CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage bij vraag 9 VVD, voorverkenning agenda agrarische toekomst Beemster 17-2-2020.pdf

Raadscommissie 9 maart 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: -: Beantwoording van technische vragen.31.196 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Provincie Noord-Holland Voorverkenning Agenda agrarische toekomst van de Beemster

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Provincie Noord-Holland Voorverkenning Agenda agrarische toekomst van de Beemster

identificatie projectnummer:

datum:

98004.20191860

17-02-2020

projectleider:

opdrachtgever:

Luc Verschueren

In opdracht van Gemeente Beemster en provincie Noord-Holland

auteur(s):

Joost Jansen

Delftseplein 27b

aangesloten bij:

RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD Rotterdam Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl

Inhoud 1.

Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Agenda als bouwsteen voor Koersdocument agrarische toekomst de Beemster 1.3. Agenda als eerste stap 1.4. Leeswijzer

2.

Bestaande beleidsambities 5 2.1. Rijk 5 2.1.1. UNESCO Werelderfgoed (1999) 5 2.1.2. Barro (2012) 7 2.1.3. Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden (2018) 8 2.2. Provincie Noord-Holland 13 2.2.1. Omgevingsvisie NH2050 (2019) 13 2.2.2. Provinciale ruimtelijke verordening Provincie Noord-Holland (2019) 19 2.2.3. Leidraad landschap en cultuurhistorie (2018) 21 2.2.4. Ruimtelijke beleidskader De Beemster & De Stelling van Amsterdam (2012) 26 2.3. Gemeente Beemster 28 2.3.1. Structuurvisie Beemstermaat (2012) 28 2.3.2. Bestemmingsplan Buitengebied 2012 (2013) 33 2.3.3. Omgevingsnota Beemster 2012 (2012) 37 2.3.4. Beemster ervenis WereldERFgoed, 2010 38 2.3.5. Beleidsnota zonnepanelen in Beemster 2019 44 2.3.6. Uitvoeringsagenda Duurzaamheid Beemster 2019-2022 (2019) 45 2.4. Regionaal beleid en programma’s 48 2.4.1. Regiovisie Waterland (2009) 48 2.4.2. Economische visie en agenda Zaanstreek-Waterland (2018) 49 2.4.3. Programma Voedsel Verbindt (2019, niet bindend) 52 2.4.4. Manifest Landbouw en Landschap in de Metropoolregio Amsterdam (2018, niet bindend) 53 2.4.5. Gebiedsaanpak Zon op Agrarische Daken (2019) 59

3.

Wensen, opgaven en ontwikkelingen 3.1. Vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Water, Land & Dijken 3.2. Stichting Plattelandsvernieuwing Beemster 3.3. Cono Kaasmakers 3.4. Stichting Landzijde 3.5. Mooi Noord-Holland 3.6. LTO afdeling Land van Leeghwater 3.7. Rabobank Waterland 3.8. Jonge agrariër, lid Nederlands Agrarisch Jongeren Kontact 3.9. Beemster Ondernemer 3.10. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

61 61 62 63 64 65 66 68 69 71 71

4.

Samenvatting 4.1. Samenvatting uitkomsten voorverkenning 4.2. Dilemma’s 4.3. Discussie

75 75 78 79

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

3 3 3 4 4

98004.20191860

2

Inhoud

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

1. Inleiding

1.1.

3

Aanleiding

De Beemster is niet alleen bijzonder door zijn ontstaansgeschiedenis en de wijze waarop die nog steeds herkenbaar is in het landschap, maar ook door het feit dat het een duidelijk begrensd gebied is. De Beemster functioneert al meer dan 400 jaar als een agrarisch productiegebied en vraag is wat de toekomst gaat brengen voor de Beemster. Net als elders in Nederland wordt ook de Beemster geconfronteerd met vragen ten aanzien van de balans tussen economie, landschap, maatschappij en ecologie. Het gezamenlijk beantwoorden van deze vragen door de agrariërs uit de Beemster, de bewoners, gebruikers, overheden en andere stakeholders moet nieuwe perspectieven voor de Beemster opleveren. Perspectieven die kaders bieden voor een succesvolle toekomst van de Beemster in de komende 400 jaar.

1.2.

Agenda als bouwsteen voor Koersdocument agrarische toekomst de Beemster

De provincie Noord-Holland heeft samen met de gemeente Beemster het initiatief genomen om te onderzoeken hoe de agrarische sector een bestendige toekomst tegemoet kan gaan. Dit idee is dat dit resulteert in een Koersdocument voor de agrarische toekomst van de Beemster. Dit Koersdocument vormt vervolgens een bouwsteen voor het op te stellen omgevingsplan voor het buitengebied van de Beemster, voor de economische visie Beemster en voor het managementplan voor het werelderfgoed. De nu voorliggende Agenda voor de agrarische toekomst van de Beemster is een eerste bouwsteen voor het Koersdocument. Deze Agenda geeft niet alleen een overzicht van bestaand beleid, bestaande ontwikkelingen en ambities van betrokkenen, maar bevat ook een plan van aanpak voor het vervolg. Het uiteindelijke Koersdocument moet antwoord geven op de vraag wat de toekomstige rol van de agrarische sector in de Beemster is in het voedselsysteem van de metropoolregio en de rest van Nederland. Hierbij is het ook de vraag hoe de toekomst van de agrarische sector in de Beemster samen kan gaan met ecologische en maatschappelijke opgaven die er spelen. De koers moet antwoord geven op de vraag hoe de wenselijke balans tussen economie, landschap, maatschappij en ecologie er voor de Beemster uitziet. Wat het meest wenselijk is, verschilt per persoon of groep.

De gemeenteraad heeft een belangrijke rol in de afweging van alle belangen. In de zoektocht naar een antwoord op deze vraag moet niet alleen rekening worden gehouden met de fysieke aspecten van de agrarische sector. Er moet ook aandacht worden besteed aan de koppeling met het onderwijs, de werelderfgoedstatus, de gemeentelijke dienstverlening aan agrariërs, de zichtbaarheid van de sector in Beemster en directe omgeving, de verbinding tussen landschap en stedelijke omgeving, de verbreding van de agrarische sector, etc.. Belangrijk hierbij is dat het Koersdocument ook vertaald gaat worden in concrete acties. Hiervoor zal een uitvoeringsprogramma opgesteld moeten worden.

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

4

Inleiding

Figuur De Beemster

1.3.

Agenda als eerste stap

Om te komen tot het Koersdocument Beemster is een eerste belangrijke stap het in beeld brengen van bestaand beleid en ambities, de trends en ontwikkelingen die op het gebied afkomen en wensen uit het gebied. Deze eerste stap resulteert in een agenda voor het landelijke gebied van de Beemster. Hieruit komen dilemma’s en keuzes bovendrijven die in een volgende stap worden geagendeerd. Tot slot is een doorkijk gegeven naar het vervolgproces.

1.4.

Leeswijzer

De Agenda voor de Beemster bestaat de volgende onderdelen: • Hoofdstuk 2: Analyse van bestaande beleidsambities (het speelveld) • Hoofdstuk 3: Interviews (in beeld brengen van wensen, opgaven en ontwikkelingen) • Hoofdstuk 4: De rode draad uit deze ophaalfase en een plan van aanpak voor het vervolgproces (hoe komen we tot een koersdocument)

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

2. Bestaande beleidsambities

Het beleidskader dat van toepassing is op De Beemster is omvangrijk. Er zijn veel regels maar ook veel ambities. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste beleidsstukken, agenda’s en programma’s beoordeeld en geanalyseerd op relevantie voor de toekomst van de Beemster. De relevante hoofdlijnen uit deze beleidsstukken zijn samengevat. Hiermee komt het speelveld voor De Beemster in beeld. Daarbij is onderscheid gemaakt in rijks-, provinciaal-, gemeentelijk en regionaal niveau. Niet alle documenten hebben even veel status. Sommige zijn direct bindend, andere een visie of een handreiking. De optelsom geeft een goed beeld van de ambities. Overigens is het overzicht van beleidsstukken etc nog niet helemaal compleet. In de vervolgfase moet daarom bekeken worden welke aanvullingen wenselijk zijn.

2.1.

Rijk

2.1.1. UNESCO Werelderfgoed (1999)

De Beemster Het Werelderfgoedcomité van UNESCO besloot in 1999 de Droogmakerij de Beemster in te schrijven op de Werelderfgoedlijst. De argumentatie hiervoor is beschreven in het besluit ‘Statement of Outstanding Universal Value (SoOUV)’ 1.

Dit zijn de criteria waarom Droogmakerij de Beemster aan de UNESCO werelderfgoedlijst is toegevoegd. Criterion (i): The Beemster Polder is a masterpiece of creative planning, in which the ideals of antiquity and the Renaissance were applied to the design of a reclaimed landscape. Criterion (ii): The innovative and intellectually imaginative landscape of the Beemster Polder had a profound and lasting impact on reclamation projects in Europe and beyond. Criterion (iv): The creation of the Beemster Polder marks a major step forward in the interrelationship between humankind and water at a crucial period of social and economic expansion. De Beemster wordt gekenmerkt door de volgende unieke universele waarden: • Polder de Beemster is een meesterwerk van creatieve planning, waarin de idealen van de Oudheid en Renaissance zijn toegepast in het ontwerp van een droogmakerijlandschap. • Het innovatieve en visionaire landschap van de polder De Beemster heeft diepe en blijvende invloed gehad op droogmakingsprojecten in Europa en daarbuiten. • De totstandkoming van de polder De Beemster markeert een grote stap vooruit in de relaties tussen mens en water in een belangrijke periode van sociale en economische ontwikkeling. • Droogmakerij de Beemster is daarmee een door mensen geschapen creatief meesterstuk, waarbij de 17-eeuwse idealen nog steeds goed waarneembaar zijn in het totale gebied.

Het intellectuele en architectonische concept, dat ten grondslag heeft gelegen aan de ruimtelijke indeling van de Droogmakerij de Beemster is sinds het moment van zijn aanleg niet in zijn essentie veranderd. De essentiële kernwaarden zoals het cultuurhistorisch sloten- en wegenpatroon met beplanting, ringvaart met ringdijk, ligging van de boerderijen, de historische structuur en ligging van de nederzettingen, de bebouwingslinten en het functionele, agrarische gebruik van deze droogmakerij en 1

https://www.beemster.net/content/publicatie-uitzonderlijke-universele-waarden-de-beemster

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

6

Bestaande beleidsambities

de originele maatvoering en verkaveling zijn nog steeds intact. Vrijwel overal is de typische ruimtelijke visuele weidsheid, de openheid van het landschap als een van de kernwaarden herkenbaar. De koperplaatgravure dus door Balthasar Florisz van Berkenrode (1643/1644) komt bijna perfect overeen met het patroon van hoofdwegen, waterwegen en percelen in het huidige situatie. De ongeveer vijftig landelijke buitenplaatsen verdwenen echter in de loop van de 18e en 19e eeuw.

Figuur Afdruk Kopergravure met de essentiële waarden De Stelling van Amsterdam De Stelling van Amsterdam, ook een werelderfgoed, loopt voor een deel door De Beemster. Een unieke combinatie van twee werelderfgoederen. In De Beemster gaat het om vijf forten en een inundatiesluis. Een deel van de agrarische grond zou in geval van vijandelijke dreiging onder water worden gezet. De doelen voor De Stelling van Amsterdam zijn ondergeschikt aan de doelen voor De Beemster. Achtergrond De Beemster staat niet zonder reden op de UNESCO-lijst van Werelderfgoed. Deze droogmakerij uit 1612 kan als een schoolvoorbeeld dienen van hoe de Nederlanders grote delen van hun land – in het noorden, het westen en het zuidwesten – zelf hebben ‘gemaakt’. Nederland heeft door menselijk ingrijpen in de natuur vorm gekregen. Dat begon met kleinschalige landaanwinning en bedijking in de Middeleeuwen, nam vanaf de zestiende eeuw steeds grootschaliger vormen aan met het droogleggen van meren en veenplassen, en kende zijn voorlopige afronding in de twintigste eeuw met de aanleg van de Flevopolders en de Maasvlakte. In 1607 besloot een groep Amsterdamse kooplieden en stadsbestuurders de Beemster, toen nog een groot meer, droog te leggen. Het beloofde een financieel lucratief project te worden dat bovendien een bijdrage kon leveren aan de voedselvoorziening van het snel groeiende Amsterdam.

Er werd een hoge en stevige dijk van 42 kilometer lang om het meer gelegd, en daar weer omheen de ringvaart. Daarna begon het leegpompen van het meer, met maar liefst 43 windmolens. Ingenieur Jan Adriaenszoon Leeghwater was verantwoordelijk voor de bouw en de plaatsing van de molens. Er moesten molengangen worden gebouwd: molens op een rij, steeds een stapje hoger, die het water van het meer trapsgewijs naar de ringvaart moesten brengen.

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

7

In 1612 viel het meer droog en kon de inrichting van de polder beginnen. Er werden wegen aangelegd, wegsloten en kavelsloten gegraven en boerderijen gebouwd. Dat alles gebeurde volgens een ordelijk en strak geometrisch patroon. Aan deze rationele verkaveling en inrichting heeft de Beemster zijn roem te danken. Droogmakerij de Beemster onderscheidt zich van andere droogmakerijen elders op de wereld door de originele aanwezigheid en zichtbaarheid van het in 1612 (het jaar van de droogmaking van het Bamestrameer) toegepaste verkavelingspatroon. Dat patroon bestaat uit een raster van vierkanten. Volgens de klassieke opvattingen is dat een volledig harmonieus geheel, een symmetrie die in de Gouden Eeuw als de absolute perfectie gold en strookte met de renaissancistische opvattingen over landschapinrichting. De Beemster was het eerste grootschalige landschapsproject in de wereld waarin het principe van de Gulden Snede van Da Vinci volledig werd toegepast. Deze is nu nog steeds terug te vinden in De Beemster. Het grondgebied van de gemeente Beemster omvat het gehele cultuurlandschap van UNESCO werelderfgoed Droogmakerij de Beemster. Daarin liggen het centrumdorp Middenbeemster en de woonkernen Noordbeemster, Westbeemster en Zuidoostbeemster. Verder is er een aantal buurtschappen zoals de Klaterbuurt, Halfweg, De Blikken Schel.

De Beemster in de 21ste eeuw is een eigentijdse, agrarische gemeente die haar ontstaansgeschiedenis en haar status als bijzondere droogmakerij met zijn stolpboerderijen en historische kernen koestert. Hoofdlijnen voor Beemster Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk als ze het raamwerk niet schaden: • De Beemster is een agrarisch werklandschap, geen museum. • De structuur/ verkaveling van De Beemster is cultuurhistorisch zeer waardevol, vooral het wegen en slotensysteem en de openheid van de ruimte binnen het raster. De kopergravure geeft de essentiële waarden weer. • Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen het cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke raamwerk, dat nu al meer dan 400 jaar toekomstbestendig is. • De doelen voor De Stelling van Amsterdam zijn ondergeschikt aan de doelen voor De Beemster.

2.1.2. Barro (2012)

In het Barro 2 zijn In bijlage 8) de kernkwaliteiten van het werelderfgoed De Beemster en De Stelling van Amsterdam vastgesteld als uitwerking van de uitzonderlijke universele waarden van UNESCO. De Beemster 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de Droogmakerij de Beemster, bestaande uit: • het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; • de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); • het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; • bebouwing langs de wegen; • de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; • de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; • de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; • de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.

2

https://wetten.overheid.nl/BWBR0030378/2018-01-01#Bijlage8

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

8

Bestaande beleidsambities

De Stelling van Amsterdam 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: • een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; • sluizen en voor- en achterkanalen; • de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; • inundatiegebieden; • voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); • de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

Figuur Werelderfgoed Hoofdlijnen voor Beemster Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk als ze het raamwerk niet schaden: • het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; • de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); • het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; • bebouwing langs de wegen; • de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; • de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; • de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; • de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; • de grote openheid; • de forten met schootsvelden, de inundatiegebieden en inundatiesluis.

2.1.3. Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden (2018)

De visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden van het ministerie van LNV 3 beschrijft de omslag naar kringlooplandbouw en wat het van Nederland zal vragen, om de toekomst van onze voedselvoorziening veilig te stellen. De Nederlandse land- en tuinbouw en visserij is wereldwijd toonaangevend. Het is de ambitie van het kabinet deze positie te behouden. Tegelijkertijd staat Nederland voor een aantal grote maatschappelijke 3

https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-landbouw-natuur-en-voedselkwaliteit/documenten/beleidsnotas/2018/09/08/visie-landbouw-natuur-en-voedsel-waardevol-en-verbonden

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

9

uitdagingen. Zo dreigt onze bodem, de belangrijkste hulpbron voor de boer, uitgeput te raken. Heeft Nederland te maken met een verlies aan biodiversiteit en heeft Nederland zich gecommitteerd aan het klimaatakkoord. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden kiest minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor een omslag naar kringlooplandbouw in 2030. Hierbij komt zo min mogelijk afval vrij, is de uitstoot van schadelijke stoffen zo klein mogelijk en worden grondstoffen en eindproducten met zo min mogelijk verliezen benut. Doelen We moeten van voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen door een efficiëntere benutting in kringlopen. De huidige keten – met een begin, een einde en lekken in schakels – moet veranderen in een systeem met minimale onnodige verliezen. Landbouw, tuinbouw en visserij worden dan onderdeel van een circulair voedselsysteem.

Figuur kringlooplandbouw De inzet van het kabinet is dat kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen in 2030 op een zo laag mogelijk – nationaal of internationaal – schaalniveau zijn gesloten en dat Nederland koploper is in kringlooplandbouw. Om dit perspectief te realiseren stelt het kabinet drie aanvullende doelen voor een sterk, duurzaam voedselsysteem: De economische positie van boeren, tuinders en vissers in de keten moet zo worden, dat zij in de kringlooplandbouw een goed inkomen verdienen, kunnen innoveren en gezonde bedrijven in stand kunnen houden en door kunnen geven. Onze waardering voor voedsel moet groter worden. Dat geldt voor individuele consumenten, voor grootgebruikers en voor horeca. Verspilling is uit den boze. De afstand tussen primaire producenten en burgers moet kleiner worden. Nederland moet een prominente rol houden in de vernieuwing van productiemethoden, zowel in eigen land als op wereldwijde voedselmarkten. Met onze kennis en producten kan Nederland voor andere landen een voorbeeld zijn in het efficiënt produceren van voedsel in kringlopen zodat schade aan het ecosysteem (water, bodem, lucht) voorkomen en hersteld wordt. Kenmerken kringlooplandbouw In een stelsel van kringlooplandbouw gebruiken akkerbouw, veehouderij en tuinbouw in de eerste plaats grondstoffen uit elkaars ketens en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens.

Die circulaire ketens kunnen binnen een bedrijf, een regio, Nederland of grensoverschrijdend zijn ingericht. Het motto is: lokaal wat kan, regionaal of internationaal wat moet. Resten uit de agrarische sector en de voedselketen (gewasresten, voedselresten, procesafval, mest, compost) worden opnieuw benut of verwerkt tot nieuwe (hulp)producten. Kringloopbedrijven verbruiken zo min mogelijk energie en gebruiken zo veel mogelijk hernieuwbare energie. Vee wordt in de eerste plaats gevoed met gras, voedergewassen of gewasresten van het eigen bedrijf of uit de directe omgeving en resten uit de voedingsindustrie. De grondgebondenheid – de band tussen de bedrijfsvoering en de grond die voor landbouw beschikbaar is – wordt weer sterker en de ondernemer kan beter rekening houden met de cultuurhistorische waarden van het landschap.

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

10

Bestaande beleidsambities

Bij het bodembeheer wordt toegewerkt naar het toepassen van bewerkte dierlijke mest en steeds minder kunstmest. Akkerland en weilanden krijgen zo hoogwaardige organische mest op basis van gewasresten of dierlijke mest. Daarmee neemt de nu nog belangrijke rol van kunstmest steeds verder af. Doordat een einde komt aan het gebruik van kunstmest op basis van fossiele schaarse grondstoffen (fosfaat, kalium, aardgas), worden ook broeikasgasemissies uit de productie van kunstmest verder teruggedrongen. De bodem vormt de basis van kringlooplandbouw. Bodembeheer is een zaak van wederkerigheid: de mens onttrekt mineralen en water aan de bodem voor productie en voedt de bodem met organisch materiaal, water en voedingsstoffen om de groeikracht te behouden. Een goede bodemkwaliteit vraagt een evenwichtig en verantwoord gebruik van mest en gewasbeschermingsmiddelen, uitgekiende bouwplannen en bewerking met machines die afgestemd zijn op het draagvermogen van de bodem. De bodem draagt dan niet alleen bij aan een hogere opbrengst, maar kan ook als buffer dienen voor extreme weersomstandigheden. Een bodem die veel organische stof bevat, kan veel beter water opnemen en is beter bestand tegen droogte. Ook kan zo’n bodem meer stikstof en mineralen vasthouden, hij biedt een rijker bodemleven en draagt bij aan gezonde gewassen.

De Bodemstrategie gaf al het belang aan van goede bodemkwaliteit voor verschillende maatschappelijke opgaven. Deze strategie is daarmee een van de bouwstenen voor kringlooplandbouw. Aspecten die het functioneren van de bodem vooral bepalen zijn: beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid, beheer van bodemstructuur en beheer van bodemleven en weerbaarheid. Bodembeheer is daarmee ook cruciaal voor het (zoet)waterbeheer, met name bij het voorkomen van schade door droogte of wateroverlast. Veehouderij De veehouderij levert in de kringloopbenadering een belangrijke bijdrage aan efficiënt grondstoffengebruik. De inzet van het kabinet voor de periode tot 2030 is de nutriëntenkringlopen in de veevoeding te verkleinen en op het laagst mogelijke niveau te sluiten. Daarnaast streeft het kabinet, ook in de veehouderij, naar het zo veel mogelijk voorkomen van verliezen van voedsel, reststromen, koolstof, energie en water. In de genoemde periode vindt een omslag plaats waardoor veehouders steeds meer voer gebruiken dat zij zelf hebben geteeld of hebben aangekocht van bij voorkeur lokale of regionale producenten. Ook benutten zij in het veevoer steeds meer rest- en bijproducten uit de humane voedingsindustrie. De omslag naar kringlooplandbouw en verduurzaming zal veel van het aanpassingsvermogen van deze sector vergen, maar er is op een aantal plaatsen ook al ervaring mee opgedaan.

Bij verdere verduurzaming van de veehouderij past ook de overgang naar integraal duurzame en emissiearme stalen houderijsystemen. Deze verbeteren het leefklimaat voor mens en dier en verlagen of voorkomen de emissies van broeikasgassen, ammoniak, geur en fijnstof. De huisvesting van dieren biedt ruimte aan hun natuurlijke gedrag en wordt gecombineerd met een goede zorg vanuit hun specifieke behoeften. Ook wordt bij het ontwerp van stallen, bij de stalinrichting en bij de voederpraktijk expliciet aandacht gegeven aan het voorkomen van ziektes. Hierdoor, en met een goede verzorging, zal het antibioticagebruik nog verder beperkt kunnen worden. Voor de melkveehouderij blijft de koe in de wei het uitgangspunt: weidegang wordt maatschappelijk gewaardeerd, onder andere uit oogpunt van dierenwelzijn en landschap. Plantaardige teelten Voor de plantaardige teelten betekent kringlooplandbouw dat steeds nauwkeuriger geteeld wordt naar draagkracht van de bodem en met uitgekiende bouwplannen, bemesting op maat en preventie van ziekten, plagen en onkruiden. Precisielandbouw met behulp van moderne veredeling, sensortechnologie en robotica gaat hierbij helpen. Er zijn veelbelovende nieuwe initiatieven met betrekking tot strokenteelt, agroforestry en permacultuur.

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

11

Daar waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, is dit conform de principes van geïntegreerde gewasbescherming, nagenoeg zonder emissies naar het milieu en zonder residuen. Veredeling, preventie, goed bodem- en waterbeheer, inzet van biologische plaagbestrijders en inzet van laagrisicomiddelen maken onderdeel uit van een geïntegreerde aanpak. Onkruidbestrijding gebeurt in principe met mechanische of ecologische technieken. De inzet van chemische middelen geldt als laatste (precisie)ingreep. Landbouw en natuur De grootste opgave om te komen tot een gezond ecologisch systeem in Nederland ligt op dit moment in het agrarisch gebied. Denk daarbij aan de achteruitgang van de populaties insecten en weide- en akkervogels. De kringloopbenadering en het streven naar minimale emissies van schadelijke stoffen naar de omgeving zijn cruciaal voor een betere verbinding van landbouw en natuur. En andersom is de natuur van cruciaal belang voor het streven naar een kringlooplandbouw. Een optimaal gebruik van de biodiversiteit in de bodem en op en rond het bedrijf werkt mee aan het sluiten van kringlopen. In de natuur is immers alles onderdeel van een kringloop. En met een zorgvuldige combinatie van natuur en bedrijfsvoering kunnen ook veel natuurwaarden gerealiseerd worden.

Bovenop alle inspanningen voor de bescherming van natuurgebieden, heeft de landbouw de sleutel in handen voor verdere verbetering van de natuurwaarden in Nederland. De kabinetsinzet is dat in 2030 de natuur in de natuurgebieden, op de landbouwgronden en in de wateren rijker en veelzijdiger is: de landbouw benut biodiversiteit voor bijvoorbeeld bestuiving, bodemvruchtbaarheid en ziekte- en plaagwering en creëert tegelijk leefgebied voor allerlei soorten dieren. Een werkwijze die goed aansluit bij kringlooplandbouw is natuurinclusieve landbouw. Natuurinclusieve landbouw gaat ervan uit dat het heel goed mogelijk is om de natuur te verbeteren via landbouw en in te zetten voor de landbouw. Bij zowel natuurinclusieve als kringlooplandbouw staat het streven naar een zorgvuldig gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het duurzaam beheren van de bodem en het minimaliseren van emissies centraal. Waar bij kringlooplandbouw het accent ligt op het sluiten van kringlopen van mineralen en grondstoffen, ligt dat bij natuurinclusieve landbouw op een verantwoord gebruik daarbij van natuur en natuurlijke processen. De combinatie van de twee werkwijzen leidt tot een sterkere biodiversiteit die nuttig is voor de bedrijfsvoering. Zij veroorzaakt minder verliezen naar de omgeving en schept betere condities voor specifieke, aan het agrarisch gebied gebonden soorten, waaronder akker- en weidevogels.

In het regeerakkoord is afgesproken dat met boeren in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden bekeken wordt of agrarisch natuurbeheer een bijdrage kan leveren aan minder intensief landgebruik en daarmee aan de klimaatopgave en natuurherstel. Het kabinet gaat betrokken partijen hiervoor compenseren en benut daarbij de mogelijkheden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Daarnaast valt te denken aan het stimuleren van functionele agrobiodiversiteit, agrarisch natuurbeheer, biologische landbouw, zorg voor akkerranden en voor landschapselementen en vormen van landbouw die combinaties zoeken met bomen en meerjarige gewassen (agroforestry). Dit is allemaal goed voor zowel de natuur als de landbouw. Samen met betrokken partijen uit de samenleving zoals landbouw- en natuurorganisaties, provincies en de wetenschap zal deze ambitie de komende tijd verder worden uitgewerkt. Natuurinclusieve landbouw kan lokaal worden ingericht, maar wint aan kracht als daar op regionale schaal voor wordt gekozen. Dan kan het ook leiden tot de ontwikkeling van een natuurinclusief boerenlandschap met een hoge belevingswaarde (en een basis voor streekproducten) en een grotere waarde voor de natuur en natuurgebieden in de regio. Regionale schaal De kringloop in de samenhangende veehouderij, akkerbouw en tuinbouw zal zich vaak uitstrekken tot meerdere bedrijven in een grote of kleine regio.

De ondernemers kunnen daar zelf vorm aan geven. Een veehouder kan met collega-akkerbouwers in zijn regio samenwerken door afspraken te maken over het

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

12

Bestaande beleidsambities

produceren van voer voor het vee in hun regio en over de productie van een goede kwaliteit organische mest. Op deze manier kunnen boeren gezamenlijk hun plan trekken en bereiken zij dat de kringloop van voedingsstoffen korter wordt. Een dergelijke samenwerking op regionale schaal kan ook breder worden opgezet. Een regionaal samenwerkingsverband kan in overleg gaan met gemeenten, waterschappen, natuurbeheerders, toeleveranciers en de detailhandel. Een regio kan zich onderscheiden met typische producten en smaken die ‘haar’ sector voortbrengt. De kenmerken en gesteldheid van bodem, water en landschap kunnen per regio zeer uiteenlopen. Daarom zullen zij van grote invloed zijn op de manier waarop regionaal het beste kan worden samengewerkt. Wegens het belang van een regionale aanpak is in het Interbestuurlijk Programma (IBP) een basis gelegd voor samenwerking van rijk, gemeenten, provincies en waterschappen. Het voortouw ligt in de regio: daar ziet het kabinet initiatieven voor een gebiedsgerichte aanpak van opgaven tot stand komen die verder gaan dan landbouw, natuur en voedsel. Deze initiatieven kunnen worden gekoppeld aan middelen uit de regeerakkoord-enveloppes en middelen in het kader van het Interbestuurlijk Programma, thema Vitaal Platteland. Met de Regioportefeuille speelt het kabinet in op deze beweging.

Zo kunnen initiatieven voor kringlooplandbouw ontstaan die een voorbeeld kunnen zijn voor andere regio’s. Randvoorwaarden Er zijn drie randvoorwaarden voor de beoogde omslag: • Agrarisch ondernemen • Waardering voor voedsel • Innovatieve wereldspeler Van koers naar uitwerking Het kabinet vertrouwt op de kracht van de samenleving om de omslag naar kringlooplandbouw te maken. Het nodigt iedereen in het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en andere overheden uit mee te denken, ideeën in te brengen en initiatieven te nemen. Ook de Rijksoverheid zelf heeft een rol. Zij zal naast de boeren en tuinders gaan staan. Zij zal meedenken en waar nodig faciliteren. Waar nodig zal zij de regie nemen, maar in veel situaties zal het aan de partijen zelf zijn dat te doen. Als de omslag stagneert of te traag gaat, zal de overheid vanuit haar publieke verantwoordelijkheid wet- en regelgeving toepassen. Het is zaak de komende jaren het handelen van overheid, ondernemers en maatschappelijke partijen te richten op meetbare doelen en resultaten. Op basis daarvan kunnen ondernemers investeren in houdbare verdienmodellen en kunnen coalities worden gesloten waardoor Nederland in 2030 koploper is in kringlooplandbouw.

De eerste stap is dat overheid en maatschappelijke partijen afspraken maken over de resultaten die de komende jaren bereikt moeten worden, hoe deze gemeten gaan worden en welke inzet dat van eenieder vraagt. Voor bepaalde opgaven zullen afspraken op gebiedsniveau de juiste schaal zijn. De overheid zal zelf, zoals ook is gebeurd bij de totstandkoming van deze koers, weer actief de verbinding zoeken met partijen om samen de doelen te concretiseren en afspraken te maken over manieren waarop de doelen bereikt gaan worden. De meeste afspraken zullen voortbouwen op de vele initiatieven die er al zijn. Het eindbeeld is nadrukkelijk niet één alomvattend document dat alle thema’s en domeinen omvat. Het gaat om afspraken in aanvulling op bestaande verduurzamingsplannen en al gemaakte afspraken, zoals sectorale en regionale uitvoerings- en actieprogramma’s. Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met de verscheidenheid aan producenten: van koplopers tot degenen die de gewenste veranderingen niet kunnen of willen meemaken, van bestaande bedrijven tot nieuwkomers. Van jong tot oud. Verbeterde wet- en regelgeving, kennis en innovatie en financieel instrumentarium zullen op de afgesproken doelen en op consistentie getoetst en zo nodig aangepast worden. Nu hindert regelgeving

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

13

vaak innovaties. Inzet moet zijn te sturen op doelen en zoveel mogelijk vrijheid te bieden in hoe die doelen worden bereikt. Toetsingskader voor beleid en plannen 1. dragen ze bij aan het sluiten van kringlopen, het terugdringen van emissies en het verminderen van verspilling van biomassa in het gehele voedselsysteem? 2. versterken ze de sociaaleconomische positie van de agrarisch ondernemer in de keten? 3. leveren ze een bijdrage aan de klimaatopgave voor landbouw en landgebruik? 4. bevorderen ze de aantrekkelijkheid en vitaliteit van het platteland en dragen ze bij aan een bloeiende regionale economie? 5. leveren ze winst op voor ecosystemen (water, bodem, lucht), biodiversiteit en de natuurwaarde van het boerenlandschap? 6. is het dierenwelzijn meegewogen? 7. leveren ze een bijdrage aan de erkenning van waarde van voedsel en het versterken van de relatie tussen boer en burger? 8. versterken ze de positie van Nederland als ontwikkelaar en exporteur van integrale oplossingen voor klimaatslimme en ecologisch duurzame voedselsystemen? Naast deze toetsingscriteria gelden voedselveiligheid en -kwaliteit altijd als basisvoorwaarden. Hoofdlijnen voor Beemster • De agrarische/foodsector staat voor een grote opgave. De Beemster heeft altijd een belangrijke rol gehad in de voedselproductie en moet een belangrijke rol vervullen in de omslag naar kringlooplandbouw.

Randvoorwaarden zijn: • Efficiënt produceren van voedsel in kringlopen zodat schade aan het ecosysteem (water, bodem, lucht) voorkomen en hersteld wordt. • Uitdagingen zijn een gezonde bodem, een goede waterkwaliteit, een goede biodiversiteit, gezonde lucht. • Waardering voor voedsel vergroten zodat er ook voor wordt betaald: imago verbeteren. • Toetsingskader voor initiatieven: sturen op doelen zodat er veel vrijheid is in hoe de doelen worden bereikt. • Regelgeving aanpassen zodat innovatie niet wordt gehinderd.

2.2.

Provincie Noord-Holland

2.2.1. Omgevingsvisie NH2050 (2019)

De provincie heeft in haar omgevingsvisie 4 aangegeven dat ze balans wil tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. 5 bewegingen In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving. De gemeente Beemster is onderdeel van het ‘metropolitaan landschap’. Het metropolitaan landschap is een van de grote bouwstenen van de beweging Metropool in ontwikkeling. Hier spelen de doelen uit de 4

https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingsvisie/Publicaties/Omgevingsvisie_NH2050_vastgesteld_op_ 19_november_2018.org

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

14

Bestaande beleidsambities

beweging Natuurlijk vitaal landelijke omgeving een grote rol. Het gaat om onderwerpen als vergroten van de natuurwaarden en het tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden. De groter wordende recreatieve druk op het gebied, de inpassing van energietransitie-opgaven uit de beweging Nieuwe energie en kansen voor gedeeltelijk nieuwe agrarische activiteiten en klimaatadaptatie. Een complex aan vraagstukken komt dus samen. In alle delen van de metropoolregio zoals Amstel-Meerlanden, Spaarnwoude, het Groene Hart en in geheel Laag Holland waaronder Waterland en de Zaanstreek.

Figuur Metropool in ontwikkeling De diverse beleidsdoelen met relevantie voor De Beemster zijn hierna weergegeven. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap Noord-Holland beschikt over een unieke en rijke variatie aan (open) landschappen, ruimtelijke structuren, aardkundige en archeologische waarden, cultuurhistorie en gebouwd (wereld)erfgoed. De provincie onderscheidt zich door haar openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Deze karakteristieken reflecteren de rijke ontstaansgeschiedenis en maken het aantrekkelijk voor mensen om hier te wonen, voor bedrijven om zich hier te vestigen en voor recreanten en toeristen om hier te verblijven. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel deze waarden en karakteristieken van landschap en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. En het gaat er om ontwikkelingen en transities te benutten om een goede landschapskwaliteit in stand te houden en zo nodig te creëren. De provincie maakt onderscheid in draagvermogen van de diverse landschappen. Mede op basis daarvan weegt ze zorgvuldig af welke ruimtelijk-economische ontwikkelingen op welke plek en op welke wijze ontwikkeld kunnen worden.

Denk aan zonneparken, windmolens, verstedelijking, vergroting van agrarische bebouwing en waterberging. In gebieden met grotere structuren en relatief geringere aanwezigheid van cultuurhistorie zijn meer en grotere ontwikkelingen mogelijk. In gebieden waar de waarden van bijvoorbeeld cultuurhistorie, openheid of ecologie hoog zijn en/of waar de betekenis voor de stad groot is, is alleen ruimte voor ontwikkelingen die bijdragen aan de instandhouding of versterking van deze kernkwaliteiten. Tegelijkertijd investeert ze gebiedsgericht in de landschappelijke, cultuurhistorische, recreatieve en ecologische kwaliteiten. In alle gevallen is ruimtelijke kwaliteit het

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

15

uitgangspunt. Deze benaderingswijze betekent een vereenvoudiging van het landschappelijk beleid met minder regimes. Er zijn ook karakteristieke en gewaardeerde landschappen die niet stabiel zijn of waar veel dynamiek op afkomt en waar een integraal perspectief op een nieuwe balans tussen de opgaven, waarden, beleving en (economisch) gebruik noodzakelijk is. Randvoorwaarden • Behoud kernkwaliteiten behorend bij werelderfgoederen (UNESCO), in dit geval de Beemster en de Stelling van Amsterdam; • De Europese Landschapsconventie voor de bescherming van het landschap. De provincies dragen hiervoor een belangrijke verantwoordelijkheid • Rijksmonumenten, provinciale monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten (oa Middenbeemster) Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief Bij alle ontwikkelingen wordt gestreefd naar het vergroten van de biodiversiteit. Meer biodiversiteit draagt bij aan een duurzame agrifoodsector en een gezonde leefomgeving. Het gaat daarbij niet alleen om het vergroten van het aantal hectares aan natuur, maar ook om het maken van slimme combinaties waarmee kwaliteit wordt toegevoegd. Natuurinclusiviteit heeft in verschillende omgevingen verschillende verschijningsvormen (agrarisch gebied, bebouwde omgeving, water). Biodiversiteit draagt bij aan vruchtbare bodems en een natuurlijke bescherming van de gewassen.

Natuurinclusief ontwikkelen in het agrarisch gebied bestaat onder meer uit het gebruik van natuurlijke plaagbestrijding, circulaire landbouw, het bieden van ruimte aan natuur (bijvoorbeeld in oevers en randen door ecologisch slootbeheer, natuurvriendelijke oevers en ecologisch randenbeheer) en het stimuleren van vismigratie. In de bebouwde omgeving kan de soortenrijkdom aan planten en dieren toenemen door de vergroening van waterbergingen, het nemen van maatregelen voor faunavoorzieningen in infrastructuur en het aanleggen van natuurvriendelijke bermen langs wegen. Groen en water in de stad dragen bij aan het voorkomen van hittestress, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Biodiversiteit in en om het watersysteem kan zich ontwikkelen in ecologische oevers en in groen ingerichte waterbergingen. De waterkwaliteit vaart wel bij een vergroting van de biodiversiteit. Om die redenen stimuleert de provincie meer ruimte voor groen en blauw in en om de stad. Specifiek nabij natuurgebieden stimuleert ze dat er meer ruimte komt voor de combinaties waterberging, natuur en recreatie, als antwoord op de verwachte groei in recreatie.

Randvoorwaarde • Natuurnetwerk Nederland (NNN) blijft de basis van de natuurstructuur Kritische succesfactoren • Kwalitatief sterke natuurgebieden functioneren als brongebieden voor biodiversiteitsontwikkeling in het landelijk en stedelijk gebied • Daar waar mogelijk worden groene zones en gebieden verbonden om soorten de kans te geven zich te verspreiden en te ontwikkelen • Natuurinclusief ontwikkelen is een proces van samen optrekken met verschillende betrokken partijen met verschillende doelstellingen Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen De manieren waarop de ondergrond wordt gebruikt, nemen nog steeds toe, mede door ruimtetekort boven de grond. Daardoor wordt het belangrijker dat er goede afwegingen worden gemaakt tussen ruimtegebruik boven- en ondergronds, maar ook tussen functies onderling onder de grond. Bescherming van de kwaliteit van het grondwater, mede voor de drinkwaterwinning, is daarbij cruciaal. De provincie is daarvoor medeverantwoordelijk. De ondergrond levert grondstoffen en bodemenergie, vormt de basis voor voedselproductie (bodemvruchtbaarheid) en natuurontwikkeling (bodembiodiversiteit), vervult een bufferfunctie (bijvoorbeeld het bergen van water) en een

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

16

Bestaande beleidsambities

draagfunctie (voor bouwwerken als woningen en wegen), biedt ruimte voor het realiseren van ondergronds ruimtegebruik (tunnels, kabels en leidingen, maar ook opslag van gas, CO2 in onderzeese gasvelden en warm water). Maar de bodem ‘vertelt’ ook de ontstaansgeschiedenis van het huidige landschap, bevat veel archeologische waarden en vervult een regulatiefunctie (natuurlijke CO2-opslag, zoals in veenbodems). De provincie zet in op het optimaal benutten van al deze functies. Tevens weegt ze veiligheidsaspecten mee en zet ze waar mogelijk in op het beschermen van de aardkundige en archeologische waarden. Duurzame bronnen (grondwater, bodemenergie) gaan boven bronnen voor eenmalig gebruik (delfstoffen). Initiatieven kunnen in principe in de ondergrond naast elkaar plaatsvinden, mits ze elkaars functionaliteit niet schaden. Tussen koude- en warmtebronnen moet bijvoorbeeld voldoende afstand zitten voor het optimaal benutten van duurzame energie en tussen warmtenetten en drinkwaterleidingen is ook een bepaalde afstand noodzakelijk. Waar initiatieven niet naast elkaar kunnen liggen, is een belangenafweging nodig tussen alle overheden, maatschappelijke organisaties en inwoners. De provincie voert hier de regie.

Randvoorwaarden • Beschermen van de kwaliteit van het grondwater en de drinkwaterwinning (inclusief aandacht voor gewasbeschermingsmiddelen, medicijnresten en microplastics) • (Inter)nationale regels ter bescherming van archeologische waarden Kritische succesfactor • Gezien de grotere druk op de ruimte onder de grond en de vele betrokken partijen, zijn nieuwe vormen van afstemming en samenwerking nodig Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem Behoud en versterking van het landschap is cruciaal voor de metropool Een uniek kenmerk van de metropool is de grote diversiteit aan landschappen met hoge ecologische, recreatieve en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is er een sterke verwevenheid tussen stad en landschap. Het groenblauwe gebied ligt tussen de kernen, die daarmee karakteristiek en onderscheidend blijven. Het biedt ook een plek voor relatieve rust ten opzichte van de stad. Tegelijk biedt het landschap nog veel ruimte voor landbouw en kleinschalige experimenten voor de productie van duurzame energie. Het landschap is als drager van deze waarden cruciaal voor het vestigingsklimaat en het woon- en leefmilieu in de metropool.

Ontwikkeling van een metropolitaan landschap Het landschap staat onder druk door de ruimtevraag van stedelijke functies, energietransitie, schaalvergroting in de landbouw, toenemende recreatie en toerisme, en klimaatadaptatie. Aan de functie van het groenblauwe gebied als primair natuur- en agrarisch gebied worden op plekken nieuwe functies toegevoegd. Deze functieverbreding biedt kansen voor het combineren van functies, zoals in het veenweidegebied (bij het tegengaan van de bodemdaling) of recreatie met natuur. Het benutten van deze kansen is ook noodzakelijk. Dit kan ook tot nieuwe economische dragers voor een gebied leiden. Niet overal is elke functie mogelijk. De provincie wil een balans tussen rust en drukte. Dit is gebiedsgericht maatwerk. Bijvoorbeeld door OV-knooppunten te ontwikkelen tot buitenpoorten naar het landschap. Voor deze opgaven is het noodzakelijk dat het landschappelijke raamwerk in de metropool wordt versterkt, bijvoorbeeld door het verbinden van gebieden. Verdichting in de stad vraagt ook om versterking van groen in en om de stad. Door de ontwikkelingen staan deze waarden wel onder druk. Ontwikkelingen zijn mogelijk, mits onder strikte voorwaarden. Het metropolitane landschap zal steeds vaker verschillende opgaven moeten stapelen en diverse belangen moeten verenigen.

Kritische succesfactoren • Het metropolitane landschap wordt adequaat beschermd • Het landschap is goed bereikbaar, zeker met de fiets, te voet of met het openbaar vervoer • Waar mogelijk is het landschap openbaar toegankelijk

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

• • •

17

Waar mogelijk combineren van functies. Dit vraagt om een gebiedsgerichte benadering en samenwerking, rekening houdend met de kernkwaliteiten van het gebied Voldoende beschikbare middelen voor investeringen en beheer, door aanwending van de verdiencapaciteit in de metropool (kosten en baten voor en over de hele metropool beschouwen) Bij noodzakelijke ontwikkelingen in het landschap zoeken naar integrale versterking van het gebied (zoals het beter inpassen en opheffen van doorsnijdingen bij aanpassing van infrastructuur)

Energie De regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en de economische kansen Vraag en aanbod van hernieuwbare energie worden zodanig gebundeld dat sprake is van efficiënte benutting van bestaande en nieuwe energie-infrastructuur en van restwarmte De agrifoodsector wordt gefaciliteerd bij de duurzame en economische ontwikkeling Agrifood is de verzameling van (economische) activiteiten van zaadje tot gereed product dat de consument bereikt. De provincie Noord-Holland biedt ruimte aan toekomstgericht en duurzaam ondernemerschap, inspelend op de maatschappelijke vraag en marktbehoeftes. De ambitie is de ontwikkeling van een toekomstbestendig agribusinesslandschap: een landschap waarin de agrarische keten optimaal functioneert en innoveert, passend binnen andere maatschappelijke doelstellingen.

Kritische succesfactoren • Klimaatadaptief vermogen van de sector, waaronder voldoende zoet water (zelfvoorziening) • Bereidheid van de sector tot verduurzaming, rekening houdend met natuur, landschap en biodiversiteit • Behoud en versterking van de kennisinfrastructuur innovatiemogelijkheden • Schaalvergroting alleen als die samengaat met economische, maatschappelijke en duurzame ontwikkeling • Ruimte voor functiemenging en functiestapeling, mits die bijdragen aan duurzaamheid en aan een economisch sterke sector • Clustering van sectoren die van elkaars nabijheid kunnen profiteren en waar dit vanuit duurzaamheidsperspectief voordelen biedt: glastuinbouw, permanente bollen, zaadteelt en veredelingsbedrijven • Logistieke ruimte en fysieke en digitale bereikbaarheid • Mogelijkheden voor alternatieve teelten, bijvoorbeeld in de veenweidegebieden • Benutten van vrijkomende agrarische bebouwing voor andere functies of verduurzaming van omliggende bedrijven • Voldoende tijdelijke huisvesting en voorzieningen voor arbeidsmigranten Natuurlijke processen zijn richtinggevend voor inrichting en beheer van nieuwe en bestaande natuurgebieden De provincie streeft naar gezonde en natuurlijke ecosystemen, die een stootje kunnen hebben. In Noord-Holland zijn natuurlijke processen voornamelijk bepaald door het watersysteem, zowel langs de drie kusten, als in het poldersysteem.

In veel gebieden is het historische landbouwkundige gebruik bepalend voor de aanwezige natuurwaarden. Extensieve vormen van landbouwkundig gebruik worden ook nu nog benut voor het beheer van natuurgebieden. Natuur is niet statisch, natuurdoelen kunnen wijzigen onder invloed van fysieke en maatschappelijke ontwikkelingen van buitenaf. Dat betekent bijvoorbeeld dat de natuurdoelen zullen mee veranderen met veranderingen die op lange termijn te verwachten zijn in het watersysteem, als gevolg van klimaatverandering, specifiek in de veenweidegebieden. De veranderingen zijn gebiedsspecifiek, maatwerk is dus van belang. Hierbij wordt wel vastgehouden aan de bescherming van de natuurwaarden van Europees belang, zoals vastgelegd in het Natura 2000-beleid.

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

18

Bestaande beleidsambities

Natuur- en waterdoelen worden in het vervolg altijd in gezamenlijkheid gerealiseerd Waterbeheer, natuurbeheer en recreatie worden meer in samenhang aangepakt. Aanvullend op het natuurnetwerk streeft de provincie naar multifunctionele groene ruimten waarin natuur, water, recreatie en landbouw worden gecombineerd. Zoals (piek)waterbergingsgebieden die worden ingericht als natuur en recreatiegebied, en die ondersteunend kunnen zijn voor landbouwkundig watergebruik. Of overgangen tussen land- en waternatuur, die de kansen voor biodiversiteit en een betere waterkwaliteit vergroten. Groene verbindingen tussen stad en landelijk gebied kunnen waterberging, recreatie, klimaatadaptatie, gezondheid en natuur combineren. Zo ontstaan multifunctionele groene ruimten met een grotere biodiversiteit. De landbouw draagt verder bij aan de verbetering van de kwaliteit en vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen naar natuurgebieden en oppervlaktewater door nieuwe en innovatieve teeltsystemen (naast doorvoering van rendementsverbeteringen).

Kritische succesfactoren • Draagvlak bij gebruikers om het bedrijfssysteem aan te passen aan de beschikbaarheid van zoetwater • Kleinschalige agrarische kavelruil om ruimte voor nieuwe natuur en sterke landbouw vrij te maken • (Stimulering van) agrarisch natuurbeheer op de juiste locatie • Gebiedsgerichte ontwikkeling bedoeld om slimme combinaties te maken, bijvoorbeeld ruimte voor recreatie, natuur en waterberging • Goede afstemming tussen water- en natuurbeheer (zoals natuurvriendelijke oevers) Om een robuust ecosysteem te realiseren worden verbindingen tussen natuurgebieden verbeterd en functies slim gepositioneerd Daar waar mogelijk wordt agrarisch natuurbeheer geconcentreerd rond natuurgebieden, wat bijdraagt aan betere bescherming van de natuurwaarden in de NNN. Een gebiedsgerichte aanpak kan de verwachte groei van recreatiedruk opvangen. Deze aanpak combineert ruimte voor natuurontwikkeling, recreatie, waterberging en landbouw. Ook wordt bij de locatiekeuze en clustering van functies rekening gehouden met de gevolgen voor water. Bijvoorbeeld met het waterpeil en de zoetwatervraag (opdat die niet toeneemt). Randvoorwaarden • Kaderrichtlijn Water (KRW) • Ontwikkelingen dienen minimaal waterneutraal te zijn: ze mogen in geen enkel geval een verslechtering betekenen voor het watersysteem.

Dat betekent: geen achteruitgang van de waterkwaliteit, geen afname van de hoeveelheid open water, geen afname van het waterbergend vermogen, geen toenemende bodemdaling of versnippering in peilvakken. Kritische succesfactoren • Daadwerkelijke realisatie van de bestaande NNN en N2000 doelen • Extra inzet op KRW • Functiestapeling als manier om middelen te genereren voor het (gebiedsgericht) behalen van meerdere doelstellingen • Goede geleiding van de recreatiegroei om zo een negatief effect op de natuurgebieden te voorkomen Hoofdlijnen voor Beemster • Beemster is onderdeel van het metropolitane landschap maar valt niet op in de kaart. • Het landschap staat onder druk door de ruimtevraag van stedelijke functies, energietransitie, schaalvergroting in de landbouw, toenemende recreatie en toerisme, en klimaatadaptatie. • Rekening houden met de kernkwaliteiten behorend bij werelderfgoederen (UNESCO).

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

•

• • • • • •

• • • •

• •

•

19

Ruimte voor ontwikkeling van een toekomstbestendig agribusinesslandschap: een landschap waarin de agrarische keten optimaal functioneert en innoveert, passend binnen andere maatschappelijke doelstellingen. Klimaatadaptief vermogen van de sector, waaronder voldoende zoet water (zelfvoorziening) Bereidheid van de sector tot verduurzaming, rekening houdend met natuur, landschap en biodiversiteit. Behoud en versterking van de kennisinfrastructuur innovatiemogelijkheden. Schaalvergroting alleen als die samengaat met economische, maatschappelijke en duurzame ontwikkeling. Ruimte voor functiemenging en functiestapeling, mits die bijdragen aan duurzaamheid en aan een economisch sterke sector. Clustering van sectoren die van elkaars nabijheid kunnen profiteren en waar dit vanuit duurzaamheidsperspectief voordelen biedt: glastuinbouw, permanente bollen, zaadteelt en veredelingsbedrijven. Logistieke ruimte en fysieke en digitale bereikbaarheid (ook logistieke ruimte in Beemster?). Mogelijkheden voor alternatieve teelten (ook in Beemster?). Benutten van vrijkomende agrarische bebouwing voor andere functies of verduurzaming van omliggende bedrijven. Vergroten van de biodiversiteit. Meer biodiversiteit draagt bij aan een duurzame agrifoodsector en aan een gezonde leefomgeving.

Natuurinclusief ontwikkelen in het agrarisch gebied bestaat onder meer uit het gebruik van natuurlijke plaagbestrijding, circulaire landbouw, het bieden van ruimte aan natuur (bijvoorbeeld in oevers en randen door ecologisch slootbeheer, natuurvriendelijke oevers en ecologisch randenbeheer) en het stimuleren van vismigratie. Ontwikkelingen mogen het watersysteem niet verslechteren. De landbouw draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit en vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen naar natuurgebieden en oppervlaktewater door nieuwe en innovatieve teeltsystemen (naast doorvoering van rendementsverbeteringen). Vraag en aanbod van hernieuwbare energie bundelen (ook agrarische productieruimte benutten voor energie?).

2.2.2. Provinciale ruimtelijke verordening Provincie Noord-Holland (2019)

De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn verankerd in de Provinciale ruimtelijke verordening Provincie Noord-Holland 5. Bescherming van de cultuurhistorische waarden van De Beemster en De Stelling van Amsterdam is vastgelegd in Artikel 20 tm 22 van de verordening. Nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande zijn alleen mogelijk als deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. In Artikel 26 Agrarische bedrijven in landelijk gebied is vastgelegd dat een agrarisch bouwperceel een omvang heeft van maximaal 2 hectare. Een agrarisch bouwperceel mag van de provincie groter dan 2 hectare zijn, mits de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces en de uitbreiding geen afbreuk doet aan de landschappelijke waarden van de betreffende omgeving. Het gebied is vooral een agrarisch productielandschap. Slechts een klein deel van het gebied is aangemerkt als weidevogelleefgebied. Er zijn geen natuurgebieden aangewezen.

5

https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Omgevingsvisie_en_PRV/Beleidsdocumenten/Provinciale_Ruimtelijke_Verordeni ng_juni_2019.org

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

98004.20191860

20

Bestaande beleidsambities

Figuur UNESCO werelderfgoed Beemster en Stelling van Amsterdam

Figuur Weidevogelleefgebieden en natuurnetwerk Nederland: geen natuur, alleen een weidevogelgebied

Figuur Blauwe ruimte: regionale waterkeringen: alleen de ringdijken

Figuur Aardkundige waarden: alleen Kruisoord

Figuur Landbouwcluster (zaadveredelingsbedrijf)

98004.20191860

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Bestaande beleidsambities

21

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, moet worden voldaan aan Artikel 15 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied moet worden getoetst aan de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening wordt gehouden met: i. de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; ii. de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en; b. hierbij wordt betrokken: i. de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes, en; ii. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en; iii. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. Gedeputeerde Staten kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies vragen over ontwikkelingen die een grote impact kunnen hebben op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden of indien wordt afgeweken van de ontwikkelprincipes. Hoofdlijnen voor Beemster • De bescherming van de werelderfgoederen werkt door in de verordening. • De Beemster is primair agrarisch gebied, er is geen aangewezen natuur, alleen een weidevogelleefgebied in het zuidwesten van de Beemster. Naastgelegen natura2000 heeft wel invloed binnen de Beemster.

• Aardkundige waarden in Kruisoord (het enige oorspronkelijke veenweidegebied). • Waterveiligheid: bescherming van de ringdijken. • Cluster: Zaadveredelingsbedrijf. • Ontwikkelingen toetsen aan de leidraad Landschap en cultuurhistorie.

2.2.3. Leidraad landschap en cultuurhistorie (2018)

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 6 is in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) verankerd in artikel 15 (ruimtelijke kwaliteitseis). De leidraad beschrijft de kernkwaliteiten van de verschillende Noord-Hollandse landschappen. De landschappelijke karakteristiek van de Beemster wordt gevormd door een raster met gelijkwaardige wegen en vaarten die allemaal beplant zijn. Dit zorgt voor een droogmakerij met zeer herkenbare indeling in vierkanten. Aan de rand zijn de Beemstervierkanten afgekapt door de ringdijk. De geometrische indeling komt op verschillende schaalniveaus terug in sloot- en wegenpatroon, kavelverdeling, -inrichting en de bebouwing. De vierkante opzet van de erven met een vaste situering van de boerderijen (stolpen) in de Beemster is uniek. In de Beemster begrenzen de laanbeplanting en bebouwing langs rasterwegen de openheid. Hierdoor ontstaan grote vierkante ‘kamers’ met daarbinnen een verdere opdeling in rechthoekige kavels. Daarnaast liggen er in de Beemster vijf forten die onderdeel zijn van De Stelling van Amsterdam. Ze zorgen elk voor openheid door ‘verboden kringen’ met een straal van een kilometer vanaf het fort. De ringdijk van de Beemster is in tegenstelling tot die van de Schermer beplant. Het polderraster bestaat uit hoger gelegen, beplante wegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1336/documents/17227