het Laat-Weichselien (11.000 - 10.000 BP12) stond de
7
De Mulder et al., 2003.
8
NGR/Wageningen Environmental Research (2019).
9
NGR/Wageningen Environmental Research (2018).
10
Isarin et al., 2015.
11
Berendsen, 2008; Van den Berg, 1996; De Mulder et al., 2003; De Boer et al., 2010.
12
Aantal jaren voor 1950.
24785.001 versie 1
4 / 20
droogvallende verwilderde terrasvlakte van de Maas bloot aan winderosie. Hierdoor zijn er plaatselijk rivierduinen of een dekzanddek afgezet op de oudere, hoger gelegen terrassen ten oosten van de Maas. Het plangebied ligt op een terras dat is gevormd gedurende het Pleniglaciaal (73.000-14.500 BP). Ongeveer 600 meter ten noordwesten van het plangebied ligt het lager gelegen terras uit de Jonge Dryas (11.000 - 10.000 BP). DINO Het Dinoloket13 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is een boring op 130 meter ten zuidoosten van het plangebied bestudeerd.14 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een dik dek van matig fijne zanden met in de diepe ondergrond grovere zanden en grind. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.
Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Reuver bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie kaart 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied op een dalvlakteterras of lage landduin ligt. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland15 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op relatief hooggelegen Maasterras. Er zijn geen duidelijke hoogteverschillen aanwezig in het plangebied en de directe omgeving (zie kaart 7). Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Reuver bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie kaart 8). Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen vorstvaaggronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand, of hoge bruine enkeerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de 13
Dinoloket.
14
DINO boornummer B58E0073.
15
Rijkswaterstaat (2023) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) WCS.
24785.001 versie 1
5 / 20
woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.
De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.16 Boringen archeologisch onderzoek 2017 In het zuidoosten van het plangebied is in 2017 door Econsultancy 17 reeds een archeologisch onderzoek uitgevoerd, inclusief een verkennend booronderzoek. Uit het booronderzoek kon worden geconcludeerd dat er in het plangebied Maasterrasafzettingen, bestaande uit matig fijne, matig siltige zanden, aanwezig zijn. Bij alle boringen is een verstoord bodemprofiel aangetroffen; de verstoringen varieerden tussen de 85 en 100 cm -mv. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.
Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Reuver bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd.
2.6 Archeologische waarden 2.6.1
AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen
Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.18 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische 16
Doesburg et al., 2007.
17
Stiekema, 2017.
18
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
24785.001 versie 1
6 / 20
onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 9 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weergegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het zuidoostelijke deel van het plangebied ligt één AMK-terrein; het betreft de oude dorpskern van Reuver, waar zich bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd bevinden.
410 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich nog een AMK-terrein; het gaat om een terrein met resten van een schans uit de Nieuwe tijd (zie bijlage 2 en Kaart 9).19 Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en Kaart 9). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Binnen het zuidelijke deel van het plangebied heeft eerder al een archeologisch onderzoek 20 plaatsgevonden; het betreft een bureau- en booronderzoek. Uit het booronderzoek bleek dat er Maasterrasafzettingen zijn aangetroffen. Het bodemprofiel was bij alle boringen verstoord tot circa 85 tot 100 cm -mv. Aan de randen van het plangebied hebben nog een aantal (boor)onderzoeken21 plaatsgevonden deze (boor)onderzoeken geven veelal verstoorde bodems weer ten zuiden van het plangebied en een intacte bodem richting het noordoosten van het plangebied.
Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de verstoringen in het zuiden hoogstwaarschijnlijk kunnen worden toegewijd aan de sloop van gebouwen en de aanleg van een openbare weg. De onderzoeken binnen het onderzoeksgebied hebben beperkte archeologische waarden opgeleverd. Noemenswaardig zijn het proefsleuvenonderzoek 22 op 320 meter ten oosten van het plangebied, waar bewoningssporen uit het Neolithicum en de Bronstijd/IJzertijd zijn aangetroffen en een 19
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
20
Archis zaaknummer 4557785100.
21
Archis zaaknummers 4670600100, 4659901100 en 4731480100.
22
Archis zaaknummer 2426058100.
24785.001 versie 1
7 / 20
proefsleuvenonderzoek23 460 meter ten oosten van het plangebied, waar tevens bewoningsporen uit het Neolithicum en de Bronstijd/IJzertijd zijn aangetroffen. Bovenstaande tekst betreft een beknopte samenvatting van alle onderzoeksmeldingen; voor een volledig overzicht zie bijlage 3. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twaalf vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en Kaart 9). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied gedurende meerdere tijdsperioden. De meeste onderzoeksmeldingen hebben betrekking op het Neolithicum, de Bronstijd of de IJzertijd. Ook zijn er een paar onderzoeksmeldingen met vondstmateriaal uit de Romeinse tijd en de Nieuwe tijd. 24 Bovenstaande tekst betreft een beknopte samenvatting van vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied; voor een volledig overzicht zie bijlage 4.
2.6.2
Andere bronnen
Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van tevoren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn.
Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied.25
23
Archis zaaknummer 3300858100.
24
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
25
Provinciaal Omgevingsplan Limburg.
24785.001 versie 1
8 / 20
Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, heeft geen archiefonderzoek plaatsgevonden en is het provinciaal depot niet gecontacteerd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.
2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van de gemeente Beesel26 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De oudste resten van menselijke activiteit in de gemeente Beesel bestaan uit (vuur)stenen werktuigen uit het Midden-Paleolithicum. De makers en gebruikers van deze werktuigen waren de Neanderthalers die hier tijdens de voorlaatste ijstijd rondtrokken in navolging van de dieren waar zij jacht op maakten. Een concentratie van waarnemingen van Paleolithische vondsten bevindt zich op het terras langs de Maas aan de oostzijde tussen Asselt en Reuver. Rond 8.800 voor Chr.
(Mesolithicum) warmde het klimaat verder op en de hoeveelheid neerslag nam toe. Men vestigde zich ook nu op de hogere gelegen terreinen om zich te beschermen tegen overstromingen. Op het Maasveld, in het noordwesten van de gemeente, heeft een nederzettingsterrein gelegen dat vanaf de MiddenSteentijd tot mogelijk in de Bronstijd in fases in gebruik is geweest; een groot aantal vondsten van prehistorisch aardewerk en bewerkte vuursteen wijst in deze richting. Het terrein ligt aan de rand van een rivierterras vlak langs de Maas. In de Bronstijd zijn landbouw en veeteelt de voornaamste vormen van bestaan. Dit uit zich in de bouw van boerderijen met een stalgedeelte, die ook nu op de hoger gelegen zones zijn gebouwd. De waterafvoer van de Maas nam toe en er traden regelmatig overstromingen op. De hogere landschapsgedeelten werden gekozen omdat ze minder getroffen werden door overstromingen. Op alle hogere landschapsdelen langs de Maas zijn daarom nederzettingen te verwachten. In de Late IJzertijd ontstaan kleine dorpjes. Mogelijk werden nederzettingsterreinen in deze periode in enkele gevallen kunstmatig opgehoogd met nederzettingsafval om zo
26
De Boer et al., 2010.
24785.001 versie 1
9 / 20
veiliger voor overstromingen te zijn, een soort terp. De Bronstijd kenmerkt zich door de vele (rituele) deposities in natte gebieden, zoals het moerassige Meerlebroek. Van de Romeinse vindplaatsen in Limburg zijn de villae het bekendst, met name op de vruchtbare lössgronden in Zuid-Limburg en op andere vruchtbare bodems, zoals de rivierkleigronden van Beesel. Een dergelijk villacomplex ligt op de Donderberg; een stuifduin. Op een andere stuifduin, de Solberg, ontwikkelt zich ook een Romeinse nederzetting. Er is veel vondstmateriaal uit de Romeinse tijd gevonden en in 1978 zijn fundamenten opgebouwd uit maaskeien gevonden die aangeven dat het hier om een Romeinse villa gaat. Aan de rand van een rivierduincomplex, vlakbij de plek waar de Schelkensbeek in het Maasdal uitmondt, ligt onder een esdek een nederzetting uit de Romeinse tijd. De Romeinse sporen verspreiden zich tot vlak langs de beek waar meer resten van een Romeinse villa zijn aangetroffen. De Vroege Middeleeuwen zijn slecht vertegenwoordigd in het vondstmateriaal. De enige vroegmiddeleeuwse resten die in de gemeente bekend zijn, zijn ongeveer 250 meter ten zuidwesten van de St. Lambertuskapel gevonden aan de Sangersweg. Het gaat om een afvalkuil, houtskool en aardewerk, onder andere een pot van Badorf-aardewerk, uit de 8e of 9e eeuw. De oudste vondst van deze locatie is een aardewerkscherf uit de 5 e of 6e eeuw.
Mogelijk wijzen deze vondsten op de locatie van een Merovingische nederzetting. Op de locatie waar de St. Lambertuskapel staat, zijn tijdens graafwerkzaamheden funderingen van een 11 e-eeuwse kerk aangetroffen, bij de bouw van deze kerk is Romeins bouwmateriaal gebruikt. Tussen Rijkel en Aoleberg werd, evenals ten noorden van Schelkensbeek, Frankisch aardewerk gevonden. Vrijwel alle bewoning bleef in de Merovingische periode geconcentreerd in de strook tussen Maas en Meerlebroek. In de Volle Middeleeuwen, meer dan in de Vroege Middeleeuwen, was het landschap dynamischer. De Maas verplaatste haar bedding regelmatig en de overstromingen die het Maasdal teisterden waren van grote invloed op de mogelijkheden van de mens om het Maasdal te bewonen en gebruiken. De bewoning concentreerde zich op de hoger gelegen delen in, nu nog bestaande, dorpen. Na 1000 komt er meer ontbossing als gevolg van de toenemende houtbehoefte. Deze behoefte hing samen met de periode van economische bloei van de 11 e tot in de 14e eeuw. De bevolking groeide, grote gebieden werden ontgonnen, steden werden gesticht. Het laaggelegen gebied was destijds minder geschikt voor bewoning maar was wel goed bruikbaar voor de bouw van watermolens en baksteenovens. De huidige woonkernen in de gemeente Beesel zijn alle in de Middeleeuwen of daarna ontstaan.
De oude dorpskern van Beesel ligt in het gedeelte dat nu Ouddorp wordt genoemd. Hier liggen de oudste huizen en de oude kerk die op het hoogste punt van het dorp is gelegen. De nederzetting ontstond in de 12 e eeuw op een langgerekte noord-zuid lopende rug aan de Maas. De kerk lag aan een driehoekig plein, de Markt. Hier zijn de fundamenten en een deel van de vloeren van deze laatmiddeleeuwse kerk opgegraven. Tot en met de 16 e eeuw kon men in Beesel droog wonen. Vanaf de 17e eeuw werd het gevaar voor overstromingen door een veranderend klimaat groter. In 1643 stortte de kerkhofmuur tijdens een overstroming in. De dreiging van nieuwe overstromingen werd groter en de oever van de Maas kwam dichterbij. Sindsdien is Beesel en de directe omgeving nog achtmaal overstroomt, voor het laatst in 1995. Een nieuwe kerk en dorpskern werden gebouwd op een hoger gelegen terrein. De huidige dorpskern van Beesel is daar rond 1750 ontstaan. De bewoningskern Beesel kan in haar oorspronkelijke vorm gekarakteriseerd worden als een kransakkerdorp: een dorp bestaande uit een krans van langs een centrale akker gelegen buurtschappen met een centraal daartussen gelegen kerk- of
24785.001 versie 1
10 / 20
marktdorp. De uitbreiding van de bebouwing in de 19e eeuw vond plaats langs oude wegen, de weg die Rijkel, Beesel en Reuver verbindt en langs de weg die vanuit de kern van Beesel naar het westen richting Maas loopt. 27
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.2
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart28
1801-1828
40 Brüggen
1:20.000
Het plangebied is volledig in gebruik als bouwland. In het uiterste noorden van het plangebied loopt een weg (ten noorden van de huidige Parklaan).
De directe omgeving is voornamelijk in gebruik als bouwland. Ten zuiden van het plangebied loopt een weg. De historische kern van Reuver bevindt zich circa 100 meter ten oosten van het plangebied.
Kadastrale minuut29
1811-1832
Beesel, sectie B, blad 02
1:2.500
Geen noemenswaardige veranderingen.
Geen noemenswaardige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)30
1850-1864
58 Roermond
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Geen noemenswaardige veranderingen.
Bonneblad
1899
728 Kessel
1:25.000
Bebouwing in het zuiden van het plangebied.
De kern van Reuver heeft zicht uitgebreid tot aan de zuidelijke grens van het plangebied.
Bonneblad
1929
728 Kessel
1:25.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
De bebouwing ten zuiden van het plangebied neemt toe. Ten noordoosten van het plangebied is een begraafplaats gerealiseerd.
Topografische kaart
1955
58E
1:25.000
Het huidige wegennet binnen Bebouwing binnen Reuver het plangebied is neemt toe. gerealiseerd, met aansluitend (beperkte) bebouwing.
Topografische kaart
1962
58E
1:25.000
De percelen naast de wegen zijn bijna allemaal bebouwd.
27
Giesen, 2023.
28
Beeldbank Vrije Universiteit.
29
Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
30
Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
24785.001 versie 1
Een forste toename van bebouwing in de directe omgeving van het plangebied.
11 / 20
Topografische kaart
2016
58E
1:25.000
De bebouwing binnen het plangebied is al deels gesloopt; het gaat om de bebouwing aan de oostelijke kant van het plangebied.
Geen noemenswaardige veranderingen.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.2) kan worden gesteld dat het plangebied gedurende de 19e eeuw in gebruik is geweest als bouwland. Pas in 1899 is de eerste bebouwing zichtbaar in het uiterste zuiden van het plangebied. De vroege historische kern van Reuver bevindt zich circa 100 meter ten oosten van het plangebied, maar in de loop van de 20e eeuw breidt de bebouwing steeds meer uit. In 1955 wordt het wegennet (zoals dat nu nog het geval is) aangelegd binnen het plangebied, en op de kaart van 1962 is zichtbaar dat naast de wegen vrijwel alle percelen zijn bebouwd; de sloop van een aantal van deze gebouwen begint in 2016. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Beesel is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Hierop zijn een aantal bouwdossiers toegestuurd. Rustoord kavels 3503, 457 en 3506 Op deze kavels bevonden zich 12 woonhuizen. Op basis van de bouwtekeningen kan worden geconcludeerd dat ieder woonhuis voor een gedeelte was onderkelderd; naar schatting waren de kelders ongeveer 2,7 bij 3 meter. De diepte van de kelders kan niet worden afgeleid van de bouwtekeningen. Er is geen informatie aanwezig over de funderingen. Rustoord kavel 3507 Op dit kavel bevonden zich 12 woonhuizen.
Op basis van de bouwtekeningen kan worden geconcludeerd dat ieder woonhuis voor een gedeelte was onderkelderd; vanwege de slechte kwaliteit van de bouwtekeningen kunnen de formaten van de kelders niet worden afgelezen; op basis van de tekeningen wordt echter ingeschat dat ongeveer de helft van iedere woning was onderkelderd. De diepte van de kelders kan niet worden afgeleid van de bouwtekeningen. Er is geen informatie aanwezig over de funderingen. Rustoord kavels 3510, 3511, 3512 en 3513 Op deze kavels bevonden zich 12 woonhuizen. Op basis van de bouwtekeningen kan worden geconcludeerd dat ieder woonhuis voor een gedeelte was onderkelderd, iedere kelder was ongeveer 3 bij 2,6 meter. De diepte van de kelders kan niet worden afgeleid van de bouwtekeningen. Er is geen informatie aanwezig over de funderingen. Al bij al kan er worden geconcludeerd dat de bouw van de voormalige woningen, vanwege de (gedeeltelijke) onderkeldering, bodemverstoringen zal hebben veroorzaakt.
24785.001 versie 1
12 / 20
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 31 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal, d.d. 17-06-2024. Hierop is reactie gekomen van de heer W. Luys met de mededeling dat er nooit meldingen van vondsten zijn gedaan uit de omgeving van het plangebied. Tevens liet de heer W. Luys weten dat hij geen hoge verwachtingen heeft voor het gebied.
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.3
31
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO
Bommenkaart/Zwanenburg, 1990.
24785.001 versie 1
13 / 20
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Vroege Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Late Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Nieuwe tijd
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.
Uit de landschappelijke ligging op een hoger gelegen Pleniglaciale terrasvlakte dichtbij de Maas, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk vondsten gedaan van landbouwers vanaf het Neolithicum. Er zijn maar weinig resten bekend van jagers-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithcium. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.32 De ligging van het plangebied op een hoger gelegen Maasterras, vlak bij het historische verloop van de Maas, vormt een interessante locatie voor tijdelijke kampementen van jagers en verzamelaars. Er zijn echter nauwelijks indicaties voor hun aanwezigheid binnen het onderzoeksgebied.
De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum is dan ook middelhoog. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van
32
Louwe Kooijmans et al., 2005.
24785.001 versie 1
14 / 20
belang.33 De hoger gelegen ligging van het plangebied vormt een interessante vestigingslocatie voor landbouwers. Daarnaast zijn er voor meerdere tijdsperioden, en dan met name het Neolithicum, de Bronstijd en de IJzertijd, meerdere indicaties van bewoning binnen het onderzoeksgebied. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen is dan ook hoog. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 34 Op historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat het plangebied zich buiten de historische kern van Reuver bevindt. Enkel in het uiterste zuiden van het plangebied zou sprake zijn geweest van historische bebouwing. Het overige deel van het plangebied wordt pas bebouwd vanaf de tweede helft van de 20e eeuw. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Nieuwe tijd is middelhoog. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog/middelhoog.
Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
Tevens zijn grote delen van het plangebied vanaf de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd geworden. Delen daarvan zijn in de afgelopen jaren gesloopt. Zowel de bouw als de sloop van de gebouwen kan mogelijk archeologische waarden hebben aangetast.
2.9 Conclusie bureauonderzoek 33
Louwe Kooijmans et al., 2005.
34
Renes, 1999.
24785.001 versie 1
15 / 20
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van de landschappelijke ligging en archeologische waarden uit de directe omgeving van het plangebied is er een middelhoge verwachting opgesteld voor de perioden (Laat-)Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd. Voor de perioden Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
24785.001 versie 1
16 / 20
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 21-06-2024 door de heer drs. E.F.M. Rademakers (Archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 02-07-2024. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 6 boringen tot maximaal 200 cm -mv gezet (zie kaart 16). De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 35 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. Vanwege het gebruik van het plangebied was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren.
3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven.
35
Bosch, 2005.
24785.001 versie 1
17 / 20
In het plangebied is voornamelijk een verstoorde bodem aanwezig. Bij boring 2 en 6 werd op ongeveer 50 cm mv gestuit op een puinlaag. Boring 3 en 5 waren tot 150/170 cm -mv verstoord; in de verstoorde lagen zijn onder andere baksteenspikkels aanwezig. Onder de verstoorde lagen is de C-horizont aangetroffen, bestaande uit afwisselend matig fijn tot zeer grof zand met een beperkte aanwezigheid van silt. De C-horizont betreft de rivierafzettingen van het Pleniglaciaal Maasterras. Bij boring 1 en 4 is een relatief intacte bodem aangetroffen; beide bodems zijn tot 45/60 cm -mv verstoord, daaronder bevindt zich mogelijk een oeverdek, maar het zou ook om een verbruiningslaag in de top van de rivierafzettingen kunnen gaan. De C-horizont bevindt zich bij boring 1 op 110 cm -mv en bij boring 4 op 60 cm -mv. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van het inventariserend veldonderzoek kan worden gesteld dat een groot deel van het plangebied is verstoord, twee boringen zijn gestuit op een puinlaag en twee boringen toonden een verstoorde bodem aan tot 150/170 cm -mv. Bij twee boringen is een relatief intacte bodemopbouw aangetroffen, waarbij de C-horizont, bestaande uit Maasafzettingen, zijn aangetroffen tussen de 60 en 110 cm -mv. Er zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen.