Transitievisie warmte Purmerend en Beemster, juli 2021.pdf
Tekst van het document
TRANSITIE VISIE WARMTE
JULI 2021
TRANSITIEVISIE WARMTE
VOORWOORD
Vlak voor de verkiezingen presenteren wij deze Transitievisie Warmte (TVW). Daarmee geven we aan dat de warmtetransitie een nieuwe fase in is gegaan. Waar we vier jaar geleden nog niet veel meer hadden dan een wild idee om ‘woningen van het aardgas af te halen’, heeft Purmerend nu als één van de eerste gemeenten in Nederland ervaring. In Overwhere-Zuid zijn woningen aardgasvrij gemaakt. We hebben als overheid geleerd dat de warmtetransitie zeer complex is en dat transitie de komende decennia veel van ons als organisatie en van de samenl eving zal vragen. De tijd is rijp om onze ervaring en opvattingen in beleid te vervatten. We hebben spelregels nodig waarlangs wij de warmtetransitie de komende jaren vorm gaan geven. De warmtetransitie staat niet op zichzelf. Het is een onderdeel van een veel breder klimaat- en duurzaamheidsvraagstuk. Om de klimaatverandering in te perken, moet het gebruik van fossiele brandstoffen in 2050 naar nul zijn teruggebracht. Dat betekent dat de mens haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen in rap tempo moet afbouwen. Er is een volledige energietransitie nodig en dat heeft invloed op de hele samenleving: we zullen als mensen anders moeten reizen en werken. Onze woningen gaan op de schop en zelfs het voedsel op ons bord zal de
komende jaren verduurzamen. Als gemeente hebben we een grote taak en niet alleen als aanjager van de warmtetransitie of als vergunningverlener. De klimaatopgave zal ook een stempel drukken op ons ruimtelijke ordeningsbeleid, ons inkoopbeleid, het beheer van onze openbare ruimte, de riolering, etc. In de afgelopen periode hebben Beemster en Purmerend stappen gezet op het gebied van klimaatverandering. Zo zijn bijvoorbeeld het klimaatadaptatieplan en de duurzaamheidsagenda vastgesteld. Het is aan de nieuwe gemeente om het klimaatvraagstuk verder op te pakken en integraal in te bedden in de organisatie. Wij definiëren in deze TVW concrete stappen op het gebied van de energietransitie en hopen dat het volgend college deze TVW op zal laten gaan in een alles omvattende klimaat-, energie- en duurzaamheidsagenda.
Paul van Meekeren, wethouder duurzaamheid Purmerend Jos Dings, wethouder duurzaamheid Beemster
2
VOORWOORD TRANSITIEVISIE WARMTE
SAMENVATTING Voor u ligt de Transitievisie Warmte (TVW), opgesteld door gemeente Purmerend en gemeente Beemster. In deze visie staat verwoord hoe de nieuwe gemeente na de fusie de warmtetransitie vorm gaat geven. Het einddoel is dat alle woningen in 2050 fossielvrij en dus vrij van CO2-uitstoot zijn. In Purmerend is 72% van de woningen al aangesloten op een warmtenet. In het totaal gaat het om ongeveer 14.500 woningen en 2700 kookgaswoningen, die nog van het aardgas af worden gehaald. De TVW heeft deze ambitie gespecificeerd voor de periode tot 2030. De ambitie is dat voor 2030: • geen nieuwe woningen meer worden aangesloten op het aardgasnet; • alle kookgaswoningen aardgasvrij zijn gemaakt; • de resterende 658 woningen in de proeftuin aardgasvrij zijn gemaakt, onder de uitgangspunten zoals verwoord in de uitvoeringsstrategie voor de proeftuin; • daar bovenop nog eens 2500 woningen van het gas af zijn gehaald. Onder deze woningen vallen ook de woningen die worden gesloopt en herbouwd. Daarnaast zet de nieuwe gemeente in op isolatie van de bestaande woningen en wordt er een gemeentebrede bewustwordingscampagne gestart om inwoners te doordringen van de noodzaak en consequenties van de energietransitie.
Voorkeursalternatief Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving en advies van het ingenieursbureau DWA is gedefinieerd welke methode om woningen te verwarmen, de voorkeur heeft. Voor de huidige gemeente Beemster zijn individuele oplossingen overal goedkoper dan een aansluiting op een warmtenet, met uitzondering van de woonkernen Middenbeemster en Zuidoostbeemster. Daar is aansluiting op het warmtenet een goedkoper alternatief.
Voor Purmerend is in de meeste buurten aansluiting op het warmtenet de goedkoopste optie, met uitzondering van enkele woningen aan de randen van de stad. Voor een groot deel van de binnenstad is de uitvoerbaarheid lastig voor zowel aansluiting op het warmtenet als voor het gebruik van warmtepompen. Doordat er weinig ruimte is voor ondergrondse leidingen, zijn beschikbare alternatieven op sommige plekken moeilijk uitvoerbaar. Voor zowel het buitengebied als voor de binnenstad geldt dat de TVW nu nog geen definitieve keuze maakt en ruimte laat voor nieuwe, nog te ontwikkelen buitengebied en groengas. Daarnaast zet de nieuwe gemeente voor het buitengenbied in op het vormen van collectieven, waardoor een klein warmtenetwerk met eigen bron voor een cluster van woningen wellicht haalbaar wordt.
Wijkaanpak tot 2030 Er wordt in de periode tot 2030 een tweesporenbeleid gevoerd om de buurten aardgasvrij te maken. Het eerste spoor heeft betrekking op het daadwerkelijk aardgasvrij maken van woningen. Als eerste zijn de woningen in de proeftuin in Overwhere-Zuid aan de beurt. Daarna wordt gekeken naar Wheermolen-Oost, Middenbeemster, Zuidoostbeemster en de Rivierenbuurt. De daadwerkelijke uitvoering van deze projecten hangt mede af van (Rijks)financiering. Het tweede spoor heeft betrekking op het buitengebied en de dorpen Noordbeemster en Westbeemster. Voor deze gebieden verkennen we de komende jaren of er belangstelling is bij bewoners en bedrijven om collectieven te vormen. De focus ligt hierbij op isolatie, gezamenlijke inkoop, verenigen van huiseigenaren (met het oog op kleine warmtenetwerken met eigen bron) en uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk.
3
VOORWOORD TRANSITIEVISIE WARMTE
De warmtetransitie is een nieuwe opgave, die vele raakvlakken heeft met andere beleidsterreinen. Om de warmtetransitie goed te verankeren in de organisatie en efficiënt uit te kunnen voeren, is in deze TVW een aantal concrete actiepunten benoemd. Die moeten de komende jaren nader uitgewerkt worden.
4
TRANSITIEVISIE WARMTE
INHOUD
Voorwoord
2
Samenvatting
2
1. Inleiding
6
2. Lokale situatie 2.1 Fusiegemeente 2.2 Omvang van de opgave 2.3 Proeftuin 2.4 Eigen warmtebedrijf 2.5 Cultureel erfgoed 2.6 Ruimtebeslag boven en onder de grond. 2.7 Energienetwerk en energiebronnen
7 7 7 7 8 9 10 10
3. Uitgangspunten, doelstellingen en taakopvatting 3.1 Uitgangspunten 3.2 Doelstellingen 3.3 Taakopvatting
14 14 18 19
4. Nieuwbouw 4.1 Alternatieven 4.2 Koppelkansen nieuwbouw en bestaande bouw 4.3 Koppelkansen tussen nieuwbouwprojecten
21 21 22 23
5. Bestaande bouw 5.1 Inleiding 5.2 Beperking van de warmtevraag 5.3 Alternatief: gebruik maken van het elektriciteitsnet. 5.4 Alternatief: gebruik maken van huidige gasnet 5.5 Alternatief: uitbreiden van een collectief warmtenet 5.6 Alternatief: Individuele bronnen, gekoppeld aan de woning 5.7 Combinatie van alternatieven 5.8 Voorkeursoptie
24 24 24 25 26 27 27 28 28
6. Fasering 6.1 Gemeente-breed 6.2 Wijkaanpak tot 2030 6.3 De aanpak in aantallen uitgedrukt
31 31 31 36
7 Actielijst
37
5
TRANSITIEVISIE WARMTE
1. INLEIDING
Het klimaat verandert en dat is inmiddels voor iedereen voelbaar. De afgelopen paar zomers waren lang en extreem droog. Ook komen er steeds meer heftige, lokale regenbuien voor. Tijdens deze piekbuien komt in enkele uren meer regen naar beneden dan normaal gesproken in een hele maand. Daarnaast stijgt de zeespiegel en als gevolg daarvan verzilt het grondwater en dus de landbouw en natuur van Noord-Holland. De samenleving moet op deze veranderingen inspelen. De openbare ruimte moet zo worden ingericht dat regenwater beter wordt opgenomen en wordt vastgehouden in de bodem. Tegelijkertijd moet het rioleringssysteem steeds grotere hoeveelheden regenwater af kunnen voeren.
de regio haar ambities heeft beschreven op het gebied van grootschalige duurzame energieopwekking. Een integraal onderdeel van deze RES 1.0 is de Regionale StructuurWarmte (RSW). De gemeenten Beemster en Purmerend hebben geparticipeerd in de totstandkoming van de RES, incl. de RSW en hebben de TVW opgesteld in het verlengde daarvan. Op haar beurt moet de TVW een kader bieden voor Wijkuitvoeringsplannen. In deze plannen moeten gemeenten aangeven hoe zij de wijken aanpakken, die voor 2030 op de rol staan.
Belangrijker nog is dat de opwarming van de aarde wordt ingeperkt. De CO2-uitstoot en dus het gebruik van fossiele brandstoffen door mensen moet daarom drastisch worden teruggedrongen. Over deze terugdringing zijn internationale afspraken gemaakt, die Nederland heeft ondertekend. De CO2-uitstoot moet in 2030 met 49% zijn teruggedrongen en met 95-100% in 2050. Via het nationale klimaatakkoord hebben de decentrale overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties zich achter deze doelstelling geschaard. Samen staan we aan de lat om de energievoorziening in de samenleving drastisch om te vormen.
Een gemeente is slechts één van de partijen in de energietransitie. Energietransitie is een uitdaging voor de samenleving als geheel. Bewoners, vastgoedeigenaren, netwerkbeheerders, energiebedrijven en talloze andere partijen moeten de handen ineen slaan om de energietransitie van de grond te krijgen. Daarom is deze visie tot stand gekomen in nauwe samenwerking met andere partijen, waaronder woningcorporaties Intermaris, Rochdale en Wooncompagnie, energiecoöperatie Opgewekt in Purmerend, netbeheerder Liander en SVP (Stadsverwarming Purmerend). Ook is er een onderzoek gehouden onder woningeigenaren in Purmerend (Motivaction) en hebben we inwoners van beide gemeenten geïnformeerd via de energiejournaals. De concept TVW wordt daarnaast ter inzage gelegd, zodat alle inwoners van Purmerend en Beemster mee kunnen denken.
In deze TVW geven de gemeenten Purmerend en Beemster aan hoe de nieuwe gemeente na de fusie aan de slag gaat met de noodzakelijke transitie op warmtegebied. De focus ligt – conform afspraken aan de nationale Klimaattafel Gebouwde Omgeving – op de periode tot 2030, maar de TVW kijkt verder. Het einddoel is om in 2050 volledig van het aardgas af te zijn.
In de TVW ligt de focus op de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Andere onderdelen van de bredere energietransitie, zoals vervoer, landbouw en opwek van elektriciteit, vallen buiten de scope van dit beleid. Het is aan het volgende college om gemeentebreed al het klimaat- en energiebeleid, waaronder de TVW, samen te brengen tot één uitvoeringsagenda.
Deze TVW staat niet op zichzelf. In de regio Noord-Holland Zuid is recentelijk een Regionale Energiestrategie (RES 1.0) vastgesteld, waarin
6
TRANSITIEVISIE WARMTE
2. LOKALE SITUATIE 2.1 Fusiegemeente Gemeente Purmerend en gemeente Beemster zullen per 1 januari 2022 één gemeente vormen. Deze TVW wordt echter nog voor de fusie behandeld en wordt dus door twee gemeenteraden vastgesteld. De optie om met twee separate visies te werken is verworpen, omdat de visie richting en koers moet geven aan de warmtetransitie binnen de nieuwe gemeente als geheel. Om ervoor te zorgen dat de visie zowel past bij de huidige gemeente Purmerend als bij de huidige gemeente Beemster is er intern in de ambtelijke organisatie afstemming geweest en is er bestuurlijk nauw samengewerkt bij het opstellen van dit document. Ook zijn beide gemeenteraden betrokken geweest bij de voorbereidingen. 2.2 Omvang van de opgave Na de fusie wonen er circa 92.000 mensen in de nieuwe gemeente. Er staan ruim 37.000 woningen1 in de huidige gemeente Purmerend en meer dan 4000 woningen in de huidige gemeente Beemster. In beide gemeente bij elkaar opgeteld zijn ongeveer 26.600 woningen reeds aangesloten op stadsverwarming en een zeer gering aantal woningen is voorzien van een warmtepomp. Dat betekent dat er nog ca. 14.500 woningen voor hun warmtevoorziening volledig afhankelijk zijn van aardgas. Daar bovenop zijn er nog circa 2700 kookgaswoningen, die zowel een aansluiting hebben op het aardgas als een aansluiting bij SVP. De kookgaswoningen staan allemaal in de stad Purmerend.
Vanzelfsprekend staan er binnen de nieuwe fusiegemeente ook gebouwen, die niet bewoond worden: maatschappelijk vastgoed, kantoren, winkels, bedrijfsgebouwen, agrarische ondernemingen, etc. Voor deze gebouwen wordt geen separaat beleid gemaakt. Waar gesproken wordt
in deze visie over woningen, kan gelezen worden ‘woningen en alle overige panden’. Omwille van de leesbaarheid hebben we de laatste woorden niet telkens opgeschreven. De TVW legt geen separaat beleid vast voor ‘overige panden’, omdat De Koog het enige grotere bedrijventerrein is dat op aardgas is aangesloten. Dit bedrijventerrein is een toekomstig transformatiegebied. De transformatie is het logische moment om keuzes te maken over warmte transitie. De warmtevraag voor bedrijventerrein Bamestra, overige bedrijven en winkels wordt in de wijkaanpak meegenomen (zie paragraaf 6.2). 2.3 Proeftuin Gemeente Purmerend is een van de gemeenten in Nederland die al daadwerkelijk stappen heeft gezet in het aardgasvrij maken van bestaande woningen. De wijk Overwhere-Zuid is aangewezen als proeftuin en de gemeente heeft geld van het Rijk ontvangen om deze wijk aardgasvrij te maken. In de pilotwijk, het eerste deelgebied van de proeftuin, zijn 88 woningen en een school van het aardgas afgehaald. Inmiddels is de uitvoeringsstrategie voor de rest van de proeftuin door de gemeenteraad vastgesteld. Naar verwachting zullen in het najaar van 2021 de uitvoeringswerkzaamheden hervat worden en zal het volgende blok woningen van het aardgas worden afgehaald. De uitvoeringsstrategie is het Wijkuitvoeringsplan (WUP) voor Overwhere-Zuid.
Door de ervaring in de pilot heeft gemeente Purmerend meer ervaring dan andere gemeenten met de warmtetransitie. Dat betekent dat deze TVW een ander karakter heeft dan veel andere TVW’s. Door deze ervaring kunnen scherpere keuzes worden gemaakt. Deze TVW is daarmee concreter en gaat niet alleen uit van wat wenselijk is, maar ook van wat haalbaar is. Belangrijke leerpunten, die gemeente Purmerend in 2020 uit de pilot heeft getrokken, zijn hieronder weergegeven2.
1
Zie woningmonitor 2020
2
Zie evaluatie pilot Aardgasvrij, d.d. 15 december 2020
7
TRANSITIEVISIE WARMTE
• Bewoners moeten een keuze hebben tussen alternatieven. Doordat ze een keuze hebben, wordt voorkomen dat ze zich veroordeeld voelen tot één alternatief. In deze prille fase van de energietransitie zou dat weerstand oproepen. • Iedere woning of pand is uniek. Dat betekent dat er maatwerk geleverd moet worden. Er is een grens aan de verantwoordelijkheid van een gemeente daarbinnen. Een gemeente kan niet alle huiseigenaren volledig ontzorgen. • Een gemeente kan een collectieve aanpak aanbieden aan pand eigenaren, maar als zij niet mee willen doen en kiezen voor een alternatieve manier om hun pand aardgasvrij te maken, is de uitvoering hun eigen verantwoordelijkheid. • Het aardgasvrij maken van woningen is prijzig en is met de huidige aardgasprijs en tariefstructuur voor warmte financieel niet rendabel. • Als een woning op het warmtenet wordt aangesloten, moet de complexiteit in de uitvoering maximaal beperkt worden. Dat betekent dat er niet gelijktijdig andere projecten, zoals rioolvervanging, uitgevoerd mogen worden in de straat. Er zijn niet alleen inhoudelijke lessen geleerd. Er is ook geconstateerd dat de uitvoering van de pilot als een opzichzelfstaand project is uitgevoerd. Dat was nodig in de pioniersfase en zorgde voor de broodnodige slagkracht. Nu is de opstartfase afgerond en moet de warmtetransitie beter worden verankerd in de gemeentelijke organisatie.
Ook beleidsmatig moet het relatief nieuwe dossier ‘warmte’ steviger worden vervlochten met andere beleidsterreinen. Het is aan het nieuwe college om alles rondom klimaatverandering, openbare ruimte, energietransitie en vastgoed nog verder bij elkaar te brengen. 2.4 Eigen warmtebedrijf Gemeente Purmerend heeft een eigen warmtebedrijf (SVP). SVP is daarmee één van de instrumenten in handen van de nieuwe gemeente
om de energietransitie uit te rollen. Na de fusie blijft het bedrijf in gemeentelijke handen. 72% van de woningen in de huidige gemeente Purmerend is reeds aangesloten op het warmtenet (maar een deel daarvan kookt nog op aardgas). Omdat aan het einde van dit jaar in de huidige gemeente Beemster slechts 6% woningen is aangesloten op het warmtenet, daalt het percentage na de fusie tot 65%. Het feit dat in de stad Purmerend al decennialang woningen worden aangesloten op een warmtenet, geeft een voorsprong in de energietransitie: • Een zeer groot gedeelte van de woningen in de nieuwe gemeente is aangesloten op een warmtenet. De warmtelevering van deze woningen kan worden verduurzaamd, zonder aanpassingen in de woningen. Alleen de bronnen aan het netwerk hoeven daarvoor verduurzaamd te worden (zie paragraaf 2.7) • Het warmtenet heeft zichzelf door de jaren heen betrouwbaar getoond. Wel heeft SVP aangegeven dat met de huidige bronnen de maximale leveringscapaciteit is bereikt. Om naar de toekomst de leveringsbetrouwbaarheid te borgen, wordt er geïnvesteerd in een nieuwe biomassacentrale. • Het warmtenet is uit te breiden. De basisinfrastructuur en kennis zijn daarvoor binnen de gemeentegrenzen aanwezig. Ook zijn de inwoners van Purmerend reeds bekend met het warmtenet. De positie van SVP brengt ook andere aspecten met zich mee: • Het bedrijf SVP is een monopolist.
Woningen die op het warmtenet zijn aangesloten, zijn per definitie afhankelijk voor de levering van warmte door SVP. Door wetgeving worden de klanten van SVP beschermd, maar dat laat onverlet dat inwoners van Purmerend soms terughoudend zijn richting SVP vanwege haar monopolypositie3. • De bedrijfsresultaten van SVP hebben effecten op de financiële positie van de gemeente als aandeelhouder. Dit betekent dat de nieuwe gemeente belang heeft bij een solide investering- en exploi3
Zie rapport ‘Vijf tinten groener’ van Motivaction, d.d. 19 februari 2021
8
TRANSITIEVISIE WARMTE
tatiebeleid van SVP. De warmtelevering moet niet alleen technisch betrouwbaar zijn, maar ook op financieel gebied moet SVP solide blijven opereren. Terwijl de rest van het land nog filosofeert over wat duurzaam is, zijn voor de stad Purmerend al keuzes gemaakt. Met terugwerkende kracht liggen daardoor de in Purmerend gemaakte keuzes maatschappelijk onder vuur, zoals het gebruik van de biomassacentrale. De voorsprong vereist standvastigheid van SVP als bedrijf, maar ook van de nieuwe gemeente als aandeelhouder. Hierbij moet worden opgemerkt dat SVP zich heeft verzekerd van duurzame brandstof door het langjarige contract met Staatsbosbeheer voor de levering van gecertificeerd resthout uit Nederlandse bossen. • Overheidsbeleid en bedrijfsvoering vloeien in elkaar over. Zo moeten de duurzaamheidsdoelstellingen van SVP in lijn zijn met de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. De manier waarop SVP invulling geeft aan deze doelstellingen is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van het bedrijf zelf, maar de gemeente is vanzelfsprekend wel partner hierbij. Zo werkt de huidige gemeente Beemster bijvoorbeeld samen met SVP en het waterschap aan een onderzoek voor riothermie bij de waterzuiveringsinstallatie in Beemster. Bestaande woningen aansluiten op het warmtenet is een ander product dan nieuwbouwwoningen aansluiten.
Dat komt met name doordat het beslismechanisme anders is. Bij nieuwbouw neemt een projectontwikkelaar een zakelijke beslissing voor alle woningen in het plangebied. Bij de warmtetransitie maken alle woningeigenaren een individuele afweging. De gemeente en SVP zijn nog volop aan het leren welke spelregels en rolverdeling dit nieuwe product met zich meebrengt. Met twee voorbeelden wordt dit geïllustreerd: • Anders dan bij nieuwbouw is in de proeftuin bepaald dat de capaciteit van de leidingen niet wordt berekend aan de hand van het aantal deelnemers. Voor de warmtetransitie is afgesproken dat er voldoende
capaciteit wordt aangelegd, zodat alle woningen uiteindelijk kunnen worden aangesloten. Er wordt dus ook rekening gehouden met woningen, waarvan de eigenaar nu geen aansluiting wil, maar in de toekomst (tegen betaling) misschien wel. • in de uitvoeringsstrategie is vastgelegd dat de coördinerende rol nu nog bij de gemeente ligt, maar steeds meer door de markt moet worden overgenomen. De woningen met een aansluiting op het warmtenet zijn nog niet volledig aardgasvrij. Dat komt omdat SVP momenteel nog niet volledig op duurzame warmtebrandstof draait. SVP maakt gebruik van twee hulp- gascentrales, zodat ook in de koudste maanden alle woningen van warmte kunnen worden voorzien. Ook verbruikt het bedrijf groene elektriciteit om het warme water rond te pompen. Dit betekent dat de energietransitie voor de woningen, die aangesloten zijn of worden op het warmtenet, nog niet ‘klaar’ is. Op dit moment bespaart een woning met een aansluiting op het warmtenet 55% CO2 ten opzichte van een woning met een hoogrendementsketel. Zoals SVP op 9 maart 2021 bij de gemeenteraad van Purmerend heeft gepresenteerd, werkt SVP ernaar toe dat dit percentage in 2030 80% is en in 2050 moet het bedrijf volledig CO2-neutraal zijn.
De nieuwe gemeente zal erop toezien dat duurzaamheidsambities in combinatie met de uitgangspunten betaalbaarheid voor bewoners, leveringszekerheid en een gezonde financiële bedrijfsvoering gehaald worden. 2.5 Cultureel erfgoed De energietransitie brengt met zich mee dat er voorzieningen moeten worden gebouwd in Beemster. Denk hierbij aan bouwwerken, zoals regelstations van het warmtenet of een onderstation in het elektriciteitsnetwerk van Liander. Bij de bouw van dergelijke voorzieningen moet rekening worden gehouden met de status van Unesco werelderfgoed. Om te zorgen dat de inpassing van dergelijke voorzieningen
9
TRANSITIEVISIE WARMTE
zo optimaal mogelijk gebeurt en om onnodige vertraging te voorkomen, wordt er vroeg tijdig contact opgenomen met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
terreinen de juiste randvoorwaarden worden meegegeven. In 2022 komt er een voorstel naar de raad over hoe duurzaamheid vooraf bij projecten het beste kan worden meegewogen.
2.6 Ruimtebeslag boven en onder de grond. Voorzieningen voor de warmtetransitie nemen ruimte in, zowel boven als onder de grond. Denk aan regelstations voor het warmtenet, elektriciteitskabels en warmteleidingen onder de grond, voorzieningen voor koude warmteopslag, etc. Tegelijkertijd wordt de openbare ruimte en de ruimte onder de grond steeds schaarser:
In 2022 stelt de gemeente ook een bodemenergieplan op. Hierin komen alle claims op de openbare, ondergrondse ruimte samen, waaronder de voorzieningen voor de energietransitie. Uit dit bodemenergieplan moet naar voren komen in hoeverre de schaarste aan ruimte onder de grond de keuze voor energievoorzieningen beperkt. Het bodemenergieplan moet kaders geven voor de verdeling van de ondergrondse ruimte. Hier wordt in hoofdstuk 4 verder op ingegaan.
• De nieuwe gemeente groeit. Zo staat in de visie ‘Purmerend 2040’ dat er de komende jaren 10.000 woningen bij worden gebouwd. Dit gaat ten koste van de beschikbare ruimte voor andere voorzieningen. • Er komen meer mensen in de stad wonen. Als gevolg daarvan wordt de openbare ruimte intensiever gebruikt. • In de ‘Visie Leefbare Stad 2040’ staat dat het steeds drukker wordt onder de grond door bijvoorbeeld leidingen, maar ook door wortels van bomen. • In de Klimaatadaptatieplannen van gemeente Purmerend en Beemster en in het Bomenplan 2020-2040 van gemeente Purmerend staat dat er meer groen in de openbare ruimte moet komen en dat er meer rekening moet worden gehouden met de berging van water. De schaarse ruimte boven en onder het maaiveld moet worden verdeeld en plannen moeten op elkaar worden afgestemd. Het is daarom bij gebiedsontwikkelingen van cruciaal belang dat vooraf vanuit alle verschillende beleids
2.7 Energienetwerk en energiebronnen 2.7.1 Scope van regionaal beleid (RES 1.0) Op dit moment wordt er in het bedrijfsleven en door de wetenschap gezocht naar allerlei energiebronnen als alternatief voor aardgas. In Nederland is er bijvoorbeeld discussie gaande over kernenergie, aquathermie en biomassa. We praten over riothermie, biogas en koude-warmteopslag. Er zijn nog meer opties. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van geothermie, waterstof en er staan al diverse bio vergistingsinstallaties in Nederland. Daarnaast kent iedereen wind molens en zonnepanelen, maar er zijn ook minder bekende opties om elektriciteit op te wekken, zoals getijde-energie. Er zijn nog meer voorbeelden en er zullen in de toekomst nog nieuwe alternatieven worden bedacht. Een gemeente moet in de TVW aangegeven wanneer zij welke wijken in de periode tot 2030 van het aardgas af wil halen. Daarnaast moet een gemeente aangeven wat tot 2030 de mogelijke warmte-alternatieven zijn. Om de discussie over de kansrijkheid van de verschillende alternatieven te ordenen, is het plaatje op de volgende pagina opgenomen.
10
TRANSITIEVISIE WARMTE
Elektriciteitsnetwerk
Gasleidingennetwerk
Warmtenet
Voor de warmtetransitie in de nieuwe gemeente zijn zowel individuele bronnen aan het pand relevant, als bronnen op afstand met hun netwerk. Daarbij is de RES 1.0 maar ten dele tot hulp. De RES 1.0 heeft op bronnengebied namelijk een andere scope dan de TVW. De RES 1.0 richt zich op zoeklocaties voor elektriciteitsopwekking (grootschalige zonne-energie en windenergie en op bovengemeentelijke warmtebronnen). De RES 1.0 gaat dus niet in op bronnen aan panden van individuele woningeigenaren en ook niet in op gemeentelijke bronnen. Daarnaast worden in het RSW-deel van de RES 1.0 nog geen keuzes gemaakt tussen warmtebronnen. Het RSW-deel wordt nog bestempeld als een proces van verkennen, kennisdelen en zoeken naar samenwerking4. Om een keuze te maken tussen warmtebronnen kan de gemeente dus niet terugvallen op de RES 1.0.
toekomst verandert. Een gemeente kan wel subsidie verstrekken voor dergelijke bronnen, zoals in de proeftuin. Daarnaast ondersteunen zowel Beemster als Purmerend het Duurzaam Bouwloket. Hier kunnen inwoners informatie krijgen over verduurzamingsmogelijkheden. De technische vertaling van de mogelijkheden en financiële informatie over wat er in een specifieke woning mogelijk is, is aan installatiebedrijven. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij grote gebouwen, bijvoorbeeld kassen of kantoorpanden, ook aan energieopslag kan worden gedaan, zoals bij koude-warmteopslag in de bodem. Opgeslagen energie (warmte) kan dan gebruikt worden wanneer het nodig is. 2.7.3. Bronnen op afstand Andere bronnen staan op afstand, zoals geothermie en biomassacentrales. Als bronnen op afstand staan, moet de energie getransporteerd worden. Voor aardgas gebeurt dat door het gasleidingennet, bij warmte bronnen kan dat via een warmtenet (warm water). Voor bronnen waaruit elektriciteit wordt opgewekt, gebeurt dat via het elektriciteitsnet. Voor alle drie de netwerken wordt gestudeerd op of gewerkt met hernieuwbare, duurzame energiebronnen. In onderstaand schema is indicatief weergegeven welke hernieuwbare bronnen bij welk netwerk horen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de hulp-gascentrales van SVP op aardgas draaien, maar in de toekomst wellicht gebruik kunnen maken van niet-fossiele gassen.
2.7.2 Individuele bronnen aan het pand Sommige duurzame energiebronnen zijn direct aan het pand gebonden, zoals de warmtepomp of zonneboiler. Hierover nemen huiseigenaren zelf beslissingen. De gemeente heeft nu geen juridische middelen om plaatsing van dergelijke bronnen af te dwingen. Wellicht dat dat in de
11 4
Zie RES 1.0
TRANSITIEVISIE WARMTE
TRANSPORTNETWERK
BRON
Elektriciteitsnetwerk
Zonnepanelen Windmolens Waterkracht Kernenergie Etc.
Gasleidingennetwerk
Groengas Waterstofgas
Warmtenet
Biomassa Geothermie Riothermie Aquathermie Power to heat Gascentrale (biogas, groengas of waterstofgas) Etc
Tabel 1: transportnetwerk en bronnen
In het kader van de RES 1.0 is geïnventariseerd welke ambities de regio heeft met betrekking tot elektriciteitsbronnen. Ook is gekeken hoe de vraag naar elektriciteit zich ontwikkelt en wat de capaciteit van het huidige elektriciteitsnet is. Hieruit komt naar voren dat het elektriciteitsnet haar maximale capaciteit in de periode 2025-2030 bereikt. In deze prognose is rekening gehouden met de geplande woningbouw, elektrisch rijden, het opwekken van elektriciteit door particulieren, etc. De komende jaren zullen forse ingrepen in het elektriciteitsnet nodig zijn om al deze maatschappelijke ontwikkelingen op te kunnen vangen. All-electric- oplossingen voor het warmtevraagstuk maken de opgave nog groter.
Hierbij wordt opgemerkt dat de RES 1.0 erop wijst dat zonnepanelen en windenergie niet voldoende zijn om aan de vraag naar elektriciteit te voldoen. De gedachte dat aardgas één-op-één kan worden vervangen door een ander, hernieuwbaar gas spreekt logischerwijs veel mensen aan. De ontwikkeling van technologieën die gebruik maken van het bestaande gasnet staat echter nog in de kinderschoenen. Toepassing van waterstof en groengas voor de warmtevoorziening is volgens de RES 1.0 niet reëel voor 2030. Daarnaast zegt dit document dat beide in de toekomst schaars en kostbaar zullen blijven. De RES 1.0 zegt daarover dat waterstof en groengas in de toekomst daar moeten worden ingezet, waar ze de meest toegevoegde waarde hebben. Alleen voor de binnenstad of het buitengebied is groengas in de toekomst wellicht een optie. Voor meer informatie wordt verwezen naar hoofdstuk 5. De RES 1.0 gaat ook in op bronnen die aan een warmtenet gekoppeld kunnen worden. Voor de regio Zaanstreek-Waterland wordt geothermie als bovenregionale bron met toekomstpotentie genoemd, maar daarbij wordt opgemerkt dat geothermie tot 2030 niet grootschalig mogelijk is. Ook maakt de RES 1.0 duidelijk dat er geen grote bron van restwarmte binnen de nieuwe gemeente aanwezig is. De RSW gaat niet in op lokale bronnen, zoals biomassacentrales of de mogelijkheid van riothermie bij de waterzuivering in Zuidoostbeemster.
2.7.4 Bronnen en de gemeentelijke bemoeienis Zoals in paragraaf 2.7.2 is aangegeven, is de gemeentelijke bemoeienis rondom bronnen aan panden in deze fase van de warmtetransitie beperkt. De gemeente kan generieke informatie en eventueel subsidie verstrekken. Subsidies zijn voor de periode tot 2030 hooguit aan de orde gedurende een wijkaanpak. Naar de huidige inzichten komt er dus tot 2030 geen gemeentebrede subsidie voor bronnen aan panden.
12
TRANSITIEVISIE WARMTE
De situatie ligt anders bij bronnen die op afstand staan en daar is een uitspraak in de TVW over de bemoeienis van de gemeente aan de orde. In de wet ligt vast dat een netbeheerder van een elektriciteitsnet of een gasleidingennet zelf geen energie mag opwekken en dus geen bronnen mag hebben. De stroom of het gas dat zij transporteren wordt dus opgewekt door een ander bedrijf. De situatie rondom warmtenetten en warmtebedrijven ligt anders. De bronnen en het leidingenstelsel mogen in één hand liggen, zoals het geval is bij SVP. Het bedrijf is zowel eigenaar van de warmteleidingen als van de biomassacentrale en de hulp-gascentrales. Dit is echter geen wetmatigheid. SVP hoeft juridisch gezien geen eigenaar te zijn van alle energiebronnen aan het warmtenetwerk. Wat de gemeente betreft kan SVP daarvoor ook de samenwerking aangaan met een extern bedrijf. Dit kan HVC zijn, maar bijvoorbeeld ook een bedrijf als Yeager of Eavor. SVP heeft met HVC inmiddels een opsporingsvergunning aangevraagd en ook met Eavor wordt samengewerkt.
13
TRANSITIEVISIE WARMTE
3. UITGANGSPUNTEN, DOELSTELLINGEN EN TAAKOPVATTING 3.1 Uitgangspunten De ambitie is helder: in 2050 moet de hele nieuwe gemeente vrij zijn van CO2-uitstoot. In deze TVW wordt beschreven wat dat betekent op het gebied van wonen. Om ambities te kunnen verwezenlijken, zijn heldere uitgangspunten en doelen nodig. Alleen dan kan de nieuwe gemeente focus aanbrengen, projecten opstarten en de uitvoering verder brengen. Nationaal gezien komt een aantal uitgangspunten telkens terug als gesproken wordt over energie- of warmtetransitie. Veel voorkomende uitgangspunten zijn: betaalbaarheid, CO2-neutraliteit, betrouwbaarheid en draagvlak. In dit hoofdstuk staat hoe de nieuwe gemeente deze uitgangspunten in zal vullen. 3.1.1 Betaalbaarheid De warmtetransitie is een omvangrijk en daardoor langdurig proces. Dat vraagt innovatiekracht en doorzettingsvermogen. Daarnaast toont de evaluatie van de pilot Aardgasvrij ons ook dat de transitie een kostbaar proces is en dat de investeringskosten om de gebouwde omgeving van het gas af te halen slechts ten dele kunnen worden terugverdiend. Uit deze pilot, en de daarop volgende uitvoeringsstrategie voor het resterende deel van de proeftuin, is naar voren gekomen dat op dit moment ca. 15.000 tot 19.000 euro per woning niet kan worden terugverdiend als een bestaande woning aardgasvrij wordt gemaakt en aangesloten wordt op netwarmte5.
Dat zijn dus de netto kosten in een dichtbebouwde wijk.6 Bij slechtgeïsoleerde woningen lopen de kosten voor een all-electric oplossing op tot ruim 60.000 euro7. Deze kosten lopen zo hoog op, doordat deze woningen alleen van voldoende warmte kunnen worden voorzien als er fors wordt geïnvesteerd in isolatie en de binneninstallaties (bijv. vloerverwarming).
Na de fusie moeten binnen de gemeentegrenzen ca. 14.500 woningen van het aardgas af worden gehaald. De totale kosten liggen op basis van de huidige kennis en prijspeil dus ruim boven de 218 miljoen en kunnen oplopen tot een veelvoud daarvan als veel, met name slecht geïsoleerde woningen met een all-electric oplossing van warmte moeten worden voorzien. Daar komen de kosten van de 2700 kookgaswoningen nog bovenop. Het is ondenkbaar dat de nieuwe gemeente de warmtetransitie van al deze woningen kan financieren. Daar komt nog bij dat er ook kantoorpanden, maatschappelijk vastgoed, bedrijfs gebouwen, winkels, etc. zijn, die aangesloten zijn op het aardgasnet. Vanuit betaalbaarheid zijn daarom de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. De nieuwe gemeente zet in op het verminderen van de warmtevraag. Energie die niet wordt verbruikt, hoeft ook niet te worden opgewekt. Als er minder energie opgewekt hoeft te worden, hoeft er minder geïnvesteerd te worden in duurzame energiebronnen. Om deze reden zet de nieuwe gemeente in op isolatiemaatregelen (zie paragraaf 5.2.1). 2. De nieuwe gemeente zet in de toekomst in op kostenreductie bij concrete warmtetransitieprojecten. De proeftuin is in uitvoering en het motto van de uitvoeringsstrategie is: leren door te realiseren.
Door samen met onze partners te leren, kunnen we de warmtetransitie van project tot project optimaliseren en hopelijk op termijn goedkoper maken. 3. De nieuwe gemeente erkent dat technologieontwikkeling nodig is. Nieuwe, nog te ontwikkelen technieken moeten de warmtetransitie in de toekomst beter betaalbaar maken. De nieuwe gemeente ontwikkelt zelf echter geen technologieën. Die taak is weggelegd voor bedrijven en kennisinstellingen. Wel zorgt de nieuwe gemeente ervoor dat haar kennis en ervaring breed beschikbaar komen voor andere partijen. Zij participeert daarom actief in het
Zie uitvoeringsstrategie van de proeftuin, die in april 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Dit zijn de totaalbedragen, incl. aanpassingen binnenshuis van de woningen. De kosten, die SVP in 25 jaar tijd zal terugverdienen, worden niet meegenomen in de vergelijking tussen alternatieven omdat SVP die kosten ook niet in rekening zal brengen. 7 Zie het document Proeftuin Aardgasvrije Wijken – een maatschappelijk-economische analyse van de proeftuinen. Opgesteld door het Economische Instituut voor de Bouw, maart 2021. 5
6
14
TRANSITIEVISIE WARMTE
Rijksprogramma PAW, werkt mee aan nationale onderzoeken en draagt haar kennis uit op congressen en in webinars. De verwachting is dat andere overheden, bedrijven en kennisinstellingen hierdoor sneller kunnen innoveren, zodat de energietransitie voor iedereen sneller betaalbaar wordt. 4. Rijksfinanciering is nodig. Het financieringsvraagstuk van de warmtetransitie gaat de financiële draagkracht van de nieuwe gemeente te boven. Dat geldt voor alle gemeenten in het land. In Nederland moeten in totaal ruim 7 miljoen woningen van het aardgas af worden gehaald8. Dit gaat vele miljarden kosten. Het Rijk moet bepalen hoe de warmtetransitie bekostigd moet worden. Een aantal opmerkingen moet hierbij worden geplaatst: • Vanuit zowel Purmerend als Beemster is er begrip voor het verhogen van de aardgasprijs, zolang daar de energietransitie (deels) uit bekostigd wordt. Daarnaast wordt overmatig aardgasverbruik erdoor ontmoedigd. Ook worden alternatieve vormen van warmtelevering aantrekkelijker ten opzichte van aardgas als de aardgasprijs omhoog gaat. • Nationale besluitvorming betekent dat er naar alle maatschappelijke kosten gekeken moet worden. Bij het beschouwen van alternatieven heeft de nieuwe gemeente daarom niet alleen oog voor directe, gemeentelijke kosten.
Zij zal zich als partner opstellen richting andere partijen en heeft ook oog voor indirecte, maatschappelijke kosten bij haar partners. Denk hierbij aan de kosten die netbeheerders moet maken voor het verzwaren van het elektriciteitsnet. 5. SVP is een gemeentelijk bedrijf. Als de nieuwe gemeente naar de betaalbaarheid van projecten kijkt, houdt ze daarbij niet alleen rekening met haar eigen financiële positie, maar ook met die van SVP. 6. Door de proeftuinsubsidie kan de gemeente in de proeftuin de
8
warmtetransitie aan eigenaren aanbieden, zonder dat zij financieel hoeven bij te dragen. Vanwege de prille fase van de warmtetransitie is dat een logisch uitgangspunt. Gezien de gigantische financiële opgave, die samenhangt met de warmtetransitie, is dit onrealistisch voor de verdere toekomst. Het lijkt een onvermijdelijke realiteit dat woningeigenaren in de toekomst een eigen bijdrage zullen moeten betalen. Hierbij hoort een aantal beschouwingen: • De energietransitie zal op termijn effect hebben op de huizenprijs. Een woning die nog op het aardgasnet is aangesloten, zal in de toekomst minder waard worden dan een vergelijkbare woning die aardgasvrij is. Als dat het geval is, dan is het logisch dat eigenaren, die goedkoop een woning hebben gekocht, financieel bijdragen aan hun eigen warmtetransitie. Zover is het echter nog niet. • Er moeten financieringsinstrumenten komen voor pandeigenaren. Dit is primair een verantwoordelijkheid van de nationale overheid. Het Rijk werkt op dit moment aan verschillende instrumenten. Zo heeft het Rijk het Nationaal Warmtefonds opgericht, waar woningeigenaren tegen geringe rente geld kunnen lenen om hun huis te verduurzamen. • Pandeigenaren beseffen niet altijd dat zij in de toekomst van het aardgasnet af moeten. En slechts een enkeling weet wat dat in zijn of haar situatie betekent.
Omdat er nog onvoldoende bewustwording is, wordt er nog niet volop gespaard. De nieuwe gemeente heeft een taak om de bewustwording onder haar inwoners rondom de warmtetransitie te vergroten. • De nieuwe gemeente zal aan makelaars vragen om bij de verkoop van een woning, die op aardgas aangesloten is, de kopers te wijzen op lokaal en nationaal beleid rondom energietransitie.
Op 1 januari 2020 stonden er in Nederland 7,9 miljoen woningen (CBS), waarvan 91% was aangesloten op aardgas (bron onsaardgas.nl).
15
TRANSITIEVISIE WARMTE
7. De warmtetransitie is een traject van lange adem. Tegelijkertijd vertonen de kosten van de warmtetransitie én de financierings mogelijkheden van de warmtetransitie grote schommelingen:
• In de periode 1 januari 2021 tot het publiceren van de TVW zijn de financiële kaders rondom de proeftuin bijvoorbeeld al drie keer gewijzigd9. • Subsidies worden in tranches uitgegeven of kennen een plafond. We weten nu niet welke subsidiemogelijkheden het Rijk de komende decennia ontwikkelt. • De hoogte van de onrendabele top van een warmtenet verschilt van locatie tot locatie. Om de BAK (bijdrage aansluitkosten) te berekenen, slaat SVP in de huidige situatie deze onrendabele top om per woning. De BAK verschilt dus ook van locatie tot locatie. • De berekeningsmethode van de BAK is van vele factoren afhankelijk, zoals geprognosticeerd verbruik van bewoners, de prijzen van aannemers en de tarieven die gehanteerd mogen worden. De tarieven zijn op basis van de huidige wetgeving gekoppeld aan de aardgasprijs. Deze factoren verschillen van jaar tot jaar. • Technologische ontwikkelingen maken dat bepaalde technieken met het verlopen van de tijd goedkoper kunnen worden. De nieuwe gemeente voorkomt dat de bijdrage van de eigenaren voor een aansluiting op het warmtenet grote schommelingen kent door de jaren heen en afhankelijk wordt van de wijk of buurt die aardgasvrij gemaakt wordt. Daarom verkent de nieuwe gemeente of een warmtetransitiefonds voor het grondgebied van de nieuwe gemeente haalbaar is.
Als de gemeente dan de wens heeft om een maximum te stellen aan de bewoners bijdrage, dan zou uit een dergelijk fonds het gat tussen de bewonersbijdrage en de door SVP berekenende BAK wellicht kunnen worden gefinancierd. 9
3.1.2 CO2-neutraal Het uiteindelijke doel van de warmtetransitie is een verwarmingssysteem zonder CO2-uitstoot naar de atmosfeer. Alle stappen die de nieuwe gemeente de komende jaren zet, moeten aan deze doelstelling bijdragen. ‘CO2-neutraal in 2050’ betekent niet dat iedere individuele stap in de richting van dat doel, CO2-neutraal moet zijn. Er zijn twee voorbeelden, die aangegeven dat tussenstappen soms ook verstandig zijn: • Woningen, die de komende twee jaar worden aangesloten op het warmtenet, verhogen de warmtevraag bij SVP. Dat maakt dat in de wintermaanden de hulp-gascentrales van SVP harder moeten draaien en dat de woningen dus nog ten dele met aardgas worden verwarmd. Dat deel wordt verder verlaagd als de nieuwe biomassacentrale van SVP in gebruik wordt genomen of als er andere duurzame bronnen op het warmtenet worden aangesloten. • Slechts 18% van alle elektriciteit in Nederland wordt duurzaam opgewekt10. Als een woning overstapt van aardgas naar ‘allelectric’-verwarming, is de kans dus groot dat de elektriciteit voor de warmtelevering nog opgewekt wordt uit fossiele brandstof. Toch is dit een goede stap op weg naar duurzame warmte. Er wordt immers hard gewerkt om het percentage duurzame elektriciteit omhoog te brengen.
Omdat aansluiting op een warmtenet of verwarming via het elektriciteits net randvoorwaarden zijn voor het fossielvrij maken van een woning, zijn de hierboven genoemde voorbeelden goede ‘stappen op weg naar CO2-neutraal’. Bovenstaande voorbeelden hebben allebei betrekking op de aansluiting van woningen op een infrastructuurnetwerk. Ook de bronnen moeten worden beoordeeld op CO2-neutraliteit. Hierbij sluit de gemeente bij het
De Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) is twee keer gewijzigd en wettelijk ligt nu vast dat het verwijderen van aardgasaansluitingen door de netbeheerder moet worden betaald. 10 Dit zijn de cijfers over 2019 (bron CBS)
16
TRANSITIEVISIE WARMTE
begrip ‘CO-vrij’ zoals dat door het Rijk wordt gehanteerd. Concreet betekent dit dat biomassa (hout) een transitiebrandstof is en vanaf 2040 wordt uitgefaseerd. 3.1.3 Betrouwbaarheid De nieuwe gemeente accepteert niet dat mensen letterlijk en figuurlijk door haar toedoen of dat van haar warmtebedrijf in de kou komen te zitten. Betrouwbaarheid staat dus voorop. Daarom moet warmtelevering, waarbij de nieuwe gemeente of het eigen warmtebedrijf betrokken is, technisch betrouwbaar zijn. Vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid zou het voor de hand liggen om alleen in te zetten op bewezen technieken. Dat is op het gebied van de energietransitie echter niet haalbaar. Innovatie en vernieuwing zijn noodzakelijk om de warmtetransitie op grote schaal mogelijk te maken. Er moeten nieuwe bronnen worden toegepast, zoals bijv. geothermie, aquathermie, riothermie, etc. De nieuwe gemeente hanteert als uitgangspunt dat zij verkenningen kan initiëren naar nieuwe bronnen. Dit heeft gemeente Beemster bijvoorbeeld gedaan bij riothermie bij de rioolwaterzuivering in Zuidoostbeemster. De schaal waarop SVP kan investeren in nieuwe technologieën en/of gebruik zal maken van nieuwe technologieën hangt samen met de robuustheid van haar warmtesysteem. Als SVP de warmtelevering kan garanderen voor alle woningen, staat het haar vrij om voorop te lopen en te kiezen voor innovatie.
Als pandeigenaren er zelf voor kiezen om hun woning zonder tussenkomst van de nieuwe gemeente of SVP op een alternatieve manier te verwarmen (bijvoorbeeld all-electric), dan is de betrouwbaarheid van de warmtelevering de eigen verantwoordelijkheid van de bewoner/eigenaar en houdt de verantwoordelijkheid van de overheid op. Dat geldt ook
voor de situatie waarin een blok woningen of een appartementencomplex aangesloten worden op een klein, stand alone netwerk. Het is denkbaar dat in de toekomst ontwikkelaars en woningeigenaren aan SVP de vraag stellen of zij een dergelijk stand alone netwerk wil ontwikkelen, financieren of beheren. De nieuwe gemeente en SVP gaan in 2022 met elkaar in overleg om te bezien of hier een rol voor SVP ligt. De betrouwbaarheid van dergelijke systemen en technologieën zal hierbij een belangrijk criterium zijn. Betrouwbaarheid heeft ook betrekking op de houding van de gemeente naar haar inwoners. Uit de pilot hebben we geleerd dat we als overheid transparant en eerlijk moeten communiceren over de warmtetransitie. We moeten objectief en onafhankelijk uitleg geven over alternatieven en ook moeilijke boodschappen vertellen als dat nodig is. Alleen dan weten we het vertrouwen van huiseigenaren te winnen. 3.1.4 Draagvlak Voor de uitvoerbaarheid van deze TVW is het van belang dat we een goed beeld hebben van de gevoelens van en het draagvlak onder huiseigenaren in Purmerend en Beemster wat betreft de warmtetransitie. Bij de voorbereiding van deze TVW is daarom aan het bureau Motivaction gevraagd om een enquête te houden onder huiseigenaren in Purmerend. Er zijn alleen eigenaren benaderd, waarvan het huis aangesloten is op het aardgasnet. Deze enquête kan beschouwd worden als 0-meting11.
Uit deze enquête komt naar voren dat de warmtetransitie op voorhand niet bij iedereen op draagvlak kan rekenen. Ongeveer de helft van de ondervraagden staat zelfs negatief tegenover het aardgasvrij maken van de woning, vanwege de hoge kosten. Ook plaatst een grote groep van de ondervraagden vraagtekens bij de vraag of de alternatieven wel duurzaam genoeg zijn. Daarnaast is slechts 23% van de huiseigenaren 11
Zie rapport ‘Vijf tinten groener’ van Motivaction, d.d. 19 februari 2021
17
TRANSITIEVISIE WARMTE
positief over netwarmte als alternatief om het huis mee te verwarmen. Ook is de informatiebehoefte hoog. 49% van de ondervraagden geeft aan dat het niet duidelijk is welke stappen zij moeten zetten om hun woning aardgasvrij te maken. Het beeld dat uit de enquêteresultaten naar voren komt, komt overeen met de ervaringen in de pilot. In de pilot hebben de partners ervaren dat mensen behoefte hebben aan kennis. Draagvlak ontstond in de pilotwijk pas na intensief contact en op basis van meer (financieel) inzicht in mogelijke alternatieven. Na een uitvoerig participatietraject heeft 89% voor het warmtenet gekozen en zijn drie eigenaren overgestapt op een all-electric variant12. Draagvlak is noodzakelijk om van de warmtetransitie een succes te kunnen maken. Voorlichting, objectiviteit en betrouwbaarheid van de overheid zijn daarbij cruciale succesfactoren. Gemeente Purmerend heeft op basis van de evaluatie van de pilot geconstateerd dat de werkwijze in de pilot te arbeidsintensief was. De communicatie op projectniveau moet minder arbeidsintensief. Om de communicatie op projectniveau behapbaar te houden is het noodzakelijk dat het kennisniveau over de warmtetransitie en de bewustwording onder inwoners van de nieuwe gemeente omhoog gaat.
Daarom ontwikkelt de nieuwe gemeente een gemeentebrede bewustwordingscampagne om de kennis onder de bevolking over de energietransitie te vergroten en de ‘sense of urgency’ in de samenleving aan te wakkeren. In hoofdstuk 6 gaan wij hier dieper op in. 3.2 Doelstellingen Het is geen doel op zich om koploper te zijn op het gebied van de warmte transitie. Het is echter wel een gegeven dat de nieuwe gemeente voorop loopt. Dit komt doordat in de stad Purmerend al decennialang woningen worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast is Overwhere-Zuid aangemerkt als proeftuin en zijn er al 88 woningen en een school 13
succes vol van het gasleidingennet afgekoppeld. Deze koplopersrol brengt verantwoordelijkheden met zich mee (zie paragraaf 3.3). Het einddoel is dat in 2050 alle woningen van het aardgas af zijn gehaald. Dit is een bijstelling van het document ‘Routekaart - Naar een aardgasvrij Purmerend in 2035.’ Op basis van de ervaringen in de proeftuin, is duidelijk geworden dat de oude doelstelling helaas niet haalbaar is13. Op basis van de nieuwe doelstelling moeten in de nieuwe gemeente in totaal ca. 14.500 woningen en ca. 2700 kookgaswoningen aardgasvrij worden gemaakt. De kookgaswoningen zijn relatief eenvoudig van het aardgas af te halen, omdat zij al aangesloten zijn op het warmtenet. De doelstelling voor de nieuwe gemeente is om bij voorkeur in 2026, maar uiterlijk in 2029 alle kookgaswoningen van het aardgas af te hebben gehaald. Voor de overige 14.500 bestaande woningen heeft de nieuwe gemeente 29 jaar de tijd. Dat komt neer op gemiddeld 500 woningen per jaar. In de eerste jaren zal de warmtetransitie minder snel gaan dan in de jaren erna. Dat komt omdat de transitie nu nog in de fase zit van ontwikkeling en leren. Het motto van de proeftuin is niet voor niets ‘leren door te realiseren’. In de loop der jaren kan het tempo in dichtbebouwde gebieden worden opgevoerd en zullen naar verwachting de kosten per woning omlaag gaan.
Voor de buitengebieden is dat laatste naar huidige verwachting niet het geval. De nieuwe gemeente zal zich in de periode tot en met 2024 focussen op de uitvoering van de proeftuin. Daarmee kunnen naast de kookgaswoningen maximaal 658 panden van het aardgas af worden gehaald. De planvorming voor nieuwe wijken kan vanaf eind 2022 worden opgepakt, maar het is met de kennis van nu niet realistisch om te verwachten dat buiten Overwhere-Zuid veel bestaande woningen daadwerkelijk fossielvrij
De routekaart is in 2017 alleen door het college van Purmerend vastgesteld. De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de routekaart niet vast te stellen.
18
TRANSITIEVISIE WARMTE
worden gemaakt voor het jaar 2024. Een uitzondering hierop kan sloop/ nieuwbouw zijn. Daarvoor hoeft geen beleid te worden gemaakt, omdat in wetgeving vastligt dat nieuwe woningen aardgasvrij moeten worden opgeleverd. De doelstelling voor de nieuwe gemeente is om in de periode 20242030 nog eens 2500 woningen aardgasvrij te maken. De haalbaarheid van deze doelstelling is mede afhankelijk van de subsidiemogelijkheden bij het Rijk (zie paragraaf 3.1.1). 3.3 Taakopvatting De gemeente als partner van haar inwoners De energietransitie raakt iedere inwoner van de nieuwe gemeente. Het Motivactiononderzoek laat zien dat een deel van de inwoners al volop bezig is met energietransitie. Deze mensen brengen zonnepanelen aan, laten hun gevel isoleren en draaien de thermostaat een graadje lager. Ze lopen er echter ook tegenaan dat technologische ontwikkelingen snel gaan en dat informatiebronnen soms tegenstrijdig zijn.
Vragen die deze inwoners hebben, zijn bijvoorbeeld: Is het verstandig om te investeren in een hybride warmtepomp? Moet ik investeren in een zonneboiler, zonnepanelen of allebei? Wat is het terugverdieneffect van dakisolatie? Is vacuümglas een goede optie in mijn kozijnen? Mag je bij een geverfde gevel de spouwmuur isoleren of werkt de isolatie dan juist averechts? Moet ik mijn hardstenen dorpels vervangen of zijn andere investeringen zinvoller? De nieuwe gemeente gaat mensen nog intensiever op weg helpen naar een goed geïsoleerde woning. Daarvoor werken beide gemeentes al een aantal jaar samen met het Duurzaam Bouwloket. Hier kunnen mensen terecht met al hun vragen op het gebied van
de warmtetransitie in hun eigen woning. In 2021 evalueert de nieuwe gemeente de samenwerking met het Duurzaam Bouwloket en houdt zij een enquête onder gebruikers om na te gaan hoe de dienstverlening door het bouwloket kan worden geoptimaliseerd. Daarnaast wordt in 2022 ook bezien of naar voorbeeld van andere gemeenten energiecoaches bij particulieren thuis langs kunnen gaan. Deze coaches kunnen inwoners gericht voorzien van informatie over gedrag en het dagelijkse energieverbruik. Via de prestatieafspraken zijn al afspraken gemaakt over energiecoaches voor corporatiewoningen. Het Motivactionrapport geeft aan dat een grote groep mensen nog nauwelijks nadenkt over hun energieverbruik en de isolatiegraad van hun woning. Ook is nog lang niet iedereen zich bewust van de financiële gevolgen van de energietransitie. Ze houden er nog geen rekening mee dat ze in de toekomst zelf moeten investeren in hun woning. Voor de nieuwe gemeente is het ook belangrijk om deze mensen te bereiken. De nieuwe gemeente gaat na of energiecoaches hier een rol in kunnen spelen. Eigenaren van woningen zijn aan zet De eigenaren van panden, die op aardgas zijn aangesloten, zijn op dit moment verantwoordelijk voor de keuze of hun woning fossielvrij wordt of niet. Juridisch gezien is het onmogelijk om een pand van het aardgasnet af te koppelen, zonder hun toestemming.
Pandeigenaren zijn aan zet en niet de nieuwe gemeente. Concreet betekent dit dat de nieuwe gemeente met inwoners in gesprek kan gaan en eigenaren op basis van argumenten kan ondersteunen bij hun keuze. De gemeente kan niet anders dan zich richting bewoners en eigenaren opstellen als een hulpvaardige, onafhankelijke partij. De nieuwe gemeente is bij de warmtetransitie nooit een eisende partij en kan de uitvoering niet afdwingen. Mocht de wetgeving de komende jaren veranderen en mocht afkoppeling van het aardgasnet vanuit nationale wetgeving wel afdwingbaar
19
TRANSITIEVISIE WARMTE
worden, dan is het nog aan de woningeigenaren om een keuze te maken tussen alternatieven. De nieuwe gemeente hanteert het uitgangspunt dat eigenaren nooit gedwongen worden aangesloten op een collectief systeem. Eigenaren die zelfvoorzienend willen zijn, moeten dat kunnen worden (zie paragraaf 2.7.2). Ook als de wetgeving wordt gewijzigd zal de nieuwe gemeente mensen altijd wijzen op deze keuzevrijheid. Gemeente als regievoerder De gemeente ontwikkelt en bekostigt zelf geen nieuwe energiebronnen en de ambtelijke organisatie beheert ook geen gas-, elektriciteit- of warmtenet. Die taak ligt bij andere partijen en is in het specifieke geval van het warmtenet bewust ondergebracht bij het bedrijf SVP (zie paragraaf 2.4). Voor de nieuwe gemeente is daarentegen een belangrijke rol weggelegd als regievoerder. Zij is bij uitstek de partij die netwerkbeheerders, energiebedrijven, bouwbedrijven, etc. en inwoners bij elkaar kan brengen. Zij heeft geen directe belangen en kan er daardoor voor zorgen dat bewoners en eigenaren objectief worden geïnformeerd. De nieuwe gemeente heeft wel indirecte belangen vanwege de financiële positie van SVP. Heldere kaders vooraf rondom SVP zijn daarom van cruciaal belang om de objectiviteit te borgen. De rol als regievoerder is tweeledig.
In de eerste plaats moet de gemeente aanwijzen in welke buurt, wijk of straat daadwerkelijk werk gemaakt wordt van de warmtetransitie. Hiervoor is afstemming tussen partijen nodig en de nieuwe gemeente zal die rol op zich nemen. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 6. Daarnaast heeft de nieuwe gemeente ook een regierol op projectniveau. In de uitvoeringsstrategie voor de rest van de proeftuin is vastgelegd dat de gemeente de komende jaren de uitvoering coördineert. Ook is vastgelegd dat deze rol de komende jaren – als de warmtetransitie meer volwassen wordt – kleiner wordt.
Marktpartijen zullen steeds meer verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen. Bestuurlijke partner op het regionale en nationale speelveld. In Purmerend is veel ervaring opgedaan op het gebied van de warmtetransitie en daardoor is de nieuwe gemeente koploper op dit terrein. Tientallen mensen, waaronder de koning, ministers, vertegenwoordigers van bedrijven en ambtenaren hebben een bezoek gebracht aan de proeftuin in Overwhere-Zuid om van onze aanpak te kunnen leren. Deze rol, die gemeente Purmerend in het verleden heeft aangenomen, en de kennisvoorsprong brengen verwachtingen bij andere partijen met zich mee. De nieuwe gemeente zal zich actief inzetten om discrepanties in wet- en regelgeving binnen de VNG en op Rijksniveau aan te kaarten. Ze zal subsidies waar mogelijk gebruiken, maar ook van feedback voorzien om ze praktischer en werkbaarder te maken. Op basis van deze TVW zal de nieuwe gemeente bij het Rijk pleiten voor financiering en waar mogelijk helpen om de bewustwording in de Nederlandse samenleving te vergroten. De nieuwe gemeente zal samenwerking blijven zoeken binnen de MRA en Zaanstreek-Waterland en stelt haar kennis aan eenieder beschikbaar. De nieuwe gemeente helpt mee om de warmtetransitie te laten innoveren.
20
TRANSITIEVISIE WARMTE
4. NIEUWBOUW 4.1 Alternatieven De nieuwe gemeente kent een grote nieuwbouwopgave. Het programma ‘Purmerend 2040’ hanteert als uitgangspunt dat er in de periode tot 2040 meer dan 10.000 woningen moeten worden bijgebouwd. Op talloze plekken in Purmerend en Beemster wordt aan deze opgave gewerkt. Er staat een aantal grote transformaties in de planning, zoals in Wheermolen-Oost en het bedrijventerrein De Koog. Daarnaast wordt het stationsgebied ontwikkeld, krijgt het gebied tussen de Hoornsebrug en de Kooimanbrug een impuls en wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van Purmer-Zuid Zuid. Ook op andere plekken gaat de schop de grond in. Er zijn bijvoorbeeld plannen voor woningbouw op een deel van de golfbaan aan de oostkant van Purmerend en op de locatie van het gemeentehuis in Middenbeemster. Er zijn nog meer, ook kleinere, locaties in ontwikkeling. Sinds 1 juli 2018 staat in de wet dat nieuwbouw niet meer aangesloten mag worden op het aardgasnet. Een gemeente kan daar als bevoegd gezag vanaf wijken, maar daar moet een goede onderbouwing voor geleverd worden. Met deze TVW spreken de gemeenteraden van Purmerend en Beemster uit de dat de nieuwe gemeente in principe geen gebruik meer zal maken van deze afwijkingsmogelijkheid. In de binnenstad van Purmerend kan hier, in specifieke gevallen, vanaf geweken worden.
Alle woningen moeten dus op een alternatieve wijze van warmte worden voorzien. Daar zijn drie opties voor: • Aansluiting op het huidige warmtenet • Individuele voorziening • Klein netwerk met eigen bron 4.1.1 Aansluiting op het huidige warmtenet In het verleden schreef gemeente Purmerend voor dat alle nieuwbouw-
projecten aangesloten moesten worden op het warmtenet. Dat is al enige jaren niet meer zo en de nieuwe gemeente zal dit in de toekomst ook niet meer voorschrijven. Het einddoel voor de nieuwe gemeente is dat alle woningen in 2050 fossielvrij worden verwarmd en gezien alle ontwikkelingen en innovatie past het niet dat de nieuwe gemeente een specifieke techniek voorschrijft. Daarnaast zijn sinds 1 januari 2012 de Temperatuur Overschrijdingseisen (TOjuli) van kracht geworden bij nieuwbouwprojecten. De TOjuli-eisen voorkomen oververhitting van nieuwe gebouwen. Projectontwikkelaars zullen door deze eisen en de wensen van hun klanten steeds vaker warmtelevering en koeling willen combineren. De nieuwe gemeente laat ze daarin vrij. Wel spreekt de TVW de wens uit dat de warmtelevering energie-efficiënt gebeurt en dat dus nieuwe, goed-geisoleerde woningen niet onnodig op hoge-warmteleidingen worden aangesloten. SVP bekijkt of nieuwbouwprojecten kunnen worden voorzien van middentemperatuur. Nieuwbouwwoningen zijn naar de nieuwste normen geïsoleerd en hebben voldoende aan een aansluiting op een middentemperatuur-voorziening. Om strengen binnen het netwerk van een lagere temperatuur te kunnen voorzien, zijn soms extra voorzieningen nodig, zoals (aanpassingen van) een regelstation. Dit vergt wellicht investeringskosten, maar de exploitatiekosten en het energieverbruik dalen tegelijkertijd.