25a. Rapport Beemsterwaarden overdragen (werelderfgoed), april 2021 geanonimiseerd.pdf
Tekst van het document
2 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
3
Inhoudsopgave Samenvatting
De Middenweg in Noordbeemster, foto: Gemeente Beemster
4
Het ontstaan van Droogmakerij de Beemster
8
Bodem en inpoldering Pionieren: indeling en gebruik van het nieuwe land Dorpen en stolpen Beemster en Purmerend De spankracht van het landschap
11 11 12 12 13
UNESCO werelderfgoed-status
16
Droogmakerij de Beemster: werken aan werelderfgoed 1999-2020
18
Omgang met het werelderfgoed Des Beemsters en de Beemster Bouwdoos Bureau Des Beemsters Kwaliteitsteam Des Beemsters Ruimtelijk beleid: een samenhangend stelsel De structuurvisie Bestemmingsplannen Buitengebied 2012 Omgevingsnota Casus: waterberging
18 18 19 19 20 22 22 24 26
Huidige situatie: werelderfgoed in gemeentelijke organisatie
28
Niet één maar twee werelderfgoederen Gemeente Beemster, 2020 Het Beemster landschap Draagvlak voor het werelderfgoed
28 28 28 29
De toekomst: opgaven voor Droogmakerij de Beemster
30
Waterberging Agrarisch landschap Energietransitie Toerisme, recreatie en beleefbaarheid van het landschap Communicatie: wat betekent werelderfgoed? De stolpboerderij als woning (van Amsterdammers) De dorpen en woningbouw
30 30 31 31 31 33 33
Knelpunten, kansen en wensen: aanbevelingen voor de toekomst van de Beemster
34
De toekomst van het werelderfgoed Rol van de gemeente Omgevingsvisie, programma en omgevingsplan Kwaliteitsteam en advisering over omgevingskwaliteit
34 34 36 37
Bronnen
38
Colofon
39
4 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
5
Samenvatting Droogmakerij de Beemster is een magnifiek landschap waar gewerkt en geleefd wordt en dat sinds 1999 door UNESCO beschermd is als werelderfgoed. De beschermde status heeft Droogmakerij de Beemster wereldwijde naamsbekendheid gegeven en stelt logischerwijs voorwaarden aan ontwikkelingen die invloed hebben op de landschapsstructuur, de ruimtelijkheid en daarmee het gebruik van de polder. De gemeente heeft in het ruimtelijk beleid – de Structuurvisie, het Bestemmingsplan Buitengebied en de Omgevingsnota, 2012 - zorgvuldig de kaders gegeven waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Met nieuwe ruimtelijke wetgeving in het vooruitzicht en een gemeentelijke fusie met buurgemeente Purmerend in 2022 is het een goed moment om de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster, het beleid, de gemeentelijke werkwijze en de opgaven en kansen die zich voordoen opnieuw tegen het licht te houden, en handreikingen te bieden voor de omgang met het werelderfgoed. Een landschappelijke parel Op een kaart van voor 1612 is te zien dat Droogmakerij de Beemster een soort puzzelstukje was in het waterrijke landschap van Noord-Holland. Een meer tussen meren in het veenlandschap, met een directe vaarverbinding naar de Zuiderzee. De drooglegging, met de rationele indeling van het nieuwe landschap in vierkanten binnen de ringdijk, maakte van de Beemster een afgesloten eenheid.
De kernkwaliteiten van de Beemster zijn gedetailleerd zichtbaar gemaakt op de kopergravure ‘Bedyckte Beemster’ uit 1644: de openheid, het rationele wegen- en waterpatroon, de dijk en ringvaart als bufferzone tussen het raster en het landschap buiten de Beemster, het dorp Middenbeemster en de stolpboerderijen met hun erven. De wijze waarop de droogmakerij door de tijd heen gebruikt en beheerd is, heeft er voor gezorgd dat het een gebied met een sterke eenheid bleef, met een eigen gemeentebestuur en een gemeenschap van agrariërs die gezamenlijk optrok om goede producten op de markt te brengen en samen met het hoogheemraadschap de waterpeilen te beheren. Er is altijd druk gepolderd in de Beemster.
De droogmakerij werd, na een voordracht door het Rijk, als onbetwiste landschappelijke parel door UNESCO op de werelderfgoedlijst gezet - een kroon op bijna vier eeuwen rentmeesterschap van de Beemsterlingen. Maar zoals gezegd: de Beemster is tegelijkertijd ook een puzzelstukje in het hart van de provincie, buurgemeente van Purmerend, onderdeel van de Stelling van Amsterdam, van het vroegere nationaal park Laag Holland en van de Metropoolregio Amsterdam (MRA). de Beemster is een droogmakerij tussen droogmakerijen, waar de snelweg A7 doorheen loopt. En vanaf 2022 is Beemster geen zelfstandige gemeente meer, maar onderdeel van de grotere gemeente Purmerend.
‘De ruimtelijkheid, de illusie van een onbegrensd vlak met een volkomen regelmatige indeling die oneindigheid van het Hollandse laagland suggereert, is de belangrijkste maar ook de meest kwetsbare kwaliteit van deze droogmakerij’. Bron: Polderatlas van Nederland, 2009
Maatschappelijke dynamiek De nieuwe gemeente Purmerend zal een hedendaagse manier moeten vinden om om te gaan met de vraagstukken die in Droogmakerij de Beemster leven. Dat zijn deels dezelfde vraagstukken als die waar andere landelijke gebieden mee worstelen, zoals schaalvergroting in de agrarische sector, de herbestemming van agrarisch erfgoed, woningbouw, klimaatbestendigheid, waterbeheer, infrastructuur en energietransitie - maar altijd is er in de Beemster die extra uitdaging van de status van werelderfgoed. Een status die enorme kansen biedt op het vlak van toerisme, identiteit, marketing, naamsbekendheid en omgevingskwaliteit maar die - in de beleving van sommigen - zaken ook complex kan maken. De gemeente Beemster heeft na de aanwijzing tot werelderfgoed, en met name in de periode 20042012, een intelligente en tegelijk pragmatische manier gevonden om het precaire evenwicht tussen behoud en ontwikkeling te bewaken. Het is ingewikkeld om bij de vormgeving van de maatschappelijke dynamiek respect af te dwingen voor het bijzondere landschapsbeeld en zorgvuldigheid te eisen, maar dat is jarenlang goed gelukt.
Zowel ambtelijk als bestuurlijk was de gemeente benaderbaar, trots op het werelderfgoed en bereid samen op te trekken met de inwoners die het werelderfgoed beheren; inwoners die Droogmakerij de Beemster niet alleen van een geschiedenis maar ook van een toekomst voorzien. De laat-negentiende-eeuwse herenboerderij Boschrijk aan de Jisperweg. Foto: Marianne Slot-Dekker
6 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
Samenwerken en verbinden In de eerste jaren na de aanwijzing in 1999 was het zoeken naar de juiste houding: wat betekent het om werelderfgoed te zijn? Besloten werd om een analyse te laten uitvoeren door Bureau Venhuizen, met verschillende experts in zijn team. Van 2003 tot 2006 werden de kernwaarden en opgaven in het werelderfgoed met burgers, boeren, college en raad gedefinieerd. In 2007 volgde de oprichting van het Projectbureau des Beemsters en het Kwaliteitsteam des Beemsters. Het Kwaliteitsteam speelde daarbij tegelijk een verbindende en een agenderende rol en zorgde dat er bestuurlijk en ambtelijk draagvlak bleef voor het behoud van de kernkwaliteiten van de Beemster. Die aanpak bleek conjunctuurgevoelig: in welvarende tijden is het makkelijker de kernkwaliteiten zorgvuldig te bespreken en te borgen. Het Kwaliteitsteam draaide op volle kracht van 2007 tot 2012, toen 400 jaar Beemster werd gevierd en het hele ruimtelijke beleid vanuit werelderfgoed was herschreven. Tot 2014 kende de gemeente ook het Bureau Des Beemsters, dat projecten inhoudelijk voedde met relevante kennis en dat verantwoordelijk was voor het samenbrengen van de verschillende partijen. Beemster principes Sinds 2012 zijn de uitgangspunten, kernkwaliteiten en ontwikkelmogelijkheden van droogmakerij de Beemster vastgelegd in helder en breed gedragen beleid.
De basisprincipes die Droogmakerij de Beemster bijzonder maken zijn samengevat: de combinatie van een productie- en een recreatielandschap, de sterke ruimtelijke samenhang van de polder en de strakke geleding van groot naar klein. Zoals Marinke Steenhuis, voormalig voorzitter van het Kwaliteitsteam zegt: ‘De principes van de Beemster zijn geïnternaliseerd, betrokkenen weten wat de kernwaarden zijn en dat je daar rekening mee moet houden. De periode 2007 tot 2012 was een periode waarin college, gemeenteraad, Bureau des Beemsters en Kwaliteitsteam honderd procent op elkaar ingespeeld waren en elkaar, ondanks dat er soms belangentegenstellingen waren, telkens weer vonden vanuit de verinnerlijkte kernwaarden van het
7
werelderfgoed. Ieder wist keer op keer het verhaal over te brengen – een bijzondere prestatie die vleugels gaf.’ Belangrijke aspecten bij het bewaken van de Beemster principes zijn: • het besef bij de politiek en ambtelijke staf dat elke beslissing in het ruimtelijk domein gevolgen heeft voor het werelderfgoed; • laagdrempelige benaderbaarheid van de gemeente voor inwoners, zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau; • vanzelfsprekende, dagelijkse uitwisseling tussen medewerkers van de gemeente over dilemma’s rondom de Beemster principes; • het Kwaliteitsteam had een agenderende, vrije rol; die rol hadden de welstands- en monumentencommissies niet. • het Kwaliteitsteam was een adviesorgaan van het college Sinds 2014 voert de gemeente Purmerend ambtelijke werkzaamheden uit voor de gemeente Beemster. Dat heeft logischerwijs de nodige veranderingen in het ambtenarenapparaat tot gevolg gehad. Door personele veranderingen ontbreekt steeds vaker de kennis over en ervaring met de Beemster principes, waardoor het beleid in de dagelijkse praktijk soms niet meer wordt toegepast, zoals aanvankelijk werd bedoeld. Het informele contact over de Beemster principes is veranderd, zowel binnen de gemeentelijke organisatie als binnen de Beemster samenleving.
Goud in handen Het is belangrijk om het gevoel aan te wakkeren samen verantwoordelijk te zijn voor een uniek stukje van de wereld, waar de internationale gemeenschap met bewondering naar kijkt. Dat samen begint bij het College. De vraagstukken die anno 2021 voorliggen zijn groot en ingewikkeld. De enige manier om die op te lossen met respect voor het unieke Beemster landschap, is in direct gesprek tussen gemeente, agrariërs, nieuwe(re) inwoners, het hoogheemraadschap, de recreatiesector en andere stakeholders. Actieve bestuurlijke betrokkenheid is
hierbij cruciaal. Lid van het voormalige Kwaliteitsteam Des Beemsters, zegt daarover: ‘De burgemeester ís het werelderfgoed. De bestuurders zijn de verbinders tussen de bevolking en de professionals en hebben tot taak de dynamiek van de bevolking in lijn te brengen met het begrip voor werelderfgoed.’ De nuchter-zakelijke Noord-Hollandse mentaliteit is niet als eerste gericht op cultuur en erfgoed. Maar de nieuwe gemeente Purmerend heeft goud in handen met het werelderfgoed en dat andere icoon, de historische binnenstad van Purmerend met bijna tweehonderd rijks- en gemeentelijke monumenten.
11
Bodem en inpoldering Om het karakter van Droogmakerij de Beemster goed te begrijpen, is het belangrijk de voorgeschiedenis van dit stuk Noord-Hollands landschap op hoofdlijnen te kennen. De bodem was duizenden jaren voor Christus bedekt geraakt met een metersdik pakket veen, maar de ontginning van het land vanaf de Middeleeuwen had een proces van ontwatering, inklinking en oxidatie van de veenbodem in gang gezet. In de twaalfde eeuw veroorzaakten overstromingen grote veranderingen in het veengebied. Verschillende veenrivieren waaiden open in het gebied ten noorden van Amsterdam, en zo ontstonden onder andere drie grote meren die snel uitbreidden en die in open verbinding met elkaar en met de Zuiderzee stonden: de Schermer, de Beemster en de Purmer. Aan de hogere delen rondom het Beemstermeer lagen welvarende vissersplaatsen als Purmerend en De Rijp. Purmerend ontwikkelde zich vanaf de vijftiende eeuw tot regionale marktstad met stadsrechten. Kopergravure gemaakt door Balthasar Florisz van Berckenrode van de Beemster in 1644. Bron: Noord-Hollands Archief
Middenweg en Middensloot
'ideale' vierkanten
De logica van Droogmakerij de Beemster
polderblokken
oriëntatie kavels
Het initiatief om de Beemster droog te leggen werd genomen door broers Dirck en Hendrick van Os uit Amsterdam die hun vermogen in de VOC hadden verdiend. Samen met een groep andere investeerders, voornamelijk nieuwe Amsterdammers, gevlucht uit Antwerpen, financierden ze het project. In 1607 kregen zij van het Hof van Holland (het hoogste gerechtshof in het Graafschap Holland) toestemming om de Beemstermeer te bedijken. Ze werkten samen met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderwartier om de afwatering te regelen, Jan Adriaensz Leeghwater uit de Rijp trad op als opzichter van het werk. Al in 1607 werden de eerste molens aanbesteed. Uiteindelijk zouden er 43 molens gebouwd worden. Om het meer werd een ringdijk aangelegd met daaromheen een ringsloot, die vooral aan de zuidkant breed genoeg moest zijn voor de scheepvaart tussen Alkmaar, Purmerend en Edam. de Beemster kwam, na enkele tegenslagen, in 1612 droog te liggen, waarna de Purmer (1622) en de Schermer (1635) volgden: een grote hoeveelheid nieuwe landbouwgrond. Droogmakerij de Beemster werd onderverdeeld in vier onder-polders die elk
een ander peil hadden omdat de bodem van het meer niet geheel vlak was. Tegenwoordig is de polder gecompartimenteerd in 67 peilgebieden; het maaiveld varieert van 1,9 tot 4 meter onder NAP. Al het veen was in de droogmakerijen verdwenen, de kleigrond die tevoorschijn was gekomen bleek zeer vruchtbaar te zijn. Pionieren: indeling en gebruik van het nieuwe land Het landschap van de Beemster werd geordend door een consequent raster van kaarsrechte lijnen, zo wordt in het rapport Des Beemsters (2005) helder uitgelegd. Die strakke geleding van groot naar klein vormt een belangrijk kenmerk van het Beemster landschap. De rechte lijnen vormen binnen de grillige lijn van de omringdijk een aantal grote vierkanten van 1800 x 1800 meter. Deze vierkanten bestaan elk uit vier blokken van 900 x 900 meter, die op hun beurt weer verdeeld zijn in vijf kavels van 180 x 900 meter. Op de koppen van de kavels liggen de erven, die verschillende maatvoeringen kennen. Het allerkleinste schaalniveau is dat van het bouwplot van de buitenplaats, stolp of landarbeiderswoning. In het systeem van de vierkanten is een om-en-om patroon van afwateringssloten en wegen aangelegd. De wegen vormen een neutraal raster, dat wil zeggen dat de ene weg niet belangrijker was dan de andere. Bomen langs de wegen zorgden voor beschutting tegen wind en zon en versterkten de perspectivische werking.
Bij kruisingen van wegen waren oorspronkelijk dertien vierkante pleinen voorzien, maar daarvan werden er maar vijf gerealiseerd. Het watersysteem is – in tegenstelling tot het wegenpatroon - wel hiërarchisch opgebouwd. De sloten die de kavels scheiden van elkaar en van de weg, voeden de afwateringstochten en die tochten wateren af op de Beemsterringvaart. De kunst was de raster-verdeling binnen de natuurlijke vorm van het meer zó in te richten dat er zo min mogelijk onrendabele restmaten overbleven. Door de systematische indeling kon het land met een grote snelheid bewerkt worden. Het Kruisoord, een restant van het oude veenland, kwam aan de noordoostelijke zijde binnen de ringdijk te liggen. Daar werd de
12 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
oude perceelindeling gehandhaafd. Een andere uitzondering op het rationele patroon is de knik in het zuidelijke deel van de Purmerenderweg die er voor zorgde dat de weg destijds recht op de kerktoren van Purmerend aanliep. In de Polderatlas van Nederland uit 2009 wordt de Beemster een ‘nieuw type architectonisch landschap’ genoemd; een samenstel van lanen, kamers, dorpen, pleinen, buitenplaatsen, boerderijen en watergangen, rationeel geordend en met elkaar verbonden. Door de herhaling van vierkanten in het landschap is een illusie van een oneindig vlak gecreëerd. Het Beemster landschap kent een sterke ruimtelijke samenhang doordat die herkenbare elementen zijn toegepast, plus de beplanting en erfindeling. De wegen in de Beemster waren onverhard tot 1850, toen begonnen werd met het bestraten van de doorgaande wegen. Sindsdien zijn alle wegen stapsgewijs verbreed. Dorpen en stolpen Volgens het nominatie-dossier, dat de basis vormde voor de aanwijzing tot UNESCO werelderfgoed, was de Beemster ontworpen als ‘een plantage van nut en plezier, van otium et negotium, van het besteden van vrije tijd aan de zoetigheid van het buitenleven en van het werkzame leven in het zweet des aanschijns’. De boeren die zich in de Beemster vestigden bouwden doorgaans een stolpboerderij op een erf met een beplante singel er omheen.
Tot in de loop van de twintigste eeuw bleef dit het meest gebruikte basistype, al waren er varianten met bijvoorbeeld een dubbel vierkant waar men meer hooi en een grotere stal kwijt kon. De indeling van stolp en erf was bij de Beemster-stolpen op hoofdlijnen altijd ongeveer het zelfde. Naast de veehouderij verbouwden de boeren ook gerst, rogge, koolzaad en lijnzaad. Omdat de relatief hoog gelegen zuidoostelijke hoek het meest vruchtbaar was, was daar tuinbouw mogelijk; dit werd daarom de ‘Tuinhoek’ genoemd, met een fijnmaziger verkavelingssysteem.
De dorpen ontwikkelden zich allemaal anders. Zuidoostbeemster en Westbeemster werden lintdorpen, Middenbeemster en Noordbeemster ontwikkelden zich tot kruisdorp. In Middenbeemster stond het gemeenlandshuis van het polderbestuur en de enige korenmolen van de polder. In het Heerenhuis konden de besturen van de verschillende verenigingen vergaderen. De kerk werd in 1623 door de Amsterdamse bouwmeester Hendrick de Keyser ontworpen, een directe verwijzing naar de Beemster als stedelijke onderneming. De markt van Middenbeemster kwam niet echt tot bloei; boeren gingen naar omringende steden om producten af te zetten. Alleen op 31 juli werd er een jaarmarkt gehouden; de periode waarin tegenwoordig de jaarlijkse kermis wordt gevierd. In Middenbeemster woonden middenstanders, rentenierende boeren en notabelen. Westbeemster vormde het rooms-katholieke centrum van de polder en in Zuidoostbeemster vestigden zich naast de tuinders ook enkele rentenierende veehouders, die samenkwamen in de veiling en café De Tuinbouw. In de gehuchten langs de wegen leefden de landarbeiders. Amsterdamse kooplieden bouwden hun herenboerderijen nabij de kruispunten van wegen, maar toch vooral langs de Volgerweg en de Zuiderweg, in het stuk nabij de goed bereikbare marktstad Purmerend.
Dit soort boerderijen hadden een zomervertrek voor de welgestelde eigenaren aan de voorzijde, het erf kreeg extra cachet door de aanleg van singels en bomenrijen en er werden poorten, priëlen en parken aangelegd. Halverwege de zeventiende eeuw waren er zo’n vijftig lusthoven in de Beemster, waarvan er slechts enkele gedeeltelijk over zijn. Beemster en Purmerend Na de drooglegging maakte onder meer Hoorn aanspraak op een deel van de gronden, maar die claim werd afgewezen. de Beemster kreeg één gemeentebestuur. Maar tussen Purmerend en Beemster was er historisch gezien vanzelfsprekend een verbinding. In Purmerend was de markt waar de Beemster boeren producten afzetten. In 1660 werd een trekvaartverbinding vanuit Amsterdam naar
Purmerend in gebruik genomen. De reizigers van de trekvaart stapten in Purmerend over op de koets naar hun bestemming in de zuidwesthoek van de Beemster. Daar werden vanaf de droogmaking al kleinere kavels voor renteniers en stichters van buitenplaatsen uitgegeven. Zuidoostbeemster werd een ‘voorstad’ van Purmerend, voor gepensioneerde veehouders die in de buurt wilden blijven van de Purmerender markt. Aanvankelijk bouwden de tuinders stolpen die een slag kleiner waren dan de boerenstolpen. Als gevolg van de bloei van de tuinbouw verstedelijkte de tuinenhoek vooral tussen 1918 en 1940 door de bouw van nieuwe tuinders- en rentenierswoningen langs de Purmerenderweg en Zuiderweg. Toen Zuidoostbeemster in 1920 geannexeerd dreigde te worden door Purmerend, kocht de gemeente Beemster grond en maakte deze bouwrijp, aldus Marinke Steenhuis, die het onderzoek verrichtte voor het rapport Des Beemsters (2005). De spankracht van het landschap De structuur van de toen nog jonge Beemsterpolder is gedetailleerd uitgetekend door Balthasar Florisz van Berckenrode in 1644. De zes originele etsplaten van deze kaart, de kopergravure genoemd, zijn eigendom van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en in bruikleen bij de gemeente Beemster. In 2007 lieten het Hoogheemraadschap en de gemeente in kaart brengen welke kopergravuresloten er nog waren, en wat er veranderd was.
Aanleiding tot dit onderzoek was het vraagstuk over de inpassing van toekomstige ruimtelijke wateropgaven in de Beemster. Om te kunnen beoordelen wat er veranderd was, werd de historische kaart gedigitaliseerd en over de Grootschalige Basiskaart Nederland van 2007 gelegd. Het huidige landschap kwam in hoofdlijnen overeen met de zeventiende-eeuwse situatie maar een opvallend verschil is dat de Beemster geen molens meer heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld De Schermer. Toen de Beemster in de negentiende eeuw overstapte op stoombemaling, zijn de molens gesloopt en daarmee zijn ook veel wegen en paden rondom de molens verdwenen.
De oude indeling van het wegenraster is op hoofdlijnen gehandhaafd, maar heeft in de loop der eeuwen aan neutraliteit ingeboet. Sommige wegen verwerken meer verkeer dan andere en zijn daar in hun inrichting en profiel op afgestemd. Bomen zijn langs sommige tracés verdwenen. Nieuwe wegen zijn zoveel mogelijk in cultuurhistorische ritmiek van Beemster ingevoegd, zoals de rijksweg A7 die van noord naar zuid door de polder loopt, en de provinciale wegen N244 en N243 die de Beemster in oost-westelijke richting doorkruisen. Ten zuiden van Middenbeemster is een rondweg aangelegd en onder Zuidoostbeemster de N235. In de dorpen zijn in de loop der tijd natuurlijk ook wegen en straten aangelegd, net zoals er tal van weggetjes naar boerderijen lopen en doodlopende paden het veld in gaan. Het watersysteem met de kopergravuresloten is in de loop der eeuwen ook aangepast. Er zijn veel nieuwe sloten gegraven sinds de zeventiende eeuw. In de oorspronkelijk fijnmazig verkavelde delen van de polder zijn juist weer sloten verdwenen, terwijl er nieuwe waterlopen waren gegraven, onder andere langs nieuwe infrastructuur. Voor de beleefbaarheid van het ruimtelijk concept van de polderstructuur blijft het belangrijk om op alle schaalniveaus zorgvuldig om te gaan met het patroon en de logica daarvan.
Het lijken details, maar bruggen doen het voor de beleefbaarheid van het slotenpatroon beter dan de veelvuldig voorkomende (soms brede) dammen. Dammen zijn eenvoudig in aanleg, sterk in draagkracht en makkelijk voldoende breed te maken, maar vormen ook een flinke visuele onderbreking van de watergang.
18 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
Droogmakerij de Beemster: werken aan werelderfgoed 1999-2020 Omgang met het werelderfgoed Na de aanwijzing tot UNESCO werelderfgoed begon voor de gemeente de zoektocht naar een optimaal evenwicht tussen behoud en ontwikkeling; tussen bevordering van een vitale gemeenschap, een sterke regionale economie en de unieke cultuurhistorische identiteit. Tal van vragen kwamen op tafel. Zo moest de waterhuishouding worden aangepakt, verschenen er paarden in plaats van koeien in de wei en wilden agrariërs hun bedrijf uitbreiden. De gemeente moest als siteholder een manier bedenken om alle ontwikkelingen te coördineren, de werelderfgoedstatus veilig te stellen én het voorzieningenniveau op peil te houden. Voor de gemeente was het aanvankelijk niet duidelijk wat zij met die erfgoedstatus concreet wel of niet kon doen. Ook voorziet een werelderfgoedstatus niet in bijgeleverd budget.
cultuurhistorie en planoloog Piet Snellaars. Zij organiseerden vanaf 2004 een serie rollenspellen met alle mogelijke partijen die van belang waren voor de toekomstige ontwikkeling van de Beemster: van bestuurders en winkeliers tot agrariërs, bewoners en kerkbestuurders. De centrale vraag: wat is nu typisch ‘des Beemsters’? Het doel was om bij iedereen begrip te kweken voor het standpunt van de ander en het verhaal van de Beemster werd gaandeweg bij iedereen ‘geïnternaliseerd’, mensen begrepen het niet alleen maar handelden er ook naar. Betrokkenen waren trots op de Beemster, op het feit dat ze in werelderfgoed woonden en werkten, mensen wilden zich actief inzetten voor duurzaam behoud van de unieke kwaliteit van het polderlandschap. Zoals Steenhuis zegt: ‘iedereen werd serieus genomen als deskundige op zijn of haar gebied.’
Het wettelijk verplichte Conservation Management Plan, dat vanuit de rijksoverheid kaders voor ontwikkelingen zou moeten bieden, liet de eerste jaren nog op zich wachten. Toen er in 2002 een controverse ontstond over de bouw van een nieuwe hoge weipoedertoren bij de coöperatieve kaasmakerij die van oudsher in de Beemster is gevestigd, besloot de gemeente zelf een afwegingskader op te laten stellen. Terugkijkend noteerde Marinke Steenhuis, voormalig voorzitter van Kwaliteitsteam Des Beemsters: ‘Te midden van de kluwen van beleid en partijen die allemaal recht van spreken hebben, heeft het gemeentebestuur de regie en het rentmeesterschap, passend bij haar rol als siteholder, stevig gestalte gegeven.’
Het resultaat was de ontwikkelvisie Des Beemsters, waarin Venhuizen cs drie aspecten omschreven die typisch des Beemsters waren: de combinatie van een productie- en een recreatielandschap, de ruimtelijke samenhang van de polder en de strakke geleding van groot naar klein. In Des Beemsters deel 2 werden deze kwaliteiten geanalyseerd. De auteurs ontwikkelden een serie ‘gereedschappen’ of ‘spelregels’ waarmee ruimtelijke veranderingen in de Beemster binnen het systeem van de polder ingepast zouden kunnen worden: de Beemster Bouwdoos. Dit was een figuurlijke gereedschapskist met ruimtelijke elementen zoals de ringdijk, het sloten- en wegenpatroon, erven en beplanting, maar ook abstracte begrippen als contrast, schaal, ritme en geslotenheid. Hiermee werd het concreet mogelijk om de bestaande kwaliteiten van de Beemster te verankeren binnen complexe ontwikkelingen. Als er bijvoorbeeld een nieuw bijgebouw op een erf geplaatst moest worden, kon de Beemster Bouwdoos duidelijkheid bieden over de exacte plaatsing achter het woonhuis, de onderlinge verhoudingen van de volumes van bestaande bouw en het nieuwe bijgebouw en de plaats op het kavel. In Des Beemsters werden ook ambities benoemd voor de opgaven die op de Beemster af kwamen: water en waterbeheersing, schaalvergroting en
Des Beemsters en de Beemster Bouwdoos De gemeente gaf, samen met de provincie en de Milieufederatie Noord-Holland, opdracht aan Bureau Venhuizen om een ontwikkelvisie op te stellen waarin helder werd geformuleerd waar de identiteit van de Beemster uit bestaat. Zo wilde de gemeente een kader krijgen om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldig af te wegen. Bureau Venhuizen was verantwoordelijk voor de conceptontwikkeling en betrok REDscape voor de landschapsarchitectuur, SteenhuisMeurs voor de
De Middenweg in Noordbeemster. Foto: Luuk Kramer
veranderende bedrijfsvoering in de landbouw, de inrichting van de oude en nieuwe erven, woningbouw, natuurontwikkeling, toerisme, verkeersveiligheid, maatschappelijke voorzieningen en waar mogelijk deregulering. De ontwikkelvisie Des Beemsters werd uitgewerkt in concrete opgaven in Des Beemsters II. De democratische insteek van Des Beemsters leidde ook tot de vraag: hoe zorgen we er voor dat het erfgoed iets van álle Beemsterlingen wordt? Een vraag die opnieuw actueel is geworden, vooral met zicht op de gemeentelijke fusie. Bureau Des Beemsters Om de ontwikkelvisie verder te brengen en een punt te creëren waar alle betrokkenen laagdrempelig met vragen terecht konden, riep het nieuw gekozen gemeentebestuur in 2007 Bureau Des Beemsters in het leven. Budget kwam deels uit een driejarige subsidie van het ministerie van OCW en deels uit een bijdrage van de gemeenteraad. Het bureau zou tot 2012 bestaan en had tot taak de kwaliteiten van de polder verder in kaart te brengen en te ontwikkelen, projecten te coördineren en planvormingsprocessen te voeden door het organiseren van lezingen, prijsvragen en tentoonstellingen. Ook had het
bureau tot taak om de benodigde financiële middelen te verwerven en de verschillende partijen samen te brengen. Bureau Des Beemsters had een autonome positie op enige afstand van het dagelijkse ruimtelijke ordeningsproces en legde contact tussen de gemeente en alle betrokkenen, van boeren en bewoners tot het Hoogheemraadschap of het College van Rijksadviseurs. Dat het bureau een tijdelijk karakter van vijf jaar had, kwam voort uit de gedachte dat in 2012 iedereen zou moeten weten wat in de Beemster past en wat niet. Communicatie was een belangrijk instrument van het bureau; het kreeg een eigen logo en website en de oprichting werd feestelijk aan de bevolking aangekondigd. Kwaliteitsteam Des Beemsters Naast het toegankelijke Bureau Des Beemsters had het gemeentebestuur ook behoefte aan deskundig advies over concrete projecten en urgente ontwikkelingen die zich voordeden, zoals waterberging, wegenbeheer en de uitbreiding van de CONO kaasfabriek. Het college van B&W benoemde in 2007 een multidisciplinair Kwaliteitsteam Des
22 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
23
De Gouden Regels Omgevingsnota geeft aan welke eisen er aan de vormgeving van ontwikkelingen gesteld worden op basis van de kernwaarden van het Beemster erf. Deze laatste twee documenten zijn complementair aan het elkaar. De structuurvisie De structuurvisie getiteld Beemstermaat (2012) kijkt naar de droogmakerij op de grote schaal en benoemt naast de kwaliteiten ook de ambities, de opgaven en de uitvoeringsstrategie. De kernkwaliteiten die voor de Beemster geformuleerd en uitgewerkt zijn worden in de Structuurvisie benoemd: • De grote openheid van het landschap • De inrichting van het cultuurhistorische wegenen waterpatroon • De bufferzone: dijk en ringvaart • Het beschermd dorpsgezicht van Middenbeemster • De wegen met laanbeplanting • Monumentale stolpen • De archeologische waarden De opgaven en de bijbehorende ambities gaan over behoud en herstel van het landschapspatroon, het tegengaan van verrommeling, het behouden en versterken van de ruimtelijke structuur en karakteristiek, het versterken van de recreatie, inpassing van duurzame energieopwekking en het oplossen van de mobiliteitsdruk binnen het wegenpatroon. Om de ruimtelijke opgaven te kunnen aangaan, werd een set van uitgangspunten, de Gouden Regels, geformuleerd die nog altijd relevant zijn.
De Gouden Regels zijn niet behoudzuchtig, maar gaan uit van de Beemster als werelderfgoed-landschap waar gewoond en gewerkt wordt, waarin binnen de historische, ontworpen hoofdstructuur ruimtelijke en functionele veranderingen mogelijk zijn. Bestemmingsplannen Buitengebied 2012 In het Bestemmingsplan Buitengebied uit 2012 zijn de principes van Des Beemsters en de Beemster Bouwdoos uitgewerkt en is op een gedetailleerd niveau vastgelegd wat des Beemsters is; voor zaken als de erfinrichting voor stolpboerderijen, slootpro-
fielen en bomenrijen langs wegen. Steenhuis was vanuit het Kwaliteitsteam betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan: ‘Samen met de boeren werd de bandbreedte opgezocht waarbinnen zij konden opereren met behoud van de kernkwaliteiten van het werelderfgoed.’ In de toelichting van het bestemmingsplan staat dat gebiedseigen ontwikkelingen die te maken hebben met het bestaande gebruik (al dan niet agrarisch), nieuwe kleinschalige vormen van recreatie, wonen en werken niet op voorhand onmogelijk worden gemaakt. Voorwaarde hiervoor is een goede visuele en functionele inpassing in het landschap die de ruimtelijke kwaliteit en het specifieke karakter van het gebied aantoonbaar ondersteunt. Het bestemmingplan benoemt om welke elementen het precies gaat, zoals het vierkante grid van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen, de monumentale stolpen, gemalen, molengangen en forten en de continuïteit en eenheid van de ringdijk en de ringvaart. Uniek voor Nederland is de maatwerkoplossing voor het Beemster erf waarbij de zijtuin naast de kenmerkende stolp bij voorkeur wordt vrijgehouden van bebouwing, door het bouwvlak voor bijgebouwen en aanbouwen pas te laten beginnen achter de achtergevel van de stolp (of een ander hoofdgebouw).
Ook is een cruciale vernieuwing dat er langs de kenmerkende sloten een bebouwingsvrije zone is geïntroduceerd zodat de herkenbaarheid van het klassieke slotenpatroon wordt gewaarborgd. Met de provincie werd afgesproken dat de provinciale goedkeuring voor ontwikkelingen in de Beemster kwam te vervallen, wat een verkorting in de procedure opleverde. Wel werd het ontwerpbestemmingsplan voor overleg toegezonden aan RCE en de provinciale diensten, betrokken gemeenten en waterschappen. Commentaar van deze instanties op het ontwerp werden verwerkt; na vaststelling door de gemeenteraad kreeg het bestemmingsplan rechtskracht.
1. de Beemster is werelderfgoed en daarom moeten alle nieuwe ontwikkelingen voldoen aan de criteria van ‘Des Beemsters’. Dat houdt in dat elk ruimtelijk initiatief (bebouwing, water, wegen, landschap) opgevat moet worden als ontwerpopgave met de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van de Beemster als uitgangspunt. 2. de Beemster is een werkpolder: binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur moet (ruimtelijke en functionele) verandering mogelijk zijn. 3. De hiërarchie in de ruimtelijke structuur is van groot naar klein: van de Beemster als geheel naar het architectonisch detail. 4. De landschappelijke openheid is een belangrijke, maar kwetsbare kwaliteit van de Beemster. De polder bestaat visueel-landschappelijk uit een aantal ‘kamers’, begrensd door randen met bebouwing en opgaande beplanting: de dorpen, de beboomde wegen met agrarische erven en de ringdijk. Eventuele verdichting in het buitengebied vindt alleen plaats in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. De openheid van de kamers blijft zo gewaarborgd. 5. Het hiërarchisch opgebouwde watersysteem, lopend vanaf de kavelsloten via het grid van de hoofdafwatering tot de Beemsterringvaart, is de blauwdruk voor de polderstructuur. Dit watersysteem, zoals in kaart vastgelegd op de Kopergravure (1644), moet gerespecteerd worden, zowel het tracé als het dwarsprofiel. 6.
De wegen vormen de functionele ontsluitingsstructuur van de Beemster en begrenzen de ‘landschappelijke kamers’ van de polder. De wegprofielen zijn van essentieel belang: de weg zelf, bermen en eventuele taluds, de doorgaande boomstructuur, flankerende sloten. 7. Het erf is de ordenende bouwsteen van het buitengebied. Erfinrichting en bebouwing zijn onlosmakelijk verbonden met de Beemster als geheel. 8. Bebouwingsstructuren worden vanuit het grotere geheel benaderd: vanuit het landschap naar de bebouwing. De randen van de dorpskernen zijn van groter belang dan de binnengebieden. 9. Middenbeemster is vanuit cultuurhistorisch oogpunt de belangrijkste bebouwde structuur en moet letterlijk als middelpunt van de Beemster herkenbaar blijven. 10. Forten en stolpen worden als gestolde cultuurhistorische artefacten in stand gehouden. 11. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is intensief waar het moet: namelijk op alles wat ‘Des Beemsters’ is en raakt aan deze Gouden Regels; en neutraal waar het kan: op alle overige aspecten.
Inmiddels wordt binnen de gemeente een aantal regels uit het Bestemmingsplan Buitengebied als knellend en beperkend ervaren voor wat betreft de Bron: Structuurvisie Beemstermaat (2012)
28 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
29
Huidige situatie: werelderfgoed in gemeentelijke organisatie Niet één maar twee werelderfgoederen In de negentiende eeuw zijn verschillende grote structuren aangelegd die invloed hadden op de Beemster. Zo legde de overheid in 1819 het Noordhollandsch Kanaal aan, dat deels het tracé van de trekvaart tussen Amsterdam en Purmerend volgde. En vanaf 1880 werd de 135 kilometer lange Stelling van Amsterdam aangelegd die de hoofdstad moest verdedigen, onder meer door omringende gebieden te inunderen. In de Beemster liggen vijf forten: Fort Spijkerboor, Fort Jisperweg, Fort Middenweg, Fort Nekkerweg en Fort Benoorden Purmerend. Daarnaast zijn nog andere werken aanwezig, zoals een inundatiesluis. Het zuidelijk deel van de polder hoorde bij het inundatiegebied van de Stelling. De Stelling van Amsterdam is sinds 1996 door UNESCO als werelderfgoed beschermd. Een dubbel werelderfgoed dus – uniek in de wereld. Het Rijk is eindverantwoordelijk voor het beschermen van werelderfgoedgebieden. In de Nationale Omgevingsvisie (september 2020) wordt het belang van deze gebieden benadrukt. Ze dragen bij aan een aantrekkelijke leefomgeving met een goed vestigingsklimaat. Geopperd wordt dat de kernkwaliteiten van werelderfgoedgebieden kunnen worden benut bij ruimtelijke opgaven en transformaties, bijvoorbeeld met de inzet van ruimtelijk ontwerp.
‘Dit vraagt van alle actoren, zowel overheden, maatschappelijke partijen als burgers, om de veranderingen in het landschap met zorg voor de kwaliteit van dat landschap vorm te geven en te monitoren. De zorg voor het behoud van cultureel erfgoed en van werelderfgoed is het werkterrein van alle overheden. Daarbij gelden de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het Europees landschapsverdrag en het Werelderfgoedverdrag. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed functionerend (wettelijk) systeem voor erfgoed en leefomgeving.’ Gemeente Beemster, 2021 Zowel het Bureau als het Kwaliteitsteam Des Beemsters bestonden slechts tijdelijk, vanuit het idee dat na een jaar of vijf het belang en de waarde van de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster door
iedereen begrepen, gevoeld en gerespecteerd zouden worden. Inmiddels is er veel veranderd. Gemeente Beemster werkt ambtelijk samen met Purmerend en een bestuurlijke fusie is op komst. Ambtelijk en bestuurlijk zijn er nieuwe gezichten gekomen. Een nieuw stelsel voor omgevingsrecht wordt, met de invoering van de Omgevingswet, naar verwachting op 1 januari 2022 van kracht, wat vraagt om een nieuwe houding van de overheid (ja-mits) en daarbij behorende instrumenten als een omgevingsvisie, een gemeente-breed omgevingsplan en wellicht om een programma met betrekking tot een thema als werelderfgoed. Vraagstukken rondom de agrarische sector, recreatie, klimaatadaptatie en wonen worden ingewikkelder. Bij het gesprek tussen de betrokken partijen lijkt het werelderfgoed minder vanzelfsprekend als uitgangspunt gezien te worden. : ‘Bij het bestuur is de waarde van het werelderfgoed onbetwist, het is een eer om in het werelderfgoed te mogen werken. Waardevol om het te koesteren en te bewaren, maar wel met verdienmogelijkheden. Het is een werelderfgoed waar in gewoond, gewerkt en gerecreëerd moet worden.
De opgave is om weer een positieve lading mee te geven aan het werelderfgoed en te kijken naar wat er allemaal wel kan in plaats van te snel de schuld te geven aan het werelderfgoed als er iets niet kan.’ Om een beeld te krijgen van de manier waarop medewerkers van de gemeente de vraagstukken zien die voorliggen, is een serie gesprekken gevoerd. Hieronder wordt een beeld geschetst dat na het voeren van de gesprekken naar voren komt. Het Beemster landschap Stedenbouwkundigen van de gemeenten Beemster en Purmerend werken met drie verschillende landschapstypen binnen hun gemeente: het veenweidelandschap en de twee droogmakerijen de Beemster en De Purmer. Natuurlijk zijn er veel overeenkomsten tussen de twee droogmakerijen waardoor er over een weer geput kan worden uit ervaringen in de inrichtingsprojecten. Maar de stedenbouwkundigen vinden het belangrijk dat de verschillen tussen de landschapstypen met de tijd goed afleesbaar blijven en waar
mogelijk versterkt worden; ondanks de overeenkomsten in de ontstaansgeschiedenis van de droogmakerijen hebben ze zich sindsdien zo totaal verschillend ontwikkeld dat ze een compleet ander karakter hebben gekregen. In de provinciale Leidraad Landschap & Cultuurhistorie (2018) worden de Beemster en de Schermer samen met de veenpolders Eilandspolder en polder Mijzen als één ensemble gezien. In de Leidraad worden de ontstaansgeschiedenis, de kernwaarden, de dynamiek, de ambities en ontwikkelprincipes benoemd. De ontwikkelprincipes volgen de schaalniveaus die de gemeente hanteert: de Beemster als geheel, het niveau van de Beemster kamer en het niveau van het Beemster erf. Daarbij geeft de Leidraad concrete aanwijzingen ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit bij de inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen. Draagvlak voor het werelderfgoed Toen de Structuurvisie, het Bestemmingsplan Buitengebied en de Omgevingsnota in 2012 werden vastgesteld, bestond er een breed draagvlak voor het werelderfgoed binnen de gemeentelijke organisatie en daarbuiten. Veel geïnterviewden geven aan dat dat draagvlak de laatste tijd lijkt af te nemen. Voor die afname van het draagvlak voor het werelderfgoed, noemen zij diverse redenen.
Sinds de kernwaarden van de Beemster goed in beleid zijn geborgd, en deze vooral ook sinds de ambtelijke fusie vrij strikt worden gehanteerd bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven, wordt er veel geëist van de initiatiefnemers die iets willen ontwikkelen in de Beemster. Zij moeten vaak in overleg met de gemeente en hun plannen aanpassen aan de principes van Des Beemsters. Hierdoor heerst bij sommige inwoners en ondernemers een gevoel van bemoeizucht, dat de gemeente ‘moeilijk doet’ om het werelderfgoed te beschermen. De goede borging van de kernwaarden die de gemeente voor ogen had is gelukt. Het gevolg van deze keuze is dat het eisen stelt aan de aanvragers. Marinke Steenhuis zegt hierover: ‘Dit hoort bij de publieke beslissing om de status van werelderfgoed te aanvaarden. Er is een keus, die door de publieke
kant gemaakt wordt, en waar particulieren gevolgen van ondervinden. Zeg je ja tegen werelderfgoed, dan zeg je als overheid ook ja tegen de lusten en de lasten. Iedereen heeft zijn eigen rol en verantwoordelijkheden. Dit vergt continue investering in begrip, in verinnerlijking van het belang van erfgoed.’ Het verlies van draagvlak heeft ook met financiële overwegingen te maken. De kosten van een project die de gemeente moet maken voor een aanvrager worden verhaald op de aanvrager. Leges zijn maar in een klein aantal gevallen kostendekkend. Op basis van een anterieure overeenkomst wordt sinds de ambtelijke fusie vaker dekking gevraagd. Dit betekent meer kosten voor de aanvragers, die dan het gevoel krijgen dat dat een direct gevolg is van de werelderfgoedstatus. Verder is de groeiende afstand tussen de gemeentelijke organisatie en de burger een veel gehoorde reden dat het gevoel voor het belang van het werelderfgoed lijkt af te kalven. Het contact verloopt te vaak louter via een digitaal contactformulier, waar men vroeger gewoon aan de balie een vraag kon stellen. Het warme contact zorgde ervoor dat mensen zich gehoord voelden, wisten waar ze aan toe waren en duidelijke kaders meekregen waarbinnen ontwikkelingen wél mogelijk waren. Aangegeven wordt dat de gemeente beter wist wat er speelde en welke ontwikkelingen er aan zouden komen.
De meer zakelijke manier waarop processen zijn ingericht verhinderen het directe gesprek tussen medewerkers van de gemeente en mensen die iets willen veranderen of uitbreiden. Ze hebben weer duidelijke kaders nodig waarbinnen ontwikkelingen mogelijk zijn.
32 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
doelstelling te kunnen halen. De gemeente stimuleert de toepassing van zonne-energie bij particulieren, organisaties en bedrijven en werkt zoveel mogelijk mee aan initiatieven, mits deze passen binnen de uitgangspunten van beleidsregels. Voor agrarische bedrijven zijn vervolgens beleidsregels vastgesteld. De mogelijkheid voor grondgebonden zonnepanelen in het agrarische buitengebied wordt beperkt tot de agrarische bouwvlakken zoals opgenomen in het bestemmingsplan, onder stringente voorwaarden. Toerisme, recreatie en beleefbaarheid van het landschap De beleefbaarheid van het werelderfgoed Droogmakerij de Beemster is ook een opgave. de Beemster wordt wel ‘erfgoed voor gevorderden’ genoemd; om het vlakke landschap met zijn geometrische indeling als geheel te ervaren moet de bezoeker enige moeite doen. Grote hoogte helpt enorm om het plaatje te zien en te begrijpen hoe bijzonder het is. Maar al rijdend over de lange rechte wegen, met de beplanting, sloten, dammen en bruggen, stolpen, erven en buitenplaatsen, en vervolgens over de ringdijk, voelt een bezoeker ook de betekenis, zeker als hij iets van het landschap weet of uitleg krijgt onderweg. Het beleven van de Ringvaart, die het hele gebied omvat, kan kansen bieden, net als de koppeling tussen landschap en lokaal voedsel. De uitdaging is om dat verhaal voor de geïnteresseerde recreant op een goede manier te vertellen.
Daartoe zijn er tal van mogelijkheden, variërend van youTube filmpjes en podcasts tot ballonvaarten, het beklimmen van de kerktoren en drones; er zijn nog vele opties te verkennen op dat vlak. Een concreet initiatief wordt genoemd: de Beemster Experience. Het idee bestaat om in een leegstaande melkfabriek uit de jaren dertig, naast de nieuwe de CONO kaasfabriek, het verhaal over het kaasmaken in de Beemster en het verhaal over de polder te gaan vertellen. De Experience is complementair aan de ontwikkeling van het Bezoekerscentrum Beemster te Middenbeemster, waarin ook de VVV is gevestigd. Vanaf het – eventueel op te hogen - dak van de oude fabriek is het mogelijk om de kenmerkende
33
verkaveling van de Beemster te ervaren. De samenwerking tussen de Stelling van Amsterdam, de Grachtengordel en Droogmakerij de Beemster zou nieuw leven ingeblazen kunnen worden. Om meer te halen uit het potentiele kwaliteitstoerisme is het belangrijk Droogmakerij de Beemster te bezien in een bredere context: de relatie met Purmerend, Amsterdam en andere steden biedt een groeiende groep stadsbewoners die op zoek is naar authenticiteit van voedsel en andere producten, die het landschap willen beleven in de vrije tijd en die bereid zijn met de elektrische fiets of op andere manieren de stad uit te gaan naar het platteland om daar voedsel te halen en te recreëren. Kansen genoeg: denk aan een stadsboerderij waar je groenten kan halen, een kaasmakerij waar je direct je kaas bij de producent koopt. Fiets- en hardlooproutes, groenteabonnementen en kleinschalige verblijfsrecreatie, eten bij de boer en theetuinen op stolpenerven. Visit Beemster is als relatief nieuw initiatief een stap in de goede richting. De gemeente zou met de lokale ondernemers en inwoners deze mogelijkheden verder kunnen verkennen dan nu al gebeurt. Communicatie: wat betekent werelderfgoed? Het landschap waar je je dagelijks in bevindt en waar je mee werkt, wordt op den duur altijd ‘gewoon’; waar je ook woont of werkt.
Het besef dat Droogmakerij de Beemster een unieke landschappelijke parel is waar alle betrokkenen samen voor moeten zorgen moet doorlopend aangewakkerd worden bij de Beemsterlingen en Purmerenders, óók bij medewerkers van de gemeente en bij het gemeentebestuur. Ook is agendering op regionale schaal (denk aan de Regionale Energie Strategie) en richting rijk en provincie van groot belang. Werelderfgoed kan niet als het alleen als lokaal belang en als lokale verantwoordelijkheid wordt gezien. Door de ambtelijke samenwerking en de op handen zijnde bestuurlijke fusie raakt de kennis van de kernkwaliteiten van de Beemster op de achtergrond. De gemeente moet dit constant onderwijzen: education permanente noemt Stefan Gall dit. Bij iedere opgave moeten de kernkwaliteiten opnieuw tegen het licht gehouden worden. Het gemeentebe-
stuur heeft hier een actieve rol in, zij moeten als Beemster ambassadeurs blijven vertellen en inspireren, het bewustzijn aanwakkeren dat de Beemsterlingen in werelderfgoed wonen en er onderdeel van zijn. Maar ook de communicatie over concrete projecten en ontwikkelingen kan beter, zowel binnen de gemeente zelf als tussen de gemeente en inwoners en agrariërs. De benaderbaarheid van de gemeente is nu niet goed, het is voor een buitenstaander lastig om de juiste persoon binnen de gemeente te pakken te krijgen om samen vrijblijvend mogelijkheden te verkennen, naar oplossingen voor ingewikkelde vragen te zoeken of duidelijkheid over mogelijkheden en onmogelijkheden te krijgen. De stolpboerderij als woning (van Amsterdammers) Vrijkomende agrarische stolpen die worden herbestemd tot woonboerderij vormen een aparte uitdaging. De nieuwe bewoners vallen voor de ruimte, het landschap, de rust, de openheid, de schoonheid van het landelijk gebied. Daarom zijn zij ook belangrijke ambassadeurs van het werelderfgoed: zij zijn immers op de karakteristieken van de droogmakerij afgekomen. Ze zijn bereid veel tijd, energie en geld te stoppen in het erfgoed dat de stolpboerderij is.
Toch stellen de nieuwe bewoners de gemeente ook vaak voor de nodige uitdagingen, want ze hebben bijvoorbeeld de wens om de stolpboerderij te verduurzamen, moderniseren, uit te breiden met een zwembad of een gastenwoning of ze wonen zó dicht tegen een nog functionerend agrarisch bedrijf aan dat ze te maken krijgen met stankoverlast. Het is voor de gemeente belangrijk na te denken hoe dit soort woonwensen goed ingepast kunnen worden in de bestaande landschappelijke structuur. Om eisen aan de omgang met het gebouw te kunnen stellen, kan het interessant zijn voor de gemeente om stolpen als gemeentelijk monument aan te wijzen, zodat ingrepen vaker vergunningplichtig worden. Ook de erfinrichting vraagt daarbij om aandacht. Hier zijn al handboeken voor geschreven en de gemeente kan tevens een beroep doen op de ervenconsulent of andere adviseurs om de
stolpenerven binnen de kaders van het werelderfgoed nieuw leven in te blazen. De dorpen en woningbouw de Beemster kent een aantal dorpen en heeft ook een woningbouwopgave voor de komende tijd. de Beemster is de laatste twintig jaar gegroeid van 6.500 naar 10.000 inwoners, maar het voorzieningenniveau is niet mee gegroeid. Een complexe vraag, ook in verband met de opgaven van klimaatadaptatie. Het kwaliteitsteam is niet betrokken geweest bij de uitbreidingslocaties (De Nieuwe Tuinderij en De Keyser), al is er wel geprobeerd ze in te passen in het werelderfgoed. Voor toekomstige uitbreidingen is het cruciaal om vanaf een vroeg stadium deskundige advisering op het vlak van omgevingskwaliteit te organiseren om de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster mee te kunnen nemen in de planvorming.
34 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
Knelpunten, kansen en wensen: aanbevelingen voor de toekomst van de Beemster Uit het onderzoek kwamen aanbevelingen naar voren over de toekomst van de Beemster. Deze zijn samen te vatten in vier thema’s: de toekomstige betekenis en omgang met het werelderfgoed en de rol die de gemeente daarbij wil pakken, daarop volgend het toekomstige ruimtelijke beleid (omgevingsvisie en omgevingsplan) en de toekomst van de advisering over omgevingskwaliteit. De toekomst van het werelderfgoed Over de toekomst van het werelderfgoed komt een aantal concrete aanbevelingen naar voren. • Stuur de dynamiek binnen heldere kaders. Gemeente en agrariërs hebben elkaar nodig en moeten elkaar weer zien te vinden in het gesprek over het beheer en de ontwikkeling van het cultuurlandschap. Een agrarisch landschap, of het nu werelderfgoed is of niet, is dynamisch en die dynamiek moet gefaciliteerd worden binnen de kaders die het cultuurlandschap stelt. Het bestaande ruimtelijk beleid behoudt zijn waarde en is een enorme schat aan kennis voor de gemeente Purmerend, maar moet worden geactualiseerd. Daarbij is de taak aan de gemeente om de kwaliteiten van het werelderfgoed praktisch toepasbaar en inzichtelijk te maken en heldere kaders te bieden, waardoor het voor agrariërs ook weer werkbaar wordt. Een werelderfgoed zonder agrariërs is geen werelderfgoed meer, zij zijn tenslotte degene die het onderhouden.
• De werelderfgoedstatus is een kwaliteitsstempel. Stimuleer ondernemers om de status van werelderfgoed meer te exploiteren en er meer van te profiteren. Kaasmakerij De Tijd, ofwel de CONO Kaasmakers, is daar een goed voorbeeld van. Ook andere bedrijven kunnen dit verweven in de bedrijfsvoering, en de gemeente kan het werelderfgoed zelf ook gebruiken als identiteit, een soort kwaliteitsstempel. • Kennis. Zet in op parate kennis van kernkwaliteiten bij ondernemers, bewoners en andere betrokkenen bij Droogmakerij de Beemster. Iedereen moet goed weten wat het betekent: men moet de kernkwaliteiten van droogmakerij
de Beemster als het ware kunnen dromen. De ontwikkeling van Bezoekerscentrum Beemster kan hier aan bijdragen. Een agrariër is bezig met zijn bedrijfsvoering, maar al zijn activiteiten uiten zich in het landschap. De gemeente, de agrariërs, mensen van het Hoogheemraadschap, adviseurs ruimtelijke kwaliteit: het zijn allemaal professionals die elkaar serieus moeten nemen en het gesprek moeten voeren over het effect van hun bezigheden op het landschap. • Verspreid ook kennis van het werelderfgoed binnen de gemeentelijke organisatie. Ook bij medewerkers van de gemeente zijn de kernkwaliteiten van het werelderfgoed nog niet altijd even bekend. Rol van de gemeente Het bestuur als ambassadeur Om het draagvlak voor het werelderfgoed en de borging van de kernwaarden in het ruimtelijk beleid te stimuleren speelt het gemeentebestuur een centrale rol. Zonder draagvlak bij het gemeentebestuur komt de werelderfgoedstatus onder druk te staan. Zoals Stefan Gall zegt: ‘de burgemeester ís het werelderfgoed’. Gemeentebestuurders zijn de verbinders tussen de bevolking en de professionals. Marinke Steenhuis: ‘De grootste fout zou zijn de Beemster zomaar in te lijven in het beleid van Purmerend. Purmerend is heel anders en je moet je ogen niet sluiten voor het verschil. Purmerend is echt een eigen stad, met ook een prachtige verkaveling als achterland van de stad.
de Beemster is een merk dat ingezet kan worden: het aantrekkelijke vestigingsklimaat, de landschappelijke historische waarden, de beplanting, de stolpen en de relatie met Amsterdam. Daarbij kan het bestuur een verbindende en enthousiasmerende rol spelen maar soms zijn regels onvermijdelijk om het werelderfgoed ook voor de komende 400 jaar bestendig te laten zijn. Hierbij is het belangrijk om oog te hebben voor wensen van de individuen en voor het feit dat mensen moeten kunnen leven en recreëren binnen het werelderfgoed. Ambtelijk Ambtelijk gezien kan de gemeente een meer actieve
Het landschap van Droogmakerij de Beemster. Foto: MOOI Noord-Holland
rol pakken bij het zoeken naar de balans tussen behoud en ontwikkeling. De benaderbaarheid en communicatie van de gemeente is een belangrijk punt van aandacht. Aanvragers kunnen beter begeleid worden. Een consulent die keukentafelgesprekken houdt voor agrariërs en andere initiatiefnemers die in de Beemster iets willen ontwikkelen binnen de kaders van het werelderfgoed, kan richting geven aan wensen en plannen stroomlijnen. Investeren aan de voorkant (begeleiden van een goede aanvraag), levert aan de achterkant winst op (beoordelen van de aanvraag). Dit is ook geheel in lijn met de intenties van de Omgevingswet. Een meer faciliterende rol van de lokale overheid betekent echter vaak ook een behoorlijke cultuurverandering in het gemeentelijk apparaat en in de gebruikelijke processen. Ook blijkt uit het onderzoek dat een betere communicatie tussen de verschillende afdelingen wenselijk is. Binnen de nieuwe gemeente zou een kleine groep gevormd kunnen worden die de Beemster kernkwaliteiten bij ontwikkelingen behartigt. ICOMOS, de adviseur van het werelderfgoedcomité van UNESCO, staat erom bekend met stevige adviezen te
komen geredeneerd vanuit de Outstanding Universal Values. Als er een kleine groep is die dat binnen de gemeente in de gaten houdt, worden eventuele kansen en bedreigingen tijdig gesignaleerd. Beleid Wat betreft het ruimtelijk beleid voor het werelderfgoed zou de gemeente het gesprek kunnen voeren met stakeholders over de richting van het beleid. Het contact tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap (als mede-siteholder) bij beleidsontwikkeling is cruciaal. Ook de provincie is een belangrijke partner. De uitgangspunten die de provincie heeft geformuleerd in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie werken, als het goed is, automatisch door in het gemeentelijk beleid. Als de gemeente een (iets) andere koers zou willen inzetten, dan zou de provincie daar ook in mee moeten bewegen. De provincie is zich hier bewust van en heeft een traject opgestart dat heet Beemsteragenda. Marinke Steenhuis: ‘De opgave is om alle partijen weer dezelfde taal te laten spreken – opnieuw de kernwaarden van Droogmakerij de Beemster verinnerlijken. Je zou het hele proces weer opnieuw moeten doorlopen en alle partijen (LTO, agrariërs,
36 BEEMSTERWAARDEN OVERDRAGEN
gemeenteraad, provincie, hoogheemraadschap etc.) bij elkaar moeten halen, en de opgaven voor de komende 25 jaar moeten uitdenken met elkaar.‘ Waar sommigen versoepeling bepleiten van het beleid om meer ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken, menen anderen dat de gemeente de kernwaarden van het werelderfgoed beter zou moeten beschermen omdat dat enorme kansen biedt. De nieuwe gemeente kan zichzelf op de kaart zetten met het werelderfgoed. Omdat de kosten die gemoeid zijn met een project als onevenredig hoog worden ervaren door agrariërs, zou de gemeente ook aan een fonds kunnen denken om eventuele extra kosten te dekken die direct gevolg zijn van de werelderfgoedstatus. Communicatie en informatie Uit het onderzoek is gebleken dat de kernwaarden van het werelderfgoed lang niet zo algemeen bekend zijn binnen de gemeentelijke organisatie als men wellicht denkt. Een cursus of training over het werelderfgoed voor nieuwe medewerkers kan hierbij helpen, net als beknopte maar duidelijke informatie over de diverse beleidskaders. Hierin zouden verschillende schaalniveaus aan bod moeten komen: van rijksbeleid en de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie tot op het laagste schaalniveau van de erfinrichting. Uiteindelijk moeten er besluiten vanuit een integrale benadering worden genomen. De voorlichting over infrastructuur en waterwegen kan eveneens beter.
Het opstellen van een soort ordekaart met daarop de belangrijkste hoofdwegen zou ook kunnen helpen: welke infrastructuur is belangrijk, welke is ondergeschikt? Omgevingsvisie, programma en omgevingsplan Naar verwachting wordt in 2022 de Omgevingswet van kracht. Een goede omgevingskwaliteit is een van de maatschappelijke doelstellingen van de Omgevingswet. Cultureel erfgoed en de kwaliteit van het landschap worden in de wet expliciet genoemd als aspecten van omgevingskwaliteit en daarbij gaat het zowel om de menselijke beleving als om de
37
intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden. Voor Droogmakerij de Beemster zijn dit relevante aspecten van de wet. Het adagium van de wet is: centraal wat moet, decentraal wat kan. Hierdoor komen (nog) meer taken en bevoegdheden bij gemeenten te liggen. Daarnaast zet de wet hoog in op de participatie-samenleving. In de Omgevingswet is bepaald dat elke gemeente een Omgevingsvisie moet opstellen, die in ieder geval een beschrijving van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving moet bevatten op hoofdlijnen. Landschap en cultuurhistorie zijn hierbij belangrijke factoren. Voor de Beemster betekent dit dat in de Omgevingsvisie de kernkwaliteiten moeten worden beschreven die aan de basis liggen van de aanwijzing tot werelderfgoed. Ook moet de Omgevingsvisie iets zeggen over de voorgenomen ontwikkelingen, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud en de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid op de fysieke leefomgeving; de Beemster als woon- en werkgebied. Het is belangrijk dat dit alles goed omschreven wordt omdat de Omgevingsvisie de argumentatie kan leveren voor het al dan niet toestaan van plannen die afwijken van het omgevingsplan.
De rol van de gemeente als bestuursorgaan bij de realisatie van de visie is ook onderwerp van de Omgevingsvisie, waarbij men rekening zal moeten houden met andere bestuursorganen – zoals buurgemeenten en de provincie – en het beleid af moeten stemmen. Dit betekent bijvoorbeeld dat er afstemming moet plaatsvinden over het behoud van grensoverschrijdend erfgoed zoals de Stelling van Amsterdam. Beleidsdoelen op het gebied van landschap, cultureel erfgoed of werelderfgoed moeten aantoonbaar uitgewerkt worden in programma’s en/of andere beleidsinstrumenten. Het werelderfgoed in Nederland wordt in de Omgevingswet wettelijk verankerd. Door middel van instructieregels aan gemeenten worden zij verplicht om rekening te houden met het werelderfgoed in hun omgevingsplan. In het huidige beleid zet de structuurvisie de grote lijnen uit en dat krijgt een vertaling in het bestemmingsplan en de omgevingsnota. Die structuurvisie is als het ware een kapstok.