Valkseweg-Dr. Willem Dreeslaan_vastgesteld_1_Toelichting_Bijlage 6 Bodemonderzoek Valkseweg 101
Tekst van het document
Milieuadviesbureau voor: • Bodemonderzoek • Bodemsanering • Milieuvergunningen Bezoekadres: Barkstraat 5 Raalte Postbus 253, 8100 AG Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl IBAN/rek.nr NL 69 RABO 0142997862 K.v.K. Zwolle 05064200
Van den Brink Harskamp BV T.a.v. de heer M. van den Brink Molenweg 12a 6732 BL HARSKAMP Ons kenmerk: Uw kenmerk: Contactpersoon: Onderwerp:
e-mail: 230070/lvh01 dhr. J.A.G. Hunneman Historisch vooronderzoek op de locatie aan de Valkseweg 101 te Barneveld
martin@vdbrinkharskamp.nl
Raalte, 21 februari 2023
Geachte heer Van den Brink, In uw opdracht is in januari en februari 2023, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Valkseweg 101 te Barneveld. 1. Aanleiding en doel Het historisch vooronderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en bouw van een mantelzorgwoning op de locatie, en heeft tot doel inzicht te geven of op de locatie verontreinigingsbronnen aanwezig zijn (geweest), welke de milieuhygienische kwaliteit van de bodem en het grondwater negatief kunnen hebben beïnvloed. Figuur 1: overzicht onderzoekslocatie
2. Uitvoering vooronderzoek [NEN-5725] In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Al onze opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in ‘Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur DNR 2011’, welke verkort wordt aangehaald als ‘DNR 2011’.
Pagina 1 van 6
Tabel 1:
verschillende onderzoeksaspecten Aanleidingen tot vooronderzoek
ONDERZOEKSASPECTEN 1. locatiegegevens 2.bodemopbouw en geohydrologie
3. verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval 5. terreinverkenning
eigendomssituatie hoogteligging bodemopbouw antropogene lagen in de bodem geohydrologie geval van ernstige bodemverontreiniging kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig huidig toekomst asbestverdacht voorafgaand aan de uitvoering
A
B
O
O
C
D
E
F
G
O
O
O
A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie verstrekt door de opdrachtgever; informatie Omgevingsdienst De Vallei; informatie Gemeente Barneveld; locatiebezoek; informatie www.google.nl/maps en pdokviewer.pdok.nl; informatie www.topotijdreis.nl; informatie www.bodemloket.nl; informatie www.bagviewer.kadaster.nl; informatie grondwaterkaart van Nederland en www.dinoloket.nl; Kadaster. 3. Bodemopbouw en geohydrologie Regionale bodemopbouw De locatie is gelegen in een gedeeltelijk opgevuld glaciaal bekken, de Gelderse Vallei. Oostelijk hiervan is het complex van opgestuwde rivierzanden gelegen, waaruit de Veluwse stuwwallen ontstaan. De regionale bodemgegevens zijn ontleend aan de Grondwaterkaart van Nederland. De geohydrologische bodemopbouw is samengevat in tabel 2. Tabel 2:
geohydrologische opbouw
pakket deklaag form. van Twente 1e WVP form. van Twente 1e scheidende laag Eem formatie 2e WVP Eem formatie, form. van Drenthe 2e scheidende laag form. van Drenthe 3e WVP form. van Urk, Sterksel, Enschede 3e scheidende laag form. van Harderwijk 4e WVP form. van Harderwijk, Tegelen, Maassluis en Oosterhout hydrologische basis form. van Oosterhout toelichting:
m-mv = meter minus maaiveld
diepte [m-mv] 0 - 25 25 - 40 40 - 50 50 - 75 75 - 90 90 - ±160 ±160 - ±170 ±170 - ±240 >>240
samenstelling dekzand fijne zanden klei matig tot grove zanden kleien en slibhoudend zand grove zanden klei fijne zanden, dunne kleilagen en schelpenbanken klei en slibhoudende zanden
parameters kD-waarde 100 m2/dag c = 2000 dagen kD-waarde 100-500 m2/dag c = 25.000 dagen kD-waarde 5000 m2/dag
kD-waarde = doorlaatvermogen of transmissiviteit c = hydrologische weerstand
Grondwaterstroming Regionaal is de stromingsrichting van het grondwater westelijk gericht.
Al onze opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in ‘Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur DNR 2011’, welke verkort wordt aangehaald als ‘DNR 2011’.
Pagina 2 van 6
4. Achtergrondinformatie De onderzoekslocatie is gesitueerd aan de Valkseweg 101 te Barneveld en staat kadastraal bekend als: gemeente Barneveld, sectie C, nummer 5915. Op de locatie is een woning met enkele bijgebouwen gesitueerd. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 500 m2. Het voornemen bestaat om in de achtertuin van de woning een mantelzorgwoning te realiseren. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Uit informatie van de BAGviewer blijkt dat de huidige woning dateert uit 1992. Foto 1: tuin in noordelijke richting
Foto 2: tuin in zuidelijke richting
5. Dossieronderzoek Bij de Omgevingsdienst De Vallei en de Gemeente Barneveld zijn diverse bouwvergunningen bekend. Van de locatie zijn geen milieuvergunningen bekend. De locatie is, voor zover bekend, niet eerder onderzocht. In de omgeving zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Bouw-/sloopvergunningen: januari 1950 bouw schuur januari 1966 verplaatsen kippenhok juni 1990 bouw woning met garage/berging december 2007 bouw hobbyruimte mei 2008 bouw uitbouw (luifel/prieel)
Al onze opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in ‘Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur DNR 2011’, welke verkort wordt aangehaald als ‘DNR 2011’.
Pagina 3 van 6
Bodemonderzoeken in de omgeving: verkennend bodemonderzoek Valkseweg 115, P&J, februari 1993, kenmerk 200293; verkennend bodemonderzoek wegtracé Valkseweg, Kattenbroek Van de Streek, 28-11-1995, kenmerk IK/VO/95169; verkennend bodemonderzoek Valkseweg 104, Kattenbroek Van de Streek, 04-08-1999, kenmerk MNVO99206; verkennend bodemonderzoek Hessenweg 1, Midden Nederland Milieu, 27-09-2002, kenmerk vo/vdb/2002/101; verkennend bodem-, asbest en waterbodemonderzoek, Valkseweg 99, Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, 20-04-2021, kenmerk 201204. In het wegtracé van de Valkseweg ter hoogte van huisnummer 101 zijn in 1995 in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan EOX aangetoond. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. In 2021 is op het aangrenzende perceel zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de vaste bodem en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De bemonsterde waterbodem betreft bij toepassing op landbodem maximaal klasse Industrie. Uit het dossieronderzoek blijkt dat op de locatie 2 opstallen mogelijk voorzien zijn (geweest) van een asbestdakbedekking. De locatie is volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland lokaal verdacht voor asbest. Ter plaatse van de drupzones aan de hobbyruimte is een goot en/of verharding aanwezig.
Ter plaatse van de caravanstalling is geen goot of verharding aanwezig, derhalve is de locatie verdacht voor de aanwezigheid van asbest in de (voormalige) drupzone. Deze drupzone valt niet binnen de voorgenomen nieuwbouwlocatie van de mantelzorgwoning. Figuur 2: asbestdakenkaart provincie Gelderland
Al onze opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in ‘Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur DNR 2011’, welke verkort wordt aangehaald als ‘DNR 2011’.
Pagina 4 van 6
Uit informatie van “topotijdreis” blijkt dat de locatie voor 1953 niet bebouwd is geweest. In de loop der jaren zijn de verschillende opstallen bijgebouwd. Tot 1995 heeft ten noordoosten van de locatie een pad gelopen naar een achterliggende woning. Deze woning en het pad zijn na de aanleg van N801 niet meer aanwezig. Figuur 3: situatie 1953
Figuur 4: situatie 1962
Figuur 5: situatie 1985
Figuur 6: situatie 1995
Figuur 7: situatie 2009
6. Veldinspectie Tijdens het locatiebezoek op 27 januari 2023 is op de locatie 1 grondboring verricht. Zintuiglijk zijn hierbij in de humeuse bodemlaag van 0,5 tot 0,7 m-mv sporen kolengruis waargenomen. De boorstaat is opgenomen in bijlage 3. De boorlocatie is weergegeven op tekening 1-1. 7. Bespreking resultaten en conclusies Op basis van de geïnventariseerde gegevens concluderen wij dat binnen de onderzoekslocatie geen voor bodemverontreiniging verdachte deellocaties zijn aangetroffen. Wij verwachten dat de sporen kolengruis in de ondergrond geen noemenswaardige invloed hebben op de bodemkwaliteit ter plaatse. De hypothese voor de onderzoekslocatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. Dit historisch onderzoek betreft geen zogenaamde “schone grondverklaring” en geeft geen inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de eventueel vrijkomende grond. Indien bij toekomstige werkzaamheden grond vrijkomt, welke niet op de locatie kan worden hergebruikt, dient aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek plaats te vinden, om de afvoer- en verwerkingsmogelijkheden vast te stellen. Met vriendelijke groeten, Hunneman Milieu-Advies Raalte BV
L.S. van Hille Al onze opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in ‘Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur DNR 2011’, welke verkort wordt aangehaald als ‘DNR 2011’.
Pagina 5 van 6
Bijlagen: 1. Kadastraal overzicht; 2. Relevante historische informatie; 3. Boorbeschrijving grondboring; 4. Foto’s locatie. Tekening: 1-1 Situatie onderzoekslocatie met boring
Al onze opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in ‘Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur DNR 2011’, welke verkort wordt aangehaald als ‘DNR 2011’.
Pagina 6 van 6
BIJLAGE 1 Kadastraal overzicht
Kadastrale kaart
Uw referentie: 230070
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 500
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Barneveld C 5915
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 17 februari 2023 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
BIJLAGE 2 Relevante historische informatie
230070 Omgevingsrapportage
Pagina 1 van 7
-
17-02-2023
Inhoudsopgave Voorblad Inhoudsopgave Inleiding Kaarten Disclaimer Toelichting
Pagina 2 van 7
-
17-02-2023
De provincie Gelderland en de twee grote Gelderse gemeenten Arnhem en Nijmegen zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) aangewezen als de instanties die toezien op het saneren van verontreinigde bodem en het voorkomen van nieuwe bodemverontreiniging (. Zij sturen de bodemsaneringsoperatie en voeren zelf bodemsaneringen uit en beoordelen plannen en saneringen die door anderen (bedrijven, particulieren en gemeenten) worden uitgevoerd. Hierbij kan de provincie juridische en financiële instrumenten inzetten. In dit kader worden bodemgegevens verzameld in het bodeminformatiesysteem (BIS) van de provincie.
In deze rapportage treft u gegevens aan die afkomstig zijn uit het BIS van de provincie Gelderland. Hiermee krijgt u een indruk van de aan- of afwezigheid van gegevens over mogelijke bodemverontreiniging in het geselecteerde gebied. De twee grote gemeenten hebben hun eigen BIS. Gegevens van die gemeenten worden niet in deze rapportage weergegeven. Het ontbreken van gegevens in het BIS of deze rapportage wil niet zeggen dat er geen bodemverontreiniging op een perceel of in een gebied aanwezig is.
De provincie zal aansturen op sanering van alle historische verontreinigingen (ontstaan voor 1987) die risico’s veroorzaken (dit zijn de spoedlocaties die tot de werkvoorraad van de provincie behoren). In het rapport wordt per locatie aangegeven (Vervolg Wbb-traject) of een locatie nog tot de werkvoorraad behoort en welke vervolg in dat kader wordt verwacht.
Dit rapport bestaat uit vier delen: 1. Deze pagina bevat een tekening van het geselecteerde gebied. 2. Informatie over het geselecteerde gebied, per locatie gegroepeerd De in het bodeminformatiesysteem van de provincie Gelderland aangetroffen informatie over locaties die zich binnen het geselecteerde gebied bevinden. 3. Disclaimer 4. Toelichting op de rapportage. Hier vindt u de uitleg van de gegevens die in dit rapport zijn vermeld.
Als u vragen heeft over de in dit rapport vermelde gegevens dan kunt u contact opnemen met de provincie Gelderland via https://www.gelderland.nl/Contact door het invullen van een vragenformulier. Dit wordt automatisch toegezonden aan het PROVINCIELOKET of te bellen naar 026 – 359 99 99.
Pagina 3 van 7
-
17-02-2023
Binnen het aangegeven zoekgebied is geen informatie aangetroffen.
Pagina 4 van 7
-
17-02-2023
Pagina 5 van 7
-
17-02-2023
De bodeminformatie die u in deze rapportage aantreft is met zorg door gemeenten of provincie in het bodeminformatiesysteem ingevoerd. Toch kan het voorkomen dat informatie is verouderd, onvolledig is of onjuistheden bevat. De provincie Gelderland is niet aansprakelijk voor enigerlei schade die het directe of indirecte gevolg is van of in verband staat met het gebruik van deze informatie. Het ontbreken van gegevens in het BIS of deze rapportage wil niet zeggen dat er geen bodemverontreiniging op een perceel of in een gebied aanwezig is. Deze rapportage bevat geen gegevens van de twee grote gemeenten in de provincie Gelderland die zelf bevoegd gezag Wet bodembescherming zijn (Arnhem en Nijmegen). Als u fouten of onvolkomenheden in de rapportage aantreft kunt u ons helpen door dit te melden via https://www.gelderland.nl/Contact door het invullen van een vragenformulier. Dit wordt automatisch toegezonden aan het PROVINCIELOKET of te bellen naar 026 – 359 99 99.
Pagina 6 van 7
-
17-02-2023
Toelichting Locatie Algemene gegevens waaronder de locatie in het BIS bekend is. Daarnaast wordt aangegeven of de locatie betrekking heeft op een verontreiniging die na 1 januari 1987 is ontstaan (een zorgplicht geval dat onmiddellijk ongedaan gemaakt moet worden/zijn).
Status In de wet bodembescherming wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige en niet ernstige verontreinigingen. Bij ernstige verontreinigingen wordt vervolgens beoordeeld of bij het huidige gebruik er mogelijke risico’s aanwezig zijn. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de verontreinigingssituatie zo goed mogelijk ingeschat en vermeld onder het veld ‘beoordeling’. Pas als de verontreiniging voldoende is onderzocht wordt de conclusie vastgelegd in een formeel besluit. Dit is onder het veld ‘Beschikking’ aangegeven.
Sanering In een saneringsplan wordt aangegeven hoe de sanering wordt uitgevoerd. Dit kan voor een beperkt deel van het terrein gelden (deelsanering) of in verschillende fasen worden uitgevoerd. Als het bevoegd gezag een termijn heeft afgegeven voor het starten van de sanering dan wordt dat hier vermeld. Indien wordt ingestemd met het eindresultaat van de sanering (vastgelegd in een evaluatierapport) wordt ook de einddatum van de sanering ingevuld.
Uitgevoerde onderzoeken Een lijst van rapporten die betrekking hebben op de locatie. Deze rapporten worden in het geval van ernstige verontreiniging beoordeeld door het bevoegd gezag Wbb.
(Mogelijk) Verontreinigende activiteiten Dit is een overzicht van bekende historische (bedrijfs)activiteiten die op de locatie aanwezig zijn geweest en mogelijk bodemverontreiniging veroorzaakt hebben. Deze potentiële verontreinigingsbronnen vormen het zogenaamde. Historisch Bodem Bestand (HBB).
Besluiten Op basis van de aangeleverde rapporten doet het bevoegd gezag uitspraak over de mate van verontreiniging (ernst), de spoedeisendheid van saneren (spoed), te nemen maatregelen voor, na en tijdens sanering, saneringsplannen en de uitvoering van de sanering (evaluatie). In dit overzicht worden de door de provincie Gelderland genomen besluiten vermeld.
Saneringscontouren Indien sprake is van een deelsanering of verschillende fasen dan worden meerdere contouren vermeld. Per fase of deel wordt aangegeven welke saneringsvariant voor de boven- of ondergrond uiteindelijk is uitgevoerd.
Zorgmaatregelen/gebruiksbeperkingen Als na sanering nog verontreiniging is achtergebleven zijn maatregelen genomen om blootstelling aan of verspreiding van deze (rest)verontreiniging te voorkomen. Deze maatregelen worden in het BIS geregistreerd. Het bevoegd gezag houdt toezicht op het in standhouden van deze maatregelen.
Pagina 7 van 7
-
17-02-2023
BIJLAGE 3 Boorbeschrijving grondboring
KATTENBROEK VAN DE STREEK BODEMONDERZOEK EN ADVIES
RUITENBEEKWEC', 85A, LUNTEREN POSTBUS 378, 3770 AJ BARNEVEED
KATTENBROEK VAN DE STREEK BODEMONDERZOEK EN ADVIES
Verkennend onderzoek aan de Valkseweg te Barneveld; traject Van Zuylen van Nieveltlaan - Hessenweg
opdrachtgever : project datum
: :
de heer G.H. Franken namens gemeente Barneveld IK/VO/95169 28 november 1995
Bodem Informatie Systeem 647 Gemeente Barneveld
RUITEN BEEKWEG 85A, LUNTEREN POSTBUS 378, 3770 AJ BARNEVELD TELEFOON 0342 418418, FAX 418444 AUTOTELEFOON 06 532 1 7436 RABOBANK 36.45.02.258
GIRO BANK 926985
H.R. ARNHEM 85936
Verkennend onderzoek aan de Valkseweg te Barneveld; traject Van Zuylen van Nieveltlaan - Hessenweg
opdrachtgever : project datum
de heer G.H. Franken namens gemeente Barneveld
:
IK/VO/95169
:
28 november 1995
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 1.1 Algemeen 1.2 Doelstelling 1.3 Onderzoeksopzet 2 VOORONDERZOEK 2.1 Historie 2.2 Actuele situatie 2.3 Bodemopbouw en geohydrologische situatie 3 HYPOTHESE 4 OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
.5
4.1 Onderzoeksstrategie
.5
4.2 Veldwerkprogramma
.5
4.3 Laboratoriumonderzoek
.6
5 ONDERZOEKSRESULTATEN
.9
5.1 Bodemopbouw 5.2 Zintuiglijke waarnemingen
.9
5.3 Analyseresultaten
.9
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
.9
13
6.1 Conclusies
13
6.2 Aanbevelingen
14
BIJLAGEN I II III IV V
Toetsingstoelichting Toetsingstabel Analyseresultaten Boorbeschrijvingen Onderzoekslocatie; schaal 1 -r- 25.000 Onderzoekslocatie; schaal 1 -H 2.000
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
Door de heer G.H. Franken is namens de gemeente Barneveld op 18 oktober 1995 aan KATTENBROEK & VAN DE STREEK opdracht verleend tot het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de locatie Valkseweg; traject Van Zuylen van Nieveltlaan - Hessenweg te Barneveld. De locatie is gelegen op kaartblad 67 van de Grote Provincie Atlas, Gelderland/Veluwe, tussen de X-coördinaten 169,13 en 169,78 en de Y-coördinaten 460,60 en 460,83. Voor de situering kan bijlage V geraadpleegd worden. De aanleiding voor het verrichten van een verkennend onderzoek zijn de voorgenomen werkzaamheden met betrekking tot het vervangen van de gemeentelijke vuilwaterriolering, aanwezig aan beide zijden van het genoemde wegtraject.
1.2
Doelstelling
Het doel van het verkennend onderzoek in de onderhavige situatie is een indicatie te verkrijgen van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem als gevolg van de aanwezigheid van de vuilwaterriolering. Het betreft de bodemlagen in welke de riolering is gelegen, namelijk de laag 1,5 - 2,0 m-mv en de laag 2,0 - 2,5 m-mv en het ondiepe grondwater. Daarnaast heeft het onderzoek als doelstelling aan te tonen dat in de grond tot op een diepte van 1,5 m-mv welke vrijkomt bij de werkzaamheden, redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in gehalten, waardoor er belemmeringen aanwezig zijn voor hergebruik van de grond op de locatie.
1.3
Onderzoeksopzet
De opzet van het onderzoek is gebaseerd op de NVN 5740 (Bodem; Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek) van 1991, opgesteld door de normcommissie 'Bodemkwaliteit'. Op de volgende pagina's zal worden ingegaan op de resultaten van het verkennend onderzoek. Allereerst worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Hierna worden achtereenvolgens de hypothese-stelling, de opzet en de uitvoering van het onderzoek en de onderzoeksresultaten besproken. Tot slot worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
Er wordt gewezen op het feit dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden bij het gebruik van dit rapport. Toekomstige activiteiten mogen geen negatieve invloed hebben op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.
ARCHIEF KATTINBIOEK VAN Dl STREIK Mlladiauxwtfnni »»*m
1
VOORONDERZOEK
2
De doelstelling van het vooronderzoek is het verhogen van de doelmatigheid van het verkennend onderzoek. Het vooronderzoek bestaat uit de inventarisatie van gegevens betreffende het terreingebruik in het verleden en het heden, alsmede de bodemopbouw en geohydrologische situatie.
2.1
Historie
Het onderzoek wordt uitgevoerd aan beide zijden van de Valkseweg, het traject Van Zuylen van Nieveltlaan - Hessenweg te Barneveld. De Valkseweg is gelegen ten zuidoosten van het dorp Barneveld en vormt de (hoofd)verbinding met agrarisch gebied ten oosten-zuidoosten van Barneveld en met het dorp Wekerom. In vroeger jaren ging men via de Valkseweg naar plaatsen als Zutphen. Deze en andere routes, zoals bijvoorbeeld de Hessenweg welke een verbinding vorm(t)de met Arnhem waren belangrijk voor het drijven van handel. Aan weerszijde van het te onderzoeken traject van de Valkseweg is bebouwing aanwezig, hoofdzakelijk woonbebouwing. Deze dateert uit de jaren '50. Een aantal woningen is in de loop der tijd vervangen door nieuwe woningen. Het gebied achter de woonbebouwing aan de noord-noordoostelijke zijde van de Valkseweg had voorheen een agrarische bestemming. In 1965 is de bestemming van het gebied industrie geworden. Een deel van de bedrijfspanden in dit gebied, industrieterrein "De Valk" genaamd is in de jaren '60-'70 gebouwd. Het industrieterrein is in de jaren '80 in oostelijke richting uitgebreid. De oost- zuidoostelijke en de noordelijke zijde van het industrieterrein wordt begrensd door een weg welke in het begin van de jaren '90 is aangelegd, de Willem Dreeslaan. Middels een rotonde wordt deze weg verbonden met de Valkseweg en de Hessenweg.
Ten oosten van de Willem Dreeslaan en ten noorden van de Valkseweg wordt de woonwijk "Norschoten" gebouwd. Op een deel van het te onderzoeken traject, het gedeelte ter hoogte van de locatie Valkseweg 42, was in in de jaren '70 een verkooppunt voor benzine en diesel gevestigd. Behalve dit voormalige verkooppunt van motorbrandstoffen zijn er geen aanwijzigingen welke kunnen duiden op andere, mogelijke bodemverontreinigende actviteiten op het te onderzoeken traject.
2.2
Actuele situatie
Het onderzoek wordt uitgevoerd aan beide zijden van de Valkseweg , het traject Van Zuylen van Nieveltlaan - Hessenweg en heeft een totale lengte van globaal 1300 meter. De breedte van elk van de stroken aan beide zijden van de weg is globaal 3 meter. De gemeentelijke vuilwaterriolering ligt op een diepte van 2 meter beneden maaiveld (m-mv). Achter de (woon)bebouwing aan de zuid-zuidwestelijke zijde van de Valkseweg loopt de spoorlijn welke Ede /Wageningen via de plaatsen bunteren en Barneveld, met Amersfoort verbindt. Het te onderzoeken traject is verhard met hoofdzakelijk klinkers; op de gedeelten waar zijwegen, komend vanaf industrieterrein "De Valk" aansluiten op de Valkseweg, is tegelverharding aanwezig. Aan beide zijden van de weg bevinden zich verspreid over de gehele lengte van het onderzoekstraject, een aantal bomen. KATTINBROEK VAN DE STB1IK ■
I* »VIM
ARCHIEF
2
2.3
Bodemopbouw en geohydrologische situatie
De bodemopbouw, alsmede de regionale geohydrologische situatie, is geïnventariseerd (dienst grondwaterverkenning TNO; Grondwaterkaart van Nederland, amersfoort-oost, kaartblad 32 oost) en in het navolgende weergegeven. Het te onderzoeken traject ligt globaal op +10 meter NAP. Het eerste watervoerende pakket reikt tot aan het maaiveld en behoort tot de formatie van Twente. Deze formatie is opgebouwd uit zanden, welke overwegend matig grof tot matig fijn zijn. De dikte van het eerste watervoerende pakket is globaal 15 meter. De transmissiviteit van het eerste watervoerende pakket bedraagt circa 100 m2 per dag. Het freatisch grondwater bevindt zich globaal op +9 meter NAP. Ter plaatse is ten tijde van het onderzoek een globale grondwaterstand van 0,9 meter beneden maaiveld (m-mv) gemeten. De eerste scheidende laag bevindt zich op -5 meter NAP en bestaat voornamelijk uit slecht doorlatende klei. Deze laag behoort voornamelijk tot het kleiige deel van de Eem Formatie. De dikte van deze slecht doorlatende laag is globaal 8 meter. De doorlaatbaarheid van deze laag is ongeveer 2000 dagen. In het algemeen kan gesteld worden, dat het grondwater van de hooggelegen gestuwde gebieden naar de as van de Gelderse-Vallei stroomt en dat over een belangrijk deel van dat traject voeding door infiltrerende neerslag plaatsvindt.
De algemene grondwaterstroming is hierbij van het oosten naar het westen gericht.
KATTINBROEK VAM Dl ITtlIK
3
HYPOTHESE
3
Op basis van het vooronderzoek wordt het te onderzoeken traject verdeeld in een tweetal deellocaties, te weten deellocatie A en deellocatie B. Deellocatie A omvat het gehele onderzoekstraject, uitgezonderd het voorterrein van de locatie Valkseweg 42. Dit voorterrein wordt als een aparte deellocatie aangemerkt (deellocatie B), in verband met het voorheen aanwezige verkooppunt van motorbrandstoffen.
3.1
Deellocatie A
De onderzijde van de gemeentelijke vuilwaterriolering is gelegen op een diepte van 2 m-mv. De bodemlagen 1,5 - 2,0 m-mv en 2,0 - 2,5 m-mv worden derhalve als zijnde 'verdacht' aangemerkt. De hypothese voor deze twee bodemlagen alsmede voor het freatisch grondwater op deellocatie A luidt: 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de (kern)en'. Bijlage B2 van de NVN 5740 dient als richtlijn voor het uit te voeren onderzoek. Voor de bodemlagen 0,0 - 0,5 m-mv, 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0 - 1,5 m-mv van deellocatie A wordt de hypothese 'niet verdachte locatie' aangenomen. Bijlage A van de NVN 5740 dient als richtlijn voor het uitvoeren van het onderzoek.
3.2
Deellocatie B
Deellocatie B betreft het voorterrein van de locatie Valkseweg 42; op deze locatie was in het verleden een verkooppunt voor benzine en diesel gevestigd. De hypothese welke voor deellocatie B wordt aangenomen luidt: 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de (kern)en'. Bijlage B2 van de NVN 5740 wordt als richtlijn gehanteerd bij de uitvoering van dit onderzoek.
KATTINBROEK VAN DE STUIK ••rtaéNimènrtii *»*u»
4
4
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
4.1
Onderzoeksstrategie
Bij het bepalen van de onderzoeksstrategie is de NVN 5740 (Bodem; Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek) als richtlijn gehanteerd.
4.2
Veldwerkprogramma
Bij de uitvoering van het veldwerk worden de van toepassing zijnde normen in acht genomen. De boringen worden verricht volgens NPR 5741. Voor het plaatsen van peilbuizen wordt gebruik gemaakt van de NEN 5766. Monstername van grond en grondwater vindt plaats volgens NEN 5742 t/m NEN 5745. Voor de conservering in het veld van de monsters grondwater wordt gebruik gemaakt van de NPR 6601; de monsters grond worden ter conservering gekoeld. Het veldwerk is uitgevoerd op 27 en 30 oktober 1995 en heeft bestaan uit de navolgende werkzaamheden. Deellocatie A Deellocatie A betreft het totale onderzoekstraject, uitgezonderd deellocatie B. Het traject bestaat uit twee delen; een gedeelte gelegen ten noorden van de Valkseweg en een gedeelte gelegen ten zuiden van de Valkseweg. Beide delen hebben een globale lengte van 650 meter. Elk van beide delen is verdeeld in twee vakken. Deellocatie A bestaat derhalve uit vier vakken. Per vak worden zes boringen verricht tot op een diepte van 2,5 m-mv. Per vak wordt één peilbuis geplaatst voor de bemonstering van het freatische grondwater; de bovenzijde van het filter wordt tenminste 1 meter onder de grondwaterspiegel geplaatst. Daarnaast wordt aan elk van beide zijden van de weg een boring verricht tot 0,5 m-mv. Deellocatie B Op deellocatie B wordt een drietal boringen verricht tot 0,2 meter in de verzadigde zone.
Ter bepaling van de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater wordt een peilbuis geplaatst; deze peilbuis wordt snijdend met de grondwaterspiegel geplaatst. Van de grond, welke uit boringen vrijkomt, worden na beoordeling van het bodemmateriaal monsters genomen. Representatieve monstername vindt plaats van een bodemtraject met een lengte van maximaal 0,5 meter, waarbij bodemlagen met een duidelijk afwijkende bodemtextuur of verontreinigingskenmerken separaat bemonsterd worden. Peilbuizen worden bemonsterd na een minimale rusttijd van zeven dagen. Voor een overzicht van de ten behoeve van analyse geselecteerde monsters wordt verwezen naar tabel 1.
KATTINBROEK . VAN Di «TBIIK ■ ••■•lOHIMlda IN «»vin
5
Tabel 1: "De geselecteerde monsters ten behoeve van analyse".
nr.
omschrijving
Deellocatie A 1 mengmonster bovenlaag 2 mengmonster bovenlaag 3 mengmonster bovenlaag 4 mengmonster bovenlaag 6 mengmonster onderlaag 7 mengmonster onderlaag 8 mengmonster onderlaag 9 mengmonster onderlaag 10 mengmonster onderlaag 11 mengmonster onderlaag 12 mengmonster onderlaag 13 mengmonster onderlaag 14 mengmonster onderlaag 15 mengmonster onderlaag 16 freatisch grondwater 17 freatisch grondwater 18 freatisch grondwater 19 freatisch grondwater Deellocatie B 5 mengmonster bovenlaag 20 freatisch grondwater
boring(en)
diepte (m-mv)
1 t/m 6 7 t/m 13 14 t/m 20 21 t/m 26 3,5,7,10 en 11 15,18,22,24,26 1 t/m 6 7 t/m 12 14 t/m 19 21 t/m 26 1 t/m 6 7 t/m 12 14 t/m 19 21 t/m 26
0,0 - 0,5 0,0 - 0,5 0,0 - 0,5 0,0 - 0,5 0,5 - 1,0 en 1,0 - 1,5 0,5 - 1,0 en 1,0 - 1,5 1,5 -2,0 1,5 - 2,0 1,5 - 2,0
filterstelling (m-mv)
Pb 100 PblOl Pbl 02 Pbl 03
2,5 - 3,5 2,5-3,5 2,5 - 3,5 2,5 - 3,5
Pbl 04
1,5-2,5
1,5 - 2,0 2,0 - 2,5 2,0 - 2,5 2,0 - 2,5 2,0 - 2,5
2 9 16
21
Bl t/m B3 BI
peilbuis
0,0 - 0,5
* Dit nummer correspondeert met het gelijkluidende monsterspecificatienummer in bijlage II.
4.3
Laboratoriumonderzoek
De ten behoeve van analyse geselecteerde monsters, welke weergegeven zijn in tabel 1, zijn binnen 24 uur ter analyse aangeboden aan PRO ANALYSE B.V. te Barneveld. PRO ANALYSE beschikt over een door Sterlab (Stichting erkenning laboratoria) geaccrediteerd milieulaboratorium. Het mengen en voorbehandelen van monsters wordt verricht door het laboratorium. Voor de uitvoering van de fysische en chemische bepalingen in de grond en/of het grondwater worden de daarvoor geschikte normen gehanteerd. Het analyseprogramma is gericht op het signaleren van een groep 'kansrijke' verontreinigende componenten. Tezamen met de waarnemingen in het veld wordt op deze wijze getracht een compleet beeld te verkrijgen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In het overzicht op de volgende pagina, tabel 2, worden de uitgevoerde analyses weergegeven.
6
Tabel 2: "De uitgevoerde chemisch-analytische onderzoeken".
nr. omschrijving
boring(en)
diepte (m-mv)
Deellocatie A 1 mengmonster bovenlaag
1 t/m 6
0,0 - 0,5 0,0 - 0,5 0,0 - 0,5
2 3 4 6
mengmonster bovenlaag mengmonster bovenlaag mengmonster bovenlaag mengmonster onderlaag
7 t/m 13 14 t/m 20 21 3,5,7,10 en 11
7 8
mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag
15,18,22,24,26 0,5 - 1,0 en 1,0 - 1,5 1 t/m 6 1,5- 2,0
9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag mengmonster onderlaag freatisch grondwater freatisch grondwater freatisch grondwater freatisch grondwater
7 t/m 12 14 t/m 19 21 t/m 26 1 t/m 6 7 t/m 12 14 t/m 19 21 t/m 26 PblOO PblOl Pb 102 Pbl03
Deellocatie 8 5 mengmonster bovenlaag 20 freatisch grondwater
Bl t/m 83 Pb 104
0,5 - 1,0 en 1,0 - 1,5
1,5-2,0 1,5-2,0 1,5-2,0 2,0 - 2,5 2,0-2,5 2,0-2,5 2,0 - 2,5 2,5-3,5 2,5-3,5 2,5 - 3,5 2,5 - 3,5
0,0 - 0,5 1,5-2,5
matrix
analyse
grond
NVN-pakket bovengrond, org. stof & lutum grond NVN-pakket bovengrond grond NVN-pakket bovengrond grond NVN-pakket t bovengrond grond NVN-pakket ondergrond, org. stof & lutum grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond, org. stof & lutum grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond grond NVN-pakket ondergrond grondwater NVN-pakket grondwater grondwater NVN-pakket grondwater grondwater NVN-pakket grondwater grondwater NVN-pakket grondwater
grond Minerale olie grondwater Minerale olie, BTEXN*
* BTEXN = benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen
De samenstelling van de analysepakketten is als volgt:
NVN-pakket bovengrond • • • •
zware metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink); minerale olie; extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX); polycyclische aromatische koolwaterstoffen (de 10 PAK's genoemd in de leidraad
NVN-pakket ondergrond • • •
zware metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink); minerale olie; extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX);
KATTINIROEK
NVN-pakket grondwater • • • • •
pH en soortelijke geleiding; zware metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink); extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX); vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (inclusief naftaleen); fenolindex.
KATTINBROEK VAN Dl STUIK ioilasnaiiI«tr:ta
8
5
ONDERZOEKSRESULTATEN
5.1
Bodemopbouw
Voor een overzicht van de bodemprofielen per boring wordt verwezen naar bijlage IV (Boorbeschrijvingen). Het onderzoekstraject is vrijwel geheel verhard met klinkers. De ondiepe bodemopbouw bestaat vanaf de klinkerverharding tot een diepte van globaal 0,4 m-mv uit overwegend matig fijn tot en met matig grof geel zand. Op een aantal plaatsen is tot deze diepte matig grof zand, zwak siltig zwak tot matig grindig geel zand aangetroffen. Van circa 0,4 m-mv tot globaal 1,0 m-mv is matig fijn tot matig grof, zwak siltig en zwak humeus zwart zand aangetroffen. Daaronder bevindt zich, tot op een diepte van 2,5 m-mv overwegend matig fijn tot matig grof zand, zwak siltig en bruin of grijs van kleur. Navolgend worden de grondwaterstanden, welke gemeten zijn op 3 november 1995 weergegeven. Tabel 3: "De gemeten grondwaterstanden d.d. 3 november 1995". Peilbuis
grondwaterstand (m-mv)
Pb 100 PblOl Pb 102 Pb 103 Pb 104
0,92 0,97 1,08 0,93 0,92
5.2
Zintuiglijke waarnemingen
Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kenmerken aangetroffen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging.
5.3
Analyseresultaten
De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in bijlage III. De toetsing van de analyseresultaten aan de streef- en inten/entiewaarden is vermeld in bijlage II. Bij de berekening van deze streef- en interventiewaarden is voor de bovenlaag een gehalte aan organische stof gehanteerd van 1,0% en een lutumgehalte van 0,5 %. Voor de berekening van de toetsingswaarden voor de onderlaag, het traject 0,5 -1,5 m-mv, is een organische stofgehalte van 1,6 % en een gehalte aan lutum van eveneens 1,6 % toegepast. Voor de beide bodemtrajecten 1,5 - 2,0 m-mv en 2,0 - 2,5 m-mv is een gehalte aan organische stof van 0,7 % en een lutumgehalte van 1,6 % gehanteerd. In de onderstaande subparagrafen vindt een bespreking van de analyseresultaten plaats, waarbij niet de afzonderlijke monsters als licht, matig of sterk verontreinigd aangeduid worden, maar waar voornamelijk lagen bezien en beoordeeld worden.
■
KATTINBIOEK VAN 01 STUIK m »vul
9
Deellocatie A Grond: bodemlaag 0.0 - 0.5 m-mv In de vier mengmonsters welke zijn samengesteld van grond vrijgekomen bij boringen in de bovenlaag (monsternrs. 1 t/m 4, zie tabel 1,2 en bijlage II) wordt EOX aangetroffen. De aangetroffen gehalten bedragen 0,3 mg/kgds (monsternr. 1) en 0,2 mg/kgds (monsternrs. 2 t/m 4). Het gehalte EOX geeft een indicatie voor de aanwezigheid van extraheerbare gehalogeneerde organische verbindingen. In elk van deze vier mengmonsters wordt een licht verhoogd gehalte aan PAK's aangetoond. De aangetoonde gehalten bedragen respectievelijk 2,4 mg/kgds, 1,2 mg/kgds, 1,6 mg/kgds en 3.2 mg/kgds. De streefwaarde is 0,20 mg/kgds; de aangetroffen gehalten overschrijden deze streefwaarde. Het criterium voor nader onderzoek is 4,1 mg/kgds; geen van de aangetroffen gehalten aan PAK's overschrijdt dit criterium. Van de overige in de mengmonsters van de bovenlaag geanalyseerde componenten is er geen aangetroffen in een gehalte, waarvoor geldt dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde en/of de detectielimiet. Grond: bodemlagen 0.5 - 1.0 m-mv en 1,0- 1,5 m-mv In de beide mengmonsters gemaakt van grond uit de bodemlagen 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0 - 1,5 m-mv (monsternrs. 6 en 7, zie tabel 1,2 en bijlage II), wordt EOX aangetroffen. In beide mengmonsters bedraagt het aangetroffen gehalte 0,2 mg/kgds.
De overige geanalyseerde parameters worden in geen van beide monsters in verhoogde gehalten aangetoond. Grond: bodemlaag 1.5 - 2,0 m-mv Het mengmonster gemaakt van grond vrijgekomen uit de boringen 1 t/m 6 (monsternr. 8, zie tabel 1,2 en bijlage II) bevat een gehalte aan nikkel van 13 mg/kgds. De streefwaarde, welke 12 mg/kgds is, wordt hiermee in (zeer) lichte mate overschreden. In het mengmonster samengesteld uit de monsters van boring 7 t/m 12 (monsternr. 9, zie tabel 1.2 en bijlage II) bedraagt het aangetoonde gehalte aan minerale olie 1 70 mg/kgds. De streefwaarde, i.c. 10 mg/kgds wordt overschreden. Het criterium voor nader onderzoek is 51 0 mg/kgds; dit criterium wordt duidelijk onderschreden. De overige twee mengmonsters van deze bodemlaag, (monsternr. 10 en 11, zie tabel 1,2 en bijlage II), bevatten uitgezonderd een gehalte EOX van 0,1 mg/kgds, geen componenten in verhoogde concentraties. Grond: bodemlaag 2,0 - 2.5 m-mv In geen van de vier mengmonsters welke zijn gemaakt van grond uit de bodemlaag 2,0 - 2,5 mmv, worden de geanalyseerde parameters in verhoogde gehalten aangetroffen (monsternrs. 1 2 t/m 15) Grondwater In elk van de vier peilbuizen welke zijn geplaatst op deellocatie A is de zuurgraad (pH) volgens NEN 6616 en de electrische geleidbaarheid (EC) volgens ISO 7888 gemeten. In de tabel op de volgende pagina worden de gemeten gehalten weergegeven.
KATTINBROEK WAN oi STUIK
•lun« ABVII ■
10
Tabel 4: "De gemeten pH en EC d.d. 3 november 1995". Peilbuis
pH
EC (/jS/cm)
PblOO PblOl Pbl 02 Pbl 03
6,73 6,95
690 590 820 390
6,21
6,62
De EC vertoont, ondanks de spreiding van de gemeten gehalten, geen grote afwijking ten opzichte van de bevindingen van TNO (bron: Grondwaterkaart van Nederland, amersfoort-oost, kaartblad 32 oost). Het grondwatermonster genomen uit peilbuis 100 (monsternr. 16, zie tabel 1,2 en bijlage II), bevat een gehalte aan chroom van 3,6 )Jg/l. De streefwaarde is 1 Hg/\ en wordt derhalve overschreden. Het criterium voor nader onderzoek, i.c. 1 6 /Jg/I wordt duidelijk onderschreden. Nikkel wordt in dit grondwatermonster aangetoond in een gehalte van 26 ^/g/l en overschrijdt hiermee de streefwaarde van 15 Jlig/I. Nader onderzoek wordt, gezien de hoogte van het aangetroffen gehalte, niet noodzakelijk geacht. Het aangetoonde gehalte aan arseen is 11 jUg/l. De streefwaarde, welke in (zeer) lichte mate wordt overschreden, is 10 jUg/l. De gemeten fenolindex is l,88)Ug/l, hetgeen niet verontrustend geacht wordt. In het grondwatermonster afkomstig uit peilbuis 101 (monsternr. 17, zie tabel 1,2 en bijlage II), wordt een gehalte aan zink van 160 /L/g/l aangetroffen. De streefwaarde, welke 65 /ig/l is, wordt overschreden. Het criterium voor nader onderzoek, i.c. 433 /Jg/I, wordt onderschreden. De gemeten fenolindex is 3,0 jug/l en geeft geen aanleiding tot aanvullend/kwalitatief onderzoek. Uit peilbuis 102 is eveneens een monster genomen (monsternr. 18, zie tabel 1,2 en bijlage II).
Dit grondwatermonster bevat een gehalte aan arseen van 18 ^g/l; de streefwaarde (10 ng/\) wordt overschreden. Het criterium voor nader onderzoek, i.c. 35 /Jg/I, wordt niet overschreden. De gemeten fenolindex is 2,77 /vg/l, hetgeen niet verontrustend geacht wordt. In het grondwatermonster afkomstig uit peilbuis 103 (monsternr. 1 9, zie tabel 1,2 en bijlage II), wordt zink aangetroffen in een gehalte van 130 /tg/l. De streefwaarde voor zink wordt overschreden; het criterium voor nader onderzoek wordt onderschreden. De gemeten fenolindex in dit monster is 2,33 fjg/l en geeft evenals de overige gemeten fenolindexen, geen aanleiding tot het instellen van aanvullend/kwalitatief onderzoek. Geen van de resterende geanalyseerde parameters is in de grondwatermonsters aangetoond in gehalten boven de streefwaarde en/of de detectielimiet. Deellocatie B Grond Het mengmonster gemaakt van grond vrijgekomen bij de boringen Bl t/m B3 (monsternr. 5, zie tabel 1,2 en bijlage II), bevat geen verhoogd gehalte aan minerale olie. Grondwater In het grondwatermonster genomen uit de peilbuis geplaatst op deellocatie B (peilbuis 104, monsternr. 20, zie tabel 1,2 en bijlage II), is de zuurgraad (pH) volgens NEN 6616 en de electrische geleidbaarheid (EC) volgens ISO 7888 gemeten.
KATTINBROIK VAM Dl STUIK >»|MON«lllOIVtM »»VIII
11
De pH is 6,49, de EC bedraagt 900 /jS/cm. De EC is vertoond geen grote afwijking ten opzichte van bevindingen van TNO (bron: Grondwaterkaart van Nederland, amersfoort-oost, kaartblad 32 oost). Het grondwatermonster (monsternr. 20, zie tabel 1,2 en bijlage II) bevat geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten.
KATTINBItOEK VAN DE STREIK »»laONliliaM I» »»»lil
12
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
Conclusies
Op basis van het vooronderzoek werd het te onderzoeken traject van de Valkseweg te Barneveld, i.c. het traject Van Zuylen van Nieveltlaan - Hessenweg, verdeeld in een tweetal deellocaties, deellocatie A en deellocatie B. Deelocatie B betreft het voorterrein van de locatie Valkseweg 42, waar in het verleden een verkooppunt voor motorbrandstoffen gevestigd was. Deellocatie A betreft het gehele onderzoekstraject, uitgezonderd deellocatie B. In het navolgende worden de onderzoeksresultaten kort weergegeven. Deellocatie A Voor het opstellen een hypothese voor het onderzoek op deellocatie A werd onderscheid gemaakt in de bodemlagen. Voor de bodemlagen 1,5 - 2,0 m-mv en 2,0 - 2,5 m-mv, in welke de vuilwaterriolering is gelegen, werd de hypothese 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de kern(en)' aangenomen. Voor de bodemlagen 0,0 - 0,5 m-mv, 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0 - 1,5 m-mv luidt de hypothese 'nietverdachte locatie'. Grond: bodemlaag 0.0 - 0.5 m-mv en de bodemlagen 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0- 1,5 m-mv Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt de hypothese 'niet-verdachte locatie', welke werd aangenomen voor de bodemlagen 0,0 - 0,5 m-mv, 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0- 1,5 m-mv, verworpen voor de bodemlaag 0,0 - 0,5 m-mv.
Verontreinigende stoffen in deze bodemlaag zijn aangetoond in gehalten, waarbij sprake is van een lichte verontreiniging. In elk van de vier mengmonsters welke zijn gemaakt van grond vrijkomen uit de boringen tot 0,5 m-mv, wordt een licht verhoogd gehalte aan PAK's aangetroffen. Geen van de aangetroffen gehalten overschrijdt het criterium voor nader onderzoek. Daarnaast wordt in elk van de vier monsters EOX aangetoond. In de twee mengmonsters gemaakt van grond uit de bodemlagen 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0 - 1,5 mmv wordt naast EOX, geen van de geanalyseerde componenten aangetroffen in gehalten, welke de streefwaarde of de detectielimiet overschrijden. De hypothese 'niet-verdachte locatie' houdt derhalve stand voor deze twee bodemlagen. Grond: bodemlaag 1.5 - 2,0 m-mv en bodemlaag 2,0 - 2,5 m-mv De hypothese 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de kern(en)', aangenomen voor de bodemlagen 1,5 - 2,0 m-mv en 2,0 - 2,5 m-mv houdt op basis van de resultaten van het onderzoek, gedeeltelijk stand. Op één deel van het traject, i.c. het traject waar de boringen 1 t/m 6 zijn verricht, wordt het gehalte aan nikkel in een (zeer) licht verhoogde concentratie aangetroffen in de bodemlaag 1,5 2,0 m-mv.
Het traject waar de boringen 7 t/m 1 2 zijn verricht, eveneens in de bodemlaag 1,5 2,0 m-mv bevat een licht verhoogd gehalte aan minerale olie. Derhalve houdt de gestelde hypothese stand voor de genoemde bodemlaag op deze twee gedeelten. In de mengmonsters gemaakt van de bodemlaag 2,0 - 2,5 m-mv en in de twee resterende mengmonsters gemaakt van de bodemlagen 1,5 - 2,0 m-mv wordt geen van de geanalyseerde parameters aangetroffen in een gehalte, welke de streefwaarde of de detectielimiet overschrijdt. De hypothese : 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de kern(en)', wordt voor deze trajecten verworpen.
KATTINBROEK v VAN DE STUIK (••laamaitirïii «Mill
13
Grondwater In de grondwatermonsters, afkomstig uit de vier peilbuizen welke zijn geplaatst op deellocatie A, worden licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetroffen. Daarnaast wordt in elk van de vier monsters een groep van fenolen gemeten. In peilbuis 1 00 worden chroom, nikkel en zink in licht verhoogde concentraties aangetoond. Zink wordt eveneens in peilbuis 101 en in peilbuis 103 in een licht verhoogde mate aangetoond. In peilbuis 102 wordt arseen aangetroffen in een licht verhoogde concentratie. Geen van de aangetroffen licht verhoogde gehalten overschrijdt het criterium voor nader onderzoek. De gemeten fenolindexen geven, gezien de hoogte van de gemeten gehalten, geen aanleiding tot aanvullend/kwalitatief onderzoek. De hypothese 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de kern(en)' welke was aangenomen, wordt, ondanks de aangetroffen licht verhoogde concentraties zware metalen en de gemeten fenolindexen in het grondwater, verworpen. Deellocatie B De hypothese 'verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging met bekende plaatsen van voorkomen van de kern(en)' , geldend voor deellocatie B, wordt op grond van de resultaten van het onderzoek, verworpen.
In zowel het mengmonster van de grond als in het grondwatermonster wordt geen van de geanalyseerde parameters aangetroffen in een gehalte, welke de streefwaarde of de detectielimiet overschrijdt.
6.2
Aanbevelingen
Deellocatie A In de 'verdachte' bodemlagen 1,5 - 2,0 m-mv en 2,0 - 2,5 m-mv van deellocatie A zijn (uitgezonderd de bodemlaag 1,5 - 2,0 m-mv van de trajecten waar de boringen 1 t/m 6 en 7 t/m 12 zijn verricht) de geanalyseerde verontreinigende stoffen aangetoond in gehalten, waarbij geen of slechts in zeer geringe mate sprake is van een verontreiniging. De geanalyseerde componenten in de 'onverdachte' bodemlagen 0,5 - 1,0 m-mv en 1,0- 1,5 mmv zijn eveneens aangetoond in gehalten, waarbij geen of slechts in zeer geringe mate sprake is van een verontreiniging. De gehalten EOX, aangetoond in een aantal mengmonsters geven, gezien de uiterst geringe verontreinigingsgraad, geen van alle aanleiding tot nadere identificatie van de verbindingen, welke de aangetoonde gehalten veroorzaken. De milieuhygiënische kwaltiteit van de bovengenoemde bodemlagen komt overeen met de kwaliteit welke volgens de Leidraad bodembescherming wordt toegekend aan een multifunctionele bodem. Er zijn geen verontreinigende stoffen aangetoond in gehalten waardoor er belemmeringen zouden kunnen ontstaan bij de geplande werkzaamheden, i.c. het vervangen van de vuilwaterriolering. De grond van de genoemde bodemlagen welke vrijkomt bij de werkzaamheden kan op de locatie worden hergebruikt. De bodemlaag 0,0 - 0,5 m-mv van deellocatie A is licht verontreinigd met PAK's.
De bodemlaag 1,5 - 2,0 m-mv van het traject waar de boringen 1 t/m 6 zijn verricht bevat een (zeer) licht verhoogd gehalte aan nikkel. De bodemlaag 1,5 - 2,0 m-mv van het traject waar de boringen 7 t/m 12 zijn verricht bevat een licht verhoogd gehalte aan minerale olie. Ons inziens vormt de aanwezigheid van deze verontreinigingen geen belemmering voor de werkzaamheden en kan de vrijkomende grond worden hergebruikt op de locatie.
KATTINMOIK > VAN DE STUIK »**IH
14
Grondwater Geen van de aangetroffen licht verhoogde gehalten aan zware metalen in de grondwatermonsters geeft aanleiding tot het instellen van aanvullend c.q nader onderzoek. De gemeten fenolindexen geven evenmin aanleiding tot het instellen van aanvullend/kwalitatief onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van het freatische grondwater vormt bij bronnering, gezien de mate en aard van de verontreinigende stoffen, geen belemmering voor eventuele afvoer c.q lozing op riolering ten tijde van uitvoering van de werkzaamheden.
Deellocatie B De bodem ter hoogte van deellocatie B, het gedeelte van het ondezoekstraject waar voorheen een verkooppunt voor motorbrandstoffen was gevestigd, bevat geen minerale olie en vluchtige aromaten in verhoogde gehalten. De bij de werkzaamheden op deellocatie B vrijkomende grond kan worden hergebruikt op de locatie.
KATT1NBR0CK WAN DI STREIK
15
De Bunte Vastgoed Oost BV Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek op de locatie aan de Valkseweg 99 te Barneveld Projectnummer: 201204/dh/sh Datum: 30 april 2021
Opdrachtgever De Bunte Vastgoed Oost BV Postbus 8029 6710 AA EDE Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl
BRL-SIKB 2000
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING............................................................................................................................. 1
2
VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3
VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 7
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 4
ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 2 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 4 HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................. 5 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 6 VELDONDERZOEK ................................................................................................. 7 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 8 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN NEN-PARAMETERS................... 8 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN ASBEST ................................... 11 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN; WATERBODEM ....................... 12
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ....................................................... 13
4.1 4.2 4.3 4.4
ASBESTONDERZOEK ........................................................................................... 13 VASTE BODEM EN GRONDWATER ....................................................................... 13 WATERBODEM .................................................................................................... 13 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 14
BIJLAGEN: 1 2 3
4 5
Kadastraal overzicht Boorbeschrijvingen Toetsingstabellen en analyserapporten 3.1 vaste bodem 3.2 grondwater 3.3 asbest 3.4 waterbodem Monsternemingsplan en -formulier asbest en WABO Historische informatie
TEKENING: 1-1 Situatie met monsterpunten en peilbuizen
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
1
INLEIDING
In opdracht van de Bunte Vastgoed Oost BV is in februari en maart 2021, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Valkseweg 99 te Barneveld. Voor een kadastraal overzicht van de onderzoekslocatie en omgeving verwijzen wij naar bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen transactie en bestemmingswijziging van de locatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA. Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman MilieuAdvies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten
Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek, Valkseweg 99 te Barneveld
(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4).
1
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2
VOORONDERZOEK
In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:
verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN
1. locatiegegevens 2.bodemopbouw en geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit 4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval 5. terreinverkenning
eigendomssituatie hoogteligging bodemopbouw antropogene lagen in de bodem geohydrologie geval van ernstige bodemverontreiniging kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig huidig toekomst asbestverdacht voorafgaand aan de uitvoering
Aanleidingen tot vooronderzoek A
B
O
O
C
D
E
F
G
O O O
A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel
2.1
Onderzoeksaanleiding
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden; • informatie Omgevingsdienst De Vallei; • informatie gemeente Barneveld; • www.bodemloket.nl; • www.topotijdreis; • Bagviewer; • Kadaster; • grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. 2.2
Achtergrondinformatie
De onderzoekslocatie is gelegen aan de Valkseweg 99 te Barneveld en staan kadastraal bekend als: gemeente Barneveld, sectie C, nummer. 5914. De totale oppervlakte bedraagt circa 11.800 m2 Op de locatie is een (voormalig) woonhuis met een schuurtje en een perceel weiland, voorzien van een houtwal, gesitueerd. Het woonhuis maakt geen onderdeel uit van het bodemonderzoek. In het verleden hebben op de kavel meerdere gebouwtjes gestaan (zie figuur 1 t/m 3). Binnen de kavel is een (gedempt) sloottracé gesitueerd (zie figuur 2). Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar tekening 1-1. Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek, Valkseweg 99 te Barneveld
2
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Figuur 1: situatie 1940
Figuur 2: situatie 1965 (met sloot)
Figuur 3: situatie 1980
2.3
Historische informatie
Voor zover bekend hebben op de locatie geen activiteiten/calamiteiten plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief kunnen hebben beïnvloed. De locatie is voor zover bekend niet eerder onderzocht. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Figuur 4: bodemsituatie geoatlas provincie Gelderland
Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek, Valkseweg 99 te Barneveld
3
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Binnen de onderzoekslocatie zijn volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland geen asbestdaken aanwezig. Figuur 5: asbestdakenkaart provincie Gelderland
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
Regionale bodemopbouw Voor de bodemgegevens en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland. De geohydrologische bodemopbouw is samengevat in tabel 2. Tabel 2:
geohydrologische bodemopbouw
pakket
diepte (m-mv)
samenstelling
parameters
deklaag form. van Twente
0 - 25
dekzand
1e WVP form. van Twente
25 - 40
fijne zanden
kD-waarde 100 m2/dag
1 scheidende laag Eem formatie
40 - 50
klei
c = 2000 dagen
2e WVP Eem formatie, form. van Drenthe
50 - 75
matig tot grove zanden
kD-waarde 100-500 m2/dag
2e scheidende laag form. van Drenthe
75 - 90
kleien en slibhoudend zand
c = 25.000 dagen
90 - ±160
grove zanden
kD-waarde 5000 m2/dag
±160 - ±170
klei
e
e
3 WVP form. van Urk, Sterksel, Enschede e
3 scheidende laag form. van Harderwijk toelichting:
m-mv = meter minus maaiveld
kD-waarde=doorlaatvermogen
c=hydrologische weerstand
Grondwaterstroming Regionaal is de stromingsrichting van het grondwater westelijk gericht.
Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek, Valkseweg 99 te Barneveld
4
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2.5
Hypothese en onderzoeksstrategie
Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de actuele contactzone. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op niet verdachte locaties (strategie “ONV” uit de NEN 5740). De grond(water)monsters zijn aanvullend geanalyseerd op de parameters arseen en chroom. Vanwege variatie in de bodemopbouw is een extra NEN-pakket ingezet. Op basis van de historische informatie is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie op een grootschalige onverdachte locatie (strategie 6.4.3 uit de NEN-5707). De aanwezige sloot is onderzocht conform de richtlijnen van de Nederlandse Norm voor verkennend waterbodemonderzoek (NEN 5720). Het waterbodemonderzoek is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie bij verkennend waterbodemonderzoek conform: strategie 5.4.16 “overig water, lintvormig, normale onderzoeksinspanning (OLN)”. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is samengevat in tabel 3. Tabel 3:
veld- en laboratoriumonderzoek
sublocatie/onderdeel
verkennend NEN-5740 oppervlakte 11.800 m2 asbestonderzoek# waterbodemonderzoek sloottrace
veldonderzoek boringen tot waarvan tot 0,5 m-mv > 2 m-mv
laboratoriumonderzoek met peilbuis
vaste bodem
grondwater
26
7
2
6 x NEN- grond
2 x NEN-water
26@
7@
-
2 x asbest grond
-
#: putjes 30 x 30 cm i.c.m. verkennend onderzoek
2 x 10 grepen
-
2 x WABO-pakket
@: gecombineerd met onverdacht
*: inclusief arseen en chroom