CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

60b. Ontwerp Programma van Eisen Z-W 2024 - versie 8 juli 2021.pdf

Gemeenteraad 31 augustus 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken39.389 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 47 van 154

5 6

7

8

5.4

Wegen (wegomleiding) die tot gevolg kan hebben dat Beschikbare Haltes niet meer kunnen worden aangedaan. De Concessiehouder reageert uiterlijk binnen 15 Werkdagen op een door de Wegbeheerder schriftelijk aan de Concessiehouder aangekondigde wijziging van de Beschikbare Haltes. De Concessiehouder informeert de Concessieverlener terstond over de (resultaten van de) communicatie tussen de Concessiehouder en de verantwoordelijke Wegbeheerder zoals bedoeld in lid 3, 4 en 5. Ingeval de Concessiehouder en een Wegbeheerder geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent aanpassing dan wel gebruik van de Beschikbare Infrastructuur, stelt de Concessiehouder de Concessieverlener daarvan in kennis en tracht de Concessieverlener te bemiddelen. Indien de bemiddeling niet succesvol is, kan de Concessieverlener aan de Concessiehouder een Aanwijzing geven omtrent het gebruik van de desbetreffende Beschikbare Infrastructuur. De Concessiehouder volgt de instructies van de Wegbeheerder met betrekking tot vervangende (nood)Haltes bij beheer- en onderhoudsactiviteiten nauwgezet op.

LAADINFRASTRUCTUUR

De Concessiehouder is verantwoordelijk voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de Laadinfrastructuur die nodig is voor de door hem aangeboden Zero-Emissietechniek(en). Voor locaties die deel uitmaakten van het referentieontwerp laadinfrastructuur van de aanbesteding Zaanstreek-Waterland 2022 heeft de Concessieverlener destijds afspraken gemaakt met Gemeenten en de Netbeheerder teneinde de Concessiehouder te ondersteunen bij de realisatie van Laadinfrastructuur en, waar mogelijk, het versnellen van de implementatie van de Zero-Emissietechniek(en). Voor deze aanbesteding is het referentieontwerp laadinfrastructuur en de noodzaak tot het maken van afspraken voor het ondersteunen bij de realisatie van Laadinfrastructuur door de Concessieverlener herzien. Bij het herzien van de keuze voor een locatie voor Laadinfrastructuur in het referentieontwerp laadinfrastructuur heeft de Concessieverlener bepaalde aspecten ten aanzien van huidige stand van de techniek van Zero-Emissievoertuigen en Laadinfrastructuur meegenomen. Op basis van nieuwe ontwikkelingen in de techniek rond Zero Emissievoertuigen is besloten dat de Concessieverlener zich inspant om de netaansluiting tijdig aan te leggen op de stallingen in Purmerend en Zaandam, opdat de Concessiehouder voor de ingangsdatum van de Concessie Laadinfrastructuur kan realiseren.

De Concessiehouder zal vrij zijn om in zijn Inschrijving, naast de verplichte Laadlocaties op de stallingen, te kiezen voor alternatieve locaties. Indien de opvolgende concessiehouder of de Concessieverlener dit wenst is de Concessiehouder verplicht de Laadinfrastructuur na eindigen van de Concessie over te dragen. Artikel 23 Laadinfrastructuur 1 2 3

De Concessiehouder treft alle noodzakelijke voorzieningen en voorbereidingen die nodig zijn om Zero-Emissievoertuigen voor de uitvoering van de Concessie in te kunnen zetten. De Concessiehouder is verantwoordelijk voor de voorbereiding, de realisatie, het beheer en de financiering van Laadlocaties. Wijzigingen aan Beschikbare Wegen en/of Beschikbare Haltes als gevolg van aanleg van Laadinfrastructuur dan wel Netaansluitingen stemt de Concessiehouder af met de

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 48 van 154

4 5

6

7

8

desbetreffende Wegbeheerder(s). De Concessiehouder heeft daarbij oog voor de ruimtelijke inpassing. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de Laadinfrastructuur voldoet aan de eisen met betrekking tot standaardisatie en interoperabiliteit, conform vigerende Europese normen. De Laadinfrastructuur voor Batterij-elektrisch Materieel wordt bidirectioneel uitgevoerd, of dusdanig voorbereid dat de Laadinfrastructuur retrofit bidirectioneel kan worden uitgevoerd, waarbij de kosten volledig voor de Vervoerder zijn. De Concessiehouder verleent medewerking aan onderzoek naar medegebruik van de Laadinfrastructuur, bijvoorbeeld medegebruik door andere modaliteiten, andere concessiehouders of voor andere doeleinden dan het uitvoeren van openbaar vervoer. De Concessiehouder staat medegebruik van de Laadinfrastructuur als bedoeld in lid 5 toe, behoudens in het geval dat de Concessieverlener met de Concessiehouder van oordeel is dat zulks ten koste van de uitvoering van de Concessie gaat. De Concessiehouder komt met de verzoekende partij een redelijke gebruiksvergoeding overeen, gebaseerd op kosten. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt stelt de Concessieverlener een redelijke gebruiksvergoeding vast.

De Concessiehouder geeft de Concessieverlener vooraf inzicht in de afspraken die Concessiehouder met een andere partij maakt, of voornemens is te maken, over medegebruik van de Laadinfrastructuur. De Concessiehouder werkt op verzoek van en in overleg met de Concessieverlener en de desbetreffende Wegbeheerder(s) mee aan een verplaatsing van de Laadinfrastructuur.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 49 van 154

6

BETROUWBAARHEID

De door NS ontwikkelde klantenwensenpiramide19 plaatst wensen van Reizigers voor verbeteringen van het Openbaar Vervoer in onderling perspectief. Het blijkt dat Openbaar Vervoer betrouwbaar en veilig moet zijn willen mensen hiervoor kiezen. Daarmee is betrouwbaarheid van grote invloed op de beleving die Reizigers bij het Openbaar Vervoer hebben. Het gaat hierbij om vragen als ‘Rijdt mijn bus?’, ‘Rijdt mijn bus op tijd?’ en ‘Kan ik mee?’. Ontbreekt het vertrouwen dat dit het geval is, dan kiest een deel van de mensen voor andere vervoermiddelen. Maar betrouwbaar Openbaar Vervoer is niet alleen belangrijk om Reizigers te trekken en te behouden; ook wanneer de capaciteit van de Beschikbare Infrastructuur begrensd is, is een betrouwbare en regelmatige uitvoering van de Dienstregeling belangrijk om optimaal van deze infrastructuur gebruik te kunnen maken. Omdat de taken en verantwoordelijkheden bij het opstellen en uitvoeren van de Dienstregeling (vrijwel) volledig bij de Concessiehouder liggen, ligt logischerwijs bij hem ook de verantwoordelijkheid voor de uitvoeringskwaliteit van de Dienstregeling. De Concessiehouder voldoet daarbij wel ten minste aan de in dit hoofdstuk beschreven normen en eisen ten aanzien van: • vervoergarantie en zitplaatskans • rituitval • punctualiteit en Aansluitingen • Vergoedingsregeling

6.1

VERVOERGARANTIE EN ZITPLAATSKANS

Voor Reizigers is het belangrijk om de zekerheid te hebben dat als zij op een Halte staan ze ook met de eerstvolgende Auto/Bus mee kunnen. Artikel 24 Vervoergarantie 1

2

De Concessiehouder vervoert met de eerstkomende Rit alle Reizigers die zich op een Halte bevinden (met in achtneming van artikel 4.5 tot en met 4.8 van de Algemene voorwaarden stads- en streekvervoer 2015) en in het bezit zijn van een geldig Vervoerbewijs dat is voorzien van voldoende Saldo en/of in het Concessiegebied van toepassing zijnde Reisproducten en Proposities, of van een geldige Wegwerp(chip)kaart, alsmede nieuwe vormen van Vervoerbewijzen of Betaalwijzen met in achtneming van het bepaalde in hoofdstuk 9 (Betaalsystemen, Tarieven en distributie). De Concessiehouder laat huisdieren in het Voertuig toe voor zover deze geen gevaar, verontreiniging of overmatige hinder voor reizigers veroorzaken. Ten aanzien van de toelating van SOHO-/geleidehonden conformeert de Concessiehouder zich aan de wettelijke bepalingen.

19

Bron: Van Hagen. M, Bron, P. (2013). De emotionele reis van onze klant. Waarom 56 minder is dan 45. NS. Bijdrage aan het Colloquium Vervoersplanologisch Speurwerk 21 en 22 november 2013, Rotterdam.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 50 van 154

3

4

5

6

Indien door een onvoorzienbare extra vraag van Reizigers op een Rit onvoldoende capaciteit aanwezig is om alle op een Halte aanwezige Reizigers te vervoeren, zorgt de Concessiehouder ervoor dat deze Reizigers zo spoedig mogelijk vanaf de desbetreffende Halte vervoerd worden. De Concessiehouder voert hiertoe zo nodig één of meer extra Ritten uit. De Concessiehouder voert in ieder geval binnen 45 minuten na de geplande vertrektijd van de Rit als bedoeld in lid 3 één of meer extra Ritten uit indien (i) ook op de Ritten die binnen 30 minuten na deze vertrektijd vanaf de desbetreffende Halte vertrekken onvoldoende capaciteit aanwezig is om alle op de Halte aanwezige Reizigers te vervoeren of (ii) er geen Rit binnen 30 minuten na de geplande vertrektijd vanaf de desbetreffende Halte vertrekt. De Concessiehouder zet bij een te voorziene extra vraag van Reizigers op voorhand extra capaciteit in door grotere Voertuigen in te zetten of extra Ritten aan te bieden indien: a. mag worden verondersteld dat de Concessiehouder op voorhand inzicht heeft in de omvang van de extra vraag van Reizigers, bijvoorbeeld in geval van (i) Feestdagen, (ii) wegwerkzaamheden en (iii) Evenementen, of b. de extra vraag van Reizigers binnen een redelijke termijn, doch minimaal 24 uur van tevoren is aangekondigd bij de Concessiehouder, bijvoorbeeld in geval van incidentele Evenementen.

Het is de Concessiehouder toegestaan om met de organisator van het Evenement nadere afspraken te maken over de omvang van het extra vervoer en de bijbehorende financiële vergoeding voor de Concessiehouder. In afwijking van het bepaalde in lid 5 zet de Concessiehouder geen grotere Voertuigen in, maar verhoogt de Concessiehouder de frequentie van de Ritten: a. op tijdstippen, met uitzondering van de Nacht, waarop met een Interval van 60 minuten of meer wordt gereden, of b. op Trajecten waar de inzet van grotere Voertuigen niet is toegestaan volgens het bepaalde in Artikel 35 (Inpasbaarheid van het Materieel).

Om te bewerkstelligen dat Reizigers niet alleen mee kunnen, maar ook zo comfortabel mogelijk kunnen reizen hanteert de Concessiehouder normen wat betreft de door de Concessiehouder in te zetten vervoerscapaciteit. Artikel 25 Zitplaatskans 1

2 3

De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Reizigers op alle Ritten kunnen zitten, met uitzondering van: a. Ritten tijdens de Spitsperioden; b. Ritten buiten de Spitsperioden wanneer toepassing van de norm in lid 1 op deze Ritten tot een hogere frequentie leidt dan de frequentie in de aangrenzende Spitsperiode; c. Ritten tijdens de Nacht, en d. (extra) Ritten van Scholierenlijnen. In aanvulling op het bepaalde in lid 1 draagt de Concessiehouder er zorg voor dat Reizigers nooit langer dan 10 minuten hoeven te staan. In aanvulling op het bepaalde in lid 1 draagt de Concessiehouder er zorg voor dat de Statische Bezettingsgraad in een Auto, met uitzondering van Buurtbussen en Auto’s die de Concessiehouder inzet voor een Basismobiliteitsvorm zoals bedoeld in Artikel 12

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 51 van 154

4

5

6 7

8

6.2

(Basismobiliteitsvorm), de verhouding van driekwart van het aantal zitplaatsen niet overschrijdt. De Concessiehouder geeft jaarlijks in zijn Vervoerplan aan welke capaciteit, uitgedrukt in ziten staanplaatsen, hij inzet om te voldoen aan het bepaalde in lid 1 tot en met 3 en in Artikel 24 (Vervoergarantie). De Concessiehouder gaat voor de bepaling van het aantal voor staanplaatsen als bedoeld in lid 4 uit van maximaal 4 staanplaatsen per m2 vlakke vloer, waarbij hij het maximaal aantal staanplaatsen overeenkomstig de opgave van de RDW in het kader van de voertuigkeuring van het desbetreffende Type Voertuigen dan wel kentekenregistratie van het desbetreffende Voertuig als absoluut maximum hanteert. Ter toetsing van de bepaling van het aantal staanplaatsen, levert de Concessiehouder ten minste 4 weken voordat hij een Type Voertuig voor de eerste keer voor de uitvoering van de Concessie gaat inzetten, aan de Concessieverlener een kopie van het rapport van de voertuigkeuring van het desbetreffende Type Voertuigen dan wel de kentekenregistratie van het desbetreffende Voertuig. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat op iedere Rit de aangeboden capaciteit niet lager is dan de minimale capaciteit die is vastgelegd in het Vervoerplan.

De Concessiehouder draagt er blijvend zorg voor dat op iedere Lijn de aangeboden capaciteit steeds voldoende is om aan het bepaalde in Artikel 24 en in lid 1 tot en met 3 te voldoen. Indien de Concessiehouder vaststelt dat de aangeboden capaciteit op een Lijn onvoldoende is (geworden) zet de Concessiehouder op de desbetreffende Lijn extra capaciteit in en past hij daartoe zo nodig de Dienstregeling van de betreffende Lijn aan om aan het bepaalde in Artikel 24 en in lid 1 tot en met 3 te blijven voldoen. De Concessieverlener kan de Concessiehouder opdragen, binnen 4 weken na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek van de Concessieverlener, op een Lijn extra capaciteit in te zetten en daartoe zo nodig de Geldende Dienstregeling van de desbetreffende Lijn aan te passen, indien de Concessieverlener bij de Concessiehouder twijfels heeft geuit of de capaciteit die de Concessiehouder op een Lijn inzet voldoende is om steeds aan het bepaalde in lid 1 tot en met 3 en in Artikel 24 te voldoen en: a. uit actuele gegevens omtrent het aantal Reizigers op de desbetreffende Lijn blijkt dat de op de desbetreffende Lijn ingezette capaciteit inderdaad onvoldoende is om aan het bepaalde in Artikel 24 en in lid 1 tot en met 3 te voldoen, of b.

de Concessiehouder niet door middel van actuele gegevens omtrent het aantal Reizigers op de desbetreffende Lijn kan aantonen dat de capaciteit die de Concessiehouder op deze Lijn inzet steeds voldoende is om aan het bepaalde in Artikel 24 en in lid 1 tot en met 3 te voldoen.

RITUITVAL

Reizigers moeten ervan uit kunnen gaan dat hun Rit wordt uitgevoerd. De Concessieverlener verwacht dan ook dat de Concessiehouder zich maximaal inspant om de uitval van Ritten te voorkomen en de overlast voor Reizigers te minimaliseren wanneer een Rit onverhoopt toch uitvalt. Artikel 26 Rituitval 1

De Concessiehouder voert alle in de Geldende Dienstregeling vastgelegde Ritten nauwgezet, volledig en accuraat uit.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 52 van 154

2

3

4

6.3

De Concessiehouder zorgt ervoor dat, ongeacht de vraag of sprake is van Bijzondere Omstandigheden, in enig kwartaal het aantal Uitgevallen Ritten: a. in totaal niet meer dan 0,5% van het totaal aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Ritten bedraagt, en b. per Lijn niet meer dan 1,0% van het aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Ritten van de betreffende Lijn bedraagt. Indien een Rit – onverhoopt – gedeeltelijk of volledig uitvalt, mag de Concessiehouder, wanneer de tijd tussen opeenvolgende Ritten van de desbetreffende Lijn niet meer dan 10 minuten bedraagt, de in de Geldende Dienstregeling vermelde vertrektijden van de voorafgaande en de eerstvolgende Rit van de desbetreffende Lijn aanpassen ten behoeve van de regelmaat. De Concessiehouder informeert Reizigers bij uitval van een Rit (i) op Haltes uitgerust met Displays voor het tonen van actuele reisinformatie, (ii) in de Voertuigen en (iii) via de website en (een) mobiele applicatie(s), over gewijzigde vertrektijden en Alternatieve Reismogelijkheden.

PUNCTUALITEIT EN AANSLUITINGEN

Bij betrouwbaarheid gaat het niet alleen om de vraag of een Rit wordt uitgevoerd, maar ook om de vraag of deze op tijd vertrekt en, om Aansluitingen te kunnen halen, op tijd aankomt. De Concessieverlener heeft in deze paragraaf daarom een aantal normen opgenomen wat betreft een punctuele uitvoering van de Geldende Dienstregeling. De Concessieverlener heeft daarbij de ambitie om, in afstemming met de Concessiehouder, in de toekomst op Hoogfrequente Lijnen meer te gaan sturen op regelmaatbeheersing in plaats van punctualiteit. Artikel 27 Punctualiteit 1 2 3 4

De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Ritten niet eerder vanaf een Beginpunt, Knooppunt en Aansluitpunt vertrekken dan is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat vanaf het Beginpunt Ritten binnen 120 seconden na de tijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vertrekken. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat vanaf Knooppunten en Aansluitpunten Ritten binnen 180 seconden na de tijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vertrekken. Indien de Concessieverlener, na overleg met de Concessiehouder, besluit ten behoeve van een goede regelmaat bij Hoogfrequente Lijnen te sturen op regelmaat in plaats van punctualiteit, draagt de Concessiehouder er zorg voor dat, in afwijking van het bepaalde in lid 2 en 3, de tijd tussen twee opeenvolgende Ritten van een Hoogfrequente Lijn of van een Lijnbundel, op het Beginpunt en Knooppunten maximaal 1 minuut afwijkt van het Interval volgens de Geldende Dienstregeling.

Een stipte uitvoering van de Dienstregeling is mede van belang zodat Reizigers hun overstap op aansluitende Ritten kunnen halen.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 53 van 154

Artikel 28 (Gegarandeerde) Aansluiting 1 2

3

4

De Concessiehouder spant zich blijvend in om alle in de Geldende Dienstregeling vastgelegde Aansluitingen en Gegarandeerde Aansluitingen te realiseren. De Concessiehouder stemt de overstaptijd bij een Aansluiting af op de loopafstand waarbij hij de volgende criteria hanteert: a. Aansluiting Bus/Auto op Bus/Auto: Bussen/Auto’s van Lijnen die volgens de Geldende Dienstregeling op elkaar aansluiten staan (i) minimaal één minuut samen op de Halte waar Aansluiting in beide richtingen wordt geboden dan wel (ii) maximaal vijf minuten op de Halte wanneer een Bus/Auto eerder dan de aansluitende Bus/Auto bij de Halte arriveert waar Aansluiting in één richting wordt geboden; b. Aansluiting Bus/Auto op metro en trein: Bussen/Auto’s arriveren volgens de Geldende Dienstregeling minimaal 3 en maximaal 10 minuten voor het vertrek van de aansluitende metro of trein bij een Halte respectievelijk station, en c. Aansluiting metro, tram en trein op Bus/Auto: Bussen/Auto’s vertrekken volgens de Geldende Dienstregeling minimaal 3 en maximaal 10 minuten na aankomst van de metro of trein waarop aansluiting wordt geboden vanaf een Halte respectievelijk station, waarbij het Rijdend Personeel op overstappende Reizigers wacht wanneer een vertraagde metro of trein op het moment van vertrek bij de Halte arriveert respectievelijk bij het station binnenrijdt.

In geval van vertraging van een Rit of van een trein, metro of tram waarop een Rit volgens de Geldende Dienstregeling een Aansluiting biedt, laat de Concessiehouder de aansluitende Rit later vertrekken dan het in de Geldende Dienstregeling vastgelegde vertrektijdstip, waarbij de aansluitende Rit ten hoogste: a. 90 seconden op het Aansluitpunt wacht, of zoveel korter als nodig is om Reizigers te laten overstappen, indien het Interval van de desbetreffende Lijn 5 minuten of minder bedraagt; b. 180 seconden op het Aansluitpunt wacht, of zoveel korter als nodig is om Reizigers te laten overstappen, indien het Interval van de desbetreffende Lijn 15 minuten of minder, maar meer dan 5 minuten bedraagt, of c. 300 seconden op het Aansluitpunt wacht, of zoveel korter als nodig om Reizigers te laten overstappen, indien het Interval van de desbetreffende Lijn meer dan 15 minuten bedraagt. Het is de Concessiehouder toegestaan in bovenstaande gevallen af te wijken van de normen genoemd in Artikel 27 (Punctualiteit). In geval van een Gegarandeerde Aansluiting garandeert de Concessiehouder dat Reizigers op het Aansluitpunt kunnen overstappen op de aansluitende Rit. De Concessiehouder kan deze aansluitgarantie op verschillende manieren invullen: a. de aansluitende Rit blijft op het Aansluitpunt wachten tot de Reizigers uit de vertraagde Rit, trein of metro zijn overgestapt; b.

Reizigers uit de vertraagde Rit, trein of metro kunnen binnen 20 minuten na aankomst op het Aansluitpunt verder reizen met de eerstvolgende Rit of een extra Rit van de Lijn waarop zij willen overstappen of op een Rit van een andere Lijn die hun uitstaphalte bedient, of

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 54 van 154

5

6.4

c. de Concessiehouder biedt alternatief vervoer. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers via een gebruikersvriendelijke procedure een beroep kunnen doen op de aansluitgarantie.

VERGOEDINGSREGELING

Hoewel het streven van de Concessiehouder moet zijn om alle Ritten volgens de Geldende Dienstregeling uit te voeren, is rituitval of niet op tijd rijden in de praktijk niet altijd te voorkomen. De Concessieverlener verwacht van de Concessiehouder dat hij Reizigers in dat geval compenseert voor dit ongemak. Artikel 29 Vergoedingsregeling 1

2

3

4

5

De Concessiehouder hanteert overeenkomstig artikel 33 lid 3 onder sub b van het Bp2000 een Vergoedingsregeling. De Vergoedingsregeling compenseert de betreffende Reizigers (ongeacht de verwijtbaarheid van de Concessiehouder) indien: a. deze Reizigers langer dan 30 minuten op een Halte moeten wachten, omdat de uitvoeringskwaliteit niet voldoet aan de eisen beschreven in Artikel 26 (Rituitval) en/of Artikel 27 (Punctualiteit); b. deze Reizigers langer dan 60 minuten op een Halte moeten wachten dan wel meer dan 60 minuten vertraging oplopen omdat de uitvoeringskwaliteit niet voldoet aan de eisen beschreven in Artikel 24; c. de Concessiehouder een Gegarandeerde Aansluiting die op de laatste Rit van een Daglijn, trein of metro geboden wordt niet realiseert en geen of onvoldoende invulling geeft aan de aansluitgarantie als bedoeld in Artikel 28 ((Gegarandeerde) Aansluiting), of d. in geval van een Basismobiliteitsvorm, deze Reizigers niet binnen de marge rond het afgesproken vertrektijdstip zoals genoemd in lid 2, onder sub f, onder iii van Artikel 12 (Basismobiliteitsvorm) of in het Vervoerplan worden opgehaald.

In aanvulling op het bepaalde in lid 1, compenseert de Concessiehouder Reizigers in de eerste maand na de start van de Concessie voor de ondervonden hinder op het moment dat de uitval van Ritten in deze maand meer dan 1% bedraagt en/of meer dan 25% van de Ritten meer dan 120 seconden te laat van hun Beginpunt en/of meer dan 180 seconden te laat van een Knooppunt vertrekken. De Concessiehouder volgt bij het opzetten van de Vergoedingsregeling de toepasselijke weten regelgeving en eventuele landelijke afspraken ten aanzien van een vergoedingsregeling voor het Openbaar Vervoer, en draagt er zorg voor dat de Vergoedingsregeling hiermee niet in strijd is. De Concessiehouder stelt Reizigers door middel van een gebruikersvriendelijke procedure in de gelegenheid een beroep te doen op de Vergoedingsregeling. De Concessiehouder legt deze procedure ter goedkeuring voor aan de Concessieverlener, nadat de Concessiehouder hierover advies heeft gevraagd aan de Reizigers Advies Raad. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de Vergoedingsregeling, met inbegrip van de in lid 4 bedoelde procedure, bekend is bij Reizigers.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 55 van 154

6.5

AFWIJKEN VAN DE DIENSTREGELING

6.5.1 Omleidingen Artikel 30 Omleidingen 1

2

3

In geval van een omleiding bedient de Concessiehouder alle Haltes van een Lijn gelegen aan Beschikbare Wegen die nog beschikbaar zijn, ook als een deel van de route van de Lijn niet beschikbaar is. De Concessiehouder verwerkt omleidingen die langer dan 1 week duren minimaal 5 Werkdagen van tevoren in de op zijn website gepubliceerde Dienstregeling en draagt zorg voor de levering van de geactualiseerde gegevens ten behoeve van reisinformatie op de diverse DRIS-systemen en andere denkbare bronnen van digitale reisinformatie aan de NDOVloketten en DOVA OV-data conform het bepaalde in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ of diens opvolger(s). De Concessiehouder hangt minimaal 5 Werkdagen van tevoren duidelijk leesbare en begrijpelijke mededeling op de Haltes langs de routes die als gevolg van de omleiding wijzigen. Ingeval Wegbeheerders minder dan 3 weken van tevoren bij de Concessiehouder aangeven dat er werkzaamheden plaatsvinden en welke impact deze werkzaamheden eventueel hebben op (de uitvoering van) de Dienstregeling, zorgt de Concessiehouder ervoor dat de in de eerste volzin bedoelde informatie zo snel mogelijk is aangebracht.

6.5.2 Alternatieve Reismogelijkheden Artikel 31 Alternatieve reismogelijkheden 1

2

3

Indien bij Incidenten en Calamiteiten één of meer Lijnen één of meer Haltes niet kunnen bedienen, zet de Concessiehouder vanaf en naar iedere niet bediende Halte binnen 60 minuten na de volgens de Geldende Dienstregeling geplande vertrektijd van de eerste als gevolg van het Incident niet uitgevoerde Rit Vervangend Vervoer in. Het Vervangend Vervoer dient als zodanig herkenbaar te zijn en voldoende capaciteit te hebben om de vraag van Reizigers op redelijke wijze te verwerken. De Concessiehouder dient de Reizigers op de niet bediende Haltes en in de Voertuigen van de betreffende Lijnen adequaat te informeren over het Vervangend Vervoer. In afwijking van het bepaalde in lid 1 hoeft de Concessiehouder geen Vervangend Vervoer vanaf en naar niet bediende Haltes in te zetten indien naar het oordeel van de Concessieverlener: c. voor de Reizigers vanaf en naar de betreffende Halte(s) al Alternatieve Reismogelijkheden bestaan en de Concessiehouder de Reizigers op deze Halte(s), voor zover uitgerust met Displays voor het tonen van actuele reisinformatie, in de Voertuigen van de betreffende Lijn en via zijn website en (een) mobiele applicatie(s) adequaat heeft geïnformeerd over deze Alternatieve Reismogelijkheden, of d.

de Beschikbare Infrastructuur de inzet van Vervangend Vervoer vanaf en naar de desbetreffende Halte(s) niet toelaat en de Concessiehouder niet kan uitwijken naar alternatieve routes. Indien bij Incidenten en Calamiteiten één of meer Lijnen één of meer Haltes niet kunnen bedienen, draagt de Concessiehouder er zorg voor dat Reizigers, voor wie het Incident of de

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 56 van 154

Calamiteit van invloed kan zijn op hun reis, op de Haltes en in het Materieel met alle hem ter beschikking staande middelen, via zijn website en (een) mobiele applicatie(s), worden geïnformeerd over de gevolgen van het Incident of de Calamiteit voor de uitvoering van de desbetreffende Lijn(en), Alternatieve Reismogelijkheden en de inzet van Vervangend Vervoer, met inachtneming van het bepaalde in Artikel 45 (Informatie op Haltes) en Artikel 46 (Informatie op en in de Voertuigen).

6.6

UITVOERINGSPLAN

De Concessieverlener verwacht dat de Concessiehouder de maatregelen die hij treft met het oog op een betrouwbare uitvoering van de Geldende Dienstregeling jaarlijks in een Uitvoeringsplan vastlegt. Het Uitvoeringsplan voor het eerste Dienstregelingjaar van de Concessie is onderdeel van de Inschrijving en daarmee medebepalend welke vervoerder de Concessie mag uitvoeren. De Concessiehouder stelt gedurende de looptijd van de Concessie zijn Uitvoeringsplan jaarlijks bij op basis van de ervaringen die hij tijdens de uitvoering van het Openbaar Vervoer zowel binnen als buiten de Concessie heeft opgedaan.

Artikel 32 Uitvoeringsplan 1

2

De Concessiehouder stelt jaarlijks een Uitvoeringsplan op waarin hij beschrijft welke maatregelen hij zal treffen om, ook in geval van werkzaamheden, Evenementen en Incidenten en Calamiteiten, (i) te voldoen aan de eisen ten aanzien van een betrouwbare uitvoering van de dan Geldende Dienstregeling zoals beschreven in dit hoofdstuk, en (ii) de kwaliteit op in ieder geval de in dit hoofdstuk beschreven betrouwbaarheidsaspecten te verhogen. De Concessiehouder behandelt in het Uitvoeringsplan in ieder geval de volgende onderwerpen: a. maatregelen om te voorkomen dat Ritten uitvallen of te vroeg of te laat vertrekken, waarbij hij het bepaalde in lid 4 van Artikel 27 (Punctualiteit) in acht neemt; b. maatregelen om bij een (tijdelijke) toename van het aantal Reizigers, bijvoorbeeld in geval van Evenementen, de capaciteit op de desbetreffende Lijnen/Ritten snel aan te kunnen passen; c. maatregelen om te waarborgen dat Aansluitingen en Gegarandeerde Aansluitingen gerealiseerd worden; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van Gegarandeerde Aansluitingen; e. maatregelen om te waarborgen dat de Afstemming tussen Lijnen gerealiseerd wordt; f. de inzet van informatietechnologieën om de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer te verhogen; g. de wijze waarop Vervangend Vervoer georganiseerd wordt; h.

de wijze waarop Reizigers geïnformeerd worden over Uitgevallen Ritten, gewijzigde vertrektijden van Ritten en eventuele gevolgen hiervan voor (Gegarandeerde) Aansluitingen; i. de wijze waarop gegevens met betrekking tot Uitgevallen Ritten en gewijzigde vertrektijden aan NDOV-loketten en DOVA OV-data ter beschikking worden gesteld teneinde Reizigers te informeren bij dergelijke verstoringen waarbij hij de bepalingen in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ of diens opvolger(s) in acht neemt;

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 57 van 154

3

4

5

j. de planning van de uitvoering van de voorgestelde maatregelen; k. (een eventuele wijziging van) de Vergoedingsregeling, en l. het beheer en onderhoud van de Zero-Emissievoertuigen en Laadinfrastructuur gericht op het blijvend adequaat functioneren van de Zero-Emissietechniek, waaronder de wijze van monitoring van het functioneren van de Zero-Emissievoertuigen en de Laadinfrastructuur. De Concessiehouder betrekt in elk Uitvoeringsplan voor ieder Dienstregelingjaar de ervaringen die hij tot dan toe in het kader van de Concessie en eventuele andere concessies heeft opgedaan met maatregelen ter bevordering van de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer. De Concessiehouder geeft aan op welke wijze hij deze ervaringen in het Uitvoeringsplan heeft verwerkt. De Concessiehouder legt een ontwerp-Uitvoeringsplan uiterlijk op 1 september van het Dienstregelingjaar voorafgaand aan het betreffende Dienstregelingjaar ter goedkeuring aan de Concessieverlener voor en neemt daarbij de bepalingen zoals opgenomen in Bijlage E (Procedure goedkeuring/toetsing plannen, voorstellen en procedures) in acht. Uitzondering is het Uitvoeringsplan voor het eerste Dienstregelingjaar van de Concessie: dit Uitvoeringsplan vormt een onderdeel van de Inschrijving van de Concessiehouder.

De Concessiehouder verleent zijn medewerking aan door de Concessieverlener geïnitieerde pilots gericht op de toepassing van nieuwe (informatie)technologieën gericht op een verbetering van de betrouwbaarheid en de beleving van het Openbaar Vervoer.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 58 van 154

7

MATERIEEL

Reizigers en Personeel voelen zich prettig wanneer de Voertuigen waarmee ze reizen en waarin ze werken veilig, toegankelijk, comfortabel en netjes zijn. De keuze voor en het onderhoud van het Materieel draagt daarmee bij aan een positieve waardering van het Openbaar Vervoer. Daarnaast draagt de keuze voor Materieel dat vrij is van uitstoot van schadelijke stoffen bij aan een schone en gezonde leefomgeving. Dit hoofdstuk bevat de eisen waaraan het Materieel dat de Concessiehouder voor de uitvoering van de Concessie inzet of laat inzetten minimaal moet voldoen. Dit betreffen zowel algemene technische eisen en eisen ten aanzien van het milieu, als functionele eisen ten aanzien van toegankelijkheid, comfort en netheid. In hun Inschrijving geven vervoerders aan welke Typen Voertuigen zij voor de uitvoering van de Concessie inzetten.

7.1

ALGEMENE EISEN

Vanzelfsprekend moet het Materieel dat de Concessiehouder inzet voor de uitvoering van de Concessie voldoen aan huidige en toekomstige wet- en regelgeving. Daarnaast moet het Materieel beschikken over systemen en apparatuur die nodig zijn voor de positiebepaling van het Materieel, inning van Tarieven en de veiligheid van Reizigers, Personeel en medeweggebruikers. Bovendien gelden er extra eisen voor Materieel dat wordt ingezet op R-netlijnen. Artikel 33 Algemene eisen aan het Materieel 1 2

3 4

5

20 21

De Concessiehouder draagt er zorg voor dat het Materieel in overeenstemming is met alle eisen die bij of krachtens wet- en regelgeving op het Materieel van toepassing zijn. De Concessiehouder voorziet het Materieel van goedwerkende KAR- en VETAG-systemen. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat het Personeel de KAR en VETAG-systemen in overeenstemming met het doel van het betreffende systeem gebruikt. De Concessiehouder neemt daarbij het bepaalde in de documenten ‘Concessiebijlage datasets OV’20 en ‘Concessiebijlage m.b.t. gebruik Korte Afstand Radio’21 of diensopvolger(s) in acht. De Concessiehouder treedt blijvend met de Wegbeheerders in overleg over prioritering van het Materieel bij de afhandeling van het verkeer. De Concessiehouder houdt rekening met en werkt in voorkomende gevallen zonder voorbehoud mee aan de implementatie van nieuwe technologieën ten behoeve van de prioritering van het Materieel bij verkeersregelingsinstallaties, bijvoorbeeld i-VRI. De Concessiehouder en zijn Voertuigen voldoen aan de eisen en afspraken zoals deze zijn en worden vastgelegd binnen het partnership Talking Traffic (zie ook het document ‘2018.10.05 OV bestekteksten mbt C-ITS prioritering Concept 0.2’). Uiterlijk twee maanden voor aanvang van de Concessie toont de Concessiehouder aan dat hij aan deze eisen voldoet.

De Concessiehouder voorziet het Materieel ten minste van Kaartlezers bij iedere deur ten behoeve van het in- en uitchecken met de OV-Chipkaart. De Concessiehouder neemt daarbij

Link naar document: https://www.dova.nu/sites/default/files/concessiebijlage_datasetsov_v1.31.pdf Link naar document: https://www.dova.nu/sites/default/files/concessiebijlage_kar_1.20.pdf

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 59 van 154

6

7

8

9 10

7.2

de eisen zoals gesteld in Bijlage K (Eisen aan het OV-Betaalsysteem) en in het document ‘Specification Document Open Architecture (SDOA)’ of diens opvolger(s) zoals opgesteld door Translink in acht. In aanvulling op het bepaalde in lid 5 rust de Concessiehouder het Materieel uit met de apparatuur (hard- en software) die nodig is voor het gebruik van binnen het NOVB-overleg landelijk vastgestelde Nieuwe Betaalwijzen in het openbaar vervoer, waaronder begrepen EMVc en Barcodes. De Concessiehouder voorziet het Materieel van adequaat functionerende apparatuur waarmee het Rijdend Personeel kan communiceren met de Centrale Verkeersleiding en al dan niet met tussenkomst van de Centrale Verkeersleiding met de centrale verkeersleiding van aangrenzende concessiehouders. De Concessiehouder voorziet alle Bussen die hij voor de uitvoering van de Concessie inzet, van een adequaat functionerend registratief videobewakingssysteem. De Concessiehouder zorgt ervoor dat met behulp van dit videobewakingssysteem permanent video-opnames worden gemaakt van de Reizigers in alle delen van de Bus. Auto’s, waaronder begrepen Buurtbussen, hoeven niet voorzien te zijn van een registratief videobewakingssysteem. De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel voldoet aan de bepalingen in Artikel 66 (Verkeersveiligheid).

De Concessiehouder onderhoudt het Materieel zodanig dat het Materieel op de volgende beeldmeetlatten van de Kwaliteitscatalogus OV-voertuigen van CROW blijvend voldoet aan het kwaliteitsniveau A (‘Mooi en comfortabel’): a. Buitenkant voertuig (aanrijdzijde en voorkant) – beschadigingen; b. Contactpunten en kleine elementen (bagagerek) – beschadigingen; c. Deur (inclusief tussendeur) – beschadigingen, volledigheid en werking; d. Rolstoel- en buggyvoorzieningen – beschadigingen en werking; e. Vloer – beschadigingen; f. Wanden en plafonds – beschadigingen (deuken, gaten en krassen); g. Zitelement – beschadigingen (deuken, gaten en krassen); h. Vloer, wanden en plafonds – dekking coating/folie; i. Zitelement – dekking coating/folie, en j. Ramen (exclusief voorruit) – krassen, sterren en barsten.

LEEFTIJD MATERIEEL

Bij de eisen die aan het Materieel worden gesteld in het kader van de techniek ligt de focus op de leeftijd van het Materieel. Artikel 34 Leeftijd van het Materieel 1

De Concessiehouder zorgt ervoor dat Materieel dat ter uitvoering van het Concessiebesluit wordt ingezet op ieder willekeurig moment tijdens de Concessie voldoet aan de volgende eisen: a. de leeftijd van Materieel, niet zijnde Zero-Emissiebussen, bedraagt niet meer dan 10 jaar en 6 maanden, en b. de leeftijd van Zero-Emissiebussen bedraagt niet meer dan 15 jaar en 6 maanden.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 60 van 154

2

7.3

De Concessiehouder vervangt Materieel dat op enig moment niet meer aan de in lid 1 genoemde vereisten voldoet terstond door Materieel dat wel voldoet aan de daaraan gestelde vereisten onder lid 1.

AFSTEMMING MATERIEEL OP DE BESCHIKBARE INFRASTRUCTUUR

De Concessiehouder stemt het Materieel dat hij voor de uitvoering van de Concessie inzet af op het verwachte aantal Reizigers en de kenmerken van de Beschikbare Infrastructuur. Artikel 35 Inpasbaarheid van het Materieel 1

2 3 4

5

7.4

De Concessiehouder stemt het Materieel dat hij inzet af op de capaciteit en beperkingen van de Beschikbare Infrastructuur, zoals opgenomen in het Convenant Beschikbare Infrastructuur (Bijlage L), onder andere waar het gaat om lengte, breedte, draaicirkel, afstand tot het wegdek, toegestane aslast en aandrijving. De Concessiehouder zet geen Voertuigen langer dan 10 meter in op Lijnen langs de westzijde van de Zaanoever. De Concessiehouder zet in de Gemeente Landsmeer geen Voertuigen langer dan 13 meter in. De inzet van de volgende Typen Voertuigen voor de uitvoering van de Concessie is niet toegestaan: a. dubbeldeksbussen of Bussen langer dan 19 meter, en/of b. Bussen die een draaicirkel kennen groter dan 25 meter. De Concessiehouder zet geen Bussen in voor de uitvoering van de Concessie die een maximum toegestane snelheid hebben hoger dan 80 kilometer per uur en/of zijn uitgerust met gordels.

TOEGANKELIJKHEID

De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel toegankelijk is, zodat zoveel mogelijk mensen van het Openbaar Vervoer gebruik kunnen maken, hetgeen niet wil zeggen dat iedereen het Openbaar Vervoer voor elke reis zal kunnen gebruiken. De eisen met betrekking tot toegankelijkheid leveren een bijdrage aan de ambities en doelstellingen die opgenomen zijn in het Beleidskader Inclusieve Mobiliteit en de Uitvoeringsagenda Inclusieve Mobiliteit 2020-2025. Daarnaast stelt de Concessieverlener eisen aan de informatievoorziening (onderwerp van hoofdstuk 8) en de verkrijgbaarheid van Vervoerbewijzen (onderwerp van hoofdstuk 9) die bijdragen aan de toegankelijkheid van het Openbaar Vervoer. Artikel 36 Toegankelijkheid 1

De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel op het moment van aanschaf voldoet aan: a. geldende wet- en regelgeving ten aanzien van toegankelijkheid, zoals onder meer vastgelegd in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer en de Verordening (EG) Nr. 661/2009, en b. aan de richtlijnen inzake de inrichting, kenmerken en toegankelijkheid zoals opgenomen in de publicatie ‘Toegankelijkheid collectief personenvervoer – Bussen’ (CROW-publicatie

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 61 van 154

2

3

4

5

6

7 8

9

10

22

219c22) dan wel de publicatie ‘Toegankelijkheid collectief personenvervoer – Taxi’s’ (CROW-publicatie 219b) of diens opvolger(s). De Concessiehouder zet voor de uitvoering van de Concessie Bussen in die uitsluitend (Semi)LagevloerBussen betreffen, met uitzondering van de Lijnen naar Werkgebieden Amsterdam Riekerpolder en Amsterdam Zuidoost voor zover de Concessiehouder deze Lijnen als Ontsluitende Lijnen aanbiedt. De Concessiehouder zorgt ervoor dat in het Materieel plaats is voor ten minste één rolstoel, waarbij voorzieningen zijn getroffen om deze rolstoel vast te zetten, en het Rijdend Personeel over kennis beschikt hoe dit te doen. De Concessiehouder mag op deze plek klapstoelen aanbrengen, mits deze klapstoelen automatisch opklappen wanneer Reizigers hier geen gebruik van maken. De Concessiehouder voorziet Groot Materieel van een automatische neiginstallatie waardoor het Groot Materieel automatisch, dat wil zeggen zonder dat daarvoor handmatige bediening van de neiginstallatie door het Rijdend Personeel nodig is, bij het openen van de deuren neigt bij iedere Halte, teneinde te voldoen aan het bepaalde in lid 10, onder sub a, onder ii en in lid 10, onder sub b, onder ii.

Alleen wanneer dit in het belang van de veiligheid is, is het de Concessiehouder toegestaan om Groot Materieel door middel van een handmatige handeling van het Rijdend Personeel (eenmalig) niet bij een Halte te laten neigen. De Concessiehouder voorziet Groot Materieel van een adequaat functionerende oprijplaat. In geval van een handbediende oprijplaat verleent het Rijdend Personeel zo nodig assistentie bij het uitklappen van de oprijplaat. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Klein Materieel is voorzien van een voorziening waarmee Reizigers in een rolstoel of met een kinderwagen of rollator gemakkelijk vanaf de rechterzijde het Voertuig kunnen betreden. De Concessiehouder mag op Ritten die na een daartoe strekkend verzoek van een Reiziger worden uitgevoerd, zoals bedoeld in lid 2, onder sub f van Artikel 12 (Basismobiliteitsvorm), van het bepaalde in de vorige volzin afwijken indien de Reiziger bij zijn verzoek aangeeft niet van een rolstoel gebruik te maken. De Concessiehouder voert alle voorzieningen die bijdragen aan een verbeterde fysieke toegankelijkheid van het Materieel voor Reizigers in contrasterende kleuren uit. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de stopknop ter hoogte van de rolstoelplaats(en): a. zich op een zodanige plaats bevindt dat deze voor Reizigers in een rolstoel makkelijk te bedienen is; b. voorzien is van braille opschrift, en c.

duidelijk hoorbaar en zichtbaar is wanneer deze ingedrukt is. In aanvulling op het voorgaande, voorziet de Concessiehouder het Materieel ook van een speciale stopknop voor mindervaliden, die aan het Rijdend Personeel een signaal geeft dat een Reiziger extra tijd nodig heeft om uit te stappen. De Concessiehouder geeft in het Materieel aan dat Reizigers rolstoelplaatsen ook mogen gebruiken voor het plaatsen van Handbagage. De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Personeel erop toeziet dat een rolstoelplaats wordt vrijgemaakt op het moment dat een Reiziger in een rolstoel het Voertuig betreedt. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Bussen en Rijdend Personeel voldoen aan de volgende eisen voor wat betreft het halteren bij Haltes, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen twee typen Haltes:

https://www.crow.nl/publicaties/toegankelijkheid-collectief-personenvervoer-__-bus

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 62 van 154

a. verhoogde Haltes (perronhoogte ongeveer 18 cm) uitgevoerd met geleidingsband: i. het Rijdend Personeel maakt bij het aanrijden van de desbetreffende Halte gebruik van de geleidingsband zodanig dat de Bussen ten hoogste 10 centimeter vanaf de perronrand halteren; ii. Groot Materieel neigt bij het halteren ten minste 7 cm, zodat de instaphoogte ten opzichte van het wegdek maximaal 270 mm bedraagt, en iii. Reizigers in een rolstoel kunnen (eventueel m.b.v. de oprijplaat) zonder hulp van anderen de Bus in en uit rijden; b. niet verhoogde Haltes (perronhoogte ongeveer 10-15 cm, in enkele gevallen 0 cm): i. het Rijdend Personeel halteert de Bussen ten hoogste 10 centimeter vanaf de stoeprand; ii. Groot Materieel neigt bij het halteren ten minste 7 cm, en iii. met behulp van de oprijplaat kunnen Reizigers in een rolstoel, zo nodig met hulp van het Rijdend Personeel, de Bus in- en uitrijden.

7.5

UITERLIJK VOERTUIGEN EN RECLAME

Het Materieel hoort te voldoen aan een aantal eisen in het kader van uiterlijk. Het Materieel dient herkenbaar te zijn, wat ook geldt voor Materieel dat wordt ingezet op Lijnen die onder de Productformule R-net vallen. Daarnaast zorgt de Concessiehouder ervoor dat het Materieel schoon, verzorgd en onbeschadigd is aan zowel binnen- als buitenzijde. Artikel 37 Uiterlijk van het Materieel en Reclame 1

De Concessiehouder zorgt ervoor dat het uiterlijk van het Materieel in ieder geval voldoet aan de volgende eisen: a. het Materieel is voor Reizigers herkenbaar als Materieel dat gebruikt wordt ter uitvoering van de Concessie en is aan voor-, linker-, rechter- en achterzijde voorzien van de naam van de Concessiehouder; b. het Groot Materieel dat de Concessiehouder op de Verbindende Lijnen inzet voldoet aan de eisen die hier vanuit de Productformule R-net aan gesteld worden; c. de Auto’s die voor de uitvoering van de Concessie worden ingezet zijn duidelijk herkenbaar als zodanig, doordat ze in ieder geval dezelfde kleur(stelling) hebben als de Bussen die voor de uitvoering van de Concessie worden ingezet; d. het Materieel ziet er zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde verzorgd uit en is schoon en schadevrij; e. de binnen- en buitenzijde van het Materieel mag voorzien zijn van Reclame, mits deze Reclame (i) naar het oordeel van de Concessieverlener voldoet aan de geldende zeden en normen, (ii) niet is aangebracht op de ruiten van het Materieel, (iii) niet is aangebracht over aanduidingen van de Eindbestemming en/of het Lijnnummer, (iv) niet is aangebracht over Displays in het Materieel, en/of (v) niet in ernstige mate afbreuk doet aan de herkenbaarheid van de deuren en/of de knoppen om deze deuren te bedienen; f.

het bepaalde in lid 1, onder sub e geldt niet voor het Materieel dat wordt ingezet op Lijnen die onder de Productformule R-net vallen. De binnen- en buitenzijde van dit

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 63 van 154

2

3

7.6

materieel mag voorzien zijn van Reclame, mits is voldaan aan de relevante bepalingen uit het document ‘Handboek R-net’; g. de binnen- en buitenzijde van het Materieel is bij het begin van iedere (Wagen)Omloop schoon, en h. het Materieel is op een voor de Reizigers zichtbare plaats voorzien van een aanduiding van het aantal zit- en staanplaatsen dat bij of krachtens geldende regelgeving in het Materieel is toegestaan. Het Materieel uitgevoerd in de kleurstelling van de Productformule R-net mag niet worden ingezet op Lijnen die niet onder deze productformule vallen, tenzij: a. Artikel 6 lid 4 of Artikel 11 lid 3 van toepassing is en/of b. de Concessieverlener hiervoor ontheffing verleent. De Concessieverlener behoudt zich het recht voor gedurende de duur van de Concessie de kleurstelling en/of naamstelling van de Productformule R-net te wijzigen. De Concessiehouder is verplicht hieraan mee te werken. In voorkomende gevallen kan de Concessieverlener met de Concessiehouder nadere afspraken maken over een vergoeding van de daadwerkelijke kosten van de aanpassing van de kleurstelling en/of naamstelling van het betreffende Materieel.

COMFORT

Om te zorgen dat Reizigers een comfortabele reis hebben die bijdraagt aan een goede Ritbeleving, treft de Concessiehouder ten minste de maatregelen ten aanzien van de inrichting en uitrusting van het Materieel zoals beschreven in deze paragraaf. Artikel 38 Comfort 1

De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers zich comfortabel met het Openbaar Vervoer kunnen verplaatsen en voldoet daarbij ten minste aan de volgende eisen: a. het Materieel is voorzien van comfortabele stoelen, waarbij in ieder geval geldt dat: i. de dikte van de bekleding op de zitting ten minste 3 centimeter en de dikte van de bekleding op de rugleuning ten minste 2 centimeter bedraagt, en ii. per Geleding van een Voertuig niet meer dan 4 stoelen tegen de rijrichting in zijn geplaatst; b. het Materieel is voorzien van voldoende beenruimte zodanig dat de Tussenruimte ten minste 68 centimeter bedraagt. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin bedraagt de Tussenruimte in Groot Materieel dat de Concessiehouder op Lijnen inzet die onder de Productformule R-net vallen bij 80% van de zitplaatsen ten minste 72 centimeter; c. het Materieel is voorzien van voldoende Bagageruimte; d. in de Bussen zijn voldoende mogelijkheden voor staande Reizigers om zich vast te houden; e. het Materieel is voorzien van goede vering; f. het Materieel is schoon;

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 64 van 154

2

7.7

g. het geluiddrukniveau in het Materieel, gemeten conform de “stationary test” zoals beschreven in paragraaf 8.4.3 van NEN-ISO 5128:1990, bedraagt niet meer dan 75 dB (A); h. in het Materieel worden geen muziek of reclame-uitingen ten gehore gebracht; i. het Materieel is voorzien van een goed werkend systeem voor Klimaatbeheersing (waaronder mede te verstaan ventilatie, Airconditioningsysteem en verwarming), en j. er geldt te allen tijde een algeheel rookverbod in het Materieel, zowel voor de Reizigers als voor het Personeel. Het is de Concessiehouder toegestaan om WiFi aan te bieden in (delen van) het Materieel. Indien de Concessiehouder WiFi aanbiedt dient het een voor Reizigers gratis te gebruiken WiFi-systeem te zijn, dat veilig gebruik van WiFi waarborgt. Dit WiFi-systeem beschikt over voldoende capaciteit en datasnelheid. Na een eenmalige registratie bij de leverancier van het WiFi-systeem dient het WiFi-systeem, zonder dat daarna nog enige handeling van de gebruiker benodigd is, steeds te gebruiken te zijn in (delen van) het Materieel zolang de gebruiker de WiFi-functionaliteit heeft ingeschakeld.

BUURTBUSSEN

De Concessiehouder vervult ten aanzien van door de Concessieverlener goedgekeurde Buurtbuslijnen een faciliterende rol. Dat houdt in dat hij Buurtbussen beschikbaar stelt en onderhoudt en dat hij de vrijwilligers ondersteunt bij de uitvoering van deze Buurtbuslijnen. Artikel 39 Buurtbussen 1 2 3 4

5

De Concessiehouder zorgt voor de beschikbaarheid en het onderhoud van Buurtbussen voor de uitvoering van door de Concessieverlener goedgekeurde Buurtbuslijnen. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de Buurtbussen voldoen aan de bij of krachtens wet- en regelgeving daaraan gestelde eisen. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de Buurtbussen herkenbaar als Buurtbus zijn ingericht en dat zij adequaat functioneren. De Concessiehouder voorziet de Buurtbussen in elk geval van: a. communicatieapparatuur die de vrijwillige chauffeurs in elk geval kunnen gebruiken om de Centrale Verkeersleiding van de Concessiehouder te bereiken, en b. apparatuur ten behoeve van het in- en uitchecken met een OV-Chipkaart en eventueel het ophalen van via de Webwinkel besteld reistegoed en Reisproducten door Reizigers, die voldoet aan de eisen opgenomen in Bijlage K (Eisen aan het OV-Betaalsysteem), en apparatuur ten behoeve van het betalen met Nieuwe Betaalwijzen als bedoeld in lid 7 van Artikel 49 (Nieuwe Betaalwijzen). De Concessiehouder neemt de geldende beleidsregels ten aanzien van Buurtbussen als beschreven in het document ‘Beleidsregels Buurtbusprojecten Stadsregio Amsterdam Herijking 2012’ of diens opvolger(s), in acht.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 65 van 154

7.8

MILIEUPRESTATIES VOERTUIGEN

De Concessieverlener heeft de ambitie om de verduurzaming van het openbaar vervoer voortvarend op te pakken. Op 15 april 2016 heeft de Vervoerregio Amsterdam het bestuursakkoord ‘Zero emissie regionaal busvervoer’ ondertekend. Daarin spreken de twaalf provincies, twee vervoerregio’s en het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat de ambitie uit dat het regionaal busvervoer in 2030, of zoveel eerder als mogelijk, volledig emissievrij bij de uitlaat moet zijn. De Vervoerregio Amsterdam streeft daarbij, net als de andere opdrachtgevers van openbaar busvervoer in Nederland, de volgende doelstellingen na: a. Uiterlijk 2025 zijn alle nieuw instromende Bussen emissievrij aan de uitlaat (tank-to-wheel). Het jaartal is gekozen als gezamenlijk doel, maar concessieverleners kunnen hierop vooruitlopen als dat past bij de aanbestedingskalender en natuurlijke momenten van vlootvervanging; b. De nieuwe bussen maken in 2025 gebruik van 100% hernieuwbare energie of brandstof, die met het oog op economische ontwikkeling zoveel mogelijk regionaal wordt opgewekt, en c. OV-concessies hebben een zo gunstig mogelijke score op well-to-wheel CO2-emissie per reizigerskilometer. Als uitwerking van bovenstaande ambities eist de Concessieverlener dat de Concessie vanaf de ingangsdatum voor 100% met Zero-Emissievoertuigen wordt uitgevoerd.

Vanaf de start van de Concessie moet de Concessie volledig met Zero-Emissievoertuigen worden uitgevoerd, waarbij de Concessieverlener op dit punt een ontheffing verleent voor de Buurtbussen die worden ingezet op Lijnen die rolstoeltoegankelijke Haltes aandoen. Omdat het hierbij om nieuwe technieken gaat waarvoor vaak maatregelen (aanleg Laadinfrastructuur) in de openbare ruimte noodzakelijk zijn, is de implementatie van Zero-Emissie Openbaar Vervoer niet zonder risico’s. Daarom verlangt de Concessieverlener dat vervoerders in hun Inschrijving een Implementatieplan Zero-Emissietechniek opnemen waarin zij beschrijven op welke wijze zij de door hen toe te passen ZeroEmissietechniek(en) implementeren zodanig dat de Zero-Emissievoertuigen en de Laadinfrastructuur bij aanvang van de Concessie volledig beschikbaar zijn en volledig betrouwbaar werken. De kwaliteit van het Implementatieplan Zero-Emissietechniek zal een belangrijk Gunningscriterium zijn bij de beoordeling van de Inschrijvingen. Artikel 40 Milieuprestaties Voertuigen 1

2

3

4

De Concessiehouder zorgt ervoor dat bij aanvang van en gedurende de gehele Concessie 100% van de Voertuigen die hij ten behoeve van de Concessie inzet behoort tot de categorie Zero-Emissievoertuigen. De Concessieverlener verleent voor Buurtbussen die ingezet worden op Lijnen die rolstoeltoegankelijke Haltes aandoen een ontheffing voor de eis als bedoeld in lid 1. Deze ontheffing eindigt uiterlijk op 1 januari 2030. Batterij-elektrisch Materieel wordt bidirectioneel uitgevoerd, of dusdanig voorbereid dat het Batterij-elektrisch Materieel retrofit bidirectioneel kan worden uitgevoerd, waarbij de kosten volledig voor de Vervoerder zijn. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Materieel, niet zijnde Zero-Emissievoertuigen, wat betreft de uitstoot van uitlaatgassen voor alle in de Europese richtlijn 1999/96/EG onderscheiden testwaarden ten minste voldoet aan: e. de Euro VI-norm voor zover het Bussen betreft, en f. de Euro 6-norm voor zover het Auto’s betreft.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 66 van 154

5 6

7

8

De Concessiehouder zorgt ervoor dat Materieel, niet zijnde Zero-Emissievoertuigen, minimaal gebruik maakt van HVO100 als de brandstof. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat het Materieel als bedoeld in lid 4 is voorzien van een Roetfilter zodanig dat de Concessiehouder wat betreft de uitstoot van schadelijke stoffen blijvend voldoet aan de op het Materieel van toepassing zijnde Euro VI- of Euro 6-norm. De Concessiehouder zorgt er voor dat Zero-Emissievoertuigen gebruik maken van 100% Hernieuwbare Energie – met uitzondering van energie opgewekt uit biomassa en biogas, met dien verstande dat energie opgewekt uit de grondstoffen zoals vermeld in bijlage IX, deel A, van de Europese Richtlijn 2018/2001 wel is toegestaan – die regionaal wordt opgewekt. Regionaal opgewekt wil zeggen in Nederland opgewekt, met inbegrip van de gebieden zoals aangewezen bij kavelbesluiten op grond van de Wet windenergie op zee. Het is de Concessiehouder toegestaan om Zero-Emissievoertuigen in te zetten die uitgerust zijn met een vorm van biobrandstofkachel, onder de voorwaarde dat de Concessiehouder voor deze brandstofkachel uitsluitend Biobrandstof gebruikt.

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 67 van 154

8

REISINFORMATIE

Mensen maken heel uiteenlopende reizen en gebruiken hiervoor verschillende (combinaties van) vervoerwijzen. Om deze reizen soepel te laten verlopen is goede reisinformatie essentieel. Allereerst gaat het hierbij om actuele en accurate reisinformatie op basis waarvan mensen hun reis vooraf goed kunnen plannen. Daarnaast gaat het om informatie op verschillende momenten tijdens hun reis, bijvoorbeeld om indien nodig hun reis te kunnen bijstellen. Technologische ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat mensen op steeds meer plekken en manieren aan deze informatie kunnen komen; denk bijvoorbeeld aan Displays in Voertuigen en op Haltes, maar ook aan een app voor smartphones. Omdat juist op het gebied van reisinformatie technologische ontwikkelingen zo snel gaan is het wenselijk dat de Concessie voldoende ruimte biedt om op deze ontwikkelingen te kunnen inspelen Daarbij is de verwachting dat de informatievoorziening in toenemende mate via Derden, zoals MaaS-dienstverleners, gaat verlopen. De rol van de Concessiehouder beperkt zich in dat geval tot het tijdig beschikbaar stellen van de juiste en volledige brondata, waarmee deze Derden Reizigers steeds van actuele en accurate reisinformatie kunnen voorzien (zie ook Artikel 2 (Invulling rol van Mobiliteitsmakelaar)).

8.1

REISINFORMATIE ALGEMEEN

Om hun reis te kunnen plannen en waar nodig aan te kunnen passen, moeten Reizigers op elk moment van hun reis over duidelijke, correcte, eensluidende en actuele reisinformatie kunnen beschikken. De Concessiehouder is verantwoordelijk voor het verstrekken van deze reisinformatie, in ieder geval voor zover het Openbaar Vervoer betreft, waarbij hij de reisinformatie ook door Derden mag laten aanbieden. Artikel 41 Algemene eisen aan reisinformatie 1 2 3 4

De Concessiehouder informeert Reizigers stipt en adequaat over het openbaar vervoer van, naar en binnen het Concessiegebied en op de Uitlopers. De Concessiehouder zorgt ervoor dat alle reisinformatie die de Concessiehouder aan Reizigers verstrekt altijd volledig, correct en actueel is. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat alle reisinformatie voldoet aan de eisen gesteld in Bijlage I.1 (Normblad Reisinformatie). De Concessiehouder levert tijdig volledige en juiste informatie met betrekking tot (de uitvoering van) de Geldende Dienstregeling, waaronder Rituitval en omleidingen, rechtstreeks aan de NDOV-loketten en DOVA OV-data of diens opvolger(s) conform het bepaalde in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ of diens opvolger(s). De Concessiehouder hanteert hierbij de unieke haltenummers zoals opgenomen in het Centraal Halte Bestand of diens opvolger(s). Hierbij: a. verstrekt de Concessiehouder over alle Ritten en haltepassages tijdige en volledige informatie; b. verstuurt de Concessiehouder tijdig een NotMonitored bericht indien het voertuigvolgsysteem (tijdelijk) niet functioneert, met daarin de reden van het niet functioneren van het systeem, en

8 juli 2021 | INT/2021/9156

pagina 68 van 154

5

6

7

c. treft de Concessiehouder maatregelen op het moment dat het voertuigvolgsysteem maandelijks over minder dan 99,5% van de Ritten tijdige en volledige informatie verstrekt. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de in lid 2 en 4 bedoelde informatie juist is, ook bij verstoringen in de dienstuitvoering en bij eventuele omleidingsroutes. De Concessiehouder richt met dit doel zijn interne processen en communicatielijnen zodanig in dat ook in die gevallen informatie tijdig beschikbaar komt en actueel en accuraat is. De Concessiehouder legt wijzigingsvoorstellen over de vormgeving en inhoud van de reisinformatie die hij van plan is te verspreiden, ter goedkeuring aan de Concessieverlener voor en neemt hierbij de bepalingen in Bijlage E (Procedure goedkeuring/toetsing plannen, voorstellen en procedures) in acht. Ingeval de Concessiehouder in deze paragraaf genoemde reisinformatie niet zelf aanbiedt maar Reizigers hiervoor bij een Derde terecht kunnen, zorgt de Concessiehouder er voor dat: a. deze Derde de desbetreffende reisinformatie beschikbaar heeft, b. Reizigers deze Derde en de desbetreffende reisinformatie via de kanalen van de Concessiehouder kunnen vinden, en c. deze Derde geen kosten bij Reizigers in rekening brengt.

De reisinformatie die de Concessiehouder in ieder geval beschikbaar moet (laten) stellen, heeft zowel betrekking op specifieke Ritten als op het Openbaar Verover in het Concessiegebied en op de Uitlopers in het algemeen. Artikel 42 Algemeen verkrijgbare reisinformatie 1

De Concessiehouder zorgt ervoor dat mensen in ieder geval de volgende reisinformatie gratis kunnen opvragen, raadplegen en downloaden via internet, (een) mobiele applicatie(s) en de klantenservice van de Concessiehouder: a. informatie over afzonderlijke Lijnen en eventuele andere Mobiliteitsdiensten aanvullend op het Openbaar Vervoer, met in ieder geval een overzicht van de Haltes, de aankomsten vertrektijden per Halte, de overstapmogelijkheden op belangrijke (overstap)locaties en de gegarandeerde Aansluitingen op zowel de eigen Lijnen als op lijnen van andere concessiehouders; b. Haltevertrekstaten, met de vertrektijden van de Lijnen die vanaf de betreffende Halte vertrekken; c. Lijnennetkaart, met daarop in ieder geval alle routes en Haltes van alle Lijnen van, naar en binnen het Concessiegebied, ook als deze niet tot de Concessie behoren; d. informatie over het Nachtnet, met een overzichtskaart van de routes en Haltes van alle Nachtlijnen en de Dienstregeling van alle Nachtlijnen; e. informatie voor toeristen, met een overzichtskaart van OV-verbindingen naar belangrijke toeristische bestemmingen binnen het Concessiegebied. Deze informatie is in ieder geval in het Nederlands en Engels beschikbaar; f. informatie over actuele vertrektijden, ook in geval van ongeplande omleidingen en uitval van Ritten; g.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1271/documents/18521