CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Zuiderweg 20 - Zuiddijk tussen 6 en 7.pdf

Gemeenteraad 30 november 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 4a: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7.19.301 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Beemster

Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7 Toelichting, regels en verbeelding

Oktober 2021

Kenmerk 0370-11-T02 Projectnummer 0370-11

Toelichting

Inhoudsopgave 1.

Inleiding 1.1. Aanleiding en doel 1.2. Ligging plangebied 1.3. Huidig bestemmingsplan 1.4. Leeswijzer

1 1 2 3 3

2.

Plangebied 2.1. Geschiedenis 2.2. Ruimtelijke structuur 2.3. Huidige situatie 2.4. Toekomstige situatie

5 5 5 5 7

3.

Beleidskaders 10 3.1. Rijksbeleid 10 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 10 3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 12 3.1.3. Ladder voor duurzame verstedelijking 12 3.1.4. Visie erfgoed en ruimte 13 3.2. Provinciaal beleid 14 3.2.1. Omgevingsvisie NH2050 14 3.2.2. Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 15 3.3. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 18 3.3.1. Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) 18 3.3.2. Raamplan Bescherming tegen Wateroverlast Noorderkwartier (BWN 2005)18 3.4. Gemeentelijk en regionaal beleid 18 3.4.1. Structuurvisie 18 3.4.2. Beemster Omgevingsnota 20 3.5. Conclusie 21

4.

Onderzoek 4.1. Archeologie 4.2. Bodem 4.3. Luchtkwaliteit 4.4. Geluid 4.5. Externe veiligheid 4.6. Ecologie 4.7. Milieuzonering 4.8. Water 4.8.1. Algemeen 4.8.2. Vooroverleg HHNK 4.9. Verkeer en parkeren

22 22 22 23 23 24 26 29 29 29 30 31

4.10. Vormvrije mer-beoordeling

31

5.

Uitvoerbaarheid van het plan 5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3. Overleg artikel 3.1.1 Bro

33 33 33 33

6.

Juridische planbeschrijving 6.1. Algemeen 6.2. Bestemmingsplan 6.3. Plansystematiek 6.4. Regels

34 34 34 34 34

1

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding en doel Gelet op de hoogspanningsverbinding boven hun huidige woning aan de Zuiderweg 20 in Zuidoostbeemster hebben de eigenaren van die woning het voornemen om hun woning op dat perceel te slopen. Omdat het een langgerekt perceel betreft, dat zich uitstrekt tot de Zuiddijk, willen de eigenaren in plaats van de woning aan de Zuiderweg, aan die Zuiddijk een vervangende woning bouwen. In verband daarmee hebben de eigenaren van het perceel een principeverzoek ingediend. In hun brief van 18 augustus 2020 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente Beemster laten weten onder voorwaarden mee te werken aan dit principeverzoek. Afbeelding 1: Ligging plangebied.

Voor het plangebied is het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021" van toepassing, dat door de gemeenteraad van Beemster op 26 oktober 2021 is vastgesteld. De beoogde bouwlocatie heeft hierin de bestemming "Agrarisch". De bouw van een woning past niet in dit bestemmingsplan. Om de woningen te kunnen realiseren, is derhalve een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het belangrijkste doel van het voorliggende bestemmingsplan is het verkrijgen van een bouwtitel voor de te bouwen woning en de inrichting van het perceel en het wegbestemmen van de huidige woning. Het plan is uiteraard ook een beheerkader voor de toekomstige situatie. De in

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

2

het onderhavige bestemmingsplan opgenomen regeling sluit zoveel mogelijk aan op het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021".

1.2.

Ligging plangebied Het plangebied bestaat uit twee delen. Het perceel Zuiderweg 20 bestaat uit de kadastrale percelen E923 en E1219 (gedeeltelijk) en heeft een oppervlakte van ongeveer 2.300 m². De bouwlocatie aan de Zuiderdijk is onderdeel van het kadastrale perceel E236. Afbeelding 2: Fragment bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021".

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

3

1.3.

Huidig bestemmingsplan Op het plangebied is het bestemmingsplan " Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021" van toepassing, dat door de gemeenteraad van Beemster op 26 oktober 2021 is vastgesteld (zie afbeelding 2). De locatie van de huidige woning heeft in dit bestemmingsplan de bestemmingen "Tuin" en "Wonen" en de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding". De beoogde locatie heeft grotendeels de bestemming "Agrarisch". Deze gronden zijn onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en daarbij behorende bedrijfswoningen. Bebouwing is alleen in daarvoor aangegeven bouwblokken toegestaan. Ter plaatse is geen bouwblok aanwezig, maar als dat al het geval zou zijn geweest, is een 'burger'woning binnen deze bestemming überhaupt niet toegestaan. Binnen de bestemming "Water" is uiteraard water toegestaan en bestaande bruggen en dammen. Daarnaast hebben de gronden langs de Zuiddijk de dubbelbestemming "Waterstaat – Waterkering". Bebouwing van deze gronden is uitsluitend mogelijk als dit niet ten koste gaat van het gebruik van de gronden als waterstaatsdoeleinden en vooraf overleg heeft plaats gevonden met en toestemming is gegeven door de beheerder van de gronden die zijn aangewezen voor waterstaatsdoeleinden. Verder zijn voor het perceel de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" en "Waarde - Cultuurhistorie" van toepassing.

Op grond van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" zijn de gronden bestemd voor behoud van de aanwezige archeologische waarden. Hierbij is archeologisch onderzoek verplicht voor bouwwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter en een oppervlakte hebben van >500 m². Die ondergrens wordt niet overschreden. In verband met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Om die waarden te behouden kan het bevoegd gezag van een initiatiefnemer vragen om een rapport te overleggen waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden.

1.4.

Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 van de toelichting de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Het relevante beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau is samengevat in hoofdstuk 3. Een toetsing aan de milieuhygiënische aspecten en gebiedswaarden is weergegeven in hoofdstuk 4. Hierbij wordt ingegaan op onder andere de bodem- en luchtkwaliteit, milieuzonering, geluid, flora en fauna, enzovoort. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 6 is een juridische planbeschrijving.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

4

Afbeelding 3: Kopergravure (bouwlocatie in rode cirkel).

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

5

2.

Plangebied

2.1.

Geschiedenis Begin 17de eeuw bestond er een grote behoefte aan nieuwe en goede landbouwgrond. Daarom is de Beemster tussen 1608 en 1612 drooggelegd door Amsterdamse kooplieden die het project onder andere met VOC-gelden en verdiensten uit de Oostzeehandel financierden. Rond het Beemstermeer werd daarom een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Vervolgens werd het water met behulp van een aantal molengangen met elk drie molens uitgemalen, die nadien voor de afwatering van de polder moesten zorgen. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog. De denkbeelden van de Gouden Eeuw bepaalden in 1612 de structuur van de verkaveling. De Beemster was het eerste grootschalige landschapsproject in de wereld waarin het principe van de Gulden Snede van Da Vinci (de Man van Vetruvius) volledig werd toegepast. Toen werd het nieuwe land verdeeld in een raster van vierkanten (zie afbeelding 3); volgens de klassieke opvattingen is dat een volledig harmonieus geheel. De verkaveling voldeed zonder meer aan de wensen van de droogleggers en hun opdrachtgevers, want symmetrie werd in de 17e eeuw gezien als de absolute perfectie. Dit verkavelingspatroon is nu nog steeds terug te vinden in De Beemster.

2.2.

Ruimtelijke structuur De Beemster heeft door haar geschiedenis een sterke ruimtelijke identiteit. De droogmakerij is opgebouwd uit elementen als wegen, bomenrijen, watergangen en bebouwing die van klein tot groot een samenhangend geheel vormen. Karakteristiek zijn de openheid, rechtlijnigheid, het strakke ritme, de schaal, de begrenzing door de dijk, de strakke bomenrijen langs de wegen en op de erven en de statige agrarische bebouwing van vroeger. Binnen de grillige contour van de ringdijk, waar de Zuiddijk een onderdeel van vormt, is de Beemster opgebouwd uit een heldere orthogonale grid-structuur van wegen en waterlopen. In die gridstructuur liggen de wegen ongeveer 1.850 meter van elkaar. Het grid is zodoende te verdelen in modules van 1.850x1.850 meter. Op de halve afstand liggen weteringen, die binnen het grid blokken van 925x925 meter vormen, die weer verdeeld zijn in vijf kavels van 185x925 meter. Zodoende is een mathematisch landschap ontstaan dat bestaat uit een aaneenschakeling van zuivere vierkanten. De sloten in de vierkanten zijn veelal ook op een gelijkmatige afstand evenwijdig aan één van de zijden van zo'n vierkant gesitueerd. Van die wegen is de Zuiderweg de weg in de oost-west richting die het verst naar het zuiden is gesitueerd. De ringdijk vormt de grens van De Beemster en vormt geen onderdeel van de orthogonale structuur van de polder.

Gelet op de unieke samenhang van wegen, waterlopen, verkavelingen en nederzettingen in het strakke geometrisch patroon, is Beemster geplaatst op de lijst van werelderfgoederen van Unesco.

2.3.

Huidige situatie De bestaande woning aan de Zuiderweg 20 ligt onder een hoogspanningsverbinding (zie afbeelding 5). Dit brengt mogelijk gezondheidsrisico's met zich mee. De Rijksoverheid heeft in

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

6

verband met die mogelijke gezondheidsrisico's een uitkoopregeling ingevoerd voor mensen die onder hoogspanningslijnen wonen en zich niet veilig voelen. De eigenaren van de woning hebben daarom het voornemen om hun huidige woning en de bijgebouwen (260 m²) te slopen en een nieuwe woning aan de andere zijde van hun langgerekte perceel aan de Zuiddijk te bouwen. Dit perceel heeft een agrarische bestemming en is in gebruik als grasland. Afbeelding 4: Foto bestaande woning (bron: Google streetview).

Afbeelding 5: Bestaande situatie Zuiderweg.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

7

Afbeelding 6: Bestaande situatie Zuiddijk.

2.4.

Toekomstige situatie De eigenaren hebben voor de het perceel tussen de nummers 6 en 7 een bouwplan voor een vrijstaande woning laten vervaardigen, dat voor wat betreft de maatvoering uiteraard past binnen de bouwregels van de bestemming "Wonen" in artikel 21, lid 2 van het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021". Bij de landschappelijke inpassing van het nieuwe woonperceel worden de Beemster Omgevingsnota en de Des Beemsters principes als uitgangspunt gehanteerd (zie paragraaf 3.4.1. Kort gezegd houdt dat in dat elk ruimtelijk initiatief (bebouwing, water, wegen, landschap) opgevat moet worden als ontwerpopgave met de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van De Beemster als uitgangspunt. In het kader van het principeverzoek heeft de initiatiefnemer een bouwplan ingediend voor de locatie aan de Zuiddijk. In hun beantwoording hebben burgemeester en wethouders aangegeven dat de situering van de woning is wat hen betreft akkoord is. De rand van de Beemster is een uniek stukje Beemster, waar de percelen niet altijd haaks op de dijk staan. De voorgestelde woning staat in lijn met het perceel. Daarnaast leidt het verwijderen van de bebouwing aan de Zuiderweg ertoe dat het zicht vanaf deze weg op het Fort aan de Middenweg hersteld wordt.

Per saldo is dit een positieve ontwikkeling als het gaat om de 'beleving' van dit gedeelte van het UNESCO-Werelderfgoed Stelling van Amsterdam. Achter de woning zal een stal worden gerealiseerd met een oppervlakte van 250 m². Deze is weliswaar groter dan de erfbebouwing die op grond van het vigerende bestemmingsplan bij burgerwoningen wordt toegestaan. Het beleid voor erfbebouwing bij burgerwoningen in het buitengebied is om geen grote gebouwen op achtererven mogelijk te maken. Hiermee blijft de openheid van de Beemster, een van de belangrijkste kernkwaliteiten van dit UNESCO Werel-

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

8

derfgoed, bestaan. In het bestemmingsplan is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan 50% van het voor bebouwing aangewezen erf van de woning, met voor bijgebouwen en overkappingen een maximum van 48 m². In de beantwoording van het principeverzoek hebben burgemeester en wethouders echter overwogen dat omdat op de huidige locatie al erfbebouwing staat met een oppervlakte die de 48 m² ruim overschrijdt, het niet redelijk is om de hoeveelheid erfbebouwing te reduceren. Daarom is een oppervlakte aan erfbebouwing toelaatbaar, die ten hoogste gelijk is aan wat er nu aanwezig is op het perceel Zuiderweg 20. Vanuit landschappelijk oogpunt verdient het sterk de voorkeur dat de stal recht achter de woning geplaatst wordt, in plaats van schuin achter de woning. Bovendien dient er ten minste 7,2 meter afstand van de naastgelegen waterloop, een zogenaamde 'kopergravuresloot', gehouden te worden. De maximale goothoogte mag 4,0 meter bedragen en het dak dient een helling tussen de 15 en 30 graden te hebben. Naast de stal wordt een paardenbak aangelegd, die past binnen de voorwaarden die het bestemmingsplan aan paardenbakken bij burgerwoningen in het buitengebied stelt.

Deze voorwaarden luiden dat maximaal één paardenbak bijeen woning is toegestaan, die niet groter is dan 800 m², in het verlengde van de bebouwing ligt, met maximaal 5 meter hoge lichtmasten en een 1,5 meter hoge omheining. Bovendien is een paardenbak alleen toegestaan als het perceel ten minste 5.000 m² groot is. Daarvan is in dit geval sprake. Ook voor de paardenbak geldt dat het sterk de voorkeur verdient dat deze recht achter de woning wordt geplaatst en dat deze minimaal 7,2 meter van de kopergravuresloot af moet liggen. Afbeelding 7: Toekomstige situatie Zuiddijk.

Na de realisatie van de woning en de paardenstal aan de Zuiddijk, zal de bestaande bebouwing aan de Zuiderweg 20 worden gesloopt.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

9

Afbeelding 8: Toekomstige situatie Zuiderweg.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

10

3.

Beleidskaders Op diverse bestuurlijke niveaus zijn beleidsuitspraken geformuleerd die relevant zijn voor het plangebied. In dit hoofdstuk volgt een korte samenvatting van de betreffende nota's.

3.1.

Rijksbeleid

3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven.

Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

11

2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Prioriteit 1 gaat over de ambitie van Nederland om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Daarnaast gaat het ook over de ambitie van Nederland om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen en de bijbehorende energie infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie. Bij prioriteit 2 wordt aangegeven dat de ambitie voor de lange termijn is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Er wordt ingezet op een aantrekkelijke, gezonde en veilige omgeving en een goed vestigingsklimaat, inclusief een goede bereikbaarheid en duurzame mobiliteit. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.

Er wordt daarbij ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. Nieuwvestiging van toerisme vindt bij voorkeur plaats buiten de huidige toplocaties en in de nabijheid van OV of bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet. Bij prioriteit 3 word beschreven dat er wordt ingezet op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Hieraan wordt een stevige impuls gegeven. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd. Bij prioriteit 4 wordt ingegaan op het belang van natuurlijke systemen en het landschap. In sommige regio's staan de natuurlijke systemen en het landschap onder druk. Soms is daar sprake van een verzakkende bodem, onder meer door een te laag waterpeil.

Als het waterpeil omhoog gaat, kan dat gevolgen hebben voor de landbouw en de veeteelt. In sommige gebieden wordt het dan misschien logischer om duurzame energie te produceren in plaats van voedsel. Tegelijkertijd willen we de kwaliteiten van het landschap graag behouden om te kunnen recreeren en ook vanwege ons cultureel erfgoed. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

12

de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:  combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;  kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;  afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Planspecifiek Vanuit de vier prioriteiten is een duurzame ontwikkeling (met name energievoorziening en natuurinclusief bouwen) het belangrijkste uitgangspunt. De woning zal aan de hedendaagse duurzaamheidseisen voldoen.

Van de 21 nationale belangen is, naast een duurzame ontwikkeling, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten, een nationaal belang dat relevant is voor de onderhavige ontwikkeling. Het verplaatsen van één woning doet geen afbreuk aan het cultureel erfgoed (zie paragraaf 3.1.2 c.a.). De planontwikkeling is niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI. 3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen en bij projectuitvoeringsbesluiten dient rekening te worden gehouden met het Barro. Het plangebied maakt zowel deel uit van het Werelderfgoed "De Beemster" als van het Werelderfgoed "De Stelling van Amsterdam". In het Barro zijn de kernkwaliteiten van beide werelderfgoederen (zie afbeelding 9) omschreven en is bepaald dat deze in een provinciale verordening worden uitgewerkt en geobjectiveerd. Deze bestaande kernkwaliteiten worden door de verplaatsing van de woning, met daarbij een zorgvuldige landschappelijke inpassing, niet aangetast. 3.1.3.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie artikel 1.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)). Uitbreiding van de bouwmogelijkheden en / of functiewijziging in een bestemmingsplan betekent doorgaans dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van de jurisprudentie (AbRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4) wordt de bouw van drie woningen niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. In dit geval neemt het woningaantal niet toe, maar is er sprake van vervangende nieuwbouw. De ladder is in dit geval derhalve niet van toepassing.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

13

Afbeelding 9: Kernkwaliteiten Barro. Werelderfgoed De Beemster 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij Beemster, bestaande uit:  het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen;  de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving);  het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen;  bebouwing langs de wegen;  de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting;  de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens;  de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen;  de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster. Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam 1.

Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit:  een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam;  sluizen en voor- en achterkanalen;  de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken;  inundatiegebieden;  voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied);  de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

3.1.4. Visie erfgoed en ruimte In de Nota 'Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte' schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. Om dit te bewerkstelligen, is op 1 januari 2012 artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. Deze wijziging verplicht gemeenten nu om het aspect cultureel erfgoed expliciet mee te wegen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. In de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek wordt een onderscheid in de fysieke omgeving gemaakt tussen de cultuurhistorie in de ondergrond en de bovengrond:  het bodemarchief;  het bouwkundig erfgoed (gebouwen en structuren);  het cultuurlandschap. Het bodemarchief heeft betrekking op de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Uit het bureauonderzoek (zie paragraaf 4.1) blijkt dat het gebied een lage verwachting geldt. Uit cultuurhistorisch oogpunt is de bestaande bebouwing niet van belang. Er is derhalve geen sprake van bouwkundig erfgoed. De nieuwe woningen zijn op een zorgvuldige manier ingebed in de bestaande omgeving waarbij de uitgangspunten van Des Beemster als randvoorwaarde

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

14

zijn gehanteerd. Uit het oogpunt van cultuurhistorie is er geen belemmering om de bestaande woning van de Zuiderweg te verplaatsen naar de Zuiddijk.

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1. Omgevingsvisie NH2050 Op 19 november 2018 hebben provinciale staten de "Omgevingsvisie NH2050" vastgesteld. Hierdoor is onder meer de Structuurvisie Noord-Holland 2040 ingetrokken. De omgevingsvisie bevat een langetermijnvisie op alle aspecten die verband houden met de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie NH2050 is een aantal langetermijnambities vertaald naar een aantal generieke randvoorwaarden en principes over de leefomgevingskwaliteit in Noord-Holland en een vijftal bewegingen naar de toekomst toe. De hoofdambitie is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit komt tot uiting in een prettige en gezonde leefomgeving en is een omgeving waar het goed wonen en werken is. Waar je zo min mogelijk wordt blootgesteld aan ongezonde en onveilige stoffen. Waar voldoende scholen, ziekenhuizen, sportcomplexen en andere voorzieningen zijn en waar voldoende lucht, licht en groen is. De provincie draagt bij aan de klimaatdoelstellingen van Nederland. Om dit te bereiken, moet in 2050 de Noord-Hollandse samenleving volledig klimaatneutraal zijn en de economie duurzaam ingericht. Innovatie is daarvoor een belangrijke motor en de provincie biedt ruimte aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.

De grote woningbehoefte wordt voornamelijk binnenstedelijk opgelost en duurzaamheid van de totale woningvoorraad is daarbij uitgangspunt. Zeker in Noord-Holland, dat bijna aan alle kanten omgeven is door water, is het belangrijk beschermd te zijn tegen dat water. Daarnaast is bereikbaarheid een belangrijk thema. Noord-Hollanders moeten zoveel mogelijk de vrijheid hebben om hun eigen vervoerswijzen te kiezen. Of dit nu de auto, fiets of openbaar vervoer is. Ook hier is ruimte voor experiment en innovatie. Tegelijkertijd worden de unieke kwaliteiten van het landschap behouden of zelfs versterkt. Waar mogelijk wordt de bodem-, water-, en luchtkwaliteit verbeterd en de biodiversiteit vergroot. De aan de visie gekoppelde sturingsfilosofie is 'lokaal wat kan, regionaal wat moet'. In de wetenschap dat de wereld waarmee Noord-Holland is verbonden continu verandert, geven deze bewegingen en ontwikkelprincipes enerzijds richting – en daarmee houvast naar een onbekende toekomst –, en anderzijds voldoende ruimte en handelingsperspectief om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen. De Omgevingsvisie is dus geen eindbeeld voor 2050. De visie laat in algemene zin wel zien wat de ontwikkelprincipes en randvoorwaarden zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes en randvoorwaarden zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie.

Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving. Daarnaast schetst de provincie in de vijf samenhangende bewegingen naar de toekomst toe hoe zij omgaat met opgaven die op de samenleving afkomen en die zij willen faciliteren. Het gaat om de volgende vijf bewegingen:

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

15

 Dynamisch Schiereiland – hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd.  Metropool in ontwikkeling – hierin beschrijven we hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem vergroten we de agglomeratiekracht.  Sterke kernen, sterke regio's – deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden.  Nieuwe energie – deze beweging gaat over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie.  Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving - deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agri-foodsector. Het verplaatsen van een woning is voor geen van deze bewegingen relevant. 3.2.2. Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020, die op 16 november 2020 door Provinciale Staten van Noord-Holland is vastgesteld.

De Omgevingsverordening vervangt alle verordeningen die betrekking hadden op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Door deze integratie loopt de provincie Noord-Holland vooruit op de invoering van de omgevingsverordening als een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet, voor zover dat al mogelijk is op basis van de bestaande wetgeving. Eén van de ontwikkelprincipes uit de Omgevingsvisie NH2050 is dat wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd en geconcentreerd. Veel van de instructieregels aan gemeenten hebben betrekking op het landelijk gebied. Daarom is in het werkingsgebied landelijk gebied duidelijk gemaakt waar volgens de provincie de grens ligt tussen stedelijk en landelijk gebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. Op grond van artikel 6.3 van de verordening kan een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt een ontwikkeling verstaan als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening. De verplaatsing van één woning wordt echter niet als en stedelijke ontwikkeling gezien.

Artikel 6.7 maakt kleinschalige woningbouwontwikkelingen mogelijk in het werkingsgebied landelijk gebied. Het plangebied is echter aangeduid als werkingsgebied 'MRA landelijk gebied'. Op grond van artikel 6.9 is binnen die aanduiding geen kleinschalige woningbouwontwikkeling mogelijk, ook niet op grond van de uitzonderingen in dat artikel. In dit geval wordt gebruik gemaakt van de bestuurlijke afwegings-

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

16

ruimte uit artikel 13 van de verordening. Dit is in dit geval mogelijk omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling gericht op de verwezenlijking van gemeentelijk ruimtelijk beleid dat wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de provinciaal belangen. Omdat er sprake is van vervangende nieuwbouw en omdat er de nieuwe bouwlocatie niet meer onder een hoogspanningsverbinding is gesitueerd, is er sprake van een duidelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ten opzichte van de bestaande situatie. Met het oog op de gezondheid van de bewoners weegt instandhouding van die situatie niet op tegen het provinciaal belang om in het werkingsgebied 'MRA landelijk gebied' geen nieuwe woningbouw toe te staan. Bovendien neemt per saldo de hoeveelheid bebouwing niet toe. Op grond van artikel 6.59 kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: 1. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; 2. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en 3.

bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. De ambities en ontwikkelprincipes voor de Beemster zijn onder andere gebaseerd op Structuurvisie Beemstermaat en Omgevingsnota Beemster (gemeente Beemster, 2012), Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf (Croonen adviseurs, in opdracht van projectbureau Des Beemsters, 2010) en Handboek Erfinrichting Beemster (Landschap Noord-Holland). De ambities en ontwikkelprincipes voor de Stelling van Amsterdam zijn onder andere gebaseerd op Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam (DHV/Feddes–Olthof in opdracht van provincie NoordHolland, 2008) en Ruimtelijk Beleidskader Stelling van Amsterdam–Beemster (provincie NoordHolland, 2015). Het ensemble wordt in dit geval gekenmerkt door de samenkomst van het fijnmazige veenpolderlandschap van de Eilandspolder en de polder Mijzen ('oud' land) en twee grote droogmakerijen Schermer en Beemster ('nieuw' land) aan weerszijden. Op dit schaalniveau zijn de provinciale structuren van belang, waarbij met name de (agrarische) erven worden genoemd: Het traditionele Beemster erf heeft een opzet in kwadranten, net als de Beemster zelf, en is vaak bebouwd met een stolp. Bebouwing op afstand van de wegsloot creëert een royaal karakter.

Daarbij is het gewenst om de rooilijnprincipes voor de bebouwing aan te houden en nieuwe agrarische bebouwing achter de stolp te plaatsen. Verder dient onder meer het onderscheid in representatief voorerf en functioneel achtererf te worden gehandhaafd. Deze aspecten zullen als uitgangspunt voor de (landschappelijke) inpassing van het perceel aan de Zuiddijk worden gebruikt. Ook in de architectuur van de bebouwing zal op de nieuwe locatie aan de Zuiddijk een bouwplan worden ontwikkeld dat passend is binnen de bebouwing van de Beemster. De kernkwaliteiten van de Beemster worden door de verplaatsing van de woning naar de Zuiddijk niet aangetast omdat per saldo het bouwvolume niet toeneemt. Doordat de bebouwing aan de Zuiderweg zal worden gesloopt zullen de zichtlijnen door de Beemster worden verruimd. Dit leidt per saldo tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Historisch ge-

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

17

zien is bebouwing aan de rand van de Beemster herkenbaar, op de huidige locatie niet. Met het plaatsen van de hoogspanningsleidingen is er een zodanige ingreep geweest op het historische landschap en met gevolgen voor de bewoning dat verplaatsen van het bouwvolume gerechtvaardigd is. Het plangebied ligt daarnaast ook in de UNESCO-erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden Beemster en Stelling van Amsterdam. Het plangebied is aangeduid als 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. In artikel 6.49 bepaalt dat een ruimtelijke plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten niet aantasten (zie afbeelding 10). In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft de Provincie NoordHolland naar aanleiding van de overlap tussen beide erfgoederen, het Ruimtelijk Beleidskader De Beemster en Stelling van Amsterdam geraadpleegd, dat in samenwerking tussen gemeente en provincie is gemaakt. Dit beleidskader bevat een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen die op dit specifieke gebied afkomen. Uit het beleidskader blijkt dat juist de locatie aan de Zuiddijk in aanmerking komt voor verdichting en ook is aangeduid als een bijzondere plek met ontwerpmogelijkheden.

Bovendien worden, omdat er sprake is van de verplaatsing van één woning de kernkwaliteiten niet aangetast omdat per saldo de bebouwde oppervlakte niet toeneemt. Afbeelding 10: Kernkwaliteiten werelderfgoederen. Werelderfgoed De Beemster 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiendeeeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit: – het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; – de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); – het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; – bebouwing langs de wegen; – de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; – de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; – de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; – de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster. De Stelling van Amsterdam 1.

Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: – een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; – sluizen en voor- en achterkanalen; – de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; – inundatiegebieden; – voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); – de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

De nieuwbouwlocatie aan de Zuiddijk is aangeduid als 'regionale waterkering'. Op grond van artikel 6.77 van de verordening voorziet een ruimtelijk plan ter plaatse hiervan in bescherming

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

18

van de waterkerende functie door op deze functie toegesneden bestemmingen en regels en voorziet een ruimtelijk plan in een beschermingszone aan weerszijden van de waterkering waar geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. In afwijking hiervan zijn nieuwe ontwikkelingen mogelijk indien hierover overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie. In het onderhavige bestemmingsplan hebben deze gronden de dubbelbestemming "Waterstaat - waterkering". In paragraaf 4.8.2 van deze toelichting is een samenvatting van het vooroverleg met HHNK opgenomen, waaruit blijkt dat -onder voorwaarden- er overeenstemming is over de bouw van de woning op het perceel aan de Zuiddijk.

3.3.

Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

3.3.1. Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) Op 16 december 2015 heeft het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) vastgesteld. Dit plan is de opvolger van het Waterbeheersplan 2010-2015 'Van veilige dijken tot schoon water' (WBP4). In het Waterprogramma presenteert het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die in die planperiode samen met anderen worden uitgevoerd. Daarbij wordt voortgebouwd op de regionale Deltavisie (2012) en de landelijke Deltabeslissingen. 3.3.2. Raamplan Bescherming tegen Wateroverlast Noorderkwartier (BWN 2005) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over de aanpak van wateroverlast, watertekort en waterkwaliteit voor de komende jaren. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten dienen te anticiperen op veranderende omstandigheden zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van verhard oppervlak. De opgave voor het terugdringen van de wateroverlast is uitgewerkt in raamplannen. De planperiode beslaat de jaren 2005 tot 2015. De studie Bescherming Wateroverlast Noorderkwartier, ook wel aangeduid als de faalkansenstudie, heeft inzicht verschaft in de omvang van het overlastprobleem. De resultaten vormen het vertrekpunt voor de knelpuntenanalyse en de uitwerking van de maatregelen.

Het raamplan richt zich niet op de aanpassing van de boezemsystemen, maar op kleinschalige maatregelen in de poldersystemen. De problemen worden opgelost waar ze zich voordoen, waarbij als belangrijkste uitgangspunt geldt dat te dempen water geheel moet worden gecompenseerd en dat een toename van de bestaande verharding in voldoende mate dient te worden gecompenseerd.

3.4.

Gemeentelijk en regionaal beleid

3.4.1. Structuurvisie Algemeen De gemeenteraad van Beemster heeft op 10 juli 2012 Beemstermaat, de Structuurvisie van de gemeente Beemster vastgesteld. Voor de toekomst van de droogmakerij is het van belang de

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

19

veelgeroemde ruimtelijke identiteit van De Beemster concreet te benoemen en hanteerbaar te maken voor de opgaven die nu en in de toekomst spelen. De Beemster is immers geen gebied onder een kaasstolp, maar een dynamische droogmakerij waarin verschillende opgaven en tendensen zoals agrarische schaalvergroting, waterberging, woningbouw en uitbreiding van bedrijven aan de orde van de dag zijn. De structuurvisie is een strategisch document over de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in de gemeente en vormt het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en geeft aan waar welke functies wenselijk zijn en waar niet. Om de ruimtelijke identiteit te bewaken, zijn 11 zogenaamde 'gouden regels' geformuleerd: Gouden regels 1. De Beemster is werelderfgoed en daarom moeten alle nieuwe ontwikkelingen voldoen aan de criteria van 'Des Beemsters'. Dat houdt in dat elk ruimtelijk initiatief (bebouwing, water, wegen, landschap) opgevat moet worden als ontwerpopgave met de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van De Beemster als uitgangspunt. 2. De Beemster is een werkpolder: binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur moet (ruimtelijke en functionele) verandering mogelijk zijn. 3. De hiërarchie in de ruimtelijke structuur is van groot naar klein: van De Beemster als geheel naar het architectonisch detail. 4.

De landschappelijke openheid is een belangrijke, maar kwetsbare kwaliteit van De Beemster. De droogmakerij bestaat visueel-landschappelijk uit een aantal 'kamers', begrensd door randen met bebouwing en opgaande beplanting: de dorpen, de beboomde wegen met agrarische erven en de ringdijk. Eventuele verdichting in het buitengebied vindt alleen plaats in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. De openheid van de kamers blijft zo gewaarborgd. 5. Het hiërarchisch opgebouwde watersysteem, lopend vanaf de kavelsloten via het grid van de hoofdafwatering tot de Beemsterringvaart, is de blauwdruk voor de structuur. Dit watersysteem, zoals in kaart vastgelegd op de Kopergravure (1644), moet gerespecteerd worden, zowel het tracé als het dwarsprofiel. 6. De wegen vormen de functionele ontsluitingsstructuur van De Beemster en begrenzen de 'landschappelijke kamers' van de polder. De wegprofielen zijn van essentieel belang: de weg zelf, bermen en eventuele taluds, de doorgaande boomstructuur, flankerende sloten. 7. Het erf is de ordenende bouwsteen van het buitengebied. Erfinrichting en bebouwing zijn onlosmakelijk verbonden met De Beemster als geheel. 8. Bebouwingsstructuren worden vanuit het grotere geheel benaderd: vanuit het landschap naar de bebouwing. De randen van de dorpskernen zijn van groter belang dan de binnengebieden. 9.

Middenbeemster is vanuit cultuurhistorisch oogpunt de belangrijkste bebouwde structuur en moet letterlijk als middelpunt van De Beemster herkenbaar blijven. 10. Forten en stolpen worden als gestolde cultuurhistorische artefacten in stand gehouden. 11. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is intensief waar het moet: namelijk op alles wat 'Des Beemsters' is en raakt aan deze Gouden Regels; en neutraal waar het kan: op alle overige aspecten.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

20

De rand van de Beemster is een uniek stukje Beemster, waar de percelen niet altijd haaks op de dijk staan. De voorgestelde woning is in lijn met het perceel geprojecteerd. Daarnaast leidt het verwijderen van de bebouwing aan de Zuiderweg ertoe dat het zicht vanaf deze weg op het Fort aan de Middenweg hersteld wordt. Uit het oogpunt van de 'beleving' van dit gedeelte van het UNESCO-Werelderfgoed Stelling van Amsterdam is dit een positieve ontwikkeling. Vanuit landschappelijk oogpunt verdient het sterk de voorkeur dat de stal recht achter de woning geplaatst wordt. De situering van de stal is daarom op de verbeelding aangegeven. De stal staat zodoende op ruime afstand (veel meer dan de minimaal vereiste 7,2 meter van de zogenaamde 'kopergravuresloot'. Ook de paardenbak zal op minimaal 7,2 meter van die sloot worden aangelegd. Daarnaast zal worden voldaan aan de maatvoeringseisen voor gebouwen en bouwwerken, zoals die gelden voor het gehele buitengebied met het oog op de invulling van de 'gouden regels'. 3.4.2. Beemster Omgevingsnota Op 10 juli 2012 heeft de gemeenteraad ook de Beemster Omgevingsnota vastgesteld. De Omgevingsnota is (onder meer) de welstandsnota in de zin van de Woningwet, Het doel van de omgevingsnota is het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteit. De omgevingsnota richt zich primair op de belevingswaarde van de omgeving.

In de omgevingsnota wordt niet geregeld welke functies op welke plek komen en hoe omvangrijk en flexibel het programma is. Dit soort zaken regelt het bestemmingsplan. In de omgevingsnota staan uitspraken over hoe een toegestane functie en een toegestaan volume het beste kunnen worden ingepast en uitgevoerd. Deze uitspraken moeten ervoor zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van De Beemster op de beste manier behouden blijft en versterkt wordt. In de omgevingsnota worden drie schaalniveaus onderscheiden die onderling verbonden zijn en van groot naar klein lopen. Het idee hierachter is dat bij het beoordelen van ruimtelijke ingrepen steeds van het geheel naar details gekeken wordt. Deze manier van denken leidt ertoe dat bij de beoordeling van ruimtelijke ingrepen het accent verschuift van het object als zodanig, bijvoorbeeld een ingreep op een erf, naar het object in zijn omgeving (de hele Beemster). De drie schaalniveaus zijn:  Macroniveau: De Beemster als geheel.  Mesoniveau De structuur van De Beemster, van Beemsterkamer tot Beemsterkavel, met wegen en water en gebouwde structuren als kernen en reeksen bebouwing.  Microniveau: Erfniveau (boerderijerf, tuinderserf, buitenplaatserf, ringdijkerf) en 'binnengebieden' in de kernen.

Naast schaalniveaus wordt ook onderscheid gemaakt tussen gebieden en objecten die een belangrijke rol spelen in het werelderfgoed-karakter van de polder, en gebieden en objecten die

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

21

daarvoor van mindere betekenis zijn. Het plangebied aan de Zuiddijk valt op basis van de gebiedsindeling in de omgevingsnota in het buitengebied. Voor het buitengebied geldt het regieniveau 'bijzonder'. Voor het regieniveau 'bijzonder' geldt dat bij veranderingen en ontwikkelingen op plekken die primair 'Des Beemsters' zijn de regie is gericht op het accentueren van de bijzonderheid: de betekenis van de ingreep voor de omgeving en zelfs voor De Beemster als geheel. De ruimtelijke kwaliteit moet behouden blijven en versterkt worden. In de omgevingsnota wordt niet geregeld welke functies op welke plek komen en hoe omvangrijk en flexibel het programma is. Dit soort zaken regelt het bestemmingsplan. Bij de verdere uitwerking en inpassing wordt uiteraard rekening gehouden met de drie schaalniveaus en het regieniveau 'bijzonder' die op het buitengebied van toepassing is.

3.5.

Conclusie Vanuit de uitgangspunten van het rijks- en provinciaal en het gemeentelijk beleid zijn er geen belemmeringen voor de verplaatsing van de woning van de Zuiderweg naar de Zuiddijk. De ontwikkeling past eveneens in het gemeentelijk beleid. Hiervoor dient uiteraard wel het bestemmingsplan te worden aangepast.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

22

4.

Onderzoek

4.1.

Archeologie Het archeologiebeleid van de gemeente Beemster is opgenomen in de 'Beleidsnota Archeologie gemeente Beemster' uit 2003. In deze beleidsnota worden archeologische waarden in de gemeente beschreven en voorgesteld wordt hoe de bescherming hiervan in toekomstige ruimtelijke plannen dient te worden geregeld. De beleidsnota is vertaald in het vigerende bestemmingsplan. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied geldt er binnen het plangebied bij ingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm -mv een archeologische onderzoeksplicht. Die ondergrens wordt niet overschreden. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. In de omgevingsvergunning zal hiertoe te zijner tijd een voorschrift met betrekking tot toevalsvondsten worden opgenomen. Op grond van de resultaten van het bovenstaande is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.

4.2.

Bodem In artikel 2.4.1, lid 1 van de Bouwverordening is bepaald dat een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. In artikel 2.1.5 leden 1 en 2 van de Bouwverordening is het voorschrift gegeven dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning een bodemonderzoeksrapport overlegd moet worden, dat bestaat uit de resultaten van een recent verkennend onderzoek volgens NEN 5740. In het plangebied is daarom bodemonderzoek 1 verricht. Op basis van het vooronderzoek is voor de locatie conform de strategie ONV-NL (Onderzoeksstrategie voor een onverdachte nietlijnvormige locatie) van de NEN 5740 onderzoek verricht. Uit het onderzoek blijkt dat de hypothese onverdacht dient te worden verworpen. In één van de bovengrondmonsters is een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetroffen (het monster voldoet wel aan bodemkwaliteitsklasse altijd toepasbaar). In de overige monsters van zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. In het grondwater is sprake van een lichte verontreiniging met barium en zink. Lichte verontreinigingen zijn in het kader van de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

1

GRS Milieu, Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 Zuiddijk tussen 6 en 7 te Zuidoostbeemster, 202048374, Wormerveer, 4 december 2020

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

23

Uit het onderzoek blijkt dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de geplande nieuwbouw op locatie.

4.3.

Luchtkwaliteit In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Met deze wet zijn luchtkwaliteitseisen verankerd in de Wet milieubeheer. Er is een andere wijze van toetsing van bouw- en bestemmingsplannen opgenomen. Zo dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Als een bouwproject voldoet aan de gestelde criteria voor de 2 schaalgrootte van het plan (minder dan 1.500 woningen of 100.000 m kantooroppervlakte) dan hoeft er niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Omdat er in het plangebied het aantal woningen niet toeneemt, kan worden geconcludeerd dat uit het oogpunt van het 'Wet luchtkwaliteit' er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2018, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (13,9 microgram per m³) en fijn stof (18,2 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (10,6 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen knelpunt voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

4.4.

Geluid In de Wet geluidhinder zijn geluidhindernormen voor toelaatbare equivalente geluidniveaus opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrie. De geluidhindernormen gelden voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidzone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein. Een geluidzone is een aandachtsgebied aan weerszijden van een (spoor)weg en rondom een industrieterrein waarbinnen de geluidhindernormen van de Wet geluidhinder van toepassing zijn. In het algemeen geldt dat in een bestemmingsplan alleen aandacht aan geluid besteed moet worden voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder dat vereist (artikel 3.3.1 Bro). Aan de Zuiddijk is uitsluitend sprake van wegverkeerslawaai. Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar (nieuwe) woningen die in een geluidszone vallen. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van:  woonerven;  30 km/uur-gebieden.

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

24

De breedte van de geluidszone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). In het buitenstedelijk gebied geldt hiervoor een zone van 250 meter aan weerszijden van de weg. De Zuiddijk is een weg met één rijstrook en behoort in de zin van de Wet geluidhinder tot het buitenstedelijk gebied. Derhalve dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De maximumsnelheid op de Zuiddijk bedraagt 60 kilometer per uur. In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat de geluidbelasting op de gevel niet meer mag bedragen dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, danwel een door burgemeester en wethouders vast te stellen hogere grenswaarde. Afbeelding 11: Intensiteiten gemotoriseerd verkeer per uur. Verkeersgegevens Personenauto's Licht vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer

Dag

Avond 32,1 1,4 0,7

Nacht 17,0 0,7 0,4

3,1 0,1 0,1

Voor de Zuiderweg is de intensiteit laag omdat het geen doorgaande route is. Van de Zuiderweg zijn geen verkeersintensiteiten beschikbaar. Voor het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een wordt case situatie met 500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op grond van figuur 6.2/3 van de ASVV2012 is uitgegaan van een dag-. avond- en nachtuurintensiteit van respectievelijk 6,683%, 3,625% en 0,65%. Deze intensiteit is gebruikt voor het berekenen van de gevelbelasting. Voor de onderverdeling in voertuigcategorieën is uitgegaan van 94% personenauto's, 4% licht en 2% zwaar vrachtverkeer. Afbeelding 11 toont de intensiteiten per uur voor de dag-, avond- en nachtsituatie en een berekening van de geluidsbelasting. Op basis van de berekening blijkt dat de gevelbelasting als gevolg van de Zuiddijk in een vrije veld situatie 44,8 dB (zonder aftrek) bedraagt. In werkelijkheid staat er afschermende bebouwing tussen de Zuiddijk en het plangebied. Voor de toetsing van de grenswaarden mag -in verband met het stiller worden van het verkeer- een aftrek van 5 dB o worden toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder J artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Dit betekent dat de gevelbelasting 39,8 dB bedraagt en derhalve aan de voorkeursgrenswaarde voldoet.

4.5.

Externe veiligheid Bij de externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren

Gemeente Beemster - Bestemmingsplan Zuiderweg 20 / Zuiddijk tussen 6 en 7

25

kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het BEVI heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaardbare maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Het doel wordt in het BEVI vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico.  Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.  Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Afbeelding 12: Fragment risicokaart.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Er is voor gekozen om de norm voor het groepsrisico als oriëntatiewaarde te handhaven, zij het met een nadrukkelijke verantwoordingsplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1274/documents/19757