Tolnegenweg I, partiële herziening_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Dit onderzoek is gecombineerd met een verkennend asbestonderzoek in grond/puin. Er is in 2020 door PJ Milieu BV een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek en verkennend asbest in grondonderzoek uitgevoerd (nr. 19093901A, d.d. 19 februari 2020). Dit rapport is toegevoegd als Bijlage 2 bij de toelichting. In het rapport wordt geconcludeerd dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek stand houdt. In boring 11 is in een asfalthoudend laagje een matig verhoogd gehalte zink aangetoond. In de afperkende boringen zijn geen verhoogde gehalten zink aangetoond. Er is geen sprake van een geval van verontreiniging. Verder wordt in het rapport geconcludeerd dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend asbest in grondonderzoek stand houdt. Er is asbest aangetroffen en aangetoond. De grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek wordt niet overschreden. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan (naar wonen), alsmede de aanvraag van een omgevingsvergunning. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbest in grondonderzoek te adviseren. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan een aanvullend onderzoek verlangd worden.
Het rapport is door de bodemdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei beoordeeld en akkoord bevonden. 5.1.2
Niet gesprongen explosieven
Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart is het plangebied niet als risicogebied aangegeven. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
25
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1
Archeologie
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. In 2010 is het plangebied waar woningbouw gewenst is onderzocht door middel van een archeologisch booronderzoek (Boshoven, E.H, 2010. Plangebied Tolnegenweg 69 te Stroe, gemeente Barneveld: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 3366). Hieruit bleek dat er in het gebied sprake was van bodemverstoringen. Er worden daarom geen archeologische resten meer verwacht. Er is geen verder archeologisch onderzoek nodig. Ook behoeft de dubbelbestemming voor archeologie niet opgenomen te worden voor het gedeelte waar gebouwd gaat worden.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. 5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. Historische stedenbouwkundige waarden vormen dan ook geen belemmering voor dit plan. 5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige landbouwontginning met een zeer lage waardering. De voorgenomen herinrichting is niet strijdig met deze waardering. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.
26
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Voor de locatie is daarom door Groenewold, adviesbureau voor Milieu & Natuur, een natuuronderzoek naar beschermde gebieden uitgevoerd (Bijlage 4 van de toelichting). In het rapport wordt geconcludeerd dat op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen dit plan geen negatieve invloed heeft op de specifiek beschermde habitats. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe, aan de andere zijde van de Tolnegenweg. Dit betreft een niet kwalificerend habitat.
Er zijn AERIUS berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie, zowel aanlegfase als de gebruiksfase (zie Bijlage 4). In het rapport wordt geconcludeerd dat de realisatie van het plan in de gebruiksfase niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie boven de 0,00 mol/ha/jaar, verder onderzoek of een passende beoordeling is niet nodig. Het is verder aannemelijk dat ook de aanlegfase niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie, waarmee het bestemmingsplan kan worden vastgesteld. Er is hier sprake van interne saldering. Met de werkzaamheden (verkeersgeneratie op het erf) die benodigd zijn voor het houden van dieren is intern gesaldeerd. Als deze dieren wel weer gehouden (kunnen) gaan worden dan is interne saldering niet mogelijk want dan komen die werkzaamheden en verkeersbewegingen weer terug op het erf. Deze werkzaamheden en verkeersbewegingen moeten dan ook stoppen op het moment dat de werkzaamheden starten. Die kunnen echter (bijvoorbeeld sloop en bouwrijp maken) vooruit lopen op een feitelijke vergunning, zodat een koppeling aan de Wabo procedure niet mogelijk is. Het moet dus via het bestemmingsplan geborgd worden. Op deze locatie is bij recht hobbymatig en bedrijfsmatig houden van dieren niet toegestaan.
Er is zowel bij de bestemming 'Agrarisch' als bij de bestemming 'Wonen' een planregel opgenomen dat wanneer de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - geen hobbymatig vee' is opgenomen (op de verbeelding) daar agrarisch hobbymatig gebruik voor zover het ziet op het houden van dieren niet is toegestaan. Daarnaast is er ter meerdere zekerheid is een verklaring opgesteld dat vanaf de start van de werkzaamheden er geen dieren meer gehouden mogen worden, ook niet hobbymatig. Het rapport en de berekeningen zijn door de Omgevingsdienst de Vallei beoordeeld en akkoord bevonden mits wordt vastgelegd dat hobbymatig en bedrijfsmatig er geen dieren meer gehouden kunnen worden vanaf de start van de werkzaamheden voor dit plan.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is door Groenewold, adviesbureau voor Milieu & Natuur, een quickscan natuur uitgevoerd (zie Bijlage 5 bij deze toelichting). In dit onderzoek is aangegeven dat er een nestplaats van de kerkuil aanwezig is. Dit valt onder categorie 3 van jaarrond beschermde nesten. Als de kapschuur verdwijnt, dan verdwijnt ook de nestplaats. Dit is alleen mogelijk na het treffen van mitigerende maatregelen en nadat een ontheffing is verkregen van de provincie Gelderland. Er is overleg geweest met de lokale kerkuilenwerkgroep. Die zijn bereid te onderzoeken of er op twee plekken een alternatieve nestkast is te plaatsen. Het habitat rond de huidige boerderij is niet optimaal. De geplande inrichting van het perceel betekent in potentie een kwaliteitsverbetering. Aanvullend is aan te bevelen te onderzoeken of in het weiland een aantal kruidenrijke overhoekjes is te realiseren.
Ook aanleg van één of meer houtwallen zou positief uitwerken op de natuurkwaliteit van het gebied. In dit geval is voor dit plan een uitgebreid landschapsplan opgesteld. Dit resulteert in nieuwe natuur in en rondom het plan, waaronder een boomgaard met hoogstamfruit, een poel en een vrijgroeiende gemengde sleedoornhaag. Verder komt er een weide met bloemrijk grasland. Ook is aangegeven dat er nesten gevonden zijn van merel, roodborst en een oud nest van de boerenzwaluw. Alle broedende vogels zijn beschermd. Bij aanvang van de werkzaamheden in het broedseizoen verdient het daarom aanbeveling om vanuit de zorgplicht het gebied voorafgaand aan de werkzaamheden nogmaals te controleren op mogelijke verblijfplaatsen. Als broedende vogels aanwezig zijn moet worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. Overigens geldt er een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten, maar de algemene zorgplicht blijft altijd van kracht. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ontheffing Wnb soorten te zijn verleend door de provincie Gelderland. Er is contact geweest met de provincie over het voorkomen van kerkuilen en het feit dat sloop niet op korte termijn voorzien wordt. De kerkuil is een vogelsoort met een jaarrond beschermd nest. Dat betekent dat er op twee manieren sprake kan zijn van overtredingen vanuit de Wnb: 1. Als de uil gebruik maakt van het nest (bijv.
in het broedseizoen) en de uil wordt verstoord (bijv. bij sloop van het gebouw); 2. Als het nest wordt beschadigd of vernield, ook al zit de uil daar op dat moment niet op. De termijn dat er aantoonbaar geen gebruik gemaakt wordt van het nest, heeft dan wel een maximum. Als het nest twee of drie jaar na elkaar niet meer gebruikt wordt, dan zal er geen sprake zijn van een overtreding. Blijkbaar zit de uil er dan niet meer of is er sprake van een alternatieve nestplaats, die dan in gebruik is genomen. Als er sprake is van overtredingen is er een ontheffing nodig om deze overtredingen toe te staan en op een juiste manier te mitigeren. Nu in dit geval niet al op korte termijn bebouwing gesloopt gaat worden, zal de ontheffing op een later moment worden aangevraagd. Zolang de schuur waarin het uilennest aanwezig is, niet gesloopt wordt is er geen overtreding én is geen ontheffing nodig. Pas als de schuur gesloopt wordt moet de vraag gesteld worden of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming. De vraag of er sprake is van een overtreding kan beantwoord worden door goed onderzoek te doen naar het gebruik van het nest en naar eventuele alternatieve nestplaatsen als de uil geen gebruik meer maakt van het oude nest. Het is snel te bepalen of een nest nog in gebruik is of niet (bv. aan de hand van uitwerpselen, braakballen etc.).
Indien pas over vijf jaar gesloopt zou worden, dan is de actualiteit van het uitgevoerde onderzoek en de afgegeven ontheffing bovendien ook ver te zoeken (niet meer effectief). Er is wel een ontheffing nodig (als de uil nog gebruik maakt van het nest in de schuur) voordat met de sloop van de schuur wordt begonnen. Dit is opgenomen in de voorwaardelijke verplichting omtrent de sloop (in de regels). Op het moment dat er een aanvraag omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de bouw van het woongebouw zal op dat moment alsnog bekeken worden of beschermde natuurwaarden negatief beïnvloed worden. Ook dan zal dus bekeken worden of er een 'verklaring van geen bedenkingen' (dan wel ontheffing 28
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 Wet natuurbescherming) nodig is. Mogelijk is er voorafgaand aan het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning al wel een afzonderlijke ontheffing aangevraagd door initiatiefnemer bij de provincie. Er is in dat geval vanuit de Wet natuurbescherming bezien geen belemmering aanwezig die de uitvoering van het onderhavige plan in de weg staat. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde omdat er geen bomen gekapt worden. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Uit paragraaf 4.3.1.2 van deze toelichting blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: uitsnede Omgevingsverordening kaart 4 Natuur Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
30
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.
Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Op de onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven op de Signaleringskaart van de Gelderse omgevingsdiensten.
Afbeelding: Signaleringskaart van de Gelderse omgevingsdiensten In de omgeving van het plangebied liggen een aantal propaantanks. Het invloedsgebied van deze tanks komt niet over het plangebied. Over de Apeldoornsestraat worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De afstand tot het plangebied is 425 meter, het plan ligt buiten het invloedsgebied (360 meter) van deze weg. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Groenewold, adviseur voor Milieu & Natuur, heeft een akoestisch onderzoek wegverkeer functiewijziging Tolnegenweg 69 in Voorthuizen uitgevoerd (projectnummer 2019098, d.d. 19 december 2019). Dit rapport is als Bijlage 3 toegevoegd aan de toelichting. Het plan ligt binnen de 250 meter brede zones van de Tolnegenweg en de Welgelegenweg. De Welgelegenweg is een rustige weg en verder ook gezien de afstand buiten beschouwing gelaten. De Tolnegenweg heeft een intensiteit van 2.500 mt/etmaal (peiljaar 2030). Het wegdek bestaat uit DAB en de maximum snelheid is 60 km/uur. De geluidsbelasting is berekend conform het RMG2012 en bedraagt op de gevels van de geplande woningen Lden=45 dB of lager (incl. aftrek ex artikel 110g Wgh van 5 dB, voor het stiller worden van het verkeer). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van Lden=48 dB.
Daarmee past de aanvraag binnen de wettelijke kaders en het gemeentelijke geluidbeleid. Verkeersgeluid vormt hiermee geen belemmering voor realisatie van het plan. Ook staat in het rapport aangegeven dat de benodigde karakteristieke geluidwering moet voldoen aan de minimum eis uit het Bouwbesluit van Ga;k=20 dB. Het rapport is door de Omgevingsdienst de Vallei beoordeeld en akkoord bevonden voor deze procedure. Hoewel het onderzoek één fout met betrekking tot de aftrek bevat (in hoofdstuk 7 staat dat een aftrek van 2 is toegepast, maar dit moet zijn 5), is de conclusie van het rapport goed. De resultaten zijn immers wel met de aftrek van 5 gepresenteerd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor uitvoering van het onderhavige plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal 32
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen op dit moment twee veehouderijen, te weten: Tolnegenweg 48 (/46) met een veebestand van 175 vleeskalveren en een geuremissie van 6.230 ou. Tolnegenweg 67 met koeien en jongvee (vaste afstand van 50 m) en 81 vleeskalveren/vleesstieren (met 2.919 ou). Gezien de omvang van deze bedrijven en de afstand naar het nieuwe woongebouw is er geen belemmering qua agrarische geurhinder.
Vanwege de ligging tegen Natura 2000-gebied is verdere uitbreiding van deze bedrijven ook niet te verwachten. Tevens is sprake van een goed woon- en leefklimaat in deze omgeving. Overigens maakt het perceel Tolnegenweg 67 onderdeel uit van een andere planherziening ("Esvelderweg-Tolnegenweg", vastgesteld d.d. 7 oktober 2020 door de raad). De agrarische bestemming Tolnegenweg 67 in Voorthuizen is omgezet naar een woonbestemming. Daarbij is ook de voormalige agrarische bebouwing inmiddels gesloopt. Dit heeft dus tot gevolg dat de veehouderij op Tolnegenweg 67 beëindigd is. Conclusie Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Vaststaat dat het plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied ligt als bedoeld in artikel 1.1.1, onder h van het Bro. Dit betekent dat in het plan moet zijn beschreven in hoeverre in deze behoefte kan worden voorzien binnen een bestaand stedelijk gebied. Het plan betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling waarop de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is.
In dit geval is er gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 januari 2014 (Vz. ABRvS 14 januari 2014, 201308263/2/R4) aangegeven dat de realisatie van één nieuwbouwwoning geen stedelijke ontwikkeling betreft. Daarnaast heeft de Afdeling in een andere uitspraak bepaald dat de realisatie van zes woningen binnen lintbebouwing (drie woningen rechtstreeks en drie woningen door middel van een wijzigingsbevoegdheid) niet voorziet in een woningbouwlocaties als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De voorziene ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in die bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro niet van toepassing is (ABRvS 5 november "Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929). Gelet op het voorgaande is het plan -de bouw van twee woningen- geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in genoemde bepaling en is artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft dan ook niet te worden toegepast. Daarnaast kan ten overvloede worden opgemerkt dat de functieverandering geen extra stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar bebouwing reduceert. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.8
Leidingen
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Binnen het plangebied is, behoudens huisaansluitingen, één leiding aanwezig. Het gaat om een lage druk gas. Deze leiding ligt op korte afstand van de noordelijke perceelsgrens parallel aan de bestaande weg Tolnegenweg, maar buiten dit plangebied. Ondanks de aanwezigheid van genoemde leiding vormt dit geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan. Verder zijn de huisaansluitingen een aandachtspunt voor de initiatiefnemer met betrekking tot de graafwerkzaamheden tussen bestaande woning en weg, zoals aanplanten van bomen (tuinwerkzaamheden). De memo over het uitgevoerde oriëntatieverzoek voor kabels en leidingen is als Bijlage 6 toegevoegd aan de toelichting. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen vormt derhalve geen belemmering voor uitvoering van het plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld.
In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 34
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn.
Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.
Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het plan niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Ook blijkt uit de uitgevoerde onderzoeken dat de milieugevolgen zo gering zijn dat er ook geen sprake is van belangrijke milieugevolgen als bedoeld in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer).
Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). "Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader is voor het onderhavige plan met name het volgende bedrijf van belang: - Tolnegenweg 65 (Denkavit Nederland B.V.). Het plangebied ligt op meer dan 200 meter van dit bedrijf. Ook de verblijfsrecreatie in de omgeving vormt geen belemmering. Het perceel ligt op ruime afstand van de bedrijven in de omgeving zodat enerzijds een voldoende goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden en anderzijds bedrijven door dit plan niet zullen worden belemmerd. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter).
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Liander heeft op 15 juli 2020 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Er vindt landschappelijke inpassing plaats. Er wordt een vrij groeiende gemengde sleedoornhaag aangeplant, er komt een boomgaard met hoogstamfruit en een poel (met wadi). Op onderstaande afbeelding is het beplantingsplan opgenomen (voor een beter leesbaar exemplaar wordt verwezen naar Bijlage 1 van de regels).
36
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: beplantingsplan Aan de inrichting van het terrein (inclusief de wadi) en de landschappelijke inpassing is een waarborgsom gekoppeld om de uitvoering hiervan zeker te stellen alsmede de instandhouding.
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.14
Verkeer
Parkeren vindt plaats op eigen terrein en hier is voldoende ruimte om eigen parkeerplaatsen te realiseren. De bestaande uitrit wordt verplaatst. Er komt één uitrit voor alle woningen op het perceel Tolnegenweg 69. Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van onderhavig plan.
5.15
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft aan dat water een erfgoed is, dat moet worden beschermd. De KRW geeft het kader voor de bescherming van oppervlaktewater en grondwater. Aquatische ecosystemen en daarvan afhankelijke gebieden dienen voor verdere achteruitgang te worden behoed. De waterkwaliteit dient verbeterd te worden door emissies van schadelijke stoffen terug te dringen. Het duurzaam gebruik van water bevorderen op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen.
Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 (NWP2) is de voortzetting van het eerste Nationaal Waterplan uit 2009 (NW). Het NWP2 is een algemeen plan voor het op nationaal te niveau te voeren waterhuishoudkundig beleid. Veel elementen uit het NW komen terug in het NWP2, zoals de watersysteembenadering en de structuurvisie voor ruimtelijke aspecten. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde deltabeslissing fundamenteel veranderd ten opzichte van het vorige Nationaal Waterplan. Met het NWP2 wil het Rijk antwoorden formuleren op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer. Dit om ervoor te zorgen dat ook volgende generaties van Nederland als veilig en welvarend waterland genieten. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Daarnaast levert water een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn.
Om dit te bereiken moet water bepalender dan voorheen zijn bij de besluitvorming over grotere opgaven op het terrein van onder andere verstedelijking. De mate waarin water bepalend is bij ruimtelijke ontwikkelingen hangt af van de aard, omvang en urgentie van de wateropgave in relatie tot andere opgaven en kenmerken in dat gebied. Waterplan Gelderland 2010-2015 Het Waterplan zet het vorige beleid van het derde Waterhuishoudingplan (WHP3) voort. In het Waterplan staat beschreven hoe de provincie Gelderland wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Het plan geeft richtingen aan voor de bescherming, instandhouding en verbetering van de waterhuishouding voor alle maatschappelijke functies zoals landbouw, natuur en stedelijk gebied. De hoofddoelstelling is dat het water in 2027 volledig op orde moet zijn voor de maatschappelijke functies. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 waterschap Vallei en Veluwe In dit programma heeft waterschap Vallei en Veluwe haar huidige koers en ambities voor de toekomst vastgelegd. Het waterbeheerprogramma bestaat uit 3 deelprogramma's: waterveiligheid; richt zich op het voldoende beschermen van het gebied tegen overstromingen; 38
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 watersysteem; onderverdeeld in landelijke, stedelijke en KRW systemen, waarbij gericht wordt gestuurd op de juiste hoeveelheid water, de juiste kwaliteit van het water en (in het stedelijk watersysteem) het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen; waterketen; dit programma richt zich op goede oppervlaktewaterkwaliteit, het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en de hoogst haalbare waarde uit het water halen. Ondanks de losse programma's voor het watersysteem en de waterketen worden deze wel heel nadrukkelijk als één systeem behandeld, en komen de ambities binnen deze programma's dus ook voor een groot deel overeen. In de programma's spelen het anticiperen van en reageren op klimaatontwikkelingen en het terugwinnen van grondstoffen een belangrijke rol. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater; het scheiden van vuil en schoon water.
Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar; de afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats; rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige en toekomstige situatie In de huidige situatie zijn een op het perceel aan de Tolnegenweg 69 te Voorthuizen een aantal opstallen aanwezig. Het verhard oppervlak van deze opstallen is niet aangesloten op de aanwezige drukriolering. Aan de noordzijde van het perceel is een C-watergang aanwezig. De grondwaterstand ter plaatse is 40-80 meter beneden maaiveld (maps.bodemdata.nl). De opstallen op het terrein zullen worden gesloopt. Hiervoor in de plaats zal een nieuw bijgebouw en een tweetal woningen met bijgebouw worden gerealiseerd. De totale hoeveelheid nieuwe verharding bedraagt 1.578 m². Het hemelwater dat vanaf deze verharding tot afstroming komt wordt opgevangen in een nieuw te realiseren wadi, die zal beschikken over een overloop richting een nieuwe poel. Deze wadi zal met een inhoud van 76 m³ ruimschoots voldoen aan de bergingseis van 30 mm. Eventueel kan de poel een overloop krijgen richting de C-watergang aan de noordzijde van het perceel.
Door de realisatie van dit plan zal huishoudelijk afvalwater vrijkomen. Dit afvalwater dient opgevangen te worden in een verzamelleiding, en kan vervolgens worden afgevoerd richting de drukriolering die reeds aanwezig is in de Tolnegenweg. Hiervoor moet een rioolaansluitvergunning worden aangevraagd bij de afdeling BOR. Om grondwateroverlast te voorkomen, dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Het advies aan de initiatiefnemer is om een goed beeld te krijgen van de grondwaterstanden. Het structureel onttrekken van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Ophoging van het terrein is mogelijk nodig om voldoende ontwateringsdiepte onder de gebouwen te bereiken. Het structureel onttrekken van grondwater voor voldoende ontwateringsdiepte is geen duurzame oplossing en is niet toegestaan. In het kader van duurzaam bouwen worden er geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast. De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is.
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan Buitengebied 2012 gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. In dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. De regels van Hoofdstuk 2 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden bij de bestemming 'Agrarisch' en 'Wonen' herzien. Zie ook hieronder en zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening. In de regels wordt aan artikel 3.1, achter 'd. het hobbymatig houden van vee' van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" een zinsnede toegevoegd. Dit omdat het houden van dieren niet mogelijk is vanwege de interne saldering in het kader van ecologie (gebiedsbescherming, Natura 2000-gebied Veluwe, Wet natuurbescherming). Ook is er bij de bestemming 'Wonen' een zinsnede toegevoegd aan artikel 20.5.1, achter 3 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", zodat ook daar het houden van dieren niet is toegestaan. Daarnaast zijn er twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen in dit plan. Dit om daarmee de inrichting van het terrein (inclusief wadi en poel) en de landschappelijke inpassing zeker te stellen.
Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de sloop van de voormalige agrarische bebouwing aan Tolnegenweg 69 zeker te stellen. Met daarbij opgenomen dat er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verleend en onherroepelijk dient te zijn (voordat wordt begonnen met de sloop van de bebouwing indien blijkt dat beschermde natuurwaarden dit verplichten). De partiële herziening leidt er op de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de 40
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 bestemming 'Agrarisch' (met bouwvlak) op het perceel Tolnegenweg 69 wordt gewijzigd naar de bestemming 'Wonen' (en 'Agrarisch', zonder bouwvlak). De aanduiding 'intensieve veehouderij' komt te vervallen. Voor het overige worden de bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' niet herzien. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' wordt enkel opgenomen buiten het bestemmingsvlak 'Wonen' en het gedeelte dat nu al geen dubbelbestemming heeft binnen de agrarische bestemming op het terrein krijgt dit eveneens niet. Verder komen deze aanduidingen op de Tolnegenweg 69: - specifieke bouwaanduiding - woongebouw. Dit ten behoeve van het nieuw te realiseren woongebouw op het oostelijke bestemmingsvlak; - maximum oppervlakte (m2). Dit ten behoeve van het bijgebouw bij de bestaande bedrijfswoning aan de Tolnegenweg 69 (bij het westelijke bestemmingsvlak); Verder zijn de bouwvlakken voor de woningen aangeduid alsmede liggen er gebiedsaanduidingen met betrekking tot de voorwaardelijke verplichtingen. De gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied V' blijft ook op het perceel gelden. Op de verbeelding is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' verkleind (ligt alleen nog buiten de bestemming 'Wonen').
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting'. 6.4.1.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In onderhavige partiële herziening zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Eén voorwaardelijke verplichting houdt verband met de inrichting van het terrein (inrichtings-/beplantingsplan, Bijlage 1 bij de regels van het plan). Verder is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de sloop van bepaalde bebouwing op de locatie Tolnegenweg 69 zeker te stellen. Dit betreft Bijlage 2 bij de regels van het plan.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
"Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.