7. Toelichting Bestemmingsplan Kleine Solberg Beesel
Tekst van het document
Gelet op de aard van de bebouwing, omvang van functies in relatie tot een gevoelig gebied en jurisprudentie, kan de herontwikkeling van de planlocatie aangemerkt worden als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen.
De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.- procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
• • • • • • • • •
Kenmerken van het project Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 29
Kenmerken van het potentiële effect • Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) • Grensoverschrijdende karakter van het effect • Waarschijnlijkheid van het effect • Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Tabel 1 Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Toets Omvang van het project Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 14.189 m². Het project richt zich op de realisatie van maximaal 30 woningen, op een terrein dat voorheen onbebouwd was. Cumulatie met andere Nee. projecten Gebruik van natuurlijke N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik hulpbronnen gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Productie van Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing afvalstoffen en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. Verontreiniging en De ontwikkeling vindt plaats grenzend aan stedelijk hinder gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 5.1.5): In de omgeving van het plangebied zijn met name wegen aanwezig waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Er is derhalve geen geluidshinder van wegverkeer te verwachten. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 5.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Geur: Veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.6.1): De woningen worden ontsloten door de Sint Antoniusstraat en Juffrouw Hensenlaan. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen.
30
Risico van ongevallen Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: • gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) • gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.5): binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 5.5): het archeologisch belang is door middel van een archeologisch onderzoek betrokken in het plan.
Toets In de huidige situatie zijn de gronden waar de woningen zijn voorzien, bestemd ten behoeve van agrarische doeleinden. Onderzoeken wijzen uit dat de gronden geschikt zijn voor de functie wonen. N.v.t.
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 5.3 ‘Natuur’.
Nee.
N.v.t.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) 31
Gevoelig gebied Beschermd natuurmonument Habitat en vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties. Waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden
Toets Nee. Nee, zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. Nee. Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied. Nee, zie paragraaf 5.2 ‘Water’.
Conclusie De uitgevoerde onderzoeken (zie vervolg van dit hoofdstuk) onderbouwen de conclusie dat gelet op aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot het plangebied en de (directe) omgeving er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Op grond van voorgaande m.e.r.-beoordeling heeft het college op 12 december 2023 besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is voor de voorliggende ontwikkeling. De uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat het realiseren van een woongebied op de projectlocatie voldoet aan de wettelijke eisen en er sprake is van een verantwoorde situatie vanuit milieuoogpunt. In het vervolg van dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies beschreven.
5.1.2
Bodem In het kader van planologische procedures vormt de bodemkwaliteit bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. In de huidige situatie is de planlocatie bestemd voor agrarische doeleinden. De beoogde bestemming ‘Wonen’ betreft een gevoeligere bestemming dan de huidige bestemming. Daarom is inzicht in de bodemkwaliteit vereist en is in het kader van deze bestemmingsplanprocedure een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar een separate bijlage bij deze toelichting. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat zowel bij locatie 1 als bij locatie 2 geen verhoogde gehalten zijn gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater bevindt zich dieper dan 5,0 m -mv en is derhalve niet onderzocht. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter 32
geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Ter plaatse van de te realiseren woningen dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2). Voor het vaststellen van de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn de grootschalige depositie- en concentratiekaarten van het RIVM geraadpleegd. Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 µg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 µg/m3. De achtergrondconcentratie voor fijnstof op de locatie bedraagt circa 13,50 µg/m3 (PM10). Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 9,80 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Initiatief Door de realisatie van de woningen zal het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie toenemen. Daardoor zal tevens de hoeveelheid fijnstof in de lucht toenemen.
Met behulp van de NIBM-tool van het RIVM is berekend of er nader onderzoek moet worden gedaan naar de invloed van het extra verkeer op de luchtkwaliteit.
33
Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat de realisatie van de woningen zorgt voor een toename van gemiddeld 183,8 verkeersbewegingen per etmaal. Door middel van de NIBM-tool kan worden berekend of naar aanleiding van deze toename een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Uit de NIBM-tool (figuur 10) blijkt dat de toename van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, waardoor nader onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Het aandeel vrachtverkeer is op 0,0% geschat, omdat onderhavig planvoornemen een woonontwikkeling betreft. Hierdoor zal de ontwikkeling dan ook geen vrachtverkeer aantrekken. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
Figuur 10: NIBM-tool
5.1.4
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer/onderzoekszones van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Spoorweg- en industrielawaai In de directe omgeving zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Het plangebied is dus niet binnen de invloedssfeer van spoorwegen en/of industrieterreinen gelegen, waardoor dit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Wegverkeerslawaai Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt een onderzoeksplicht voor alle wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt
34
In dit geval is het plangebied gelegen nabij de Juffrouw Hensenlaan waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Ook ligt het plangebied nabij de Zandkuilweg, dit is een onverharde weg die in het kader van de Wgh niet zoneplichtig is. De enige weg die zoneplichtig is in het kader van de Wgh is de Sint Antoniusstraat. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 60 km/h. Deze weg grenst aan het plangebied. Formeel is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk . Echter, aangezien deze straat niet de doorgaande weg is richting het nabijgelegen buurtschap Rjikel, is er sprake van zeer lage verkeersintensiteiten en wordt het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Het aspect geluid vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.1.5
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval de nieuwe woningen). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten.
Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren woningen als geurgevoelig aangemerkt kunnen worden. In dit geval worden er meerdere geurgevoelige objecten toegevoegd. Voor in bebouwde kom gelegen gevoelige objecten geldt een vaste afstand van 100 meter tot het geuruitstotende object. Daarnaast gelden geurcontouren voor agrarische bedrijven waarvoor de vaste afstand niet geldt. Binnen een straal van 1 kilometer zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. Hierdoor kan worden verondersteld dat de beoogde ontwikkeling niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf ligt. Een nadere toetsing aan het aspect geur is niet aan de orde.
[1]
Waaronder Zaaknr:200909701/1/R1, Datum:1 september 2010
35
5.1.6
Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden van veehouderijen, gezinnen van veehouderijen en mensen die op veehouderijen werken. Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Binnen een straal van 1000 meter zijn geen pluimvee- en varkenshouderijen gelegen. Hierdoor is verder onderzoek in het kader van volksgezondheid niet aan de orde. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Met onderhavig plan worden maximaal 30 woningen toegevoegd. Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functies in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling.
Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzicht van het besluitgebied. Binnen een straal van 2 kilometer zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.1.7
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het
36
gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)1
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2.
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving 1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. 2 Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
37
Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de signaleringskaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een beperking vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 11 is een uitsnede van de signaleringskaart weergegeven.
Figuur 11: Uitsnede signaleringskaart met plangebied blauw omcirkeld
Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s zijn gelegen, waarvan de risicocontour over het plangebied ligt. Risicovol transport over wegen Op circa 2 kilometer van het plangebied bevindt zich de A73, waarover risicovol transport plaatsvindt. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van toxische stoffen die over deze weg worden vervoerd. Dit aspect zorgt niet voor belemmeringen in het kader van externe veiligheid met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Risicovol transport over spoorwegen De dichtstbijzijnde spoorweg waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden, bevindt zich op ongeveer 2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Ter plaatse is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour. De ruime afstand tot het plangebied 38
zorgt ervoor dat de aanwezigheid van deze spoorlijn ook geen invloed heeft op het groepsrisico. Het plangebied is ook niet gelegen binnen het invloedsgebied van toxische stoffen die over de spoorlijn worden vervoerd. Dit aspect vormt geen belemmering met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Risicovol transport over water Ten noordoosten van het plangebied is op een afstand van circa 245 meter de Maas gelegen. Over de Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 reikt niet tot buiten de oever, waardoor het plangebied buiten deze contour is gelegen. Het plangebied is wel binnen het invloedsgebied van 1070 meter van de Maas gelegen. Hierdoor dient ingegaan te worden op de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquill klasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en bijvoorbeeld via NL-alert Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich op ruim 1 kilometer ten noordoosten een buisleiding en op circa 1,6 kilometer ten noordoosten een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. In beide gevallen is het plangebied buiten het invloedsgebied van deze buisleidingen gelegen.
Door deze afstand vormt de leiding geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.8
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven
39
ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moeten worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige object betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. In de directe omgeving van de nieuwe woningen zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen, maar er zijn tevens een aantal andere functies gelegen. In de onderstaande tabel zijn deze functies weergegeven en is aangegeven of kan worden voldaan aan de richtafstand conform de VNG-publicatie. Adres
Functie
Ouddorp 9
Kwekerij
VNGclas. 2
Ouddorp 7
Richtafstand 30 m
Grondgebonden 2 30 m agrarisch bedrijf Tabel 1 Minimumafstanden tussen bedrijven en beoogde woningen
Werkelijke afstand 25 m
Voldaan?
110 m
Ja
Nee
Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet kan worden voldaan aan de richtafstand ten aanzien van de kwekerij aan Ouddorp 9. De afstanden in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op de afstand tussen de (agrarische) bedrijfsbestemming en de beoogde bestemming ‘Woongebied’. De werkelijke woningen zullen aan de beoogde weg worden gebouwd, zoals deze ook is aangegeven op de verbeelding. De woningen zullen derhalve op meer dan 30 meter van de kwekerij worden gerealiseerd. Er kan derhalve worden verondersteld dat omliggende bedrijven geen nadelige effecten hebben op het woon en leefklimaat ter hoogte van de beoogde woningen. Daarnaast vormt het planvoornemen geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van omliggende bedrijven. Op het gebied van milieu- en bedrijvenzonering is het onderhavig planvoornemen geen belemmering met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering.
5.1.9
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.5) komt naar voren dat er geen kabels binnen of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone hebben. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk. Hoogspanningslijnen Uit de netkaart voor hoogspanningslijnen blijkt dat de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op circa 1,5 kilometer van het plangebied ligt. Door de ruime afstand tussen het plangebied en de hoogspanningslijn vormt dit geen belemmering. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk.
40
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
5.2.1
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 van het waterschap Limburg, De provinciale omgevingsvisie (POVI), het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POVI inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel.
Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van het Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.
41
Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een boringsvrije zone waardoor dit aspect geen belemmering vormt. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen de begrenzing van het rivierbed van de Maas. Het Barro stelt algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen in het rivierbed met als doel te voorkomen dat plannen worden ontwikkeld die een bedreiging vormen voor de waterafvoer of die vergroting van de afvoercapaciteit feitelijk kunnen belemmeren. Ter bescherming van de afvoercapaciteit wordt in het bestemmingsplan (conform het geldende bestemmingsplan) een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ opgenomen. Deze dubbelbestemming voorziet in de mogelijkheid tot de berging van rivierwater. Bouw- en aanlegactiviteiten zijn in principe alleen toegestaan indien dit in lijn is met de waterbergingsdoelen in het gebied. Het planvoornemen is ook aan Rijkswaterstaat voorgelegd. Zij heeft een positief advies afgegeven ten aanzien van onderhavige ontwikkeling en vereist verder geen compenserende maatregelen. Een en ander is door Rijkswaterstaat schriftelijk bevestigd aan de gemeente d.d. 19 januari 2023.
Vanuit de waterbergende functie van de Maas zijn er derhalve geen belemmeringen. De realisatie van de woningbouwkavels brengt een economische waardevermeerdering met zich mee, waarmee ook sprake is van een hogere schade bij een mogelijke overstroming. De Beleidslijn grote rivieren gaat uit van een eigen risico en verantwoordelijkheid ten aanzien van ontstane schade door hoogwater voor activiteiten in het rivierbed. Initiatiefnemers in het rivierbed zijn zelf aansprakelijk voor schade en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie worden maximaal 30 woningen gerealiseerd waar in de toekomst mogelijk afvalwater van af zal komen. De woningen zullen dan aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel. Gezien de omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Beesel streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Door de realisatie van nieuwe bebouwing neemt het verhard oppervlak toe, waardoor hemelwater minder mogelijkheden heeft om direct in de grond te infiltreren.
De gemeente Beesel hanteert een bergingseis van 100 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Op deze wijze kan een hevige regenbui van 100 mm binnen het plangebied verwerkt worden. In het kader van dit bestemmingsplan wordt inzichtelijk gemaakt dat er binnen het plangebied voldoende capaciteit beschikbaar is om het hemelwater te verwerken.
42
In de beoogde situatie wordt hemelwater verwerkt via diverse infiltratiesloten. In figuur 12 zijn deze infiltratiesloten weergegeven. Voor een grote weergave van deze afbeelding wordt verwezen naar bijlage VIII. De verharding en bebouwing wordt aangesloten op de infiltratiesloten aan de noordzijde van het plangebied. Het gecombineerd verhard oppervlak dat op deze voorziening wordt aangesloten bestaat uit bebouwing en verharding in de vorm van wegen en voetpaden in de openbare ruimte. Gezamenlijk bedraagt het verhard oppervlak dat wordt aangesloten op de voorziening (2025 + 1750 =) 3775 m². Op basis van de Keur van waterschap Limburg en het Gemeentelijk rioleringsplan Beesel 2023 - 2027, geldt een infiltratie-/bergingseis van 100mm/m² toename verhard oppervlak bij plannen die meer dan 1 woning omvatten. De vereiste infiltratie-/bergingscapaciteit van de infiltratievoorziening worden vastgelegd op (3775 x 0.1 =) 377.5m³.
Figuur 12 Beoogde hemelwatervoorziening (zie bijlage VIII voor een grote weergave)
De infiltratiecapaciteit/leegloop van de infiltratievoorziening(en) wordt berekend op basis van de bodemdoorlatendheid (K-waarde, zie figuur 13). De K-waarde wordt weergegeven in meter per dag en is vastgesteld door de provincie Limburg. Op bijgevoegde kaart is te zien dat de K-waarde binnen het plangebied kan worden vastgesteld tussen de '0,15 en 0,45 m/dag'. De maximale leegloop/infiltratiecapaciteit kan worden vastgesteld op 0,45 m³/m² infiltratievoorziening, per dag. De sloten hebben een oppervlakte van (430 x 1,2 =) 516m², en daarmee een infiltratiecapaciteit van maximaal (516 x 0,45 =) 232,2 m³/dag. De noodinfiltratie / overloop gebied heeft met een oppervlakte van circa 2.050m², een maximale infiltratiecapaciteit van (2050 x 0,45 =) 922,5 m³/dag. Op basis van de ondergrens (K-waarde 0,15), kan de minimale infiltratiecapaciteit worden vastgesteld op ((516 + 2050) x 0,15 =) 384,9m³/dag. Dit is hoger dan de vereiste bergingscapaciteit van 377,5m³/dag. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de beoogde hemelwatervoorziening voldoet aan het beleid van de gemeente Beesel en het waterschap Limburg. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
43
Figuur 13 Bodemdoorlatendheid van het plangebied (rood omcirkeld)
Conclusie Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmeringen oplevert voor onderhavige ontwikkeling. In het geval dat er gebruik wordt gemaakt van uitlogende bouwmaterialen dienen deze te worden voorzien van een coating. Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd.
44
De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De planlocatie is gelegen op circa 1,5 km en 4,3 km afstand van respectievelijk de Natura 2000 gebieden ‘Swalmdal’ en ‘Leudal’. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. Onderstaand is de conclusie van het stikstofonderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar een separate bijlage.
Uit de resultaten van de AERIUS-berekeningen volgt dat het projecteffect van de aanlegfase (inclusief interne saldering/referentie) van het initiatief een bijdrage in stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van Natura 2000-gebieden heeft. De gebruiksfase (zonder interne saldering) heeft daarnaast ook een bijdrage in stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Er geldt daarom voor het initiatief geen vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bebouwing en groenelementen zoals bomen en struiken kunnen als (vaste) verblijfsplaats of foerageergebied dienen voor dieren. Indien een ontwikkeling gepaard gaat met de sloop van bebouwing en/of bomenkap, dient te worden gekeken of dit geen negatieve gevolgen heeft voor (beschermde) diersoorten. Om inzichtelijk te maken of het planvoornemen effect heeft op beschermde soorten is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies van deze quickscan opgenomen voor de volledige rapportage wordt verwezen naar een separate bijlage. Onderhavige ontwikkeling, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen
45
(verblijfplaatsen van) strikt beschermde werkzaamheden worden beïnvloed.
soorten
aangetroffen
die
door
de
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke motivering is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform het vigerende bestemmingsplan geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Voor zodanig bestemde gronden geldt dat voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden, waarbij een bodemverstoring plaatsvindt van meer dan 500 m2 en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien het planvoornemen de verstoringsvrije voet overschrijdt, is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Onderstaand zijn de conclusies van het verkennend archeologisch onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar een separate bijlage bij deze aanvraag. Op basis van het aangetroffen bodemprofiel zijn er twee potentiële archeologische niveaus aangetroffen. Het eerste niveau is op circa 30 tot 45 centimeter onder maaiveld aangetroffen in de top van de rivierduinafzettingen. Dit niveau wordt direct onder de Ahorizont (Ap- en/of Aa-horizont) verwacht. Recente diepere bodemverstoringen zijn niet aangetroffen. Het tweede niveau komt voor vanaf 130 centimeter onder maaiveld, in de top van de oever- of beddingafzettingen. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw kan de hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten vanaf het laatpaleolithicum – vroege middeleeuwen gehandhaafd blijven en de lage verwachting voor
46
de periode midden-paleolithicum worden bijgesteld naar middelhoog. Voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd blijft de middelhoge verwachting gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf circa 30 centimeter beneden maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Beesel), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit heeft genomen. Selectiebesluit gemeente Beesel Er is alle reden om aan te nemen dat de landschappelijke situatie binnen het plangebied, in de randzone van een oude Maasgeul, in het verleden ongunstig was voor menselijke bewoning en gebruik. Deze constatering kan ook de verklaring zijn voor het feit dat er uit de directe omgeving van het plangebied geen archeologische vondsten bekend zijn, ook niet uit het aangrenzende gebied van de Kleine Solberg dat de afgelopen 15-20 jaar reeds bebouwd is.
Dit beeld is zichtbaar op de verspreidingskaarten van vondsten uit de diverse perioden in het rapport bij de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart (2010) en is sindsdien niet gewijzigd, zoals kan worden opgemaakt uit het actuele verspreidingsbeeld van vindplaatsen in de landelijke database Archis. Gezien de landschappelijke situering van in ieder geval het grootste gedeelte van het plangebied kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld. In afwijking van het advies in het rapport kan om bovengenoemde redenen het plangebied bij wijze van gemeentelijk selectiebesluit archeologisch worden vrijgegeven (zie separate bijlage voor het volledige selectiebesluit archeologie van de gemeente Beesel). Dit betekent dat het aspect archeologie geen belemmering vormt ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. Aangezien de gemeente Beesel een selectiebesluit heeft genomen waarmee de gronden binnen het plangebied worden vrijgegeven voor ontwikkeling, is de archeologische dubbelbestemming binnen het gebied ‘Woongebied’ niet overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Het aspect archeologie vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Wel zijn er enkele gemeentelijke monumenten aanwezig in de omgeving. Ten zuiwesten van het plangebied is een kapel aanwezig welke is aangewezen als gemeentelijk monument. Tevens is op de t-splising een monumentale lindeboom aanwezig. Beide objecten zullen
47
door onderhavige ontwikkeling niet worden aangetast. Ook neemt het zicht op de cultuurhistorische plek niet af door onderhavige ontwikkeling. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit De realisatie van de woningen zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Om te bepalen of deze toename een belemmering vormt voor de huidige infrastructuur is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) gehanteerd. De gemeente Beesel wordt aangeduid als ‘niet stedelijk gebied’, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Beesel tot ‘de rest bebouwde kom’ behoort. In onderstaande tabel is uitgegaan van het indicatieve scenario dat in paragraaf 3.2 is weergegeven.
Woning
Verkeersbewegingen
Aantal
Totaal
Koop, huis, vrijstaand
8,2 per woning
2 woningen
16,4
Koop, huis, twee-onder-eenkap
7,8 per woning
11 woningen
85,8
Koop, huis, tussen/hoek
7,4 per woning
10 woningen
74,0
Huur, huis, sociale huur
5,6 per woning
4 woningen
22,4
Totaal
198,6
Uit de tabel blijkt dat het initiatief een relatief beperkte verkeersaantrekkende werking heeft. Het plangebied heeft een goede ontsluiting richting de Juffrouw Hensenlaan en de Sint Antoniusstraat, hierdoor is aanpassing van de bestaande infrastructuur niet aan de orde en vormt het aspect mobiliteit geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt (inclusief de afwijkingsbevoegdheid naar 30 woningen) en van een maximaal aantal verkeersbewegingen van 8,2 verkeersbewegingen per woning, bedraagt het maximale aantal verkeersbewegingen per dag in totaal 246 bewegingen. Ook dit betreft een relatief kleine toename van het aantal verkeersbewegingen die zonder aanpassing van de bestaande infrastructuur moet kunnen worden verwerkt. Aangezien wordt gestreefd naar een divers woningaanbod is het echter niet waarschijnlijk dat er 30 vrijstaande woningen worden gerealiseerd binnen het plangebied. Derhalve zal er in alle gevallen sprake zijn van minder verkeersbewegingen.
5.6.2
Parkeren De gemeente Beesel heeft eigen parkeerbeleid vastgesteld in de vorm van de ‘Parkeerbijdrageregeling Beesel 2013'. In dit beleid wordt verwezen naar de meest 48
recente CROW-norm. Voor dit planvoornemen zal daarom worden aangesloten bij de publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren' (CROW). Deze publicatie bevat kencijfers voor het aspect 'parkeren'. De gemeente Beesel wordt aangeduid als 'niet stedelijk gebied', waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Beesel tot 'de rest bebouwde kom' behoort. Woning
Parkeervraag
Aantal
Totaal
Koop, huis, vrijstaand
2,3 per woning
2 woningen
4,6
Koop, huis, twee-onder-een-kap
2,2 per woning
11 woningen
24,2
Koop, huis, tussen/hoek
2,0 per woning
9 woningen
18,0
Huur, huis, sociale huur
1,6 per woning
5 woningen
8,0
Totaal
54,8
Aan de hand van de CROW kengetallen kan worden geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling moet voorzien 55 parkeerplaatsen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om deze te realiseren. Het aspect parkeren vormt derhalve geen belemmering. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt (inclusief de afwijkingsbevoegdheid tot 3 woningen) en uitgaande van de maximale hoeveelheid van 2,3 parkeerplaatsen per woning, bedraagt de maximale parkeerbehoefte 69 parkeerplaatsen. Het plangebied is voldoende groot om, indien noodzakelijk, te voldoen aan deze parkeerbehoefte. Aangezien wordt gestreefd naar een divers woningaanbod is het echter niet waarschijnlijk dat er 30 vrijstaande woningen worden gerealiseerd binnen het plangebied. Derhalve zullen in alle gevallen minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn.
5.7
Molenbiotoop Op circa 400 meter van het plangebied is de molen ‘De Grauwe Beer’ gelegen. Ter bescherming van de werking van de molen is in de regels en verbeelding van onderhavig bestemmingsplan de aanduiding molenbiotoop opgenomen. Binnen deze aanduiding gelden bouwregels die betrekking hebben op de maximale bouwhoogte van bebouwing. Binnen een straal van 100-400 meter vanaf het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht met een grotere hoogte dan berekend kan worden met de formule van de vereniging ‘De Hollandsche Molen’: H(x) = (x/n) + c*z Voor De Grauwe Beer gelden voor de genoemde factoren en constanten de volgende waarden: n (invloedsfactor terreingesteldheid) = 75 (ruw gebied met hoge en lage gewassen); c (constante voor windreductie) = 0,2 (winreductie 5%) z (askophoogte t.o.v. maaiveld molen) = 14,00 (helft lengte gevlucht (21,60 / 2=) 10,80 + hoogte belt 3,20 meter) Binnen de molenbiotoop geldt ten aanzien van de maximaal toelaatbare hoogte van een obstakel dan de volgende formule: 49
H(x) = (x/75) + 0,2 * 14,00, ofwel H(x) = (x/75) + 2,80. De kavel die het dichtst bij de molen ligt, ligt op een afstand van circa 400 meter van de molen. Dat wil zeggen dat in het kader van de molenbiotoop een maximale bouwhoogte van 8,13 meter ((400/75) + 2,80) is toegestaan (t.o.v. maaiveld molen NAP+ 20,75 m). Voor de kavel waar de molenbiotoop beperkt overlapt met het plan (één woning) bestaat de mogelijkheid om een woning te bouwen welke passend is binnen de kaders van de molenbiotoop. Uitgaande van een maaiveldhoogte van circa 21,3 meter +NAP (0,55 m lager dan het maaiveld van de molen), mag de woning een maximale hoogte kennen van 7,58 meter (8,13 m - 0,55 m). Binnen de molenbiotoop wordt ook landschappelijke inpassing gerealiseerd. In het landschappelijk inpassingsplan is gekozen voor relatief laagblijvende boomsoorten in het gehele plangebied, waaronder hoogstamfruit, dat deels binnen de molenbiotoop is voorzien. De hoogstamfruitbomen hebben een eindhoogte van 5 tot 7 meter, hetgeen past binnen regels van de molenbiotoop. Binnen de molenbiotoop is daarnaast een bomenrij voorzien langs de westelijke grens van het plangebied. Deze bomen komen aan de rand van de molenbiotoop, op 380-400 meter afstand tot de molen. Voor deze bomenrij is eveneens gekozen voor relatief laagblijvende soorten, om de windvang zo min mogelijk te beperken.
De meeste bomen zullen niet hoger worden dan is toegestaan op basis van de biotoopformule. Deze maakt (op basis van de maaiveldhoogtes ter plaatse) opgaand groen mogelijk met een maximum hoogte van ca. 7,98 tot 8,68 meter. Slechts twee van de geplande bomen kunnen op lange termijn uitgroeien tot een hogere eindhoogte. Hiermee heeft het landschappelijk inpassingsplan slechts een zeer gering effect op windvang. Tenslotte waait de wind door het jaar heen relatief weinig uit de oostelijke richting van het plangebied en ervaart de molen vanuit deze zijde al geen vrije windvang vanwege opgaand groen en kassen in de omgeving. Door bovenstaande argumenten kan dus gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling geen inbreuk doet op de werking van de molen. Het uitvoeren van een windvangonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
50
HOOFDSTUK 6.1
6 Uitvoerbaarheid
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.2
Economische uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, eerste lid, Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure overeenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure Het ontwerpbestemmingsplan ‘Kleine Solberg, Beesel’ is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn zijn een aantal zienswijzen ingediend. Voor de inhoud van de zienswijzen en de reactie van de gemeente Beesel wordt verwezen naar de nota van zienswijzen die als separate bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal 6 weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omgevingsdialoog In het kader van onderhavige bestemmingsplan heeft de initiatiefnemer, in samenspraak met de gemeente Beesel, een plan van aanpak opgesteld over hoe de direct omwonenden, de kern Beesel, de gemeenteraad en anderen geïnformeerd en betrokken worden bij het woningbouwplan “Kleine Solberg”.
51
a) b) c) d) e) f)
Gesprekken met direct omwonenden c.q. eigenaren omliggende percelen; Overleg met Kernoverleg Beesel (stichting voor de leefbaarheid van Beesel); Informeren en betrekken van de gemeenteraad van Beesel; Infomeren van de kern Beesel middels een inloopmoment; Ter inzagelegging van het bestemmingsplan; Verstrekken van algemene informatie over het plan;
Inmiddels heeft initiatiefnemer de volgende onderdelen uit het plan van aanpak ondernomen c.q. uitgewerkt. a) Met 13 direct omwonenden c.q. eigenaren van omliggende percelen zijn gesprekken gevoerd. In deze gesprekken is het planinitiatief kenbaar gemaakt aan de hand van o.a. het verkavelingsplan, inpassingsplan en de verbeelding. In alle gesprekken is aangegeven dat in december 2023 het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd en dat medio januari 2024 een informatiebijeenkomst volgt. De gesprekken hebben plaatsgevonden op de volgende dagen: • Maandag 20 november 2023; • Woensdag 22 november 2023; • Maandag 27 november 2023. Het algemene beeld is dat “Kleine Solberg” een logisch vervolg is op de vorige fasen (Juffrouw Hensenlaan). Uit veel gesprekken blijkt dat hier ook al lange tijd rekenschap mee werd gehouden. Ook zijn nieuwe woningen in het dorp gewenst; voor de jeugd, maar ook voor ouderen zodat de doorstroming op gang komt. Nieuwe woningen betekent ook meer draagvlak voor de voorzieningen in het dorp. Tijdens een aantal gesprekken is gesproken over de inpassing van het nieuwe plan in de huidige omgeving. Denk daarbij hoe wordt het terrein opgehoogd en wordt de nieuwe erfgrens. De antwoorden op deze vragen worden met de gesprekspartners teruggekoppeld en daar waar nodig zullen concrete afspraken worden gemaakt.