bestemmingsplan Buitengebied 2012 - Partiele herziening 2021, bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Binnen het provinciale kader is dan ook behoefte aan maatwerk, waarbij ruimte is voor een eigen gemeentelijke visie. Deze visie kan worden neergelegd in een welstandsnota, beeldkwaliteitplan of een landschapsontwikkelingsplan.
Croonen Adviseurs
24
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Agrarische enquête Ter voorbereiding van de toedeling van bestemmingen aan de agrarische bedrijven heeft de gemeente onder alle agrarische bedrijven een enquête uitgevoerd. In de enquête is gevraagd naar de bedrijfsstructuur, de omvang van het bedrijf, de aanwezige bebouwing en de toekomstverwachtingen voor het bedrijf. Bij het enquêteformulier was een verbeelding gevoegd waarop het voor het bedrijf voorgestelde bouwvlak was ingetekend. Ondernemers konden hierop reageren en hun wensen, suggesties en eventuele correcties kenbaar maken. In totaal zijn 236 bedrijven benaderd, hiervan hebben 103 bedrijven gereageerd. Niet alle formulieren bleken voldoende duidelijk te zijn ingevuld, of waren niet bruikbaar omdat de huisnummering e.d. niet juist was. Uiteindelijk bleven 95 formulieren over die op hun consequenties voor het plan beoordeeld konden worden. Op grond van de ingebrachte antwoorden is de ontwerpregeling op de verbeelding in 48 gevallen aangepast. Daarbij ging het vaak om de situering van het bouwvlak in relatie tot de reeds bestaande bebouwing of recent vergunde bebouwing. Enkele bedrijven waren reeds gestaakt en konden een andere bestemming (meestal wonen) krijgen. De enquête heeft een goed inzicht gegeven in de bestaande productiestructuur van bedrijven en in de aanwezigheid van bebouwing per bedrijf.
Waar het vastleggen van bouwvlakken veelal maatwerk vraagt, is dankbaar gebruik gemaakt van dit omvangrijke databestand. Duidelijk is dat de grondgebonden bedrijfsvoering van akkerbouw, weidebouw en vollegrondstuinbouw overheerst, en veelal ook in een uiteenlopende menging van deze productietakken. Deze activiteiten lenen zich goed om ondergebracht te worden in één agrarische bestemming. Hiermee kan ook makkelijk tegemoet gekomen worden aan het dynamische karakter van de ondernemingen. Een al te specifieke bestemmingstoedeling voor de verschillende productietakken zou hierop belemmerend kunnen werken. Op de vraag naar de toekomstverwachting antwoordden veel ondernemers dat zij zich voorbereiden op schaalvergroting en daarom in de naaste toekomst uitbreiding van bedrijfsbebouwing en dus vergroting van het bouwvlak wensten. In enkele gevallen is hieraan tegemoet gekomen, namelijk daar waar een relatief klein bouwvlak in verhouding met de aanwezige bebouwing aanwezig was en een voldoende duidelijk inzicht in de ontwikkeling van het bedrijf was gegeven. Slechts in een enkel geval werd uitbreiding van kassen voorzien. Van een ontwikkeling naar meer teeltondersteunend glas is niet gebleken. Een enkeling heeft aangegeven in de toekomst met de bedrijfsvoering te stoppen in verband met de afwezigheid van een opvolger.
Maar veel ondernemers voorzien groei voor hun bedrijf als gevolg van de noodzakelijke schaalvergroting. Het bedrijfseconomisch functioneren van de bedrijven is in de enquête niet onderzocht. De bestaande trend van afname van het aantal bedrijven in de toekomst kan op basis van deze enquête voor de Beemster niet worden aangetoond.
Croonen Adviseurs
25
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Een tweede ontwikkeling die vaak is genoemd is die naar verbrede landbouwactiviteiten. De belangstelling hiervoor is groot. Vaak is dit genoemd in combinatie met verdere ontwikkeling en groei van het oorspronkelijke agrarische activiteiten, en niet als compensatie voor verminderde agrarische bedrijfsvoering. Veel verzoeken om grotere agrarische bouwvlakken zijn in dit stadium van planvoorbereiding (nog) niet gehonoreerd. Omdat voor uitbreiding en planologische inpassing van nieuwe bedrijfsbebouwing meer criteria gelden dan in een enquête tot uiting kunnen worden gebracht, namelijk de onderbouwing vanuit de bedrijfseconomische noodzakelijk en toetsing aan de volwaardigheid van het bedrijf, en omdat hiervoor ook procedures moeten worden gevoerd, kunnen deze verzoeken in een later stadium volgens de in het bestemmingsplan opgenomen procedures voor ontheffing en wijziging worden behandeld. Des Beemsters project Polder Paarden De gemeentelijke Beleidsnota paardenhouderijen en paardenbakken “Polder paarden” maakt een onderscheid tussen (professionele) paardenhouderijen en paardenbakken bij particulieren. De paardenhouderijen kunnen worden onderscheiden in drie vormen: productiegericht, gebruiksgericht en een mengvorm van de vorige twee vormen.
Een productiegerichte paardenhouderij is een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, en trainen en verhandelen van paarden. De productiegerichte paardenhouderij is een agrarische activiteit en valt binnen de bestemming “Agrarisch – Paardenhouderij (A-PH)” en wordt aangeduid met ‘productiegericht’. Een gebruiksgerichte paardenhouderij is een paardenhouderij waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone. Voor zover dit geldt voor de manegebedrijven, is dit in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt binnen de bestemming “Agrarisch – Paardenhouderij (A-PH)” en specifiek aangeduid als ‘gebruiksgericht’. Paardenbakken bij particulieren Veel particulieren houden hobbymatig paarden. De faciliteiten daarvoor worden ingepast in de (woon)bestemming. Een paardenbak bij particulieren mag niet groter zijn dan 800 m2 en moet geheel binnen het bouwvlak gelegen zijn. Tevens geeft de nota nog nadere eisen ten aanzien van het bij de paardenbak behorende bebouwing en inrichting. In het bestemmingsplan is dit onder gebracht in de bestemming “Wonen (W)”.
4.2
Recreatie en toerisme De gemeente wil met haar buurgemeenten recreatie en toerisme stimuleren. “Het Land van Leeghwater verhaalt over de geschiedenis van de Gouden Eeuw; over haringvisserij en walvisvaart, landbouw, dijken en molens. Van de strijd tegen, de handel over en de landwinst op het water en hoe dit laatste in de 17e eeuw tot zo'n kunst werd verheven dat wij in het Land van Leeghwater nu 2 Werelderfgoederen bezitten. Het is dít verhaal, de aanwezigheid van dit "Hollandse" beeld, dat het Land van Leeghwater onderscheidt van de omliggende regio's.” (bron: Strategienota Land van Leeghwater 2005-2008).
Croonen Adviseurs
26
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
In de Nota toeristische verblijfsrecreatie Land van Leeghwater staat het beleid verwoord hoe de gemeente om wil gaan met het stimuleren en versterken van de verblijfsrecreatie binnen de gemeente/regio Dit beleid is verder uitgewerkt voor een groot aantal vormen van verblijfsrecreatie.
4.3
Water Kaderrichtlijn Water De kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. De KRW schrijft voor dat elke overheid bindende plannen maakt om de waterkwaliteit in 2015 tot een goede toestand te verbeteren. Uiterlijk in 2027 moet die goede toestand zijn behaald. Deze plannen worden per stroomgebied samengevoegd tot een stroomgebiedbeheersplan. Brussel controleert of alle lidstaten hun beloftes nakomen Het Nationaal Bestuursakkoord Water Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is een overeenkomst tussen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. Het beleid van Waterbeheer 21e eeuw (WB21) en de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn belangrijke peilers van het akkoord. Het NBW heeft tot doel om in 2015 het watersysteem op orde te hebben en daarna op orde te houden, anticiperend op veranderende omstandigheden zoals de verwachte klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van verhard oppervlak. Uitwerking van veiligheid en het voorkomen van wateroverlast vindt, waar nodig en mogelijk, plaats op een integrale werkwijze waarbij de aanpak van watertekorten, tegengaan van verdroging en verdere verbetering van de waterkwaliteit worden betrokken.
Eén en ander is een logisch vervolg en nadere uitwerking van het vigerende beleid uit de Vierde Nota Waterhuishouding (1998). Nationaal Waterplan In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan geeft het Rijk aan dat wordt vastgehouden aan de ingezette koers voor het reduceren van verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater, namelijk een combinatie van de principes: aanpak bij de bron, hergebruik, zuivering en ‘de vervuiler betaalt’. Meer dan voorheen wordt aandacht gegeven aan de inrichting van het watersysteem. De sanering van bronnen wordt landelijk of Europees aangepakt.
Croonen Adviseurs
27
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Het uitvoeringsprogramma diffuse bronnen wordt voortgezet. Het vergunnen van lozingen wordt zo veel als mogelijk vervangen door algemene regels. Om gebiedspecifieke differentiatie mogelijk te maken gaat het nationaal waterplan voort op de reeds ingeslagen weg om aan bevoegde instanties ruimte te laten om met maatwerkvergunningen aanvullende bescherming van het watersysteem te realiseren. Provinciaal Waterplan 2010-2015 “Het motto van het Provinciaal Waterplan 2010-2015 is beschermen, benutten, beleven en beheren van water. De klimaatverandering, het steeds intensievere ruimtegebruik in Noord-Holland en de toenemende economische waarde van wat beschermd moet worden, vragen om een herbezinning op de waterveiligheid, het waterbeheer en de ruimtelijke ontwikkeling. In het Waterplan wordt per thema behandeld wat de Provincie zelf doet tot en met 2015 en wat ze verwacht van Rijk, Rijkswaterstaat, waterschappen, gemeenten, terreinbeheerders en bedrijfsleven.
De 4 strategische waterdoelen worden in het Water-plan als volgt geformuleerd: Provincie waarborgt met waterschappen en Rijkswaterstaat voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingrisico’s via het principe: preventie (het op orde houden van de waterkeringen met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit), gevolgschade beperken (bijvoorbeeld waterbestendig bouwen daar waar nodig) en rampenbeheersing (bijvoorbeeld goede vluchtroutes en informatievoorziening). Provincie zorgt samen met waterschappen, gemeenten en Rijkswaterstaat dat water in balans en verantwoord benut en beleefd wordt door mens, natuur en bedrijvigheid. Het watersysteem en de beleving van het water worden versterkt door deze te combineren met natuurontwikkeling, recreatie en/of cultuurhistorie. Provincie zorgt samen met gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en drinkwaterbedrijven voor schoon en voldoende water. Dat wordt gedaan door een kosteneffectief en klimaatbestendig grond- en oppervlaktewatersysteem. Provincie zorgt samen met gemeenten, waterschappen en belanghebbenden voor maatwerk in het Noord-Hollandse grond- en oppervlaktewatersysteem.
Daarbij wordt een integrale gebiedsontwikkeling gehanteerd.” Waterbeheersplan 2010-2015 In het Waterbeheersplan 2010-2015 ‘Van veilige dijken tot schoon water’ beschrijft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de doelstellingen voor de periode 2010-2015 voor de drie kerntaken: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water. Deze taken worden de komende periode sterk beïnvloed door de klimaatverandering en de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water. Missie en kerndoelen De missie van het hoogheemraadschap is erop gericht om ook de komende jaren, ondanks klimaat- en weersveranderingen, Noord-Holland boven het Noordzeekanaal veilig te houden tegen overstromingen en te zorgen voor droge voeten en schoon water. Het kerndoel is vierledig:
Croonen Adviseurs
28
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
1 Het op orde houden van het watersysteem en dit onder dagelijkse omstandigheden doelmatig en integraal beheren. 2 De verontreiniging van het watersysteem door directe en indirecte lozingen voorkomen en/of beheersbaar houden. 3 Het op orde houden van de primaire waterkeringen en overige waterkeringen met een veiligheidsfunctie en deze onder dagelijkse omstandigheden doelmatig beheren. 4 Het in stand houden en ontwikkelen van een calamiteitenorganisatie die onder bijzondere omstandigheden onmiddellijk operationeel is en die beschikt over actuele calamiteitenbestrijdingsplannen voor veiligheid, wateroverlast en waterkwaliteit. Uitgangspunten Het hoogheemraadschap hanteert bij zijn beleid te volgende uitgangspunten: Het beheersgebied van het hoogheemraadschap is beveiligd tegen overstromingen. Dijkversterking blijft altijd mogelijk. Alle inwoners van het beheersgebied van het hoogheemraadschap hebben recht op het afgesproken beschermingsniveau tegen wateroverlast. Watersystemen zijn gezond voor mens, plant en dier. Problemen worden opgelost waar ze ontstaan. Met de watervoorraad wordt zorgvuldig omgegaan. Niet alles kan overal. Samenwerking staat centraal. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. Het waterbeheer is toekomstgericht.
Raamplan bescherming tegen Wateroverlast (2004) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003) zijn afspraken gemaakt over de aanpak van wateroverlast, watertekort en waterkwaliteit voor de komende jaren. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten dienen te anticiperen op veranderende omstandigheden, zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van verhard oppervlak. Dit noemen we de wateropgave en deze is erop gericht de watersystemen in 2015 op orde te hebben en daarna op orde te houden. Het beleid dat zich met deze materie bezighoudt wordt aangeduid als ‘Waterbeheer van de 21e eeuw’ (WB 21). Het bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft op 28 april 2004 besloten de aanpak van de wateroverlast prioriteit te geven. Beheersplan Waterkeringen 2006-2010 Het beleid van het hoogheemraadschap met betrekking tot waterkeringen, weergegeven in het Beheersplan Waterkeringen 2006-2010, vastgesteld door het college van hoofdingelanden in juni 2006, beschrijft het beleid en de randvoorwaarden voor het dagelijks beheer van de primaire en regionale waterkeringen van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Croonen Adviseurs
29
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Dit beheersplan bestaat uit een hoofdnota en de themanota’s: Zandige Kust; Bouwen; Ruimtelijke ordening en beleid; Kabels en Leidingen; Bekleding van waterkeringen; Landschap, natuur, cultuurhistorie en recreatie. In de themanota’s zijn de strategische visies neergelegd met betrekking tot het onderwerp van de nota’s, alsmede de uitgangspunten voor beheer en onderhoud. Veiligheid van de waterkeringen is leidend. Voor zover mogelijk wordt hierbij rekening gehouden met aanverwante zaken. Watertoets De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het is niet de bedoeling dat met de watertoets nieuw beleid wordt gemaakt. Bij het watertoetsproces gaat het erom water van meet af aan mee te nemen in ruimtelijke plannen en besluiten. Daarvoor is in een zo vroeg mogelijk stadium overleg nodig met de waterbeheerder.
Het gaat dus niet om een beoordeling achteraf, maar om vroegtijdige en actieve inbreng van de waterbeheerder en maatwerk voor elk plan. De waterwet en De Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009 De Waterwet is een integratiewet van negen wetten die betrekking hadden op het waterbeheer. De doelstellingen van de wet die gericht zijn op het watersysteem zijn: -
voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Voor handelingen in oppervlaktewaterlichamen is onder de Waterwet in beginsel nog maar één watervergunning vereist, waarin alle aspecten van het waterbeheer integraal worden getoetst. Zo’n vergunning van HHNK is op grond hiervan vereist voor: het brengen stoffen in een oppervlaktewaterlichaam (art. 6.2 lid 1); met behulp van een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, water of stoffen te brengen op een zuivering technisch werk (art. 6.2 lid 2); het brengen van water in of onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam (art. 6.5);
Croonen Adviseurs
30
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Voorts is op grond van artikel 6.6 Waterwet en nader uitgewerkt in hoofdstuk 6 van het Waterbesluit HHNK bevoegd om bij verordening (keur) nadere regels te stellen voor het gebruik van watersystemen. HHNK heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. De verordening is op 18 november 2009 vastgesteld als Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009. Als de regulering bij beschikking leidt tot een vergunning of ontheffing is er op grond van artikel 6.13 Waterwet eveneens sprake van een watervergunning. In de Keur is vastgelegd dat in principe tevens een watervergunning van HHNK is vereist voor de volgende handelingen: Het op een aantal wijzen gebruik maken van een waterstaatswerk anders dan in overeenstemming met de functie (artikel 4.1 Keur HHNK). Het door verhard oppervlak versneld tot afvoer laten komen van neerslag (artikel 4.2 Keur HHNK). Het af- en aanvoeren, lozen en onttrekken van water aan kwetsbare oppervlaktewaterlichamen en gebieden (artikel 4.5 Keur HHNK). Het af- en aanvoeren, lozen en onttrekken van nader aangeduide hoeveelheden water aan (artikel 4.6 Keur HHNK). Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water in de bodem, (artikel 4.9 Keur HHNK). Voor een aantal specifiek omschreven handelingen heeft HHNK op 13 oktober 2009 tevens een set van algemene regels vastgesteld. Voor deze handelingen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht.
Voor de volgende handelingen gelden binnen een specifiek toepassingsgebied algemene regels: beschoeiingen; steigers en vlonders; kabels en leidingen; lozingswerken; natuurvriendelijke oevers; werken en beplantingen langs oppervlaktewaterlichamen; kleine of kortdurende grondwateronttrekkingen en infiltraties.
4.4
Cultuurhistorie De werelderfgoederen De Beemster en De Stelling van Amsterdam zijn als cultuurhistorisch waardevol gebied aangewezen. Voor De Beemster en De Stelling van Amsterdam worden gebiedseigen ontwikkelingen die te maken hebben met het bestaande (agrarische) gebruik, nieuwe kleinschalige vormen van recreatie, wonen en werken niet op voorhand onmogelijk gemaakt (credo van Nota Belvedère: ‘behoud door ontwikkeling’). Voorwaarde hiervoor is een goede visuele en functionele inpassing in het landschap die de ruimtelijke kwaliteit en het specifieke karakter van het gebied aantoonbaar ondersteunt. Concreet gaat het in Beemster om het unieke 17e eeuwse (landschaps)architectonische ensemble bestaande uit:
Croonen Adviseurs
31
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; de ringdijk en de ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); de structuur en het karakter van het beschermde dorpsgezicht Middenbeemster op assenkruis van wegen; de relatief hoog gelegen wegen met laanbeplanting; de monumentale boerderijen en buitens; de 19e eeuwse gemalen en molengangen; de vijf forten van de Stelling van Amsterdam. In de structuurvisie is een kaart opgenomen waarin naast de groene waarden en de milieubeschermingsgebieden de cultuurhistorische waarden worden weergegeven voor de gehele provincie. De onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze verbeelding en hierin wordt duidelijk dat voor De Beemster voornamelijk de cultuurhistorische waarden van belang zijn. Provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur De Cultuurhistorische Hoofdstructuur is in drie verschillende onderwerpen onderverdeeld, namelijk archeologische, historisch-geografische en (steden)bouwkundige waarden. Samen vormen deze waarden de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur zoals beschreven in het provinciale “Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie”. Met deze cultuurhistorische waarden is bij de opzet van dit plan rekening gehouden (zie afbeeldingen 3 en 4). Groene en cultuurhistorische waarden en milieubeschermingsgebieden
afbeelding 3: Cultuurhistorische waarden en milieubeschermingsgebieden (Bron: Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie)
Croonen Adviseurs
32
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
afbeelding 4: bouwkundige, archeologische en historisch -geografische waarden
Gemeentelijk cultuurhistorisch beleid: “Des Beemsters” Naar aanleiding van het benoemen van De Beemster tot UNESCO-werelderfgoed is het belangrijk geacht om de identiteit van De Beemster vast te stellen en om zo te kunnen bepalen welke onderdelen behouden dienen te blijven. Dit heeft geresulteerd in het rapport “Des Beemsters, een ontwikkelingsvisie voor De Beemster op basis van eigen kwaliteiten”. Als vervolg op dit rapport wordt onder andere gekeken naar een visie op de toekomstige ontwikkeling op de Beemster erven. Belangrijkste uitgangspunt is hierbij de veranderingen in de landbouwsector in de Beemster. Voornamelijk de veranderingen in de bedrijfsvoering (verbreding en schaalvergroting). Deze ontwikkelingen zullen hun neerslag kennen op ruimtelijk niveau. Het landelijk gebied en met name de erven zullen behoorlijk onder druk komen te staan. Dit resulteerde in eerste instantie in een rapportage “Nieuwe Visie Beemster erf” (REDscape, 2008).
Croonen Adviseurs
33
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
In dit rapport “met als ondertitel “een plan van aanpak voor de toekomstige ontwikkeling van het Beemster erf” dat in opdracht van Bureau Des Beemsters is opgesteld, worden mogelijke aanbevelingen gedaan hoe om te gaan met deze druk. Het rapport vormde een belangrijke eerste stap om te komen tot een breed gedragen ruimtelijk ontwikkelingsbeleid voor de mogelijke veranderingen van de Beemster erven. In de daarop volgende periode zijn de ideeën over de Beemster-erven verder ontwikkeld en is ook de verankering in de verschillende planinstrumenten onderzocht. In het bestemmingsplan kan slechts het ruimtelijk relevante deel van de kwaliteiten worden beschermd. Datzelfde geldt voor de ruimte voor en de wijze waarop deze ontwikkeld mogen worden. De gemeente stuurt daarom aan op een nauw samenhangend ruimtelijke kwaliteitsinstrumentarium, geborgd in bestemmingsplan en welstandsnota (omgevingsnota). De nieuwe Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die per 1 oktober 2010 van kracht wordt, biedt ook meer mogelijkheden om het welstandsbeleid ontwikkelingsgerichte te maken en initiatieven op het niveau van erf te beoordelen. Tegelijkertijd zal de welstandtoets onderdeel uit gaan maken van de omgevingsvergunning, waardoor ook verschuivingen in procedure zullen plaatsvinden.
In de uiteindelijke integrale ervenstudie “Beemster Ervenis WereldERFgoed, een ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf” (Croonen Adviseurs West, 2010) zijn de uitkomsten van de eerdere studies (van Redscape, Landschap Noord-Holland, WZNH en door het Kwaliteitsteam Des Beemsters) getoetst aan de kernkwaliteiten van de Beemster-erven, gebundeld en uitgewerkt tot een concreet toetsingskader, een leidraad. Dit toetsingskader wordt als instrument vastgelegd in de structuurvisie, het bestemmingsplan Buitengebied 2012 en de omgevingsnota (nieuwe welstandsnota). Om tot een samenhangend ruimtelijk kwaliteitsinstrumentarium te komen wordt in deze leidraad ook concreet benoemd waar, wat geregeld wordt. De rapportage Beemster Eervenis Werelderfgoed wordt inhoudelijk verder toegelicht in hoofdstuk 5. Monumenten In het hele plangebied treft men panden aan die aan te merken zijn als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Hierbij gaat het veelal om monumenten (Rijk, provincie), waarvoor de Monumentenwet en de Rijks- en provinciale monumentenverordeningen van toepassing zijn. Een bestemmingsplan is in beginsel niet het instrument om deze cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te beschermen. Daarom worden hierover geen beschermende regels opgenomen. Een gemeentelijke monumentenverordening is hiervoor mogelijk een beter instrument.
Wel kan een bestemmingsplan de randvoorwaarden scheppen om het behoud van dit soort panden te stimuleren en te garanderen, bijvoorbeeld door de mogelijkheid te creëren voor het onderbrengen van één extra woning. In dergelijke panden kan voorts enige verbreding van de woon- of agrarische functie worden toegestaan. Een voorbeeld in dit verband is ‘Hotel de Boerenkamer’. Stichting Hotel de Boerenkamer biedt comfortabele 4-sterren-gastenkamers aan op diverse boerenbedrijven in Waterland en omstreken.
Croonen Adviseurs
34
Bestemmingsplan
4.5
Gemeente Beemster
Gemeentelijk archeologiebeleid Ook op gemeentelijk niveau is specifiek beleid geformuleerd ten aanzien van mogelijke archeologische waarden. Hiervoor is de “Beleidsnota Archeologie gemeente Beemster” vastgesteld. Hierin worden archeologische waarden in de gemeente beschreven en voorgesteld wordt hoe de bescherming hiervan in toekomstige ruimtelijke plannen dient te worden geregeld. Bij deze nota is een beleidsverbeelding gemaakt waarvan is af te lezen waar welk soort beschermingsregime van toepassing is. Buiten de kernen zijn de belangrijkste archeologiegebieden: de (voormalige) buitenplaatsen, boerderij-erven, eendenkooien, molengangen en molenplaatsen en de Ringdijk. Voor deze gebieden is een bijzonder archeologieregiem voorgesteld, dat tot uiting zou moeten komen in een aanlegvergunningenstelsel voor ingrepen, alsmede een dubbelbestemming voor bebouwing. Al naar gelang de waarde zijn hiervoor criteria genoemd. Buitenplaatsen: grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm bij een planomvang van >50 m2 (voor tuinen > 500 m2). Boerderij-erven: werkzaamheden dieper dan 40cm bij planomvang > 5000 m2. Eendenkooien: werkzaamheden dieper dan 40cm bij planomvang > 50 m2.
Molengangen/-plaatsen: werkzaamheden bij molenplaatsen:dieper dan 40cm bij planomvang > 50 m2; werkzaamheden bij molengangen: dieper dan 40cm bij planomvang > 500 m 2; werkzaamheden waarbij de doorsnede en opbouw van kaden en waterlopen kunnen worden opgemeten moeten onder archeologische begeleiding plaatsvinden. Ringdijk: per geval beoordelen van noodzaak onderzoek. Overig gebied: hierop is geen archeologieregiem van toepassing (besluit 26 juni 2008). Recent is een vervolg op dit onderzoek verschenen, namelijk de uitwerking van de nota wat betreft nader archeologisch onderzoek naar buitenplaatsen, tuinen eendenkooien en molengangen: “Geluk in de Beemster” (2009). Nu al is bekend dat de contouren van een vijftal buitenplaatsen met tuinen mogelijk archeologisch beschermd zouden kunnen worden.
Croonen Adviseurs
35
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
4.6
Verkeer en vervoer
4.6.1
Regionaal verkeer- en vervoersplan Het regionaal verkeer- en vervoersplan is in werking getreden in 2005 en geldt voor een periode van 10 jaar. Hierbij zijn een drietal ambities opgesteld voor de regio: Een gezonde en gedifferentieerde economie met internationale concurrentiekracht; Het bieden van een goed en sociaal klimaat voor de inwoners; Zorgen voor een duurzame leefomgeving. De mobiliteitsgroei die de ambities met zich meebrengen worden daarbij geaccepteerd, maar dat houdt wel in dat op het gebied van mobiliteit moet worden meegegroeid om de leefbaarheid in de regio niet aan te tasten. In de visie wordt gesteld dat als de mobiliteit niet toereikend is de regio ten onder zal gaan aan het eigen succes. Voor de komende periode zijn vijf strategieën opgesteld. Vier richten zich op de hoofdlijnen van het beleid, terwijl de vijfde de eerste vier ondersteunt.
Samenhangend netwerk: regionale netwerken definiëren en afstemmen op elkaar voor de verschillende vormen van verkeer; gebiedsgerichte aanpak: oplossing zoeken op een lager schaalniveau om beter aansluiting bij de omgeving te realiseren; prijsbeleid: door middel van prijsprikkels het reisgedrag beïnvloeden om het verkeer- en vervoersnetwerk optimaal te benutten; duidelijke keuze voor leefbaarheid en veiligheid: bereikbaarheid is een van de hoofddoelen, maar niet ten koste van alles; slagvaardige samenwerking en financiering. De verwachting is dat een consequente inzet van het opgestelde beleid, ontwikkelingen in goede banen gaat leiden, waardoor de centrale ambities ook daadwerkelijk vorm kunnen krijgen.
4.6.2
Inpassingsplan N244 De provincie Noord-Holland werkt aan een goede bereikbaarheid van de regio rondom Purmerend. De N244 tussen de A7 en de N247 is hierin een belangrijke verbinding. Momenteel is de N244 tussen de A7 en de N247 grotendeels 2x1 rijstroken. de capaciteit van de weg is - op termijn - onvoldoende om het groeiende aantal verkeersbewegingen adequaat te kunnen verwerken. De verbreding van de N244 verbetert de situatie en zal ook een verbetering opleveren voor de drukke N247 en N235. Voor het realiseren van de verbreding van de N244 wordt door de provincie Noord-Holland een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld, een zogenoemd inpassingsplan. De verbreding van de N244 voor zover gelegen in het bestemmingsplan buitengebied is daarom niet meegenomen in dit bestemmingsplan.
Croonen Adviseurs
36
Bestemmingsplan
4.7
Gemeente Beemster
Natuur Provinciale ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones
afbeelding 5: Ecologische hoofdstructuur (Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie)
Bovenstaand kaartje geeft aan dat de gemeente Beemster vrijwel geheel buiten de Provinciale ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones valt. Aan de randen lopen nog ecologische verbindingszones (dikke groen lijn) die voor een klein deel wellicht nog net binnen de gemeente Beemster gerekend kunnen worden. Verder vallen de voormalige verdedigingswerken van de stelling van Amsterdam onder de aanduiding ‘cultuur natuur‘. Dit zijn gebieden met natuurwaarden en het betreffen landbouwgebieden, kleine natuurreservaten, landgoederen, recreatiegebieden en grote wateren met bijzondere natuurwaarden. Hier wordt in aansluiting op de aanwezige hoofdfunctie (agrarisch-cultuurlandschap) een zo hoog mogelijke natuurwaarde nagestreefd. Rechtsgevolgen ligging binnen PEHS In deze gebieden zijn ontwikkelingen mogelijk als ze passen binnen de natuurdoelen voor het gebied en de identiteit van het landschap versterken. De verbeelding van de PEHS is geen toetsingsverbeelding, zij geeft een indicatie van de ligging en laat zo ruimte open voor maatwerk en biedt speelruimte voor de wijze waarop eventueel gewenste ontwikkeling kan worden gerealiseerd.
Croonen Adviseurs
37
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Natura 2000 Hoewel Beemster niet behoort tot de ‘Natura 2000’-gebieden, moet door de nabije ligging van de wel als zodanig aangewezen delen van de polder Zeevang, het gebied Eilandspolder, het Jisper- en Wormerveld wel rekening worden gehouden met het ‘Natura 2000’ beleidsregiem. Rond deze gebieden zijn ‘speciale beschermingszones’ (sbz’s) van kracht, waar nieuwe ontwikkelingen eveneens getoetst moeten worden aan hun effecten op de natuurlijke waarden van het aangrenzende ‘Natura 2000’-gebied. Indien zich nieuwe projecten aandienen, geldt het volgende: a in de bedoelde zones (sbz’s) mogen geen storende factoren optreden die een significant effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; b een plan of project moet op effecten worden getoetst en mag alleen worden uitgevoerd als zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast; c als een plan of project significante negatieve gevolgen heeft en geen alternatieve oplossingen voor handen zijn, mag dat plan/project slechts worden gerealiseerd als sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale en economische aard; d maar dan dienen wel compenserende maatregelen te worden genomen teneinde het Europese ecologische netwerk in stand te houden; e de jacht in deze gebieden is verboden.
Flora en fauna Voor het gehele bestemmingsplangebied is een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de stand van de natuur: “De natuur van de Beemster anno 2006/2007” (Ecologisch Adviesbureau B. Kruijsen, 1 april 2007). Via veldwerk en op basis van literatuurstudie/analyse is een zo goed als volledig overzicht van de aanwezige flora en fauna opgesteld. Het volledige rapport is als bijlage A bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De belangrijkste conclusies zijn de volgende: 1 Floristisch bezien zijn er geen bijzonder waarnemingen gedaan. Alleen op een enkele plaats in de oeverzone van de ringvaart komt de beschermde soort Zwanebloem voor. 2 Langs de ringvaart zijn geen bijzondere libellen en dagvlinders waargenomen. 3 De westelijke en oostelijke ringvaart herbergt een redelijke visfauna met daarin vier soorten van de rode (=beschermde) lijst. 4 De Beemster is belangrijk voor zoogdieren. Dit komt vooral naar voren bij de diergroep vleermuizen waarvan alle soorten Europese bescherming genieten volgens de Habitatrichtlijn. Wegen met oude laanbomen en watergangen zijn van betekenis als doorgangs- en jachtgebied en vormen als geheel een ecologische infrastructuur voor vleermuizen. Extra bescherming verdienen locaties met zomer- of winterkolonies zoals forten, oude gebouwen en oude bomen met natuurlijke holten.
De oeverzones van de ringvaart zijn van belang als foerageergebied van de noorse woelmuis, een klein landzoogdier dat Europees is beschermd.
Croonen Adviseurs
38
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
5 Bijzondere amfibieën komen in de Beemster niet voor. Er lijkt een tendens aanwezig naar een toename van amfibieën in de droogmakerij, wellicht als gevolg van verbeteringen van de waterkwaliteit. 6 De Beemster is voor weidevogels in het algemeen een marginaal gebied. Alleen in de zuidwest- en noordoosthoek komt een redelijke weidevogelbevolking voor. 7 Wat betreft de akkervogels weet de Gele Kwikstaart, een rode lijstsoort, zich goed te handhaven in graanvelden en op het snijvlak van wei- en bouwland. 8 Voor overwinterende vogels is de Beemster van beperkte betekenis. Brede weteringen zijn belangrijke pleisterplaatsen voor watervogels zoals Smienten uit het hoge noorden. De zuidwesthoek is van enige betekenis voor ganzen. Mogelijk dat deze betekenis groeiende is de laatste jaren. 9 De Beemster blijkt te functioneren als foerageergebied voor de lepelaar. In maar liefst 8 van de 15 meetvlakken werden foeragerende lepelaars waargenomen. 10 De vijf forten zijn min of meer natuurlijke enclaves in het cultuurlandschap en herbergen natuurwaarden, o.a. door hun natuurlijke vegetaties aan de buitenzijde van het fort en de hieraan gekoppelde soorten. Fort Spijkerboor herbergt ’s winters overwinterende vleermuizen. Ook de boerenerven met boomgaarden en bosjes zijn enclaves met natuurlijke kwaliteiten.
In het onderzoek zijn de volgende voorstellen gedaan ter bescherming van de ecologische waarden: A. Behoud en ecologische ontwikkeling van de oeverzones van de ringvaart als leefgebied van de Noorse woelmuis en als jachtgebied van vleermuizen. B. Ontwikkeling van een goede waterkwaliteit van de ringvaart in verband met de onderwaterfauna. C. Behoud en ecologische ontwikkeling van oude bomen (met name iepen) lang de wegen in de droogmakerij ten dienste van foeragerende vleermuizen en als woonlocatie voor zomerkolonies van sommige vleermuissoorten zoals Laatvlieger en Watervleermuis. D. Behoud en ecologische ontwikkeling van weidevogelpopulaties en het zuidwestelijke en het noordoostelijke deel van de droogmakerij. ‘s Winters hierop aansluiten met een ecologisch beheer gericht op het scheppen van leefgebied van overwinterende watervogels en ganzen. E. Behoud van de natuurlijke kwaliteiten van forten, boerenerven met bosjes en boomgaarden.
4.8
Milieu Beleidskader In oktober 2009 is door Provinciale Staten van Noord-Holland het Provinciaal Beleidsplan 2009-2013 (PMP) vastgesteld. In dit plan is een groot aantal acties opgenomen, die moeten bijdragen tot een beter milieu. In dit bestemmingsplan voor de Beemster staan de acties die tot een beter milieu leiden niet in de weg.
Croonen Adviseurs
39
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Luchtkwaliteit De provincie zet in op vermindering van de CO2 uitstoot met 2Mton. Dit kan bereikt worden door meer duurzame energie op te wekken en op het gebruik van energie te besparen. Wateren met een kwaliteit die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid of voor natuurwaarden dienen gesaneerd te worden. Voor alle milieuhinderlijke activiteiten hanteert de provincie als uitgangspunt het ‘standstill’-beginsel. Dit houdt in dat de milieukwaliteit niet verder verslechtert ten opzichte van het referentiejaar 1985. In Beemster bedraagt de achtergrondconcentratie fijn stof 27,5 - 30 µg/m3 en de achtergrondconcentratie stikstofdioxide bedraagt tussen de 15 en 20 µg/m3. De grenswaarde voor beide stoffen is 40 µg/m3. Voor de gemeente Beemster is de aftrek ten aanzien van natuurlijke bronnen 6 µg/m3 en mogelijke overschrijding van de vierentwintig-uurgemiddelde grenswaarde dient met 6 dagen te worden verminderd. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen ontwikkelingen opgenomen die ‘in betekende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. (<1500 woningen) . Geluidsaspecten Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals ‘wonen’ dient op grond van de Wet geluidhinder iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur.
De voorkeursgrenswaarde voor geluidhinder op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen ligt op 48dB, vastgelegd in de Wgh. Onder voorwaarden kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld door de gemeente. Geluidhinder kan een beperkende rol spelen bij nieuwe ontwikkelingen. Voorliggend plan is een conserverend bestemmingsplan waarbij de bestaande situatie wordt vastgelegd. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk voor het gehele plangebied. Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico’s moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden normstellingen gehanteerd: het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers en het groepsrisico stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden.
Op basis van de 10-6 contour uit de BEVI is bebouwing niet toegestaan: rond inrichtingen waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Croonen Adviseurs
40
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of per buisleiding leiden tot knelpunten voor het plaatsgebonden risico indien er langs de transportassen een 10-6 contour ligt. Indien er een bestemming is gepland binnen de zone dient verantwoording te worden opgesteld voor het groepsrisico. Transport gevaarlijke stoffen over weg en water In het bestemmingsplangebied liggen de wegen A7, N243 en N244. Over deze wegen worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Uit tellingen blijkt dat er brandbare vloeistoffen (LF), brandbare gassen (GF3) en toxische vloeistoffen (LT) over de A7 (zie tabel 1) worden vervoerd.
Tabel 6: overzicht telgegevens transporten gevaarlijke stoffen op de A7.
De N244 loopt door het plangebied. Uit het rapport Veiligheidsadvies vervoer gevaarlijke stoffen over de weg gemeente Beemster blijkt dat ook over deze weg gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Van de N243 zijn geen telgegevens bekend, deze weg is wel opgenomen in het provinciaal wegennet voor vervoer en gevaarlijke stoffen. Uit navraag bij de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord blijkt dat over het Noordhollandsch kanaal mogelijk vervoer van brandbare vloeistoffen plaatsvindt. Voorheen maakten ook schepen met aardgascondensaat gebruik van deze route, maar deze waren nu hoofdzakelijk via het IJsselmeer. BEVI-inrichtingen Binnen het plangebied bevinden zich drie bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het betreft twee LPG-tankstations, namelijk tankstation Kruisoord aan de westzijde van de A7 en tankstation Middelsloot aan de Oostzijde van de A7. Verder gaat het om CONO Kaasmakers BV aan de Rijperweg 20 vanwege een koelinstallatie met 1800 kg ammoniak. De twee LPG-tankstations hebben elk een invloedsgebied van 150 meter, gemeten vanaf het vulpunt van het LPG-reservoir. Voor de ammoniak koelinstallatie bij CONO Kaasmakers bv geldt volgens het Revi (bijlage 2, tabel 3) dat de grens van het invloedsgebied niet relevant is.
Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dit geval niet te worden verantwoord. Mijnbouwlocaties Binnen het plangebied zijn twee NAM-locaties aanwezig. De locatie Westbeemster aan de Jisperweg en de locatie Middelie 300 aan de Havenmeerweg.
Croonen Adviseurs
41
Bestemmingsplan
4.9
Gemeente Beemster
Kabels en leidingen Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van: hoogspanning van 50 kV en hoger; brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger; brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4" en hoger; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter; optische vrije paden. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd. In het plangebied zijn verschillende planologische relevante leidingen aanwezig. Aan de noordzijde van het bestemmingsplan gebied bevindt zich een hogedruk aardgasleiding (diameter 24 inch en druk 66,2 bar) van de Gasunie. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 315 meter. Verder bevindt zich nog een hogedruk aardgasleiding (diameter 6 inch en druk 120 bar) van de NAM. Deze verbindt de NAM-locaties Westbeemster en middelie met elkaar. Het invloedsgebied van de leiding bedraagt 115 meter.
Deze zijn als zodanig opgenomen op de verbeelding.
Croonen Adviseurs
42
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
5 Waardering en bescherming 5.1
Waardering droogmakerij: De Beemster, een sterk merk Als er één gebied in Nederland is dat al bijna vierhonderd jaar bewijst over een ijzersterk ruimtelijk concept te beschikken, dan is het De Beemster. En het bijzondere is dat het imago (de wijze waarop de Beemster door mensen wordt getypeerd) en de identiteit (de kenmerken die de Beemster haar eigenheid geven) nagenoeg samenvallen. Kernbegrippen van die eigenheid zijn weidsheid, ruimte, landschappelijke schoonheid, een hechte samenleving. Al deze factoren maken de Beemster tot een sterk merk. De ruimtelijke opzet is wonderlijk elastisch gebleken: in 400 jaar tijd heeft het landschap talloze veranderingen in zich op weten te nemen. Dat De Beemster bijzonder is vanwege zijn ruimtelijke opbouw en cultuurhistorische waarde is inmiddels op drie manieren duidelijk geworden. Sinds 1999 staat de polder op de UNESCO-lijst van werelderfgoederen. Op nationaal niveau wordt De Beemster aangemerkt als nationaal landschap. Ook maakt De Beemster met 49 andere onderwerpen deel uit van de Canon van de Nederlandse geschiedenis. Het intellectuele concept, dat aan de aanleg van De Beemster ten grondslag heeft gelegen, was visionair en functioneel tegelijk. Het was zijn tijd zover vooruit, dat het heden ten dage nog steeds in vol gebruik is. Ondanks maatschappelijke veranderingen nadien heeft het niets van zijn actualiteit ingeboet.
De Beemster van toen is in zijn aanleg, indeling en compositie nog steeds ten volle bruikbaar. De lijn van de geschiedenis zet zich hier ongebroken voort. Op 1 december 1999 is door The World Heritage Comittee van de UNESCO de Droogmakerij de Beemster toegevoegd aan de lijst van wereldmonumenten op grond van de navolgende internationaal ontwikkelde culturele criteria (i) (citaat uit officiële stukken UNESCO): Criterion (i): Polder de Beemster is een meesterwerk van creatieve planning, waarin de idealen van de Oudheid en Renaissance zijn toegepast in het ontwerp van een droogmakerijlandschap. Criterion (ii): Het innovatieve en visionaire landschap van de polder De Beemster heeft diepe en blijvende invloed gehad op droogmakingsprojecten in Europa en daarbuiten. Criterion (iv): De totstandkoming van de polder De Beemster markeert een grote stap vooruit in de relaties tussen mens en water in een belangrijke periode van sociale en economische ontwikkeling. Droogmakerij De Beemster is daarmee een door mensen geschapen creatief meesterstuk, waarbij de 17-eeuwse idealen nog steeds goed waarneembaar zijn in het totale gebied. De Kopergravure uit 1644 is onderlegger en uitgangspunt bij het behouden en waar mogelijk versterken van de cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle Beemster. Dit kaartbeeld vormt ook de basis voor de bescherming als UNESCO-werelderfgoed.
Croonen Adviseurs
43
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
De volgende tendensen1 zijn geconstateerd, waarvoor geldt dat bestaande kaders onvoldoende houvast bieden of leiden tot afbreuk van de aanwezige waarden: de “Ruimte voor ruimte regeling” en de “Regeling vrijkomende agrarische bebouwing” is voor velen onduidelijk en onvoldoende toegespitst op de specifieke situatie van de Beemster; vraag naar een tweede bedrijfswoning; vestiging of hervestiging van nieuwe agrarische bedrijven; schaalvergroting en uitbreiding van het agrarisch bouwblok; paardenhouderijen en paardenbakken komen steeds vaker voor; verbreding : vraag naar de brede boer en alternatieve nevenbestemming; de nieuwe agrarische schuur is divers en onaantrekkelijk (schraal, grootschalig, plomp); de stoppende boer, een nieuwe functie voor agrarische (karakteristieke) bebouwing, veelal gaat het om functieverandering van agrarische naar wonen; maatvoering en vorm van bruggen, inritten, dammen. Deze zijn vaak ontoereikend (smal); behoefte aan kleinschalig de nieuwe woonstolp (herbouw of nieuwbouw), dient bebouwingskarakteristiek te versterken.
Welstand geeft als stelregel aan: of een echte stolpboerderij, of woonhuis van landschappelijke architectuur dat past in het landschap, maar geen tussenoplossingen; vraag naar mogelijkheden voor een kantoor-aan-huis; betere communicatie van regeling en procedures nodig; het Beemster-erf’, hoe is dit karakteristieke erf (inrichting en bebouwingsensemble) voor de toekomst te behouden en/of te versterken; vraag naar ruimte voor grootschalige zorg; zorg bij de agrariër. De waardering van het bijzondere landschap van De Beemster speelt zich af tegen het decor van het neutrale raster en de openheid daarvan op verschillende schaalniveaus: structuurniveau, waarin de Kopergravure en bijbehorende stelsel aan geometrische regels bepalend is; perceelsniveau. De erfinrichting van en organisatie op het erf, mede in combinatie met het betreffende (agrarisch) gebruik heeft gevolgen voor de ruimtelijke beleving en karakteristiek van het gebied. Het karakteristieke Beemster-erf is uitgangspunt in agrarisch gebied; gebouwniveau of bebouwingsaccent, een samenhangende beeldkwaliteit en de beeldbepalende panden dragen bij aan de ruimtelijke en cultuurhistorisch beleving van het gebied.
1 Nieuwe visie Beemster erf, Een plan van aanpak voor de toekomstige ontwikkeling van het Beemster erf, REDScape, 25 november 2008
Croonen Adviseurs
44
Bestemmingsplan
5.2
Gemeente Beemster
Stelling van Amsterdam Naast de cultuurhistorische laag van landschappelijke kwaliteiten van de Beemster droogmakerij speelt ook nog een gedeeltelijke overlap met een tweede waardevolle cultuurhistorische laag. Het zuidelijk deel van de droogmakerij maakt namelijk onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam (UNESCO / monumenten). Naast de vijf hier gelegen forten bestaat deze ook uit een inundatielinie. Een gebied dat vrij moest blijven van permanente bebouwing (vrij schootsveld) en in tijden van oorlog onder water kon worden gezet (inundatie). De Stelling van Amsterdam vormt een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen.
In het provinciaal Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam worden, om de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam te beschermen, te behouden en te kunnen versterken, de volgende uitgangspunten geformuleerd: behoud en herstel van de doorgaande lange lijn van de hoofdverdedigingslijn; herkenbaar maken van de buitenzijde van de ring; inrichten van de stellingzone als landschappelijke ring met betekenis op het schaalniveau van de metropoolregio en die de verschillende agrarische landschappen, natuurgebieden en recreatiegebieden aaneenrijgt; voor de noordrand, waar De Beemster onder valt, stelt de provincie dat de open ruimte van de schootsvelden maximaal herkenbaar gemaakt dienen te worden door het handhaven van agrarisch gebruik en realiseren van waterberging in de hele stellingzone; tevens dient op zoek te worden gegaan naar contrast binnen - buiten; versterken van de herkenbare samenhang tussen stellingsysteem en landschap; zoveel mogelijk behoud van openheid in de schootsvelden aan de buitenzijde van de forten. Dit wordt afhankelijk gesteld van de specifieke positie van het fort in het landschap; behoud van de karakteristieken van de forten als ‘vermomd landschapselement’ met onderscheid in de voorkant en de achterkant van een fort; de doorgaande lijn van de hoofdverdedigingslijn behouden en waar mogelijk beter herkenbaar maken.
Croonen Adviseurs
45
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
In het provinciaal beeldkwaliteitsplan stelt de provincie dat de stelling een nieuwe maatschappelijk betekenis moet krijgen, als toegankelijk ‘publiek domein’ en als aansprekende toevoeging aan het landschap. Bij de uitwerking van die betekenis worden op vier verschillende schaalniveaus criteria benoemd. Kernkwaliteiten van de Stelling worden beschermd, maar tevens wordt ruimte geboden aan de nieuwe functie en betekenis. De forten zijn op dit moment zeer verschillend in gebruik. Om ze op duurzame wijze voor de toekomstige generatie te behouden is een goede functionele invulling essentieel. De desbetreffende exploitant of eigenaar kan dan voorzien in het benodigde onderhoud. Dit bestemmingsplan biedt de ruimte voor een nieuwe vorm van gebruik.
afbeelding 2: Provinciaal beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam, uitsnede Beemster
Schootsvelden / verboden kring Om de samenhang binnen de stelling en het landschap visueel open te houden is er binnen een straal van 1.000 meter rond een fort een zone vastgesteld. Binnen deze 1.000 meter zone mocht ten gevolge van de werking van de Vestingswet beperkt worden gebouwd. Langs de buitenzijde en binnenzijde van de hoofdverdedigingslijn (boezemkade) wordt een invloedszone aangegeven, waarbinnen veranderingen effect kunnen hebben op de herkenbaarheid van het stellingsysteem.
Croonen Adviseurs
46
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Kernzone langs hoofdverdedigingslijn In invloedzones van 100 m aan weerszijden van de hoofdverdedigingslijn wordt stringent beleid voorgesteld. Binnen deze zone worden zelfs kleinschalige ruimtelijke veranderingen getoetst op hun invloed op de Stelling. Accessen Accessen zijn de plaatsen waar de hoofdverdedigingslijn werd doorsneden door dijken, kanalen, spoorlijnen en wegen. In de Beemster is te zien dat deze lijnen voornamelijk open zijn gebleven van bebouwing en beplanting voor het open zicht. Zichtlijnen De zichtlijnen hangen sterk af van de voorgaande zones. Aan de noordrand van de stelling gaat het om het maximaal herkenbaar maken van de open ruimte van de schootsvelden door handhaving van het agrarisch gebruik en waterberging in de hele stellingzone. De uitgangspunten worden in het provinciaal beeldkwaliteitsplan vertaald naar een meer concreet beleidskader voor drie onderscheiden zones, namelijk; Stellingzone; Behoud van nog bestaande zichtlijnen tussen de forten en doorzichten op de forten; Openhouden van schootscirkels rond de forten in de nog open landschappen; ehoud van bestaande accessen. Dit zijn de plaatsen waar de hoofdverdedigingslijn werd doorsneden door dijken, kanalen, spoorlijnen en wegen.
Kernzone (hoofdverdedigingslijn 100 meter en schootscirkels rond de forten cirkels van 1000 meter); Geen bebouwing toestaan in gebieden die nu nog open zijn; Kleinschalige incidentele ontwikkelingen binnen de kernzone zijn alleen mogelijk als deze als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit van de Stelling van Amsterdam te versterken. De ontwikkeling dient dan ingepast te zijn in het landschap en met respect voor zichtlijnen en mag niet leiden tot een significant hoger geluidsniveau in de open ruimte en tot een significante aantasting van het groene en open landschap; Op agrarische bouwblokken is aanpassing en vernieuwing van agrarische opstallen mogelijk, mits ingepast in het landschap en passend binnen het omgevingsbeleid; Verdichting van bestaande bebouwingslinten is toegestaan, mits passend in het landschap en de bestaande bebouwingsintensiteit van het lint. Monumentenzone; De Monumentenzone vormt het hart van de Stelling van Amsterdam. Binnen de Monumentenzone liggen objecten die via de Monumentenwet of Provinciale Monumentenverordening zijn beschermd, zoals dijken, forten, sluizen en andere objecten. Dit komt samengevat neer op het niet toestaan van ontwikkelingen die het (UNESCO-)monument beschadigen,vernielen of ontsieren.
Croonen Adviseurs
47
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
Het provinciaal beeldkwaliteitsplan en het daarop gebaseerde Ruimtelijk beleidskader Stelling van Amsterdam zijn door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Daarin worden rondom de Stelling zones aangewezen waarin grootschaliger ontwikkelingen niet meer mogelijk zijn. In overleg tussen provincie en gemeente Beemster is echter bepaald dat de ruimtelijke en cultuurhistorische kaders van de beide werelderfgoederen geen hierarchisch karakter hebben.
5.3
Waarden op verschillend niveau Zoals al aangegeven speelt de waardering van De Beemster zich af op verschillende schaalniveaus. Naast de structuurelementen (waterpatroon, wegenpatroon, geometrische ontginningspatroon) regels van de Kopergravure worden in de visies van de gemeente ook de waarden op perceelsniveau en het bebouwingsbeeld gewaardeerd. Wij onderscheiden drie niveaus waarop de waardering van de Beemster zich afspeelt:
5.3.1
Waarden op structuurniveau Het gebied kent de volgende waarden op structuurniveau: assenkruis van Middenweg en Middensloot; orthogonaal patroon van wegen en water (inclusief profielen, o.a. twee dijken); stelsel van tochten, sloten en ringvaart (water/bemaling); bomenlanen en perspectiefwerking; blokmodules, grid van 926 x 926; neutraal ruimteschema, zonder hiërarchie; blokken van 1852 x 1852 tot 185 x 926 (perceel) en aanpassingen richting amorfe vorm van dijk/ringvaart (mantel). Harmonisch, modulair vierkant; oriëntatie van percelen; occupatiepatroon op de koppen van de percelen, als gevolg van de oriëntatie van de percelen; openheid en weidsheids (ruimtelijk patroon); kruispunten en plein(en). In hoofdstuk 2 zijn deze waarden reeds belicht. Uitzondering op de regel zijn: de ‘Tuinhoek’ (Nekkerzoom) (oranje), met een afwijkende maatvoering binnen het geometrisch stelsel; polder Kruisoord (donkergroen), een oud stuk veenland met geplooide molengang en een aangepaste verkaveling en wegenstructuur.
Croonen Adviseurs
48
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
afbeelding 3: ruimtelijk patroon van de Beemster en de gebiedsindeling
5.3.2
Waarden op erfniveau Het gebied kent de volgende waarden op erfniveau: In de huidige inrichting en opzet van de agrarische erven in de Beemster is een samenhangende (beeld)karakteristiek waarneembaar. In hoofdzaak (nog) herleidbaar vanuit historische inrichtingsprincipes, mede gebaseerd op de renaissance idealen. De karakteristieke wijze van het inrichten van het Beemster erf is terug te voeren op negen kernkwaliteiten of spelregels. Gezamenlijk bepalen zij de samenhangende en unieke ruimtelijke beleving en identiteit van de Beemster op erfniveau. Kernkwaliteiten op erfniveau zijn vastgelegd in de rapportage “Beemster ervenis WereldERFgoed, Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf.” 1. mathematische organisatie De relatie tussen mens/gebruik en ruimte wordt via een geometrisch matenstelsel afgewikkeld. Kenmerkend voor de droogmakerij, maar ook bruikbaar voor de inrichting en de organisatie van het erf.
2. open representatieve voortuin Het voorerf wordt tot aan de achtergevel van de woning vrij gehouden van (bij)gebouwen. Over een representatieve tuin, hét visitekaartje van de bewoners, heeft men vrij zicht op de woning.
Croonen Adviseurs
49
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
3. zonering in gebruik Het voorste gedeelte van de erf wordt gebruikt als tuin. Direct achter de achtergevel is een zone waarin het arbeidsintensieve en gemengde gebruik plaatsvindt. Vervolgens staan achterop het erf de grotere bedrijfsgebouwen.
4. erfpad, brug, entreemarkering en bomenlaan Uniek voor de Beemster is het ensemble van toegangsbrug, poort (met hek), poortwachters (bomen) en een recht erfpad met zicht op het achterliggende landschap.
5. afbakening erf Erven worden duidelijk afgebakend. Dit gebeurt met een sloot en streekeigen erfbeplanting vaak bestaand uit in ieder geval een enkele bomenrij op de rand van het erf. Alle bouwwerken zijn compact gesitueerd binnen het bouwvlak.
6. stolp (of woning) met pronkgevel Karakteristiek is de stolp (of woning) in een vooruitgeschoven positie voor op, en historisch gezien midden op, de kavel. Vaak hebben de stolpen een verbijzonderde ‘stadse’ voorgevel, met een verbijzondering centraal in de gevel (symmetrie).
7. kleine bijgebouwen direct achter achtergevel In een zone direct achter de woning staan de kleinere bijgebouwen en/of bedrijfsgebouwen. In sommige gevallen is er sprake van een aangebouwde schuur (staart). In andere gevallen zijn het vrijstaande bouwwerken. Wel zijn zij ruimtelijk in balans met de woning.
Croonen Adviseurs
50
Bestemmingsplan
Gemeente Beemster
8. grote bijgebouwen achter op het erf De, vaak vrij recent gebouwde, grote bedrijfsgebouwen zijn op enige afstand van de woning gesitueerd. Het zijn gebouwen ten behoeve van de (moderne) bedrijfsvoering in directe verbintenis met het (productie)landschap.
9. boomgaard en solitaire bomen Verspreid in de Beemster komen erven voor met een fraaie boomgaard voor op het perceel. Soms zelfs met sloot omrand. Vaker nog zijn prachtige monumentale bomen op het voorerf geplaatst. Soms zelfs bloeiend en niet streekeigen.
5.3.3
Waarden op gebouwniveau of bebouwingsensemble Het gebied kent de volgende waarden op gebouwniveau of bebouwingsensemble: molengangen/molens; buitens; forten; monumentale of beeldbepalende stolpboerderijen. Van zowel de molens als de buitens zijn slechts nog restanten aanwezig of in de ondergrond leesbaar. Wellicht dat vanuit historisch perspectief op deze plekken nieuwe initiatieven ontplooid zullen worden die teruggrijpen op deze cultuurhistorisch waardevolle plekken. Op dit moment is dit niet aan de orde. De forten van de Stelling van Amsterdam zijn bijzondere historische relicten die onderdeel uitmaken van een militairlandschappelijke stelsel. Stolpen zijn voor de Noord-Holland en specifiek voor de Beemster kenmerkende bouwwerken. Zij passen in de renaissance-idealen, zo is het grondvlak vierkant, is de opbouw symmetrisch en gaat het symmetrische piramidedak op in de hemel. Daarmee vertaalt het grote vierkantspatroon in de polder zich rechtstreeks naar de maat van het erf en de daarop geplaatste stolp.