CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Buitengebied 2012 - Partiele herziening 2021, bijlagen bij de toelichting.pdf

Raadscommissie 21 september 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 5: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 - Partiële herziening 2021 en de daarbij behorende stukken.24.520 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 Partiële herziening 2021 vastgesteld

bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting

Buitengebied Beemster 2012 Partiële herziening 2021 vastgesteld 18-08-2021

bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2012

7

Bijlage 2

Lijst van rijksmonumenten in het plangebied

85

Bijlage 3

Overzicht van verwerkte plannen en vergunningen

89

Bijlage 4

Raadsbesluit archeologie

93

Bijlage 5

Nota van overleg en inspraak

97

3

bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021

4

bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021

Bijlagen bij de toelichting

5

bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021

6

bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2012

7

Bestemmingsplan Buitengebied 2012 Gemeente Beemster

Bestemmingsplan Buitengebied 2012 Gemeente Beemster

Toelichting Bijlage(n) Regels Bijlage(n) Verbeelding Schaal 1:5.000 Datum: 10 oktober 2013 Projectgegevens: 101025-0037 Identificatienummer: NL.IMRO.0370.2012BPbuitengebied-oh01

Postbus 435 – 5240 AK Rosmalen T (073) 523 39 00 – F (073) 523 39 99 E info@croonen.nl – I www.croonenadviseurs.nl

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Inhoud 1

Inleiding 1.1 Een nieuw bestemmingsplan voor het werelderfgoed De Beemster 1.2 Begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Nieuw wettelijk kader en technische ontwikkelingen 1.5 Leeswijzer

1 1 2 4 5 8

2

Beschrijving van het plangebied 2.1 Historische ontwikkeling 2.2 Ruimtelijke hoofdstructuur 2.3 Bebouwingsstructuur 2.4 Stelling van Amsterdam 2.5 Infrastructuur en openbaar vervoer

9 9 9 12 13 14

3

Gebiedsbeleid 3.1 De nota Ruimte 3.2 Structuurvisie Noord Holland 2040, kwaliteit door veelzijdigheid 3.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

15 15 17 19

4

Thematisch beleid en onderzoek 4.1 Landbouw 4.2 Recreatie en toerisme 4.3 Water 4.4 Cultuurhistorie 4.5 Gemeentelijk archeologiebeleid 4.6 Verkeer en vervoer 4.7 Natuur 4.8 Milieu 4.9 Kabels en leidingen

23 23 26 27 31 35 36 37 39 42

5

Waardering en bescherming 5.1 Waardering droogmakerij: De Beemster, een sterk merk 5.2 Stelling van Amsterdam 5.3 Waarden op verschillend niveau 5.4 Beschermen, behouden en ontwikkelen

43 43 45 48 51

6

Toelichting op de bestemmingen 6.1 Algemene achtergrond bestemmingen 6.2 Beschrijving van de bestemmingen 6.3 Handhaving

57 57 59 66

7

Uitvoerbaarheid van het plan 7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid (proces/procedure) 7.2 Economische uitvoerbaarheid (uitwerking/uitvoering, exploitatie)

67 67 69

Croonen Adviseurs

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Bijlagen — Natuurnota — Voortoets — Vormvrije mer — Nota van Inspraak en Overleg

Croonen Adviseurs

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

1 Inleiding 1.1

Een nieuw bestemmingsplan voor het werelderfgoed De Beemster Droogmakerij De Beemster is sinds 1 december 1999 toegevoegd aan de lijst van werelderfgoederen van de UNESCO. Het werelderfgoedgebied omvat het gehele grondgebied van de gemeente Beemster. Belangrijke, integrale doelstelling van het bestemmingsplan Buitengebied is het behoud en de ontwikkeling van de bijzondere unieke waarden van De Beemster (de Outstanding Universal Values en de daarop gebaseerde kernkwaliteiten) als landschappelijk cultuurhistorisch werelderfgoed. Het behoud van deze waarden is tot onderwerp van gemeentelijk beleid gemaakt en voorzien van een ontwikkelingsvisie “Des Beemsters” en is daardoor niet alleen gericht op het behoud van het bestaande, maar het plaatst het werelderfgoed in een dynamische omgeving. Het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is een beleidsuitvoerend instrument voor de komende jaren. Daarin worden de unieke en universele (kern)kwaliteiten van het cultuurhistorisch landschap de basis en de richting van waaruit niet alleen behoud en beheer centraal staat, maar waar vooral ook ruimte wordt geschapen voor verantwoorde ruimtelijke, agrarische en economische ontwikkeling in deze woon- en werkgemeenschap. Uitgangspunt daarbij is dat De Beemster zich onderscheidt als hoogwaardig agrarisch productiegebied en als een hoogwaardig woon- en werkgebied voor haar inwoners.

Bij het streven naar een evenwicht tussen behoud en ontwikkeling van de kernkwaliteiten ligt er ook een verantwoordelijkheid dat dit niet leidt tot te rigide regelgeving waardoor juist die balans wordt verstoord. Op grond hiervan heeft de gemeente de ontwikkelingsvisie “Des Beemsters” opgesteld op basis van de eigen kernkwaliteiten en eigen identiteit. Deze visie vormt het afwegingskader tussen de cultuurhistorische kwaliteiten en de ambities en ontwikkelingen in het werelderfgoed. “Des Beemsters” is het instrumentarium met het doel deze ontwikkelingsvisie te vertalen naar concrete ruimtelijke uitgangspunten en de resultaten hiervan op te nemen in bestemmingsplan, welstandsbeleid en structuurvisie waarmee dan ook een samenhangend en onlosmakelijk geheel ontstaat tussen deze drie beleidsdocumenten. Het voorliggende bestemmingsplan “Buitengebied 2012” vervangt het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1994”, dat op een aantal punten is verouderd. Het Rijks- en provinciaal beleid en de wetgeving zijn sinds de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1994” op verschillende punten gewijzigd en/of uitgebreid. Nieuwe beleidsthema's als cultuurhistorische en archeologische waarden, verbrede landbouw, schaalvergroting in de landbouw, vrijkomende agrarische bebouwing, en milieu genieten volop belangstelling en zijn inmiddels ook in wet- en regelgeving verankerd.

Dit heeft logischerwijs consequenties voor het bestemmingsplan voor het buitengebied van Beemster.

Croonen Adviseurs

1

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Het Rijk heeft De Beemster als beschermd gebied aangewezen. Sinds 1999 heeft De Beemster een internationale status als werelderfgoed. Datzelfde geldt voor de deels in de Beemster gelegen Stelling van Amsterdam. De Beemster maakt daarnaast deel uit van het Nationaal Landschap Laag Holland. De gemeentelijke visie op de landelijke omgeving is ook veranderd. Op lokaal niveau wordt aan het behoud van de droogmakerij als cultuurhistorisch erfgoed grote prioriteit toegekend. Het project “Des Beemsters” overstijgt inmiddels zijn oorspronkelijke cultuurhistorische dimensie en krijgt als eigentijdse, integrale visie op wonen, werken en leven in de Beemster ook zijn ruimtelijke en culturele uitwerking. De grotere aandacht voor de bijzondere waarden die hier aanwezig zijn resulteert in een plan dat meer beleidsterreinen en op onderdelen ook duidelijker regelgeving omvat dan het vorige bestemmingsplan. De grote landschappelijke en cultuurhistorische waarden vereisen bestemmingen en regelingen op maat. Door hierin zorgvuldig en terughoudend te zijn, konden eenvoud en overzicht in de regels van het plan zoveel mogelijk behouden worden. Zo zijn erkenning en bescherming van landschappelijke en cultuurhistorische waarden hand in hand gegaan met een actualisering, verheldering en vereenvoudiging van de regelgeving.

Binnen de nadere bescherming van landschappelijke en cultuurhistorische waarden is er ook aandacht voor de duurzame ontwikkelingsruimte van de landbouw. Behalve het in hoofdzaak bestendigen van regelgeving uit het vigerend plan zijn er ook kansen in de richting van verbrede landbouw en mogelijkheden tot schaalvergroting.

1.2

Begrenzing van het plangebied De gemeente Beemster omvat de oorspronkelijke droogmakerij. Het plangebied omvat de gehele droogmakerij, exclusief de kernen waarvoor aparte bestemmingsplannen gelden: Middenbeemster, Zuidoostbeemster en Westbeemster. De begrenzing van de kernen volgt de zo geheten rode contour uit het voormalige streekplan. In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 wordt de rode contour niet meer aangegeven, maar wordt gesproken over Bestaand Bebouwd Gebied. Ook kleinere reeds bestaande bebouwingsconcentraties, zoals Noordbeemster, zijn hierin als Bestaand Bebouwd Gebied aangegeven. Omdat deze van een beperkte omvang zijn, worden zij gezien als onderdeel van het buitengebied en in dit bestemmingsplan meegenomen. De uitbreidingslocaties van Middenbeemster vierde kwadrant is buiten het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” gehouden. De uitleglocatie in het kader van Waterlands Wonen, “Zuidoostbeemster II”, is vooralsnog conserverend bestemd, aangezien planvorming hiertoe nog niet aan de orde is.

Croonen Adviseurs

2

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Als buitenste plangrens is de ringvaart, die de gemeentegrens vormt, aangehouden. Een uitzondering vormt het gedeelte nabij Zuidoostbeemster, waar deze binnen het betreffende kernenplan ligt. Als binnenste plangrens geldt de rand van de genoemde kernen. (zie afbeelding 1). Ook het gebied “Nekkerzoom” is onderdeel van het bestemmingsplan “Buitengebied 2012”. Voor dit gebied is eerder een visie opgesteld die in een transformatie van dit gebied voorziet. Vooralsnog is, in afwachting van nadere besluitvorming, de visie voor het gebied “Nekkerzoom” niet in het plan meegenomen.

afbeelding 1: begrenzing bestemmingsplan Buitengebied NB: Rijperweg nabij Middenbeemster valt buiten het plangebied.

Croonen Adviseurs

3

Bestemmingsplan

1.3

Gemeente Beemster

Vigerende bestemmingsplannen De bestemmingen van het voorliggende bestemmingsplan waren eerder geregeld in: bestemmingsplan ”Landelijk Gebied 1994” vastgesteld: 24 maart 1994 goedgekeurd: 1 november 1994 bestemmingsplan “Landelijk gebied 1970” vastgesteld: 25 februari 1970 goedgekeurd: 5 september 1972 bestemmingsplan “Agrarische Hulpbedrijven 2003” vastgesteld: 25 september 2006 goedgekeurd: 20 maart 2007 bestemmingsplan “CONO-Beemster” vastgesteld: 24 april 2003 goedgekeurd: 23 september 2003 paraplubestemmingsplan “Prostitutie Beemster” vastgesteld: 29 september 2005 goedgekeurd: 10 februari 2006

een aantal postzegelplannen onder de vigeur van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening: “Rijperweg 120a 2009”; vastgesteld 7 mei 2009 “Purmerenderweg 36 2009”; vastgesteld 2 juli 2009 “Volgerweg 27 2009”; vastgesteld 24 september 2009 “Purmerenderweg 66 2009”; vastgesteld 24 september 2009 “Zuiderweg 52a 2009”; vastgesteld 24 september 2009 “Jisperweg 111a 2009”; vastgesteld 12 november 2009 “Nekkerweg 50 2010”; vastgesteld 22 april 2010 “Oosthuizerweg 26d 2010”; vastgesteld 27 juli 2010 “Fort Nekkerweg 2010”; vastgesteld 23 september 2010 “Jisperweg 8a 2010"; vastgesteld 28 oktober 2010

Croonen Adviseurs

4

Bestemmingsplan

1.4

Gemeente Beemster

Nieuw wettelijk kader en technische ontwikkelingen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Aangezien de nieuwe regels nogal ingrijpende wijzigingen in het tot dan toe gebruikelijke systeem van het ruimtelijk ordenen in Nederland teweeg hebben gebracht, is een kort overzicht van de belangrijke wijzigingen op zijn plaats. Dit ter verduidelijking van de nieuwe positie die het bestemmingsplan als instrument van gemeentelijk ruimtelijk beleid en ruimtelijk beheer in het geheel van ruimtelijk ordeningsinstrumenten nu inneemt. In de Wro is een nieuw en duidelijker onderscheid in (instrumenten voor) beleid en uitvoering aangebracht. Dit raakt de gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden bij de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het ruimtelijke beleid. Er zijn nieuwe planfiguren geïntroduceerd (structuurvisie, beheersverordening) en de vormgeving en procedure van het bestemmingsplan zijn ingrijpend gewijzigd. Structuurvisie versus bestemmingsplan Structuurvisies geven voortaan richting aan het ruimtelijk beleid. Nieuwe ontwikkelingen worden hierin aangegeven. Het bestemmingsplan is ten opzichte hiervan uitvoerend en instrumenteel. De beleidsdoelen uit de structuurvisie worden geconcretiseerd en juridisch vastgelegd in het gemeentelijke bestemmingsplan, op basis waarvan realisatie kan plaatsvinden.

Zowel Rijk, provincies als gemeenten gebruiken voortaan de structuurvisie als enig ruimtelijk beleidsdocument. Procedure en vorm van op te stellen structuurvisies zijn vrijwel onbepaald. Het doel is de structuurvisie voor de gemeente Beemster vast te stellen samen met dit bestemmingsplan en de “Omgevingsnota”, de nieuwe welstandsnota, waarmee de drieeenheid tussen deze documenten wordt vastgelegd. Beheersverordening Wordt geen ontwikkeling verwacht dan kan de gemeente een beheersverordening vaststellen. De beheersverordening als instrument biedt een regeling die bestaat uit algemeen verbindende regels (avv’s) waarmee bestaande bestemmingen van een gebied worden geregeld. Tegen de vaststelling van avv’s staat geen rechtsbescherming open. Projectbesluit Het projectbesluit verving de zelfstandige projectprocedure (de vroegere artikel 19 WRO-vrijstelling). Hiermee werd een project of plan mogelijk waarmee in het bestemmingsplan geen rekening is gehouden. Aanvankelijk was het projectbesluit als instrument niet interessant, omdat het binnen een jaar moest worden ingebouwd in een bestemmingsplan. Vandaar dat de gemeente Beemster ervoor heeft gekozen voor projecten direct (postzegel)bestemmingsplannen te ontwikkelen.

Croonen Adviseurs

5

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet werd het projectbesluit als instrument toch weer interessant en zijn tot de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een aantal projectbesluitprocedures gestart. Inmiddels is het instrument vervallen na de inwerkingtreding van de Wabo waarover straks meer. Goedkeuring provincie vervalt Bij de bestemmingsplanprocedure is de provinciale goedkeuring vervallen. Dit geeft een aanmerkelijke verkorting in de procedure. Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor overleg toegezonden aan Rijks- en provinciale diensten, betrokken gemeenten en waterschappen (art. 3.1.1 Bro). Commentaar van deze instanties op het ontwerp dient te worden verwerkt en waar nodig zal deze leiden tot conforme wijziging nadien. Na vaststelling door de gemeenteraad heeft het bestemmingsplan rechtskracht. Indien de gemeenteraad bij de vaststelling de opmerkingen onvoldoende in acht neemt, kan zowel het Rijk als de provincie overgaan tot het geven van een aanwijzing. Het gevolg van een aanwijzing is dat het betreffende onderdeel van het plan daarvan geen deel blijft uitmaken.

Tegen de aanwijzing is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep mogelijk Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie In deze verordening, in werking getreden per 13 november 2010, hebben provinciale staten in het belang van een goede ruimtelijke ordening in de provincie algemene regels vastgesteld voor de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen in Noord-Holland waar een provinciaal belang mee is gemoeid. In paragraaf 3.3 wordt uitgebreider ingegaan op deze verordening. Dit bestemmingsplan “Buitengebied 2012” is in lijn met deze verordening. Wet Modernisering Monumentenzorg (MoMo) Naar verwachting treedt per 1 juli 2011 de wet MoMo in werking. Op grond hiervan dienen gemeentelijke bestemmingsplannen afgestemd te zijn op aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden. Dit bestemmingsplan “Buitengebied 2012) anticipeert op deze voorgenomen Rijksmaatregel. Bestemmingsplan digitaal Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is eveneens vervangen door een nieuw exemplaar. Dit besluit bevat technische regels en regels gericht op de uitvoering. In dit verband wordt gewezen op de verplichte digitalisering. Nieuwe bestemmingsplannen moeten op basis van de nieuwe wet digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar zijn. De digitaliseringsverplichting is ingegaan op 1 januari 2010.

In het kader van de digitalisering zijn regels voor uniformering en standaardisering van bestemmingsplannen gegeven, zowel wat betreft de technische als ook de inhoudelijke opzet van verbeelding en regels. Standaardisering draagt uiteraard bij aan grotere efficiency in de voorbereiding en de procedure van het bestemmingsplan, en het maakt de toegankelijkheid van het bestemmingsplan voor een ieder groter. Snellere besluitvorming, betere handhaving en eenvoudiger rechtsbescherming zijn hiermee tevens beoogd.

Croonen Adviseurs

6

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Hierdoor is het omgevingsrecht drastisch gewijzigd. Veel toestemmingen en vergunningen die voorheen apart geregeld waren, zijn nu opgenomen in de Wabo. Hierdoor is voor één project nog maar één omgevingsvergunning nodig die toestemming geeft voor alle benodigde activiteiten. Een aantal vergunningen/toestemmingen die zijn opgegaan in de omgevingsvergunning zijn de bouwvergunning, de binnenplanse ontheffing, de sloopvergunning en de aanlegvergunning. De inhoudelijke toetsingskaders voor deze vergunningen/toestemmingen zijn niet gewijzigd. In de regels is de terminologie aangepast aan de Wabo. De ontheffing heet nu ‘omgevingsvergunning voor het afwijken’. De bouwvergunning heet ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ respectievelijk ‘omgevingsvergunning voor het aanleggen’. In het bestemmingsplan zijn geen procedureregels opgenomen. De procedure voor een wijzigingsplan is geregeld in de Wro en de Wabo bevat een procedureregeling voor de omgevingsvergunning. Met de Wabo is ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Dit besluit vervangt grofweg het Besluit bouwvergunningvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).

Wel zijn er een aantal belangrijke wijzigingen in het vergunningvrij bouwen. Er zijn nu twee categorieën van omgevingsvergunningvrij bouwen. De eerste categorie is een voortzetting van het Bblb. Deze bouwwerken zijn vergunningvrij, het bestemmingsplan kan hier geen beperkingen aan opleggen. De tweede categorie is nieuw. Deze bouwwerken zijn vergunningvrij voor zover ze conform het bestemmingsplan zijn. Hier is het bestemmingsplan bepalend voor wat zonder omgevingsvergunning gebouwd mag worden. Indien er strijd is met het bestemmingsplan mag niet gebouwd worden, tenzij er een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend kan worden.

Croonen Adviseurs

7

Bestemmingsplan

1.5

Gemeente Beemster

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met regels en een toelichting hierop. De verbeelding in combinatie met de regels geven aan voor elke locatie wat ruimtelijk wel of niet mogelijk is. In de toelichting is voor het plan het afwegingskader beschreven waarop de gegeven ruimtelijke mogelijkheden zijn gebaseerd. Dit vindt plaats op basis van de gebiedseigen kenmerken/waarden (beschreven in hoofdstuk 2) en op basis van wat in beleid en regelgeving van Rijk, provincie en eigen gemeente is beschreven (hoofdstuk 3). De gebieds- en beleidsanalyse vormt de basis voor de in hoofdstuk 4 beschreven thematische sortering van de ontwikkelingen in het plangebied (water, landbouw, ecologie, cultuurhistorie). Wanneer voor specifieke onderwerpen onderzoek nodig is geweest, wordt ook dit hier vermeld. In hoofdstuk 5 is specifieke aandacht gegeven aan de op verschillende fronten hoge waardering van De Beemster en hoe dit integraal te benaderen is. Ook is beschreven op welke wijze dit in het bestemmingsplan dient te worden beschermd. Op basis van deze kaders zijn bestemmingen opgesteld, met daarin vastgelegd de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Een uitleg van elke bestemming is te vinden in hoofdstuk 6. Vervolgens komt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod.

Deze uitvoerbaarheid bevat de maatschappelijke verantwoording (overleg met diverse instanties en het bieden van inspraak van bewoners en belanghebbenden), als de economische verantwoording.

Croonen Adviseurs

8

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

2 Beschrijving van het plangebied 2.1

Historische ontwikkeling De polder De Beemster is tussen 1608 en 1612 drooggemalen. Amsterdamse kooplieden financierden, onder andere met VOC-gelden en de verdiensten uit de Oostzeehandel, dit grootschalige landaanwinningsproject. Begin 17de eeuw bestond er een grote behoefte aan nieuwe en goede landbouwgrond. Bovendien dreigden de met elkaar verbonden binnenzeeën Schermermeer, Beemstermeer en Purmermeer door het afkalven van de oevers steeds groter te worden. Dat ging ten koste van de landbouwgrond en bedreigde de bebouwing aan de oevers. Tegen deze achtergrond gaven de Staten van Holland al in 1607 toestemming om het Beemstermeer droog te malen. Rond het meer werd een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Daarna werd het water uitgemalen met behulp van een aantal molengangen met elk drie molens, die nadien voor de afwatering van de polder moesten zorgen. In totaal waren er voor de drooglegging ongeveer vijftig molens nodig. In 1610 was De Beemster bijna voltooid toen bij een storm de Zuiderzeedijken braken en de polder weer gedeeltelijk volliep. Om herhaling te voorkomen, besloot men nu de ringdijk een meter boven maaiveld van het omringende ‘oude land’ te leggen. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog, 7200 ha groot en grotendeels bestaand uit vruchtbare landbouwgrond.

Vanwege de optredende bodemdaling werd rond 1632 een vierde bemalingstrap aan het bemalingssysteem toegevoegd. Zoals de meeste droogmakerijen werd ook De Beemster geometrisch verkaveld. Zeer bijzonder is echter dat hier de klassieke proportieleer als basis voor de verkaveling is gekozen. De verkaveling is het resultaat van een intellectueel concept, dat geënt is op antieke Italiaanse renaissance-theorieën over het ‘ideaal van de rechte lijn’, over de ‘città ideale’ en de leer van de getallen, zoals door Plato en Augustinus uitgewerkt. In de aanleg klinken de uitgangspunten van de Romeinse bouwmeester Vitruvius door: firmitas, utilitas en venustat (degelijkheid, functionaliteit en schoonheid). Hier heersen de principes van orde, ratio, van mathematische beginselen en van weloverwogen planning op een monumentale schaal.

2.2

Ruimtelijke hoofdstructuur In 1644 maakte Balthasar Florisz van Berckenrode een kopergravure met een zeer gedetailleerde kaart van de nog jonge Beemster. De zes originele etsplaten van deze kaart zijn eigendom van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en in bruikleen bij de gemeente Beemster. Deze kopergravure laat de hoofdstructuur van de droogmakerij zien met het oorspronkelijke sloten- en wegenpatroon. Deze hoofdstructuur is wonderlijk elastisch gebleken: in 400 jaar tijd heeft het landschap talloze veranderingen in zich op weten te nemen. De kaart op de kopergravure geldt nu als basis voor de bescherming van het werelderfgoed.

Croonen Adviseurs

9

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

afbeelding 1: Kopergravure

Uitgangspunt bij de inrichting was een strakke geometrie, gebaseerd op de destijds als ‘ideaal’ beschouwde maatvoering. Rasters van wegen en afwateringstochten verdelen de ruimte in vierkante blokken. Zowel de wegen als de tochten vormen vierkanten van 1852 bij 1852 meter (oftewel 400 morgen). De twee rasters liggen los van elkaar: snijpunten van het ene raster liggen precies in het midden van de vierkanten van het andere raster. Zo ontstaan telkens vier vierkante polderblokken van 926 bij 926 meter, aan twee zijden begrensd door een weg en aan twee zijden door water. Deze polderblokken zijn weer opgedeeld in vijf rechthoekige landbouwkavels van 185 bij 926 meter. Bij eerdere proefpolders was gebleken dat deze maat zeer geschikt was voor zowel akkerbouw als veeteelt. Een klein aantal polderblokken is opgedeeld in meer kavels: 12 of 20. De landbouwkavels sluiten aan de achterzijde aan op de hoofdafwatering en aan de voorzijde op de ontsluitingsstructuur.

Croonen Adviseurs

10

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Per polderblok kon de keuze worden gemaakt voor noord-zuid of oost-west gerichte kavels. Beide komen voor. Zo is het karakteristieke Beemster bebouwingspatroon ontstaan: een neutraal grid van wegen, geflankeerd door (van oorsprong) agrarische erven langs wegdelen die grenzen aan de kopse kant van de kavels. De ligging van de rasters is bepaald door twee lijnen: de Middenweg (de langst mogelijke lijn in noord-zuidrichting) en de Middensloot. Op basis van deze lijnen konden twee keer zes ‘ideale vierkanten’ worden geformeerd. Dit ‘poldervlak’ is met een lengtebreedteverhouding van 2:3 perfect in overeenstemming met de klassieke proportieleer. Naar de randen van de Beemster toe, werden voor zover mogelijk polderblokken van 926 bij 926 meter toegevoegd. De resterende kavels volgen noodzakelijkerwijs de onregelmatige vorm van de dijk. Middenweg en Middensloot

‘ideale’ vierkanten

polderblokken

oriëntatie kavels

afbeelding 1: ontwerp in onderdelen van de Beemster

De wegen zijn ontworpen als een ‘neutraal raster’, dat wil zeggen dat de ene weg niet belangrijker zou zijn dan de andere. Bomen langs de wegen zorgden voor beschutting tegen wind en zon en hadden een esthetische bedoeling: ze versterkten het perspectief. Het wegenraster is nog steeds aanwezig, maar heeft in de loop der eeuwen aan neutraliteit ingeboet. Sommige wegen verwerken meer verkeer dan andere en zijn daar in hun inrichting en profiel op afgestemd. Bomen zijn langs sommige tracés verdwenen. Het wegenbestand is bovendien uitgebreid met rijksweg A7, de provinciale weg N244 en de Schermerhornerweg (deel van de provinciale weg N243). Deze wegen zijn zoveel mogelijk opgenomen in het rechthoekige patroon, maar vallen buiten het oorspronkelijke raster. Rond de kernen Middenbeemster en Zuidoostbeemster heeft een flinke uitbreiding van het wegennet plaatsgevonden als gevolg van de groei van die dorpen. Ook het waterpatroon is ondanks vele wijzigingen nog goed herkenbaar. In tegenstelling tot het wegenpatroon, is het watersysteem wel hiërarchisch opgebouwd. De sloten die de kavels scheiden van elkaar en van de weg, voeden de afwateringstochten. Op hun beurt wateren de tochten af op de Beemsterringvaart. Recent is het raster van tochten op de kopergravure gedigitaliseerd en vergeleken met het huidige slotenpatroon.

Daardoor is het mogelijk geworden om een beleidsmatig onderscheid te maken tussen de sloten die al op de kopergravure stonden en de sloten die later zijn toegevoegd. Deze laatste sloten zijn vatbaar voor vergraving of demping.

Croonen Adviseurs

11

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

De nog aanwezige kopergravure-sloten moeten behouden blijven. Verdwenen kopergravure-sloten kunnen, als de gelegenheid zich voordoet, weer in het landschap worden teruggebracht.

2.3

Bebouwingsstructuur De structuur van de agrarische bebouwing hangt direct samen met de wijze van verkavelen. De kop van een kavel aan de zijde van de weg was de enige logische plaats voor het erf, want de tochten waren alleen geschikt voor de ontwatering en niet voor vaarverkeer. Het gevolg is dat weggedeelten die parallel lopen aan de aanliggende kavels een ononderbroken zicht op het landschap bieden. Weggedeelten die haaks staan op de aanliggende kavels laten wisselende ritmes van erven zien, met daar tussenin vergezichten naar het achterliggende landschap. Omdat de oriëntatie van de kavels binnen de polderblokken wisselt, liggen bij sommige weggedeelten erven aan weerszijden, bij andere aan één zijde en bij weer andere in het geheel geen. De meeste erven zijn nog in agrarisch gebruik, maar in toenemende mate komen ook andere hoofd- en nevenfuncties voor, zoals recreatie, niet-agrarische bedrijvigheid en bewoning zonder binding met het omliggende land. Dat neemt niet weg dat de ‘landschapskamers’ binnen het raster van wegen nog vrijwel geheel open en in agrarisch gebruik zijn. De grootste niet-agrarische functie ligt wel direct in het verlengde van de landbouw: de kaasfabriek CONO aan de Rijperweg. Met name nabij de dorpen in de Beemster zijn vergezichten tussen de erven door dichtgegroeid.

Aanvankelijk kwamen daar kleinere woningen voor landarbeiders, later ook andersoortige bebouwing. De inrichting van de erven vertoont opvallende overeenkomsten, reden waarom ook nu nog gesproken kan worden van typisch Beemster erven. Een oprijlaan loopt over de hele lengte van het erf en biedt vanaf de brug zicht op het achterliggende landschap. Aan de wegzijde pronken het woonhuis of het woongedeelte van de boerderij (vaak een stolp) en de siertuin. Daarachter staan de bedrijfsgebouwen, doorgaans georiënteerd op de lengterichting van de kavel. Grote agrarische bedrijven bouwden ook woningen voor hun arbeiders, meestal naast of achter de hoofdwoning. Een aantal gebieden binnen de polder onttrekt zich aan het karakteristieke, geometrische inrichtingspatroon. Het zuidoosten van de Beemster kent een afwijkende, meer gesloten structuur. De kleinschalige structuur leende zich vanaf het ontstaan van de Beemster voor vestiging van tuinders, die zich voornamelijk richtten op de Amsterdamse en Purmerendse markt. Het gevolg was een fijnmaziger structuur, minder strak, met meer bebouwing langs de wegen en verspreide kassen op het land. In deze hoek van de polder lag ook het merendeel van de buitenplaatsen en lusthoven. Ook Kruisoord, een ouder veenpoldertje aan de noordrand van de Beemster, wijkt af van het mathematische systeem.

Het heeft een kleinschaliger, brokkelig verkavelingspatroon. Het poldertje is van oorsprong een niet weggeslagen veengebiedje uit de tijd van het Beemstermeer.

Croonen Adviseurs

12

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Er liggen diverse buitenplaatsen en lusthoven langs de Volgerweg, Zuiderweg en Purmerenderweg. De buitens lagen net als de boerderijen langs de polderwegen. De inrichting was geometrisch met bomenlanen, siertuinen, boomgaarden en dwaalbosjes met slingerpaden. Op enkele plaatsen zijn nog landhuizen met restanten van omringende tuinen overgebleven. Vooral in deze hoek van de polder is het agrarisch gebruik van het landschap op enkele plaatsen verdrongen door andere functies, zoals een golfbaan en niet-agrarische bedrijvigheid. De dorpen van de Beemster zouden volgens het oorspronkelijke ontwerp gebouwd worden aan de kruispunten van het wegennet. De meeste zijn nooit gebouwd, maar de dorpen Middenbeemster en Noordbeemster werden wel planmatig ontwikkeld. Het dorp Westbeemster ontwikkelde zich per toeval rondom een Rooms Katholieke schuilkerk. Uit het zuidoostelijke tuindersgebied ontwikkelde zich later het dorp Zuidoostbeemster. De dorpen zijn in de loop van de tijd gegroeid, soms met complete nieuwe buurten, soms via lintvorming langs de toevoerwegen. De grotere buurtschappen Klaterbuurt en Halfweg zijn min of meer spontaan ontstaan, vooral door de bouw van kleine arbeiderswoningen. Aan de noordwestkant van de buurtschap ligt het Fort aan de Nekkerweg, onderdeel van de Stelling van Amsterdam.

2.4

Stelling van Amsterdam Vanaf 1880 werd de Stelling van Amsterdam aangelegd. Deze waterlinie moest eventuele vijanden op afstand houden van de hoofdstad door omringende gebieden onder water te zetten, oftewel te inunderen. De Stelling is als geheel zo’n 135 kilometer lang. In de Beemster liggen vijf forten. Van west naar oost zijn dat Fort Spijkerboor, Fort Jisperweg, Fort Middenweg, Fort Nekkerweg en Fort Benoorden Purmerend. Daarnaast zijn nog enkele andere werken aanwezig, zoals een inundatiesluis. Het zuidelijk deel van de polder hoorde bij het inundatiegebied van de Stelling.

Stelling van Amsterdam (bron: nationalelandschappen.nl en amsterdam.nl)

Croonen Adviseurs

13

Bestemmingsplan

2.5

Gemeente Beemster

Infrastructuur en openbaar vervoer Het hoofdwegenpatroon toont nog steeds de overduidelijke, noord-zuid georiënteerde gridstructuur. Zwaartepunten van bebouwing zijn de Middenweg en de Jisperweg. De kenmerkende structuur is sinds het droogmaken van De Beemster nog nauwelijks veranderd. Wel is het wegenbestand uitgebreid met Rijksweg A7, de provinciale weg N244 en de Schermerhornerweg, die is doorgetrokken tot de Middenweg en nu provinciale weg N243. Deze wegen zijn ook zo veel mogelijk in het rechthoekige patroon opgenomen. Rond de kernen Middenbeemster en Zuidoostbeemster heeft een flinke uitbreiding van het wegennet plaatsgevonden als gevolg van de groei van die dorpen. Binnen het buitengebied ligt ook een verscheidenheid aan utilitaire en recreatieve fietsroutes. Bij de inrichting van De Beemster, zijn bij het ontwerp de kruispunten voor de ontwikkeling van dorpskernen aangewezen. De invulling van bebouwing rond deze kruispunten is, samen met de richting van de percelen, bepalend geweest voor de groei van de woonkernen. Middenbeemster is het grootste en rijkste dorp, het centrum van de droogmakerij. Het kruispunt in het centrumdorp Middenbeemster werd bestemd tot marktplein. Hier groeide een woonkern rond een bijzondere voorziening, zoals een kerk of een school.

De woningvoorraad rond het kruispunt bestond voornamelijk uit herenhuizen, rentenierswoningen en enkele boerderijen. Bereikbaarheid is belangrijk voor een goede woonomgeving. Met de woning als uitvalsbasis moeten andere plaatsen en voorzieningen bereikbaar zijn. De gemeente behoudt de goede verbindingswegen voor het eigen vervoer, zoals de auto en de fiets. Openbaar vervoer heeft voor de gemeente bijzondere aandacht. Openbaarvervoersverbindingen wilt de gemeente behouden en waar mogelijk verbeteren. De buslijnen van Connexxion en Arriva verbinden de dorpen van Beemster met elkaar en ook met Purmerend en Alkmaar (waar men kan overstappen op een NS-station). Op initiatief van de gemeente Beemster rijdt er op vrijwilligersbasis een buurtbus tussen de dorpen. Dicht tegen de kruispunten staan de typerende landarbeider- en burgerwoningen. Deze ‘kleine’ woningen staan dicht op elkaar. Tussen het perceel en de weg loopt een waterloop. De woningen zijn toegankelijk door een smalle brug. De korte afstand tussen de woningen, samen met de individuele toegangsbruggetjes, creëert een zeer kenmerkend beeld. Dit ruimtelijk beeld voor enkele delen van De Beemster is kenmerkend. Het burgergrid bestaat uit een met bomen beplante weg met aan weerszijden een sloot. De woningen staan dwars op de weg met een tussenruimte.

Croonen Adviseurs

14

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

3 Gebiedsbeleid 3.1

De nota Ruimte De Nota Ruimte is de huidig vigerende nota van het Rijk, waarin de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd zijn. De nota is in 2005 vastgesteld. In deze nota gaat het om inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020 met een doorkijk naar 2030. Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid was ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat. Specifiek richt het zich op de volgende 4 doelen: 1. 2. 3. 4.

versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland; bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland; borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden; borging van de veiligheid.

Het Rijk wilde zich niet meer met alles bemoeien en wil strategisch op hoofdlijnen sturen. Decentrale overheden krijgen meer ruimte om hun eigen weg te gaan. Het gaat er uiteindelijk om dat de besluitvorming over de inrichting van de ruimte dichter bij de direct belanghebbenden komt te liggen. Voor verstedelijking, infrastructuur en vestiging van bedrijven en economische activiteiten geldt een zogenaamd bundelingsbeleid: nieuwe woongebieden en bedrijvigheid moeten zoveel mogelijk worden aangesloten op bestaande bebouwing en infrastructuur. Hierbij moet bovendien rekening worden gehouden met (bestaande) recreatieve voorzieningen, groen en water (watertoets).

Actuele ontwikkeling in 2011 voor de Nota Ruimte Als gevolg van nieuw regeringsbeleid is van Rijkswege onlangs besloten dat er een Visie Erfgoed en Ruimte wordt ontwikkeld. Deze dient dan als een belangrijke bouwsteen voor een structuurvisie van het Rijk over de inrichting van Nederland. In deze structuurvisie legt het Rijk vast wat de ruimtelijke prioriteiten zijn en hoe deze prioriteiten te realiseren (subsidies, bestuursovereenkomsten, regelgeving). De structuurvisie wordt

Croonen Adviseurs

15

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

dan de opvolger van de Nota Ruimte uit 2006. Op dit moment is nog niet bekend welke invloed de komende structuurvisie van het Rijk kan hebben op het ruimtelijk beleid van de gemeente. Nationaal Landschap Laag Holland De Beemster vormt onderdeel van het “Nationaal Landschap Laag Holland”, waarbij ‘behoud door ontwikkeling’ het uitgangspunt is. De landschappen moeten zich kunnen ontwikkelen, terwijl de bijzondere kwaliteiten (kernkwaliteiten) worden behouden of versterkt. Het zeer open veenweiden- en droogmakerijenlandschap zijn het archetype van een ‘Hollands landschap’. Het bestaat uit een laaggelegen veenweidegebied met daarin zeer laag gelegen droogmakerijen, omzoomd door dijken en ringvaarten. De 17e eeuwse rationeel ontgonnen droogmakerij De Beemster vormt een cultureel erfgoed en is een meesterwerk van de Nederlandse ingenieurskunst, maar ook van ruimtelijke planning en inrichting en landschapsbouw ‘avant la lettre’. Het is daarom in 1999 opgenomen op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in het nationaal landschap geldt het ‘ja, mits’-regime. Grondgebonden landbouw, natuur, toerisme en recreatie hebben speciale aandacht. Verbreding van de bedrijfsvoering zou voor grondgebonden landbouw als drager van het cultuurlandschap nieuwe kansen bieden en bijdragen aan voortgezet beheer van het landschap.

In de streekplanuitwerking “Nationaal landschap Laag Holland” zijn de kernkwaliteiten nader uitgewerkt. Deze uitwerking is in paragraaf 3.3 besproken en is, gelet op het bovenstaande, van belang voor de ontwikkelingen in het buitengebied van Beemster. Stelling van Amsterdam In De Beemster ligt een gedeelte van de Stelling van Amsterdam, wat eveneens is aangewezen als werelderfgoed. In de Nota Ruimte is de kernkwaliteit voor de Stelling van Amsterdam als volgt geformuleerd; “een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen”. Het gaat vervolgens om “een groene en relatief ‘stille’ ring rond Amsterdam en een relatief grote openheid”. De consequentie van de status als nationaal landschap voor het gebied van de Stelling in het bestemmingsplan is met name gelegen in de voortzetting van de openheid van het landschap. Het zuidelijke polderlandschap betreft gebied dat vroeger onder water kon worden gezet ter bescherming tegen de vijand. Milieu en externe veiligheid Het Rijk zorgt ten minste voor een leefbare basiskwaliteit langs de hoofdinfrastructuur. Voor Beemster is dit de Rijksweg A7 (geluid, luchtkwaliteit, gevaar). Het beleid is gericht op het oplossen van bestaande knelpunten en het voorkomen van nieuwe. In paragraaf 4.7 is dit onderwerp specifiek voor het plangebied beschreven.

Croonen Adviseurs

16

Bestemmingsplan

3.2

Gemeente Beemster

Structuurvisie Noord Holland 2040, kwaliteit door veelzijdigheid De Structuurvisie Noord-Holland 2040 “Kwaliteit door veelzijdigheid” is vastgesteld op 21 juni 2010 en op 13 november 2010 in werking getreden. Noord-Holland bevat een grote variatie aan bijzondere landschappen, die door ruimtelijke ontwikkelingen steeds verder onder druk is komen te staan. De landschappen worden, om dit tegen te gaan, als basis en uitgangspunt gebruikt voor verdere ontwikkeling in de provincie.

Drie andere trends hebben ook invloed op de gevolgen voor de provincie: a Globalisering: Vervagen van grenzen tussen landen met daardoor vrijer verkeer van personen en goederen. b Klimaatverandering: Als gevolg van de klimaatverandering moet men rekening houden met veiligheidsvraagstuk door zeespiegelstijging, wateroverlast door hevige regenval, en verdroging en verzilting in de drogere periodes. c Demografische veranderingen: Afname van jongeren en beroepsbevolking (2025) en bevolking grotere en kleinere kernen (2040) en toename ouderen. Tot 2025 een verwachte druk op woningmarkt door huishoudensgroei. De provinciale sturing richt zich op bovenlokale en regionale belangen. Het nieuwe beleid is onderverdeeld in drie provinciale hoofdbelangen: ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid.

Croonen Adviseurs

17

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Klimaatbestendigheid Bescherming tegen overstroming en wateroverlast worden opgevangen door het versterken van de waterkeringen en het aanwijzen van ruimte voor waterberging. Waterberging gebeurt voornamelijk fijnmazig, maar waar nodig wordt dit integraal aangepakt in combinatie met woningbouw, recreatie of natuur. De provincie zorgt voor voldoende ruimte voor waterkeringen, watersystemen en piek- en calamiteitenbergingen. De Provincie Noord-Holland wil zoveel mogelijk bijdragen aan de afname van de oorzaken van klimaatverandering. Voorbeelden zijn het beperken van het energieverbruik in stedelijk gebied, bedrijventerreinen en glastuinbouw, het bieden van ruimte voor opwekken en distribueren van grootschalige duurzame energie, alsmede het bieden van ruimte voor kleinschalige duurzame energie en het stimuleren van innovatie hiervan. Ruimtelijke kwaliteit De Provincie Noord-Holland zorgt dat ontwikkelingen, die buiten bestaand bebouwd gebied tot stand moeten komen, plaatsvinden op basis van de karakteristieke eigenschappen (Landschaps-DNA) van de verschillende landschappen. Nieuwe plannen dienen de ontwikkelingsgeschiedenis, de ordeningsprincipes en bebouwingskarakteristiek van het landschap en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt te hanteren. Mogelijke negatieve effecten dienen te worden gecompenseerd.

Om dit te kunnen toetsen, is door de provincie de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie opgesteld. Bovendien mag alleen in het landelijk gebied worden gebouwd mits daarvoor nut en noodzaak is aangetoond. Binnen De Beemster vallen enkele locaties binnen bestaand bebouwd gebied. De overige gebieden vallen buiten bestaand bebouwd gebied. Door de “Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling” (ARO) worden gedeputeerde staten over deze nieuwe plan-nen buiten bestaand bebouwd gebied geadviseerd. Ook nieuwe ontwikkelingen aan de randen van Noord-Hollandse dorpen dienen plaats te vinden op de kernkwaliteiten van deze dorpen (Dorps-DNA). De provincie wil (cultuur)landschappen, waaronder de Stelling van Amsterdam, optimaal gebruiken door hun kenmerken te koesteren en te benutten bij nieuwe ontwikkelingen. Nieuwe plannen dienen de ontwikkelingsgeschiedenis, de ordeningsprincipes en bebouwingskarakteristiek van het landschap en de inpassing in de omgeving als uitgangspunt te hanteren. Mogelijke negatieve effecten dienen te worden gecompenseerd. In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie worden kenmerken en beleid voor onder andere de Stelling van Amsterdam nader behandeld. Een verdere beschrijving van de stelling staat in 5.2.

Door te kiezen voor hoogstedelijke milieus en beperkte uitleg van bedrijventerreinen, houdt de provincie het landelijk gebied open en dichtbij. Door voorzichtig om te gaan met uitleg buiten bestaande kernen speelt ze in op de bevolkingskrimp op langere termijn. En door het landelijk gebied te ontwikkelen vanuit de kenmerken van NoordHollandse landschappen en de bodemfysieke kwaliteiten blijft de provincie bijzonder en aantrekkelijk om in te wonen, in te werken en te bezoeken.

Croonen Adviseurs

18

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Duurzaam ruimtegebruik Door externe veiligheid, bodem, geluid, geur en lucht integraal mee te nemen in gebiedsontwikkeling worden milieuknelpunten opgelost en voorkomen en worden kansen voor duurzaam ruimtegebruik en verbeterde leefbaarheid benut. Aan de woningvraag wordt zoveel mogelijk beantwoordt binnen bestaand bebouwd gebied. Verder is er aandacht voor demografische veranderingen als krimp. Natuur De provincie zet zich ook in om de biodiversiteit van de natuur te vergroten en het realiseren van zoveel mogelijk natuur. Kern van het natuurbeleid is de veiligstelling en de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) inclusief de verbindingszones en nationale parken, Natura 2000-gebieden en weidevogelleefgebieden. Verder staat het groen rond de steden, onder druk. De verstedelijkingsdruk op dit groen moet daarom zoveel mogelijk worden opgevangen door binnenstedelijke verdichting. Hierbij gaat de provincie uit van een intensieve inrichting van de gebieden dichtbij de steden en een extensievere inrichting op grotere afstand van de stad, zoals De Beemster. Recreatie en toerisme De provincie vindt een goede toegankelijkheid van recreatief groen voor haar bewoners en bezoekers belangrijk, zowel voor de leefbaarheid als voor het vestigingsklimaat. De Beemster is onderdeel van een recreatief uitvalsgebied van Amsterdam.

In het algemeen zet de provincie zich in op het bevorderen van binnen- en buitenlands bezoek aan Noord-Holland. Ze zet in op het ontwikkelen van een compleet samenhangend netwerk van recreatieve verbindingen (wandelpaden, lange afstandwandelroutes, fietspaden, landelijke lange afstandfietsroutes, een regionaal fietsknooppuntennetwerk en tot slot het vaarwegennetwerk). In De Beemster vormen de bestaande landwegen het fiets- en wandelpadennetwerk. In sommige gevallen is er sprake van een vrijliggend fietspad, maar vaak is er sprake van gemengd gebruik. Dit netwerk sluit aan op het provinciale netwerk. Infrastructuur De Provincie Noord-Holland streeft naar een snel, betrouwbaar, robuust en veilig regionaal wegennetwerk. Dit is belangrijk vanuit economisch en maatschappelijk perspectief. In De Beemster is een regionaal wegennet aanwezig voor een goede ontsluiting van de omgeving en van De Beemster zelf.

3.3

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is een onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en is samen met de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie vastgesteld op 21 juni 2010. De leidraad beschrijft de kernkwaliteiten van de verschillende Noord-Hollandse landschappen. Gemeentelijke bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen in het landelijke gebied dienen rekening te houden met deze karakteristieke eigenschappen. Uitgangspunt is dan ook ‘behoud door ontwikkeling’.

Croonen Adviseurs

19

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Voor ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen, mits nut en noodzaak van de ontwikkeling wordt aangetoond. Deze nut en noodzaak houdt in, het aantonen dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Hierna brengt de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) advies uit over de ruimtelijke kwaliteit, aan de hand van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De toelichting bij bestemmingsplannen moet verantwoording geven van de mate waarin nieuwe functies rekening houden met de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap, de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken en de bestaande kwaliteiten van het gebied (inclusief de ondergrond). Het deel van de Stelling van Amsterdam dat is gelegen in De Beemster, valt onder de Nationale Landschappen. De provincie zorgt ervoor dat in deze landschappen extensieve vormen van recreatie worden ontwikkeld. De bijzondere waarden van de landschappen staan daarbij voorop. De Stelling van Amsterdam is benoemd als UNESCOwerelderfgoed. Op de UNESCO zijn elementen, structuren en gebieden opgenomen die vanwege hun archeologische en/of cultuurhistorische waarde van mondiale betekenis zijn en die vanuit dat perspectief extra bescherming behoeven.

De indeling van volkomen vierkanten van De Beemster wordt in de Leidraad beschreven als een unieke structuur. Specifiek voor De Beemster (UNESCO-werelderfgoed), geldt dat de ruimtelijke hoofdstructuur van dit gebied gerespecteerd moet worden. Ontwikkelingen in de kernzone en stellingzone mogen niet strijdig zijn met het beleid voor het UNESCO-werelderfgoed van droogmakerij De Beemster. Voor de Stelling van Amsterdam en De Beemster gelden de algemene beleidslijnen voor Nationale Landschappen en UNESCO-werelderfgoederen (Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie artikel 20 tot en met 22). Beide werelderfgoederen staan niet in een hiëratische verhouding tot elkaar. Ten behoeve van het zuidwestelijk overlapgebied van beide werelderfgoederen wordt in opdracht van de beide overheden (provincie en gemeente) in de loop van 2011 een specifiek ruimtelijk kader ontworpen waarbij respect voor elkaars kernwaarden en ook ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. 3.3.1

Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) De “Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie” (PRVS) is vastgesteld op 21 juni 2010 en in werking getreden op 13 november 2010. De PRVS schrijft onder andere voor waar de inhoud van (gemeentelijke) bestemmingsplannen en beheersverordeningen aan moet voldoen. De provinciale goedkeuring van bestemmingsplannen is door de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet meer nodig. Dit vormt de aanleiding voor het opstellen van provinciale verordeningen, waardoor de provincie invloed houdt op de ruimtelijke ordening. GS hebben in het belang van een goede ruimtelijke ordening algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Voor onderwerpen in zowel het landelijke als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is.

Croonen Adviseurs

20

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

In beginsel is het provinciaal beleid erop gericht om verstedelijking van het landelijk gebied te voorkomen. In de Ruimte voor Ruimte–regeling worden hieraan concrete regels gekoppeld. Daarnaast is er een specifieke regeling voor vrijkomende agrarische bebouwing. Beide worden onderstaand verder toegelicht. Geen ander nieuw agrarisch bouwperceel wordt toegestaan anders dan voor een volwaardig agrarisch of reëel agrarisch bedrijf, niet zijnde volwaardige intensieve veehouderij. Tot slot is er een eventuele ontheffing mogelijk voor deeltijdbedrijven en hobbyboeren. Voor Nationale Landschappen (onder andere Stelling van Amsterdam) en UNESCOwerelderfgoed (zowel Stelling van Amsterdam als De Beemster), dienen volgens de verordening regels in het bestemmingsplan opgenomen te worden. Deze regels zijn nodig ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van de landschappen. Een bestemmingsplan mag binnen deze landschappen en werelderfgoederen uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies voor zover deze geen significant negatieve effecten kunnen hebben op de betreffende kernkwaliteiten.

Grootschalige ontwikkelingen en ontwikkelingen met negatieve effecten mogen alleen plaatsvinden als er sprake is van een groot openbaar belang, er voldoende maatregelen plaatsvinden om de negatieve effecten te verkleinen en compenseren, de noodzaak kan worden aangetoond, is aangetoond dat nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied en de ontwikkeling in het landelijk gebied rekening houdt met de kernkwaliteiten van de landschapstypen, historische lijnen en cultuurhistorische objecten overeenkomstig met de beleidsnota Landschap en cultuurhistorie. 3.3.2

Uitvoeringsregeling Ruimte voor Ruimte De Uitvoeringsregeling Ruimte voor Ruimte (artikel 16) wil de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied verhogen. Één van de oorzaken van het teruglopen van ruimtelijke kwaliteit is het verval van (agrarische) bebouwing wanneer een ondernemer in het landelijk gebied zijn bedrijfsvoering stopt. De provinciale verordening biedt in dit geval, bij het slopen van de storende bebouwing, compensatie in de vorm van woningbouw, de zogenoemde Ruimte voor Ruimte-regeling (RvR-regeling). Deze regeling is vooral bedoeld voor agrariërs en andere ondernemers die stoppen of zijn gestopt met hun bedrijfsvoering. De regeling is niet van kracht voor monumentale, cultuurhistorisch waardevolle en karakteristieke bebouwing. Ook nog niet gerealiseerde of illegale bebouwing die - formeel juridisch - niet bestaat, komt niet in aanmerking. De RvR-regeling is gericht op een aantoonbare en duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschappelijk storende en/of niet-passende bebouwing of functies en de bouw van een of meer woningen als compensatie voor deze sloop. Als voorwaarden wordt gesteld dat: dit leidt tot een aantoonbare en duurzame vermindering van bebouwing. Het gaat dan om een vermindering van zowel oppervlakte (m 2) als volume (m3), en;

Croonen Adviseurs

21

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

met de keuze van de aard en omvang van de nieuwe woning(en) nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kwaliteitseisen in geval van verstedelijking in het landelijk gebied. Compenserende woningbouw vindt bij voorkeur plaats aan de rand van bestaand bebouwd gebied. Als dit niet mogelijk is, kan compenserende woningbouw ook plaatsvinden op de saneringslocatie. Daarbij dient (toekomstig) functioneren van omringende agrarische bedrijven niet te worden aangetast door de woningbouw. Het is aan de gemeente om de locatie voor compenserende woningbouw te bepalen. De toepassing van de RvR-regeling moet voldoen aan alle vereisten in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS), waaronder de eisen die worden gesteld in het kader van ruimtelijke kwaliteit bij bouwen in het landelijk gebied. Bovendien dient de regeling in overeenstemming te zijn met provinciale uitgangspunten, waaronder het uitgangspunt dat het een kwalitatieve regeling betreft met als doel een duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Onder voorwaarden kan van de RvR-regeling ook in het geval van bedrijfsverplaatsing gebruik van worden gemaakt. Hierbij gelden dezelfde regels als bij bedrijfsbeëindiging. Bedrijfverplaatsing wordt wat betreft Ruimte voor Ruimte beschouwd als een bedrijfsbeëindiging.

De provincie stelt wel de volgende voorwaarden om Ruimte voor Ruimte toe te kunnen passen indien sprake is van een bedrijfverplaatsing, dit zijn: In geval van verplaatsing van een glastuinbouwbedrijf moet er sprake zijn van een verplaatsing naar een glastuinbouwconcentratiegebied en in geval van verplaatsing van een nietagrarisch bedrijf moet er sprake zijn van een verplaatsing naar een bedrijventerrein. Op dit moment is de gemeente Beemster bezig met het opstellen van specifiek beleid voor een RvR-regeling ten behoeve van uit- en/of verplaatsing van de bestaande glastuinbouw in het gebied Nekkerzoom in de gemeente. In navolging van de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling stelt de gemeente specifiek gemeentelijk beleid op. 3.3.3

Vrijkomende agrarische bebouwing In beginsel is het provinciaal beleid erop gericht om verstedelijking van het landelijk gebied te voorkomen. Voor vrijkomende agrarische bebouwing wordt echter wel een mogelijkheid geboden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, wanneer het gaat om; ten behoeve van verbrede landbouw; voor de omzetting van bestaande agrarische functies in niet-agrarische kleinschalige vormen van wonen, werken, zorg of recreatie; en bij toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling, inhoudende de mogelijkheid van bouw van woningen als compensatie voor de sloop van landschappelijk storende en/of niet passende bebouwing of functies. Beleid en uitwerking voor De Beemster is verder toegelicht in hoofdstuk 4.1 Landbouw.

Croonen Adviseurs

22

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

4 Thematisch beleid en onderzoek 4.1

Landbouw Beleidskader Het Rijk, de Provincie Noord-Holland en ook de gemeente Beemster streven naar een duurzame landbouw in het plangebied. Juist ter behoud en ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het landschap, met name de openheid, is duurzame en grondgebonden landbouw van belang. De agrarische sector heeft bij deze vorm van landbouw, zo nodig met ondersteunend economisch beleid, een economisch perspectief, en de bedrijfsvoering gaat in principe niet gepaard met een verstoring van het ecosysteem. Bovendien worden deze activiteiten maatschappelijk gedragen. De specifieke mogelijkheden voor landbouw zijn afhankelijk van het gebiedseigen beleid dat voor deze droogmakerij in Laag-Holland is opgesteld. Dit gebiedseigen beleid wordt onder meer bepaald door de aanwezigheid van beschermingswaardige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen met aanzienlijke ruimtelijke effecten zijn hier niet toegestaan. In het plangebied zijn met name akkerbouw-, veehouderij- en vollegrondstuinbouwbedrijven gevestigd. Veel bedrijven zijn gemengd. Ten aanzien van akkerbouw geldt geen specifiek gebiedsgericht beleid. Voor veehouderij is dat wel het geval. Grondgebonden veehouderij dient behouden en versterkt te worden, aangezien het landschap hierdoor wordt behouden en versterkt.

Zowel vestiging van nieuwe bedrijven als uitbreiding van bestaande bedrijven is mogelijk. De mogelijkheden voor grondgebonden bedrijfsvoering dienen via het bestemmingsplan voor langere tijd veilig gesteld te zijn, om in aanmerking te kunnen komen voor structuurverbeterende maatregelen. Deze mogelijkheden zien op duurzame productie en op het bevorderen van verbrede landbouw (waaronder recreatie en landschap). Intensieve veehouderij kan tot andere ruim-telijke gevolgen leiden dan grondgebonden veehouderij. Provincie en gemeente benaderen intensieve veehouderij daarom restrictiever. Vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen is uitgesloten. Bestaande bedrijven behouden hun mogelijkheden om de bedrijfsvoering als volwaardig bedrijf voort te zetten. Het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (ISW) en het Programmabureau Groene Long, de voorloper van het huidige programmabureau Laag Holland, hebben het rapport “Leidraad verbrede landbouw in bestemmingsplannen” (augustus 2005) gepresenteerd om in bestemmingsplannen sturing aan verbrede landbouw te kunnen geven. Het ziet enkel op nevenactiviteiten van agrariërs van wie de gronden als ‘agrarische doeleinden’ worden bestemd. Van verbrede landbouw is sprake als: de nevenfunctie een bijdrage levert aan het inkomstenniveau; ondergeschikt is aan de hoofdfunctie; verbonden is aan het agrarisch perceel.

Croonen Adviseurs

23

Bestemmingsplan

Gemeente Beemster

Door het Rijk wordt ruimte geboden om ondernemerschap in het landelijk gebied te ontwikkelen. De Provincie Noord-Holland staat eveneens positief tegenover nevenfuncties, zij het dat deze alleen binnen het bouwperceel mogen worden uitgeoefend, en dan wel in de bestaande bebouwing. Het merendeel van de gemeenten in de regio Waterland wil aan het ontwikkelen van nevenfuncties veel ruimte geven. De vigerende bestemmingsplannen zijn hier doorgaans niet op toegerust. Het is van belang dat zorgvuldig wordt afgewogen welke nevenfuncties gewenst zijn. De wijze waarop nevenfuncties in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, vraagt eveneens om keuzen van de gemeente. Grofweg kunnen de volgende mogelijkheden daartoe onderscheiden worden: het gebruik van een limitatieve lijst met toegestane nevenfuncties; ook is het mogelijk om te werken met criteria waaraan de functies moeten voldoen; natuurlijk is een combinatie evenzeer denkbaar. Het toestaan van de functies wordt via ontheffing geregeld. In dit bestemmingsplan is voor een limitatieve lijst gekozen om verbrede landbouwactiviteiten toe te laten. De provincie Noord-Holland heeft middels de notitie “Nieuwe kansen voor vrijkomende agrarische bebouwing” (juni 2005) beoogd, onder voorwaarden, meer ruimte te geven aan andere, niet-agrarische activiteiten, zoals wonen, werken, recreëren en zorg.

Onder vrijkomende agrarische bebouwing wordt in dit beleid verstaan: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door geheel of gedeeltelijke beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor de vestiging van een niet-agrarische functie. De ruimte wordt gegeven, maar wel zo dat de kwaliteit van het landschap en de monumentale bebouwing behouden blijft en waar mogelijk wordt verbeterd. Deze bescherming is vastgelegd in een toetsingskader, waarin de provincie regels geeft voor vrijkomende agrarische bebouwing. Dit omvat algemene regels, maar ook specifieke regels die alleen van toepassing zijn bij specifieke functies; wonen, werken of recreatie. Zo mag de functie ‘wonen’ alleen worden gerealiseerd bij volledige beëindiging van de agrarische functie van het perceel. En mogen de functies ‘werken’ en ‘recreatie’ alleen in de bestaande bebouwing worden gerealiseerd. De belangrijkste algemene regel is wel dat de nieuwe functie de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet mag beperken. Bij het wel of niet toestaan van nieuwe ontwikkelingen in vrijkomende agrarische bebouwing in het landelijk gebied dient het provinciale toetsingskader richtinggevend te zijn. Wel dient hierbij te worden opgemerkt dat iedere locatie eigen mogelijkheden en beperkingen bezit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1259/documents/18793