c1. Overzicht Beemster, wijzigingen en toelichting APV Beemster 2021.pdf
Tekst van het document
16
Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel 2.31 Verboden gedragingen Het is verboden in een horecabedrijf: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30.
Artikel 2.32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2.33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:28 tot en met 2:30. Artikel 2.34 Het college als bevoegd bestuursorgaan [gereserveerd] Afdeling 8A Toezicht op grow-, smart- en headshops
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel van model Apv overgenomen.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel van model Apv overgenomen.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 (Vervallen)
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
n.v.t.
Deze afdeling komt niet meer voor in de model Apv. Reden hiervoor is dat per 1 maart 2015 voorbereidingshandelingen voor
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
Dit artikel is komen te vervallen.
17
illegale hennepteelt strafbaar zijn gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Door deze strafbaarstelling is er in de Apv geen plaats meer voor een vergunningstelsel. Artikel 2.34A Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. growshop, smartshop of headshop: een inrichting, waarin of via welke de eigenaar of exploitant in ieder geval substanties, voorwerpen of gegevens bereidt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde tot en met vijfde lid, van de Opiumwet strfbaar gestelde feiten; b. exploitant: de natuurlijke persoon of vertegenwoordiger van een rechts persoon die een inrichting exploiteert. Artikel 2.34B Vergunningplicht 1. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en kan niet worden overgedragen. Artikel 2.34C Maximum Vergunning kan worden verleend voor maximaal één inrichting zoals bedoeld in artikel 2.34A onder a, binnen de gemeente Beemster. Artikel 2.34D Weigeringsgronden Onverminderd de bepalingen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur wordt de vergunning geweigerd indien: a.
het in artikel 2.34C bedoelde maximum aantal inrichtingen is bereikt; b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan en/of leefmilieuverordening; c. de exploitant binnen vijf jaar voor de aanvraag een inrichting dan wel een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde gesloten is geweest; d. de exploitant de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; e. de exploitant niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 8,
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
18
tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid, van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen; f. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting; g. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Artikel 2.34E Intrekking vergunning Onverminderd de bepalingen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur wordt de vergunning al dan niet voor een bepaalde termijn ingetrokken indien: a. de exploitant van de inrichting handelt in strijd met het bepaalde in deze afdeling; b. de exploitant van de inrichting handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. de exploitant niet of niet langer voldoet aan de eisen gesteld in deze paragraaf; d. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting; Artikel 2.34F Openingstijden 1. Op de openingstijden van de inrichting is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde vantoepassing. 2.
De in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens de Winkeltijdenwet geldende openingstijden vaststellen of al dan niet tijdelijke sluiting bevelen. Artikel 2.34G Sluiting Onverminderd het bepaalde in artikel 2.34F en in artikel 13b van de Opiumwet sluit de burgemeester een inrichting al dan niet voor een bepaalde termijn indien de exploitant niet beschikt over een geldige exploitatievergunning. Artikel 2.34H
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
19
1. Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge artikel 2.34F eerste lid, of krachtens een op grond van artikel 2.34F tweede lid dan wel artikel 2.34G genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, een inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin een of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven, of zich als bezoeker daarin te bevinden. 2. Onder bezoeker wordt niet verstaan: de personen wier aanwezigheid in de inrichting om bedrijfstechnische redenen dringend noodzakelijk is. Afdeling 8B Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2.34I Begripsomschrijvingen 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder paracommerciële inrichtingen: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon, als bedoeld in de Drank- en Horecawet, in eigen beheer het horecabedrijf exploteert. 2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder de overige begrippen verstaan hetgeen de Drank- en Horecawet daaronder verstaat. Artikel 2.34J Schenktijden paracommerciële inrichtingen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken in een paracommerciële inrichting uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met twee uur voor de aanvang en eindigende met twee uur na de beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.
Artikel 2.34K Bijeenkomsten in paracommerciële inrichtingen Het is paracommerciële rechtspersonen verboden bijeenkomsten te organiseren: a. van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of b. die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon betrokken zijn. Artikel 2.34L Ontheffing
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de daarin gebezigde begrippen verstaan dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken in een paracommerciële inrichting uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met twee uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. 2. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een paracommerciële inrichting: a. tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of b. tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken. 3. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid van de Drank- en Horecawet is paragraaf 4.1.3.3 van
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
De artikelen uit de Apv 2012 zijn samengevoegd tot 1 nieuw artikel. De schenktijden van de Apv 2012 zijn overgenomen en gaan ook in Purmerend gelden.
20
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing om ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid van de Drank- en Horecawet. n.v.t.
de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
n.v.t.
Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden 1. Het is verboden personen jonger dan 16 jaar toe te laten tussen 00.00 uur en sluitingstijd in een horecalokaliteit en op een terras waarvoor een ontheffing van de sluitingstijden is verleend als bedoeld in artikel 2:29, tweede lid. 2. Het verbod geldt niet voor een houder van een restaurant, mits de persoon jonger dan 16 jaar wordt begeleid door een persoon van 21 jaar of ouder. Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven (Gereserveerd)
n.v.t.
n.v.t.
Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven (Gereserveerd)
Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Dit artikel uit de model Apv is facultatief. Op grond van dit artikel kan de gemeente de verstrekking verbieden van sterke of alcoholhoudende drank in inrichtingen die gelegen zijn in bepaalde aangewezen gebieden en/of die beschikken over nader aangegeven aard en/of gedurende nader bepaalde tijdsruimten. Het artikel wordt vooralsnog niet overgenomen. Reden hiervoor is dat een dergelijk verbod verstrekkende gevolgen heeft en bij overlastsituaties al kan worden opgetreden (bijvoorbeeld het intrekken van de exploitatievergunning of ontheffing sluitingsuur). Op advies van handhaving zijn de huidige regels van Purmerend over sluitingstijden en leeftijdsgrenzen overgenomen en verwerkt in het nieuwe artikel 2:34d.
Dit artikel uit de model Apv is facultatief en wordt vooralsnog niet overgenomen. Reden hiervoor is dat op dit moment al geldt dat er geen blurring mag ontstaan bij andere bedrijven dan slijtersbedrijven. Er kan namelijk worden opgetreden op grond van artikel 3 Drank- en horecawet (het verbod om zonder vergunning het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen). Dit (niet-facultatieve) artikel volgt uit de model Apv en is nieuw voor Beemster. De kortingsactie kan maximaal 40% zijn.
21
Artikel 2.35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2.37 Nachtregister [gereserveerd] Artikel 2.38 Verschaffen gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is, verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dan van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 (Vervallen) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid achternaam, woonplaats, datum van aankomst en de datum van vertrek te verstrekken.
Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden n.v.t.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Speelautomatenhallenverordening. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
Artikel 2.39 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
Ongewijzigd.
Dit artikel is komen te vervallen. De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt. Op advies van de politie is, ten opzichte van het artikel van de model Apv: - de dag van aankomst gewijzigd in datum van aankomst, - de dag van vertrek gewijzigd in datum van vertrek, - de naam gewijzigd in achternaam. Artikel van model Apv overgenomen. Dit artikel met de definities is nieuw.
Artikel van model Apv overgenomen. De definities van het eerste artikellid zijn verplaatst naar artikel 2:38a. Ten aanzien van het tweede lid worden de situaties in de nieuwe Apv niet meer uitgeschreven, maar wordt verwezen naar de Wet op de kansspelen.
22
exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen; b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; c.
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal
leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
De definities van het eerste artikellid zijn verplaatst naar artikel 2:38a. Inhoudelijk is het artikel ongewijzigd.
Het artikel is aangevuld met de leden 2, 4 en 6. Deze leden zijn
23
1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2.42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 2:80 gesloten voor publiek openstaand gebouw of een daarbij behorend erf te betreden. 3. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 4. Het is verboden een krachtens artikel 2:87 gesloten gebouw of locatie te betreden. 5. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. 6. De burgemeester is bevoegd van de verboden ontheffing te verlenen. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof of middels ‘reverse graffiti’ een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
overgenomen uit de Apv van Purmerend.
Artikel van model Apv overgenomen. Het artikel is daardoor tekstueel aangepast. Daarnaast is de volgorde van de artikelleden gewijzigd. Ten opzichte van de model Apv is reverse graffiti aan lid 2 onder b toegevoegd. Reverse graffiti is een vorm van reclame waarbij met behulp van water, een sjabloon en een hogedrukreiniger reclame op de grond wordt aangebracht. Reverse graffiti is in het nieuwe artikel 2:42 opgenomen om ongewenste uitingen op de bestrating tegen te gaan. Ook andere gemeenten hebben een dergelijk verbod op reverse graffiti in de Apv opgenomen.
24
aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
n.v.t.
5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel van model Apv overgenomen.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, waaronder in ieder geval wordt verstaan lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen, te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde tassen 1. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een tas die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken te vervoeren of bij zich te hebben.
Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd, maar is anders geformuleerd. De niet limitatieve opsomming van inbrekerswerktuigen is overgenomen van de Apv van Purmerend.
Dit artikel volgt uit de Apv van Purmerend. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Beemster opgenomen.
25
Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen e.d. 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.46 Rijden over bermen e.d. 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg. 2. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan andere gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. n.v.t.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de tas niet is bestemd voor het vergemakkelijken van het plegen van winkeldiefstal. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of Wegenverordening Noord-Holland. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a Verboden aanwezigheid op openbare plaatsen 1. Ter voorkoming van overlast voor de omgeving is het verboden zich
Artikel van model Apv grotendeels overgenomen. Er is voor gekozen om de ‘wandelplaatsen’ niet terug te laten keren in het nieuwe artikel 2:45.
Artikel van model Apv overgenomen.
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
Dit artikel volgt uit de Apv van Purmerend. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Beemster opgenomen.
26
Artikel 2.48 Hinderlijk drank- of softdrugsgebruik 1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. n.v.t.
Artikel 2.49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
op een door het college aangewezen plaats te bevinden gedurende de door het college aangewezen uren. 2. Het verbod is niet van toepassing op calamiteitenverkeer. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Dranken Horecawet. Artikel 2:48a Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te verkopen, te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woonen leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te verkopen, te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Artikel van model Apv overgenomen. In het nieuwe artikel wordt het ruimere begrip ‘openbare plaats’ gebruikt in plaats van ‘weg’.
In Purmerend gold al een lachgasverbod. Vanwege de harmonisatie is ervoor gekozen om dit gelijk te trekken en daarom ook in de nieuwe Apv van Beemster een lachgasverbod op te nemen. Ten opzichte van de model Apv is in het nieuwe artikel 2:48a ook het verkopen expliciet opgenomen in het eerste en tweede lid.
De titel van het artikel is gewijzigd. Inhoudelijk is het artikel ongewijzigd.
27
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. n.v.t.
Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang versperd wordt.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Ongewijzigd.
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek opstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen 1. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. 2. Het is verboden op of aan de weg een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel te parkeren als daardoor: a. op de weg de doorgang of het uitzicht wordt gehinderd of belemmerd;
Dit artikel volgt uit de Apv van Purmerend. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Beemster opgenomen.
Conform de model Apv wordt in het eerste lid van het nieuwe artikel het ruimere begrip ‘openbare plaats’ gebruikt in plaats van ‘weg’. Het tweede lid is niet opgenomen in de model Apv maar volgt uit de Apv van Purmerend.
28
Artikel 2.52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2.53 Bespieden van personen 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel 2.54 Bewakingsapparatuur [gereserveerd] Artikel 2.55 Nodeloos alarmeren [gereserveerd] Artikel 2.56 Alarminstallaties [gereserveerd] Artikel 2.57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b.
binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; of
b. de veiligheid voor het verkeer wordt gehinderd; c. de doorstroming van het verkeer wordt gehinderd of belemmerd; d. op of aan een openbare plaats schade of overlast wordt veroorzaakt; e. voor een bewoner of gebruiker van een gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
Artikel 2:53 Bespieden van personen 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel van model Apv overgenomen. Inhoudelijk ongewijzigd.
Artikel 2:54 (Vervallen)
Dit artikel is komen te vervallen.
Artikel 2:55 (Vervallen)
Dit artikel is komen te vervallen.
Artikel 2:56 (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide, de directe omgeving van een school of op een andere door het college aangewezen en zo nodig afgebakende plaats; b. op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
Dit artikel is komen te vervallen. Het artikel van de model Apv is overgenomen. Alleen ten aanzien van lid 1 onder c is er, in afwijking van de model Apv, voor gekozen om de eigenaar of houder van een hond niet te verplichten om de hond op de weg te voorzien van een halsband of een ander identificatiemiddel dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Reden hiervoor is dat een dergelijke verplichting niet in Purmerend geldt en mogelijk van weinig toegevoegde waarde is
29
c. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2.58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2.60a Verontreiniging door paarden en pony's 1. De eigenaar of houder van een paard of pony is verplicht ervoor te zorgen dat het paard zich niet van uitwerpselen ontdoet op een openbare plaats: 2. Het verbod geldt niet op door het college aangewezen plaatsen. 3.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het paard of de pony er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel 2.59 Gevaarlijke honden 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
omdat honden al zijn gechipt. Voor een toelichting op dit artikel, en de reden waarom het begrip ‘openbare plaats’ wordt gehanteerd, wordt verwezen naar de Ledenbrief VNG wijziging Apv zomer 2020. Ten aanzien van de zinsnede ‘en zo nodig afgebakende plaats’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld adoptiegroen.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel van model Apv overgenomen. De uitzondering genoemd onder artikel 2 sub b van de Apv 2012 is daarom komen te vervallen.
Artikel 2:58a Verontreiniging door rij-, last-, trekdieren en overig vee 1. De eigenaar of houder van een rij-, last-, of trekdier en overig vee is verplicht ervoor te zorgen dat het dier zich niet van uitwerpselen ontdoet op de openbare weg. 2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het rij-, last-, en trekdier en overig vee er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
Het nieuwe artikel, dat breder is geformuleerd en waar ook paarden, pony’s, ezels en schapen onder vallen, volgt uit de Apv van Purmerend. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Beemster opgenomen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is
Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor is niet langer het college, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan in dit artikel. Verder zijn enkele tekstuele wijzigingen aangebracht.
30
2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. n.v.t.
Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Een hond als bedoeld in het eerste lid dient voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de
Dit facultatieve artikel is opgenomen omdat er behoefte aan is.
Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor is het derde lid komen te vervallen.
31
milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.61 Wilde dieren [gereserveerd] Artikel 2.62 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2.63 Duiven [gereserveerd]
Artikel 2.64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel
zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:61 (Vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 Duiven 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het gebod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
Dit artikel is komen te vervallen. Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor zijn enkele tekstuele wijzigingen aangebracht.
Dit facultatieve artikel volgt uit de model Apv en is toegevoegd aan de nieuwe Apv.
Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor zijn het tweede en vierde lid van de Apv 2003 komen te vervallen.
32
hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale Wegenverordening NoordHolland. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2.66 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover
toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
In het nieuwe artikel wordt het ruimere begrip ‘openbare plaats’ gebruikt.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: a. handelaar: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. b. register: het register waarin aantekening wordt gehouden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
In afwijking van de model Apv is voor de duidelijkheid de definitie van register wel in het nieuwe artikel 2:66 opgenomen. Het artikel is verder inhoudelijk ongewijzigd.
Kleine tekstuele wijziging, inhoudelijk ongewijzigd.
33
dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1o. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Kleine tekstuele wijziging, inhoudelijk ongewijzigd. Alleen de bewaartermijn genoemd in sub d is van drie naar vijf dagen gegaan. Op deze manier wordt voorkomen dat een goed in het weekend snel verkocht kan worden. Het speelt ook mee dat aangifte gedaan moet worden en het is niet meer zo dat een aangifte dezelfde dag nog is geregistreerd. Een termijn van vijf dagen is, gelet op een effectieve helingbestrijding, daarom passender.
Artikel 2:69 (Vervallen)
Dit artikel is komen te vervallen.
34
Artikel 2.70 Handel in horecabedrijven [Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32]. Afdeling 13 Vuurwerk Artikel 2.71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit). Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.