Transitievisie warmte Purmerend en Beemster, juli 2021.pdf
Tekst van het document
Binnen de geldende afschrijftermijnen verwacht het bedrijf dat middentemperatuur technisch en financieel haalbaar is bij nieuwbouwprojecten als daar nieuwe strengen van het warmtenet voor worden aangelegd. De gemeente gaat met SVP in overleg om na te gaan of, en zo ja in welk tempo het aansluiten van nieuwe woningen op hogetemperatuur-warmte leidingen kan worden uitgefaseerd. In deze analyse wordt onderscheid gemaakt tussen grote, nieuwe uitleglocaties (waarvoor nieuwe strengen worden aangelegd) en kleinere inbreidingen in bestaand bebouwd gebied.
21
TRANSITIEVISIE WARMTE
4.1.2 Individuele voorziening Een alternatief is dat een nieuwbouwwoning een individuele warmtebron krijgt (bijv. warmtepomp of zonneboiler) of via het elektriciteitsnet en met elektrische radiatoren wordt verwarmd. Iedere vastgoedontwikkelaar heeft de mogelijkheid voor een individuele oplossing te kiezen. De TVW merkt hierbij echter wel op dat het gebruik van pelletkachels vanuit duurzaamheidsoptiek af te raden is. 4.1.3 Klein netwerk met eigen bron Het is denkbaar dat bij nieuwbouwprojecten voor meerdere woningen een eigen warmtenet wordt ontwikkeld met een eigen bron. Gedacht kan worden aan een appartementencomplex of een blok grondgebonden woningen, dat met een gemeenschappelijke bodem-warmtepomp wordt verwarmd. Een ontwikkelaar van een nieuwbouwproject kan voor een dergelijke collectieve voorziening kiezen. Dit kan betekenen dat er binnen de gemeente verschillende, kleine warmtenetten ontstaan. Zoals aangegeven in paragraaf 3.1.3 gaan de nieuwe gemeente en SVP verkennen of, en zo ja onder welke voorwaarden hier een rol voor SVP kan liggen. De gemeente maakt een bodemenergieplan, waarbij ze ontwikkelaars kaders meegeven voor hun energiekeuzes. Een dergelijk plan voorkomt teveel strijdige claims op de ondergrond.
In dit plan kan bijvoorbeeld opgenomen worden dat een warmtesysteem moet passen binnen de grenzen van de eigen kavel en geen belemmering mag vormen voor de werking van andere warmtevoorzieningen. Naast de vast te stellen kaders en richtlijnen zal vervolgens per locatie maatwerk moeten worden geleverd. Hierbij spelen de beschikbare ruimte én de (on)geschiktheid van de bodem (samenstelling, waterhuishouding etc.) een rol. Op basis van dit nieuw te ontwikkelen bodemenergieplan, zal de gemeente bezien of aanvullende voorschriften bij nieuwbouw noodzakelijk zijn. 14
4.2 Koppelkansen nieuwbouw en bestaande bouw Als nieuwbouwprojecten worden aangesloten op netwarmte, kan dat kansen opleveren voor de warmtetransitie voor reeds bestaande, nabijgelegen woningen. Dit speelt met name bij wijken en buurten waar geen primaire leidingen van SVP naartoe liggen of waar het huidige warmtenet onvoldoende capaciteit heeft om meer woningen aan te kunnen sluiten. Als voor nieuwbouwprojecten het warmtenet van SVP wordt uitgebreid, doet de vraag zich voor of het net dan meteen zoveel wordt uitgebreid dat er overcapaciteit ontstaat. Deze overcapaciteit kan dan worden benut om (in de toekomst) reeds bestaande woningen van het aardgas af te halen. Op deze manier wordt voorkomen dat er twee keer (en deels dubbele) kosten moeten worden gemaakt. Hierbij kunnen zich twee situaties voor doen: • Er is voldoende financiering om het aardgasvrij maken van bestaande woningen direct te starten. Als er al een projectplan klaar ligt voor het fossielvrij maken van de betreffende woningen, kan direct gestart worden. In dat geval is het vanzelfsprekend dat in één keer voldoende capaciteit wordt aangelegd. • Er is onvoldoende financiering voor het aardgasvrij maken van deze woningen. In dat geval moet er een beslissing worden genomen over voorfinanciering14 voor de aanleg van het warmtenet.
Als daar niet voor gekozen wordt, zal aardgasvrij maken in de toekomst waarschijnlijk duurder uitpakken. Vanuit financieel oogpunt lijkt het logisch om in de tweede situatie te kiezen voor voorfinanciering. Hierbij worden echter twee kanttekeningen geplaatst: • Er kunnen technische beperkingen zijn. Zoals in paragraaf 4.1.1 staat beschreven, wordt nieuwbouw, als dat haalbaar is, bij voor-
Bij voorfinanciering wordt de investering naar voren getrokken. Daarover moeten rentelasten worden betaald. Die zijn voor rekening van de voorfinancierende partij. Als het project doorgaat, zijn de investeringskosten voor rekening van het project. Het financiële risico dat het project niet doorgaat is voor de partij die voorfinanciert.
22
TRANSITIEVISIE WARMTE
keur aangesloten op middentemperatuurleidingen. Als midden temperatuur een optie is, zal het afhangen van de isolatiegraad en leeftijd van de bestaande woningen of ze wel of niet van voldoende warmte worden voorzien via dezelfde leiding. Hierover moet zekerheid zijn, voordat er sprake kan zijn van voorfinanciering. • Er moet gekeken worden naar de financiële risico’s rondom de warmtetransitie. Hoe zeker is het dat er Rijksfinanciering loskomt én dat daarnaast de huiseigenaren voor netwarmte zullen kiezen? Omdat de gemeente op het standpunt staat dat woningeigenaren altijd een keuze moeten hebben (zie paragraaf 3.3), verwacht de nieuwe gemeente niet van SVP dat zij dergelijke voorfinancieringskosten voor haar rekening neemt. Als voorfinanciering aan de orde is, draagt de nieuwe gemeente daar zorg voor. Per situatie zal de gemeente hier een beslissing over nemen. De situatie kan zich ook andersom voordoen: er staat een wijk in de planning om van het aardgas af gehaald te worden. Tegelijkertijd wordt er gewerkt aan nieuwbouwplannen, die later moeten worden gerealiseerd. In dat geval zal aan de projectontwikkelaar worden gevraagd of hij bereid is om extra capaciteit voor te financieren. 4.3 Koppelkansen tussen nieuwbouwprojecten De nieuwbouwprojecten zijn allemaal verschillend.
Soms gaat het om sloop-nieuwbouw, soms om inbreiding binnen de bestaande bebouwde omgeving en soms gaat het om totaal nieuwe uitleglocaties. Ook verschilt de omvang van de projecten sterk. Bij de ontwikkeling van Purmer-Zuid Zuid gaat het over 1500 woningen, maar er zijn ook projecten waar slechts een handjevol woningen wordt bijgebouwd. Bij grote projecten is het vanzelfsprekend dat de kosten van collectieve voorzieningen, zoals de warmtevoorziening over alle woningen worden 15
omgeslagen. Als er ook voor kleinere projecten grote aanpassing van de collectieve warmte-infrastructuur nodig is, dan wordt een collectieve voorziening onbetaalbaar. De verleiding ligt dan op de loer om toch voor aansluiting op het aardgasnet te kiezen. Omdat deze optie niet meer mogelijk is (zie paragraaf 4.1), moet de nieuwe gemeente naar andere manieren zoeken om collectieve voorzieningen financieel haalbaar te maken. Het ligt voor de hand om te kijken of projecten gekoppeld kunnen worden. Als de collectieve voorzieningen getroffen worden voor drie of vier projecten samen, ligt het voor de hand om de kosten over alle woningen om te slaan en niet alleen over de woningen in het eerste project15. Bij het uitwerken van een dergelijke systematiek is de planning van de verschillende projecten cruciaal. Als er enkele jaren tussen de projecten zit, komt het vraagstuk van voorfinanciering weer om de hoek. Dat is een van de lessen uit de pilot Aardgasvrij. In de pilot is de capaciteit van het regelstation namelijk direct ingericht op de ontwikkeling van de hele proeftuin. De kosten zijn daarom ook niet omgeslagen op alleen de woningen in de pilot. Vijf zesde deel van de kosten voor het regelstation is voorgefinancierd. Dat deel van de kosten is uiteindelijk toegerekend aan de rest van de proeftuin. De gedachte om projecten te koppelen wordt in 2022 verder uitgewerkt.
Hiervoor is het nodig dat nieuwbouwprojecten, wijkuitvoeringsplannen en de overcapaciteit binnen het huidige warmtenet (zie paragraaf 4.1.1) bij elkaar gelegd worden. Door deze opgaven in samenhang met elkaar te beschouwen, kan bekeken worden hoe het warmtenet het beste uitgebreid kan worden en hoe de kosten over projecten verdeeld moeten worden.
De systematiek om kosten, waar meerdere projecten van profiteren, te verdelen is niet nieuw. In de Nota Gebiedsoverstijgende Kosten Purmerend wordt bijvoorbeeld geregeld dat ontwikkelaars meebetalen aan noodzakelijke, gemeentebrede, gebiedsoverstijgende infrastructuur.
23
TRANSITIEVISIE WARMTE
5. BESTAANDE BOUW 5.1 Inleiding Warmtetransitie is complex en duur. Het is een proces van lange adem, dat veel impact heeft op onze samenleving. Er worden nog volop technologieën ontwikkeld. Het is onmogelijk om nu vast te leggen hoe de warmtetransitie zich de komende decennia moet ontvouwen. Eén ding ligt echter wel vast: inperken van de warmtebehoefte is in alle gevallen verstandig. Als er namelijk minder vraag is naar warmte, is de transitie-opgave minder groot en hoeft er minder infrastructuur te worden aangelegd. Daarom zet de nieuwe gemeente vol in op isolatiemaatregelen en beïnvloeding van het menselijk gedrag. Ondanks alle onzekerheden in technieken en de beperkte invloed van een gemeente op bronnen en energienetwerken (zie paragraaf 2.7), moeten alle gemeenten in hun TVW aangeven welke wijken zij voor 2030 aardgasvrij willen maken en welke wijken daarna. Voor de wijken die voor 2030 aardgasvrij moeten worden, moeten gemeenten ook aangeven welke technieken daarvoor worden gebruikt. Om hier zinnige uitspraken over te kunnen doen, gaat dit hoofdstuk in op de kansrijkheid van de verschillende alternatieven. 5.2 Beperking van de warmtevraag 5.2.1. Isolatie Duurzame warmte is niet overvloedig te winnen en dat geldt ook voor duurzame elektriciteit. Tegelijkertijd is de huidige behoefte aan warmte en elektriciteit groot.
Als we de energievraag niet beperken, is de transitieopgave bijna onmogelijk. Daarom hebben Beemster en Purmerend in het kader van de RES 1.0 zich gecommitteerd aan de uitspraak in het Klimaatakkoord dat het energieverbruik met 30% moet worden teruggebracht.
De nieuwe gemeente hanteert als uitgangspunt: energie die niet verbruikt wordt, hoeft ook niet te worden opgewekt en getransporteerd. Vanuit die gedachte zet zij vol in op reductie van de vraag naar energie en het isoleren van de bestaande woningen. De nieuwe gemeente streeft ernaar dat alle woningen en andere panden binnen haar grenzen minimaal een energielabel B krijgen. Hierover zijn prestatieafspraken gemaakt met de woningbouwcorporaties. Corporaties beslissen zelf waar zij als eerste investeren. Ook particuliere woningbezitters zijn zelf aan zet. Zij zijn verantwoordelijk voor hun woningen. De gemeente kan alleen informeren, ontzorgen en subsidiëren. Het isolatiebeleid binnen de gemeente kent daarom drie pijlers: • Eigen maatschappelijk vastgoed op label A-niveau brengen voor het jaar 2030. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangehaakt op reeds geplande onderhouds- en renovatietrajecten. Het overgrote deel van het eigen vastgoed beschikt al over een A-label. Op dit moment wordt binnen de gemeenten geïnventariseerd welke maatregelen nodig zijn om ook de overige panden op label A-niveau te brengen. Nog in 2021 ontvangen de raden hierover een rapportage. • De nieuwe gemeente zet in op voorlichting en bewustwording. Daarom start zij een bewustwordingscampagne rondom energietransitie (zie H6).
Daarnaast participeert de gemeente in het Duurzaam Bouwloket, dat informatie aan bewoners verschaft. • Zowel gemeente Purmerend als gemeente Beemster hebben momenteel subsidiemogelijkheden voor particulieren en zij maken het mogelijk dat particulieren goedkoop een verduurzamingslening kunnen afsluiten. Nu het Nationale Warmtefonds is opgericht en het Rijk deze taak op zich heeft genomen, wordt de mogelijkheid om bij de gemeente een lening af te sluiten gestopt (zie paragraaf 3.1.1). De raden ontvangt hiervoor een raadsvoorstel in 2021. Bestaande leningen blijven echter bestaan. Dat betekent dat de nieuwe gemeente
24
TRANSITIEVISIE WARMTE
de komende jaren nog rente en terugbetalingen ontvangt. In het raadsvoorstel zal worden aangegeven wat de bestemming van deze middelen is. Omdat er onderuitputting is op de isolatiesubsidies, gaat ook het subsidiebeleid op de schop. In 2022 komt er een voorstel naar de Raad. In dit voorstel zal de gemeente meer inzetten op begeleiding van bewoners/eigenaren en collectieve inkoop. Daarbij zal aandacht worden besteed aan de rol van energiecoöperaties, bedrijfsleven, burgerinitiatieven zoals Zon op Purmerend en de gemeente. 5.2.2 Menselijk gedrag Uit een analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat terugverdienmogelijkheden van isolatiemaatregelen in de praktijk tegen kunnen vallen ten opzichte van de berekende effecten16. In de modellen wordt het aardgasverbruik in slecht geïsoleerde woningen overschat en het verbruik in de goed geïsoleerde woningen onderschat. De onder- en overschatting bij elkaar opgeteld is zo’n 30%. Dit verschijnsel hangt onder andere samen met het menselijk gedrag. In de praktijk gedragen mensen zich anders in een slecht geïsoleerd huis dan in een goed geïsoleerd huis. In een slecht geïsoleerd huis houden ze er veel meer rekening mee dat er warmte, en daarmee geld, weglekt. Mensen letten goed op welke ruimtes ze verwarmen en zetten de thermostaat niet hoog. Wanneer een huis goed geïsoleerd is, kost de verwarming ervan minder geld.
Je ziet dan dat mensen extra comfort voorop stellen. De (beperkte) extra kosten accepteren ze. Kosten zijn dus een belangrijke drijfveer voor mensen om hun energieverbruik te minimaliseren. Hierbij speelt ook de vraag of mensen voldoende inzicht hebben in hun dagelijkse energieverbruik. Slimme meters helpen om mensen inzicht te verschaffen. SVP rolt dergelijke meters uit en heeft daarnaast het Tarief Spaarzaam ontwikkeld. Als 16
klanten hiervoor kiezen, wordt voor hun het vastrecht verlaagd en wordt het variabele tarief verhoogd. Deze klanten voelen dus een extra prikkel om hun verbruik te minimaliseren. Ook het verhogen van de aardgasprijs op nationaal niveau kan een financiële prikkel zijn voor mensen om minder energie te gaan verbruiken. Dit is een bijkomende voordeel, naast het feit dat dit de financierbaarheid van de energietransitie vergroot (zie hoofdstuk 3). Om het menselijk gedrag te veranderen moet niet alleen naar de kosten gekeken worden maar moet ook de ‘sense of urgency’ in de samenleving groter worden. Mensen moeten weten dat de energietransitie eraan komt en hoge kosten met zich mee brengt. De gemeente zal met voorlichting mensen wijzen op de noodzaak van de energietransitie en de hoge directe en indirecte kosten voor haar inwoners (zie ook hoofdstuk 6). 5.3 Alternatief: gebruik maken van het elektriciteitsnet. Om alleen al in de behoefte aan duurzame elektriciteit te kunnen voorzien, zouden er op het grondgebied van de nieuwe gemeente heel veel windmolens en zonnepanelen geplaatst moeten worden. Dit is o.a. vanuit de optiek van cultureel erfgoed onwenselijk. De RES 1.0 zet daarom vooral in op grootschalige zonnepanelen op daken. Dit is niet voldoende om aan de volledige elektriciteitsvraag binnen de nieuwe gemeente te kunnen voorzien.
Om aan de elektriciteitsbehoefte te kunnen voorzien zijn andere alternatieven nodig, zoals windmolens op zee. Als de warmtetransitie volledig elektrisch plaats moet vinden, komt die elektriciteitsvraag daar nog bovenop. Het is dus onrealistisch om te denken dat zonne-energie en windenergie een oplossing zijn voor het volledige warmtevraagstuk. Naar verwachting zal ook waterkracht relatief weinig kunnen bijdragen aan de elektriciteitstransitie in Nederland. Grote sprongen kunnen gemaakt worden met behulp van kernenergie. Wel of geen extra
Zie notitie: Bepalingen energiebesparing door isolatie van woningen in de Startanalyse 2020: “Redenen zijn dat de methode ‘berekend verbruik’ geen rekening houdt met het onzuinigere verbruiksgedrag na het nemen van de isolatiemaatregelen (rebound-effect), de knelpunten van historische bouw en ouderdom en de uitvoeringskwaliteit van isolatiemaatregelen in de praktijk.”
25
TRANSITIEVISIE WARMTE
kernenergiecentrales toestaan in Nederland is zeer omstreden. Het is een discussie die op nationaal niveau beslecht moet worden. Zelfs als de mogelijkheden voor kernenergie worden uitgebreid, dan nog is de capaciteit niet voldoende om aan én de elektriciteitsvraag én de warmte vraag te kunnen voldoen.17 Het uitgangspunt voor deze TVW is daarom dat er ook naar andere oplossingen moet worden gezocht voor de warmtetransitie.
Het ziet er niet naar uit dat groengas ooit in zijn geheel het aardgas kan vervangen. Dat komt niet alleen door financiële en technische redenen, maar ook omdat er niet genoeg afvalgrondstoffen in Nederland voor biogas en dus groengas voorradig zijn. Volgens de sector zelf kan in 2030 maximaal 5% van onze huidige gasconsumptie vervangen worden door groengas. In het klimaatakkoord is de verwachting uitgesproken dat het maximaal 10% kan zijn in 2050.
5.4 Alternatief: gebruik maken van huidige gasnet Er wordt op nationaal niveau gewerkt aan alternatieven voor aardgas, waarbij gebruik wordt gemaakt van het huidige gasleidingennetwerk. Er zijn echter veel obstakels en de ontwikkeling van dergelijke technologieën staan nog in de kinderschoenen. De opties zijn groengas en waterstof. Beide alternatieven zijn en blijven in de toekomst schaars. De RES 1.0 zegt daarover dat ze daar moeten worden ingezet, waar ze de meeste toegevoegde waarde hebben.
Het gasnetwerk in een straat, wijk, buurt of gemeente staat niet op zichzelf. Het maakt onderdeel uit van een integraal gasleidingenstelsel. Het is niet mogelijk om een solitair gebiedje van groengas te voorzien. Wat wel mogelijk is en dus ook al in zeer beperkte mate gebeurt, is om groengas bij te mengen bij het aardgas. Alle huizen aan het betreffende netwerk maken dan voor een klein deel gebruik van groengas.
De alternatieven liggen allebei buiten de invloedsfeer van de gemeente, maar worden hier wel beschouwd. Hierdoor wordt helder dat de nieuwe gemeente niet kan zitten afwachten en hopen dat hernieuwbare gassen via het huidige gasnet het ‘ei van Columbus’ zijn voor de hele transitie-opgave. 5.4.1 Groengas Groengas is biogas dat opgewaardeerd wordt qua zuiverheid en energiewaarde, zodat de kwaliteit vergelijkbaar is met aardgas. Biogas is gas dat door vergisting opgewekt wordt uit biologisch afvalmateriaal, zoals gft of slib uit een afvalwaterzuivering. Ook kan het door vergassing worden opgewekt uit hout. Dat laatste is, zoals in paragraaf 3.1.2 is uitgelegd, voor de nieuwe gemeente geen lange-termijnoplossing. In 2018 was minder dan 1% van het nationale gasverbruik groengas en investeringen komen de laatste jaren maar mondjesmaat van de grond. 17
Over tientallen jaren, als 90 tot 99% van alle panden in Nederland van het aardgasnet zijn afgekoppeld, is het mogelijk om het resterende deel wel van groengas te voorzien. Het netwerk is dan zover gekrompen dat er geen sprake meer is van bijmenging. Deze TVW gaat ervan uit dat groengas dermate schaars is, dat het slechts een alternatief is voor een beperkt aantal woningen, dat helemaal aan het einde van de energietransitie aan de beurt is. De laatste deelgebieden moeten dus zorgvuldig gekozen worden. 5.4.2. Waterstof Het Nederlandse gasnet kan – met de nodige aanpassingen – waarschijnlijk geschikt worden gemaakt voor het transport van waterstof. Daarbij moet opgemerkt worden dat waterstof onder grote druk getransporteerd moet worden. Of alle leidingen daarvoor geschikt kunnen worden gemaakt of alleen de hoofdleidingen is onduidelijk. Ook zal de toepasbaarheid afhangen van de leeftijd en daarmee de kwaliteit van de leidingen.
De enige kerncentrale in Nederland levert ongeveer 4% van de huidige elektriciteit in Nederland (bron: www.rijksoverheid.nl).
26
TRANSITIEVISIE WARMTE
Waterstof is niet in de natuur aanwezig en moet dus gemaakt worden. Om waterstof op een duurzame manier te maken, moet gebruik worden gemaakt van veel groene elektriciteit. Dit is een extra, nieuwe elektriciteitsbehoefte. De groene elektriciteit die hiervoor opgewekt moet worden, kan dus niet ingezet worden om het huidige elektriciteitsverbruik in Nederland te verduurzamen. Het proces om met behulp van (groene) elektriciteit waterstof te maken, brengt een rendementsverlies van ongeveer 40% met zich mee. Daarnaast is de techniek nog volop in ontwikkeling en niet marktrijp. De kosten en het elektriciteitsverbruik van waterstof zullen hoog zijn en de technieken zullen niet binnen afzienbare tijd beschikbaar komen. De RES 1.0 zegt over waterstof dat het nog schaarser is dan groengas en dat het niet voor de hand ligt dat in de toekomst woningen met waterstof zullen worden verwarmd. De RES 1.0 meldt dat de noodzaak voor het gebruik van de schaarse waterstof bij de industrie groter is dan voor woningen. De nieuwe gemeente zal de technologische ontwikkelingen volgen, maar het is niet erg waarschijnlijk dat de warmtetransitie binnen de nieuwe gemeente ooit plaats kan vinden met behulp van grootschalige inzet van waterstof. 5.5 Alternatief: uitbreiden van een collectief warmtenet Zowel binnen de huidige gemeente Purmerend als binnen gemeente Beemster is ervaring met een warmtenet.
Het rondpompen van heet water door leidingen onder de grond is ‘proven technology’ waar de nieuwe gemeente volledig achter kan staan. Uitbreiden van het warmtenet is een goede manier om huizen van het gasnet af te halen. Bij een warmtenet moet gekeken worden naar de energiebronnen, waarmee het water verwarmd wordt. Zoals in paragraaf 2.4 gesteld, maakt SVP op dit moment gebruik van een biomassacentrale en twee
hulp-gascentrales op aardgas. De nieuwe gemeente hanteert het uitgangspunt dat hout een transitiebrandstof is (zie paragraaf 3.1.2) en de hoofddoelstelling in deze TVW is dat er in 2050 geen gebruik meer mag worden gemaakt van fossiele brandstoffen (zie paragraaf 3.2). Alle energiebronnen van SVP zullen dus op termijn vervangen worden door alternatieven, zoals riothermie of geothermie (zie ook de bronnenstrategie van SVP). 5.6 Alternatief: Individuele bronnen, gekoppeld aan de woning Iedere eigenaar kan zelf beslissen of hij of zij het pand individueel wil voorzien van warmte en deze TVW stelt dat dat zo moet blijven. Zoals aangegeven in paragraaf 2.7, zijn er verschillende bronnen waarvan gebruik kan worden gemaakt. Momenteel zijn er bijvoorbeeld warmtepompen en zonneboilers verkrijgbaar. Daarnaast is er in het verleden in de Beemster ervaring opgedaan met brongas en wellicht dat dit in de toekomt ook oplossing kan bieden. Opgemerkt moet worden dat alleen zeer goed geïsoleerde woningen in voldoende mate met individuele bronnen kunnen worden verwarmd. Wellicht dat er in de periode tot 2050 nog bronnen op de markt komen, waar nu nog niemand aan heeft gedacht. Ook een groep woningen kan zelfstandig in de warmtevraag voorzien. De woningen hebben dan als het ware een lokaal warmtenetje met eigen bron(nen).
Vooral bij nieuwbouwprojecten is dit soort voorzieningen in opkomst, maar ook voor oudbouw is het denkbaar. Denk hierbij aan een appartementencomplex dat gebruik maakt van een gezamenlijke warmtepomp. In deze fase van de energietransitie juicht de gemeente alle initiatieven toe, mits ze voldoen aan alle milieuwetgeving (bijvoorbeeld geluid en duurzaamheid). Dat sluit aan bij het principe in deze TVW van de vrije keuze voor woningeigenaren en ontwikkelaars.
27
TRANSITIEVISIE WARMTE
5.7 Combinatie van alternatieven Zoals in de vorige paragrafen beschrijven, worden er verschillende alternatieven ontwikkelt voor de warmtelevering. Een optie is nog niet beschreven: de hybride warmtepomp. In de situatie waarbij een hybride warmtepomp wordt ingezet, worden alternatieven gecombineerd. Gebruikers van een dergelijke, individuele warmtepomp wekken deels hun eigen warmte op. Daarnaast maken ze met name in de koude maanden ook gebruik van een collectief netwerk. Meestal hebben deze woningen een aardgasaansluiting, maar de hybride warmtepomp is ook te gebruiken in combinatie met een aansluiting op het warmtenet of wellicht groengas. De hybride warmtepomp vermindert de vraag naar gas of warmte via een warmtenet. Omdat het voor een woning geen totaaloplossing is, woningeigenaren primair zelf verantwoordelijk zijn van individuele oplossingen én omdat er subsidiemogelijkheden voor woningeigenaren zijn op Rijksniveau (Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energie besparing), ontwikkelt de gemeente geen gemeentebreed beleid rondom de hybride warmtepomp. Wel zal de gemeente particuliere woning eigenaren via het Duurzaambouwloket en eventueel via energiecoaches wijzen op de mogelijkheden (zie paragraaf 3.2).
5.8 Voorkeursoptie Alles overwegend zijn er op dit moment twee realistische opties voor de warmtetransitie: aansluiten op een warmtenet of gebruik maken van bronnen aan (een cluster van) woningen. We weten niet welke technologieën er verder nog ontwikkeld worden, maar het ziet er vooralsnog zo uit dat dit ook in de verdere toekomst zo blijft. De opdracht van het Rijk aan de gemeenten is om per wijk een keuze te maken tussen de mogelijke alternatieven. Daarbij moet een onderbouwing geleverd worden als er niet gekozen wordt voor de technische optie met de laagste maatschappelijke kosten. Om de keuze te faciliteren
heeft het Rijk aan het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) opdracht gegeven om een basale berekening te doen voor alle gemeenten in Nederland, de Startanalyse. Deze Startanalyse is in 2019 opgeleverd en in 2020 aangepast. Voor de situatie in Purmerend en Beemster is de Startanalyse niet voldoende. De analyses uit 2019 en 2020 zijn te beperkt en kennen een aantal bezwaren: • De Startanalyse is grofmazig en gaat slechts beperkt in op de lokale situatie; • In de Startanalyse zit het warmtenet in Purmerend niet goed verwerkt; • Als een van de weinige gemeenten in Nederland heeft Purmerend ervaringscijfers over de kosten om bestaande woningen aan te sluiten op een warmtenet. Onze ervaringscijfers komen niet één op één overeen met de cijfers in de Startanalyse; • Nieuwe gebouwen moeten aan de Bijna Energie Neutraal Gebouwen eisen (BENG) voldoen en sinds januari 2021 ook aan de Temperatuur Overschrijdingseisen (TOjuli). De TOjuli-eisen voorkomen oververhitting van nieuwe gebouwen. Deze laatste normen zijn niet in de Start analyse meegenomen. Dit maakt een warmtepomp in combinatie met koude-warmteopslag wellicht eerder aantrekkelijk dan in de Startanalyse is aangenomen; • De analyse uit 2019 en de versie uit 2020 kennen verschillen in uitkomst voor zowel het buitengebied als de binnenstad.
Dit heeft te maken met de keuze waar het schaarse groengas het best kan worden toegepast. De politiek hoort aan zet te zijn als schaarse middelen moeten worden verdeeld. De politieke keuze (of de spelregels daarover) moet nog op nationaal niveau gemaakt worden. De nieuwe gemeente laat daarom voor zowel de binnenstad als het buiten gebied de optie voor groengas nog open. De Startanalyse uit 2019 en de aanpassing in 2020 zijn gehanteerd als vertrekpunt, maar de TVW volgt vanwege de bovenstaande constateringen
28
TRANSITIEVISIE WARMTE
niet één op één de uitkomsten van de Startanalyse. De gemeenten Purmerend en Beemster hebben het adviesbureau DWA gevraagd om een verdiepingsslag te maken, waarbij lokale kenmerken, zoals de aanwezigheid van een warmtenet wel goed worden meegewogen. DWA heeft een eigen rekenmodel gehanteerd. Dit rekenmodel geeft aan wat voor een specifieke wijk het goedkoopst is: aansluiting op een warmtenet of individuele oplossingen. Op basis van de uitkomsten van haar eigen rekenmodel, de gegevens van PBL en expert judgement heeft DWA vervolgens een advies opgesteld. Dit advies is als separate bijlage bij deze TVW gevoegd. Beemster Uit het rekenmodel van DWA komt dat voor de huidige gemeente Beemster warmtepompen overal goedkoper zijn dan aansluiting op een warmtenet, met uitzondering van de woonkernen Middenbeemster en Zuidoostbeemster. Daar is aansluiting op het warmtenet voor woningen een goedkopere optie. De mogelijkheid om bestaande woningen op betaalbare wijze aan te sluiten op het warmtenet hangt samen met (geplande) nieuwbouw. In Middenbeemster wordt nieuwbouw naar verwachting in 2021 aangesloten op het warmtenet van SVP. In Zuidoostbeemster is reeds een nieuwe warmteleiding aangelegd en zijn de nieuwe woningen aangesloten op het netwerk van SVP. De Startanalyse gaf in 2019 ook aan dat in het dun bebouwde buitengebied individuele oplossingen de voorkeur hebben.
In 2020 is deze conclusie veranderd. In de versie van 2020 staat dat groengas de voorkeur heeft voor het buitengebied. DWA neemt in haar advies deze conclusie over en adviseert om daarnaast in te zetten op individuele, hybride warmtepompen. De TVW plaatst een paar kanttekeningen bij de analyses: • Er kleven nog grote onzekerheden aan groengas. • Het buitengebied is als geheel beschouwd. Wellicht dat een klein
warmtenetwerk met eigen bron een uitkomst kan bieden voor clusters van woningen. • Er kunnen nieuwe, nog onbekende technologieën worden ontwikkeld in de komende decennia, die goedkoper zijn dan de huidige alternatieven. Alles bij elkaar opgeteld, wordt de voorkeur voor het grondgebied van de huidige gemeente Beemster: Voor Middenbeemster en Zuidoostbeemster heeft aansluiting op het warmtenet de voorkeur. Voor de overige woningen wordt nu nog geen definitieve voorkeur uitgesproken en wordt ingezet op no-regret maatregelen. Purmerend Volgens DWA geldt voor Purmerend dat praktisch overal aansluiting op het warmtenet de goedkoopste optie is, met uitzondering van enkele woningen in het Purmerbos en voor enkele huizen in de Baanstee en bij het golfterrein. Deze woningen staan in de huidige situatie te ver uiteen om aan te sluiten op het warmtenet. DWA heeft hierbij buiten beschouwing gelaten dat er nieuwbouwplannen zijn voor de oostflank van Purmerend. Voor het grootste deel van de bestaande gebouwen in de binnenstad is de uitvoerbaarheid van zowel een aansluiting op het warmtenet als gebruik maken van bijvoorbeeld warmtepompen een issue. Doordat er weinig ruimte is voor ondergrondse leidingen en vanwege de archeologie zijn alle huidige beschikbare alternatieven moeilijk uitvoerbaar. Wellicht dat nog te ontwikkelen technieken of groengas hier in de toekomst uitkomst kunnen bieden.
Dat komt ook overeen met de Startanalyse uit 2019. Daarin stond dat groengas voor de binnenstad de voorkeur heeft. De aanvulling uit 2020 schrapte groengas als optie voor de binnenstad. De voorkeursalternatieven voor het grondgebied van de huidige gemeente Purmerend wordt:
29
TRANSITIEVISIE WARMTE
Voor Purmerend heeft aansluiting op het warmtenet bijna overal de voorkeur. Of dit ook geldt voor enkele individuele woningen aan de oostflank van Purmerend, is afhankelijk van de nieuwbouwplannen. Voor de binnenstad wordt nu nog geen voorkeur uitgesproken. In onderstaand figuur staat aangegeven waar welk alternatief de voorkeur heeft.
Middenbeemster
Overwhere
PurmerNoord
Centrum onbekend warmtenet warmtenet (nu aangesloten)
Weidevenne
de Gors
30 Figuur 2: voorkeursalternatief
TRANSITIEVISIE WARMTE
6. FASERING 6.1 Gemeente-breed Het Rijk vraagt aan de gemeenten om een wijkgerichte aanpak op te zetten. De wijkgerichte aanpak heeft logische elementen, maar kent ook beperkingen. In deze TVW wordt op onderdelen voor een andere, meer gemeentebrede aanpak gekozen: • Het isolatieprogramma van de nieuwe gemeente, zoals in paragraaf 5.2 genoemd, wordt niet gekoppeld aan de wijkuitvoeringsplannen. Beperking van de energievraag is gewenst, ongeacht welke wijk aan de beurt is voor de warmtetransitie. Het nieuwe isolatieprogramma wordt in 2022 aan de Raad aangeboden. • De gemeente verkent of er een programma kan worden opgesteld om alle bewoners die op aardgas koken de overstap te laten maken naar elektrisch koken. Deze stap loopt dan vooruit op de overstap naar een aardgasvrije woning. Het idee erachter is dat deze eerste stap verstandig is, ongeacht wanneer de woning aan bod komt voor de warmtetransitie. • O p basis van het Motivaction-onderzoek en de ervaringen in de pilotwijk, is geconcludeerd dat een gemeentebrede campagne moet worden opgezet om de noodzaak en (financiële) gevolgen van de warmtetransitie bij de inwoners voor het voetlicht te brengen (zie paragraaf 5.2.2). Deze campagne wordt breed opgezet. De campagne zal niet alleen betrekking hebben op de warmtetransitie, maar op de energietransitie als geheel.
Deze campagne wordt gericht op alle inwoners, omdat de totale energietransitie voor alle bewoners relevant is. Bij het opzetten van de campagne wordt rekening gehouden met de momenten waarop mensen logischerwijs nadenken over energieverbruik. Denk hierbij aan verhuizing, het aanvragen van een bouwvergunning, etc. Het nieuwe college komt hiervoor uiterlijk in het eerste kwartaal van 2022 met een separaat voorstel naar de raad.
Naast een aantal van de bovengenoemde activiteiten, is er ook ‘laaghangend fruit’ wat betreft de warmtetransitie. Voor deze relatief eenvoudige maatregelen kijkt de nieuwe gemeente voorbij de grenzen van een specifieke wijk of buurt. • Kookgaswoningen zijn relatief eenvoudig van het aardgasnet af te koppelen, omdat zij alleen voor het koken aangesloten zijn op het gasnet. Ze zijn reeds op het warmtenet aangesloten voor verwarming en warm water. De nieuwe gemeente wil alle ca. 2700 kookgas woningen voor 2030 van het gas af hebben gehaald, ongeacht waar ze staan. Omdat de meeste kookgaswoningen eigendom zijn van de woningbouwcorporaties, wordt dit verankerd in de prestatie afspraken. De kookgaswoningen staan in Overwhere-Zuid, Overwhere-Noord en Wheermolen-Oost. • Nieuwbouwwoningen mogen niet langer op het aardgasnet worden aangesloten (zie hoofdstuk 4). Dat geldt ook voor sloop/nieuwbouwwoningen. Geen van de vervangende, nieuwe woningen, zal aangesloten worden op het aardgasnet. Voor de periode tot 2030 zijn 390 woningen concreet aangewezen om gesloopt en herbouwd te worden. Deze woningen staan bijna allemaal in Wheermolen-Oost. Daar komen verspreid over de stad naar verwachting nog ruim 100 woningen bij. Dat betekent dus dat de transitieopgave door deze sloop/nieuwbouw automatisch wordt verkleind.
6.2 Wijkaanpak tot 2030 6.2.1 Inleiding In hoofdstuk 5 is uiteengezet waarom alleen aansluiting op het collectieve warmtenet of individuele bronnen aan het huis tot 2030 reële alternatieven zijn. Tevens is aangegeven dat de kosten per woning in gebieden waar all-electric de voorkeur heeft, vele malen hoger zijn dan de kosten in de dichtbebouwde wijken, waar aansluiting op het warmtenet het voorkeurs
31
TRANSITIEVISIE WARMTE
alternatief is. Nu dat is bepaald, moet deze TVW concreet aangeven welke wijken tot 2030 aangepakt worden en welke niet. De warmtetransitie volgt een twee sporenbeleid: • Spoor 1 heeft betrekking op de wijken waar het collectieve warmtenet onbetwist goedkoper is dan individuele voorzieningen. In een aantal van deze wijken gaan we tot 2030 daadwerkelijk aan de slag gaan met het aardgasvrij maken van woningen. De verwachting is dat hier, net als in de proeftuin, de huiseigenaren voor het overgrote deel voor aansluiting op het warmtenet wordt gekozen. Door hier te beginnen met de uitvoering, blijft de insteek dat individuele voorzieningen de komende negen jaar een individuele verantwoordelijkheid blijven. • S poor 2 heeft betrekking op het buitengebied en de kernen Noordbeemster en Westbeemster. De nieuwe gemeente kan niet achterover leunen en hopen op groengas of nieuwe technologieën. De opgave per woning is daarvoor te groot en er zijn no-regret maatregelen mogelijk, zoals isolatie en veelal het plaatsen van hybride warmtepompen. Daarnaast speelt in dit gebied mee dat er een capaciteitsprobleem dreigt voor het elektriciteitsnet. Voor het buitengebied en deze twee kernen wordt daarom de komende jaren verkend of er door bewoners en bedrijven collectieven kunnen worden gevormd. 6.2.2 Spoor 1: Collectief warmtenet Bij het opstellen van deze TVW is breed gezocht naar kansen.
De gedachte was dat de TVW wijken aan zou wijzen voor de warmtetransitie, waar programma’s van de verschillende partners in de tijd samen zouden komen. Door de investeringsprogramma’s op elkaar te leggen, zouden desinvesteringen (zoals de vervanging van aardgasleidingen of cv-ketels) kunnen worden voorkomen. In de ideale situatie zouden de woningbouwcorporaties in een specifieke wijk en in de juiste periode dus grote renovatieprogramma’s voor de bestaande woningen hebben gepland.
Ook zou het goed uitkomen als deze wijk relatief dicht in de buurt ligt van het bestaande warmtenet en dat het netwerk juist daar logisch en qua fasering efficiënt kan worden uitgebreid. Om het ideaalplaatje helemaal compleet te maken, zou dat dan ook juist een wijk zijn, waar de aardgasleidingen van Liander aan het einde van haar levensduur zijn en waar geen werkzaamheden aan het riool hoeven te worden uitgevoerd. Bij het opstellen van deze TVW zijn de planningen en prognoses van de verschillende partijen bij elkaar gelegd. Daar kwam geen eenduidig beeld uit voor wat betreft de planning en fasering van de verschillende wijken. Dat komt door een aantal zaken: • Sommige partijen kijken slechts één tot maximaal vijf jaar vooruit voor hun investeringsprogramma. • Planningen van de woningbouwcorporaties zijn niet wijkgericht, maar complex- of woonblokgericht. De complexen liggen over het grondgebied van de hele nieuwe gemeente verspreid. • Alle partijen gaven aan dat hun planning niet ‘in beton gegoten is’, maar flexibel is en regelmatig wordt aangepast. • Alle partijen investeren in beginsel vanuit hun eigen financiële optimale situatie. Als planningen geforceerd op elkaar worden gelegd, betekent dat automatisch dat partijen suboptimaal moeten investeren. De conclusie is dat een rigide plan van aanpak voor de warmtetransitie nu niet haalbaar is.
Daarnaast hebben we uit de proeftuin geleerd dat de vormgeving van het netwerk en de omvang van het plangebied een sterke invloed hebben op de hoogte van de onrendabele top. Dit, in combinatie met hetgeen hierboven beschreven, leidt tot de conclusie dat partijen eerst een totaalbeeld moeten ontwikkelen van het warmtenetwerk in 2050 voordat er een hele fasering wordt vastgelegd. Daarna kunnen alle gewenste uitbreidingen getoetst worden aan dit eindbeeld.
32
TRANSITIEVISIE WARMTE
Dit eindplaatje moet goed doordacht worden: • Het eindbeeld moet een netwerk zijn, dat efficiënt kan worden geëxploiteerd. • De investeringskosten van het netwerk moeten zo laag mogelijk worden gehouden. Dit is een randvoorwaarde voor een kosten efficiënte warmtetransitie. • Het netwerk moet voldoende ruimte laten voor (vervanging van) overige ondergrondse infrastructuur zoals riolering, glasvezel en waterleidingen. De gemeente zal SVP de opdracht geven om in goed overleg een dergelijk netwerkontwerp te ontwikkelen en daar een goede fasering voor uit te werken. Deze fasering zal mede bepalend zijn voor de volgorde waarin de wijken in de nieuwe gemeente aardgasvrij worden gemaakt. Hierbij wordt de informatie betrokken uit de studie over nieuwbouw plannen, transformatie en de huidige overcapaciteit (zie paragraaf 4.3). Om toch nu al een uitspraak te kunnen doen over de wijken die voor 2030 aan de beurt zijn, is gekeken naar kansen, overcapaciteit van het huidige netwerk van SVP en de risico’s van het realiseren van een kosteninefficiënt warmtenetwerk. Hieronder staat aangegeven welke wijken hieruit naar voren zijn gekomen. Proeftuin Gemeente Purmerend heeft de pilot Aardgasvrij uitgevoerd en de opschaling van de rest van de proeftuin is vastgelegd in de uitvoeringsstrategie. Deze strategie is gelijk aan een wijkuitvoeringsplan (WUP).
De uitvoeringsstrategie gaat uit van een gefaseerde aanpak in blokken. De bewoners van het woonblok rondom de Scheldestraat zijn inmiddels benaderd of ze mee willen doen. Het is evident dat de proeftuin de eerste wijk/buurt is, die aangepakt wordt. Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 ligt het niet in de lijn der verwachting
dat er voor 2024 al daadwerkelijk gestart wordt in andere wijken. De planvoorbereiding voor andere wijken kan eventueel wel al eerder worden opgepakt. Hieronder staat beschreven aan welke wijken momenteel gedacht wordt voor de uitvoering tussen 2024 en 2030. Er zijn nog geen concrete wijkuitvoeringsplannen in voorbereiding. Daarvoor moet eerst zicht zijn op (Rijks-)financiering. Andere wijken in de nieuwe gemeente zullen niet voor 2030 worden aangepakt. Rivierenbuurt in Overwhere-Zuid In het verleden is de warmtetransitie gekoppeld aan de vervanging van het riool. Daarom is een deel van Overwhere-Zuid geselecteerd als proeftuinlocatie. Het plangebied van de proeftuin is kleiner dan het plangebied voor de rioolvervanging. Er is al eens gespeeld met de gedachte of het gebied van de warmtetransitie opgerekt kan worden naar het hele plangebied voor de rioolvervanging. Concreet betekent dit dat de Rivierenbuurt dan ook aardgasvrij zou worden gemaakt. Uit deze verkenning is gebleken dat hiervoor geen technische belemmeringen bestaan. Vanuit communicatie richting de bewoners kan het logisch zijn om de Rivierenbuurt na uitvoering van de proeftuin direct op te pakken. Wel moet nagegaan worden wat de mogelijkheden en beperkingen zijn met het oog op de herinrichting van de openbare ruimte.
Potentieel aantal woningen: 190 (de overige woningen zijn kookgas woningen) Middenbeemster De nieuwbouw in Middenbeemster wordt aangesloten op het warmtenet. De leiding heeft een overcapaciteit. Er kunnen ongeveer 800 extra woningen worden aangesloten op deze leiding. Uitbreiding van het aantal aansluitingen op deze leiding zal hier niet tot een inefficiënt netwerk leiden. Op dit moment is de woningbouwcorporatie in gesprek met SVP over de mogelijkheden om 400 woningen over te zetten op netwarmte. Of dit mogelijk is, hangt niet alleen samen met de hoogte van de BAK,
33
TRANSITIEVISIE WARMTE
maar ook met de Beheer- en Onderhoudsagenda van de woningbouwcorporatie in de periode tot 2030. Ook moet er nog met de huurders gesproken worden over hun ideeën en wensen. Daarnaast loopt er een onderzoek naar de potentie van riothermie vanuit de rioolwaterzuivering. Potentieel aantal woningen: 400 - 800
Bovenstaande punten moeten worden uitgewerkt in een WUP, voordat een voorfinancieringsvoorstel aan de gemeenteraad kan worden voorgelegd. Potentieel aantal woningen: 970
Zuidoostbeemster De nieuwbouw in Zuidoostbeemster wordt aangesloten op het warmtenet. De leiding heeft een overcapaciteit van ongeveer 400 woningen. Uitbreiding van aantal aansluitingen op deze leiding zal hier niet tot een inefficiënt netwerk leiden. In Zuidoostbeemster staan 180 woningen van Wooncompagnie en 60 woningen van Woonzorg Nederland. Er zijn op dit moment geen concrete plannen. Potentieel aantal woningen: 400 Wheermolen-Oost De komende tien jaar ondergaat een deel van Wheermolen-Oost een transformatie. Vanaf 2024 zal een groot aantal woningen van Intermaris gesloopt en vervangen worden door nieuwbouw. Ook elders binnen het plangebied vindt nieuwbouw plaats. Alle nieuwbouw wordt aardgasvrij opgeleverd. De openbare ruimte wordt tevens heringericht. Als de nieuwe woningen aangesloten worden op het warmtenet, komt de vraag op de gemeente af of er een overcapaciteit moet worden aangelegd voor de overige, op het aardgasnet aangesloten woningen in de wijk (zie paragraaf 4.2). De nieuwe gemeente kan overcapaciteit eventueel voorfinancieren, mits: • de bestaande woningen van voldoende warmte kunnen worden voorzien (zie paragraaf 4.2); • er (financieel) zicht is op realisatie van de warmtetransitie. Bij voorfinanciering moet de periode tussen de aanleg van de warmteleiding en de daadwerkelijke warmtetransitie van de bestaande woningen zo kort mogelijk zijn.
Overwhere PurmerNoord Centrum Middenbeemster Proeftuin Overwhere RivierenbuurtOverwhere Wheermolen-Oost
Weidevenne
de Gors
Zuidoostbeesmter
Figuur 3: Ligging van de wijken die voor 2030 beschouwd worden (spoor 1)
34
TRANSITIEVISIE WARMTE
6.2.3 Spoor 2: het buitengebied en de kernen Noordbeemster en Westbeemster In het buitengebied en de dorpen Noordbeemster en Westbeemster spreekt de TVW nu nog geen definitieve voorkeur uit. Wel hebben de Startanalyse en de analyse van DWA inzichtelijk gemaakt dat de warmte transitie hier relatief kostbaar zal zijn, tenzij groengas of nieuwe, nog onbekende technologieën in de toekomst beschikbaar komen. Dit zal voor 2030 niet het geval zijn en het is zeer onzeker of dat na 2030 wel zo is. Door de ligging en spreiding van de woningen lijkt op dit moment aansluiting op het bestaande warmtenet financieel onhaalbaar. Tegelijkertijd zijn ook individuele voorzieningen juist in het buitengebied en deze twee kernen duur. Dat heeft te maken met de bouw en leeftijd van de panden. Door de constructie en toegepaste materialen moeten er naar verwachting zeer veel isolatiemaatregelen worden getroffen om de woningen van voldoende warmte te kunnen voorzien. Isolatie is in alle gevallen verstandig, ook als groengas in de toekomst een optie blijkt te zijn. Daarnaast liggen er in dit gebied kansen voor zonnepanelen op daken. DWA adviseert daarnaast om nu al in te zetten op individuele hybride warmtepompen naast de bestaande aardgasaansluiting. Deze hybride warmtepompen reduceren het aardgasverbruik. Ze vormen een no-regretmaatregel voor het geval dat groengas beschikbaar komt.
Ze kunnen namelijk in combinatie met groengas worden gebruikt. De nieuwe gemeente ontwikkelt een aanpak voor het buitengebied en de twee kernen, die gericht is op het samenbrengen van huiseigenaren. Deze aanpak moet erin resulteren dat: • woningen geïsoleerd worden. In het nieuwe isolatiebeleid zal speciaal aandacht worden geschonken aan de woningen, die door hun afgelegen ligging niet in aanmerking komen voor aansluiting op het warmtenet. 18
• er collectief isolatiematerialen en energievoorzieningen worden ingekocht, zoals zonnepanelen en hybride warmtepompen. • particuliere eigenaren de weg vinden richting Rijksubsidies. Zo is er momenteel een Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) beschikbaar voor hybride warmtepompen of een Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) voor isolatiemaat regelen. • huiseigenaren zich gaan verenigen (bijvoorbeeld in energiecorporaties) waardoor voor een cluster van woningen een klein warmtenetwerk kan worden ontwikkeld met een eigen bron. • de capaciteit van het elektriciteitsnet van Liander tijdig wordt uitgebreid. Het elektriciteitsnet in Beemster heeft namelijk onvoldoende capaciteit om grote aantallen woningen all-electric te kunnen verwarmen. De situatie in Beemster staat niet op zichzelf. Netwerkbeheerder Liander moet op een groot aantal plekken in hun verzorgingsgebied de capaciteit van het elektriciteitsnet uitbreiden (zie ook paragraaf 2.7). Liander heeft in het verleden aangegeven dat zij niet overal tegelijkertijd kan investeren en dat Beemster alleen prioriteit kan krijgen als er direct aanzienlijke vraag is. Zij heeft daarbij gesteld dat het niet uit maakt of de vraag voortkomt uit energieopwekking door bijvoorbeeld zonnepanelen (teruglevering) of energieverbruik.
De nieuwe gemeente wil erop toezien dat Beemster een hoge prioriteit krijgt bij Liander en neemt daarom de regie om agrarische ondernemers te betrekken bij de energietransitie en warmtetransitie. Er moet zo genoeg animo worden gegenereerd voor zonnepanelen op grote daken, zoals stallen en ander agrarisch vastgoed. Als voldoende ondernemers bereid zijn mee te werken, zal Liander het elektriciteitsnet uit moeten breiden. Ook gaat de nieuwe gemeente tijdig in overleg met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed om te zorgen dat noodzakelijke elektriciteitsvoorzieningen goed ingepast worden in de omgeving.
Uit de netimpactanalyse van Liander komt naar voren dat de elektriciteitsvraag in de regio de komende tien jaar toeneemt en dat het netwerk zonder aanpassingen in de periode 2025-2030 het einde van haar capaciteit benadert.
35
TRANSITIEVISIE WARMTE
6.3 De aanpak in aantallen uitgedrukt Als doelstelling is gedefinieerd dat er na de proeftuin en bovenop de kookgaswoningen ongeveer 2500 woningen van het gas af worden gehaald voor 2030 (zie paragraaf 3.2). Hier wordt aan voldaan als alle bovengenoemde wijken daadwerkelijk tot uitvoering komen en er onder de huiseigenaren voldoende animo is. Sloop / nieuwbouw Rivierenbuurt
390 - 500 woningen 190 woningen
Middenbeemster
400 - 800 woningen
Zuidoostbeemster
400 woningen
Wheermolen-Oost
970 woningen
Totaal
2350 -2860 woningen
36
TRANSITIEVISIE WARMTE
Hoofdstuk 7: Actielijst In de TVW zijn vervolgacties benoemd, die uitgevoerd gaan worden, zodat de warmtetransitie in de nieuwe gemeente een succes wordt. Hieronder staat een opsomming van de belangrijkste acties. In de tabel is tevens aangegeven in welk hoofdstuk de actie staat beschreven en wanneer de actie uitgevoerd moet zijn. Actie
Hoofdstuk
Gereed
Een uitvoeringsagenda voor al het klimaat- en energiebeleid (waarvan de TVW een onderdeel wordt) 1
2022
Afspraken maken over informatievoorziening door makelaars
2021
2
Samen met partners spelregels en rollen definiëren rondom de warmtetransitie (o.a. aan de hand van 2 ervaringen in de proeftuin)
2022-2024
Duurzaamheid borgen bij gebiedsontwikkeling
2
2022
Bodemenergieplan opstellen
2
2022
Verkenning van een warmtetransitiefonds op gemeentelijk niveau
3
2022
Evaluatie van het Duurzaam Bouwloket
3
2021
Onderzoek naar energiecoaches
3
2022
Met SVP verkennen wat de (on)mogelijkheden zijn voor middentemperatuur bij nieuwbouw
4
Eind 2021
Nieuwbouw, uitvoeringsplannen warmtetransitie en capaciteit huidige warmtenetwerk bij elkaar leg- 4 gen, om zo een basis te hebben voor verdelen van kosten voor uitbreiding van het warmtenetwerk
2022
Isolatiebeleid omvormen
5
Begin 2022
Bewustwordingscampagne energietransitie opzetten
5
Begin 2022
Inventarisatie uitvoeren en ontwikkelplan opstellen voor het gemeentelijk vastgoed
5
2021
Voorstel naar de gemeenteraden voor het stopzetten van zachte leningen
5
2021
Verkenning naar gemeentebrede aanpak voor overstap van aardgas naar elektrisch koken
6
2022
Aanpak ontwikkelen voor het buitengebied
6
2023
Totaalontwerp maken voor het warmtenet
6
2022- 2023
Warmtetransitie van de kookgaswoningen meenemen bij het herijken van de prestatieafspraken
6
Medio 2023
Wijkactieplannen ontwikkelen voor de vier genoemde wijken
6
2022-2024
Tabel 3: uit te voeren acties Bovenstaande acties nemen ambtelijke capaciteit in beslag. Dit kan grotendeels binnen de huidige formatie worden opgevangen. Voor het vaststellen van deze concept TVW in de gemeenteraadsvergaderingen van oktober 2021 wordt geïnventariseerd of er aanvullende capaciteit nodig is.
37
COLOFON Dit is een uitgave van de Gemeente Purmerend Purmersteenweg 42
1441 DM Purmerend Juli 2021 Foto’s:
PvD Fotografie, gemeente Purmerend. Vormgeving
Vink Grafische Vormgeving Aan de inhoud kunt u geen rechten ontlenen.