Toelichting Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012.pdf
Tekst van het document
De hoogste geluidbelasting treed op in de avondperiode ter plaatse van referentiepunt 003. De maatgevende bron betreft de geopende overheaddeur (bron 008a). Maximaal optredende geluidniveaus (LAmax) De maximale geluidniveaus ten gevolge van de gehele inrichting is in de dag- en avondperiode lager dan de toetsingswaarde van 65 dB(A) respectievelijk 60 dB(A) welke aansluit bij de richtafstand van 30 meter overeenkomstig de VNG-publicatie milieuzonering. Het hoogst berekende maximale geluidsniveau treed op in de dagperiode ter plaatse van referentiepunt 003. De maatgevende bron is de vrachtwagenbeweging (bron 003). Indirecte hinder De geringe vervoersbewegingen afkomstig van het bedrijf gaan direct op in het heersende verkeersbeeld. De indirecte hinder is niet nader beschouwd. Conclusie Ter plaatse van de woningen van derden wordt in de dag- en avondperiode ruimschoots voldaan aan de normering zoals gesteld in het activiteitenbesluit. Uit het onderzoek blijkt dat het bedrijf Overheem Houtbewerking - Kozijnspecialist op basis van de verstrekte bedrijfsgegevens het bestaande bedrijf inclusief de uitbreiding inpasbaar is binnen de bedrijfskavel 3.2. In kader van een goede ruimtelijke ordening is geen belemmering aanwezig voor uitbreiding van het bedrijf Overheem Houtbewerking – Kozijnspecialist, gelegen aan de Wielweg 44 te Zwartebroek, gemeente Barneveld. 24
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Door middel van dit plan zullen er geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt worden. Daarnaast zullen er geen geur belastende functies opgericht worden. Conclusie Het aspect geur is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van het huidige geldende bestemmingsplan een uitbreiding van 142 m2 mogelijk.
Het betreft hier een uitbreiding van een bestaand bedrijf en voorziet hier in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, twee lid, van het Bro omdat de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is vestiging op een bedrijventerrein, gezien de huidige eigendomssituatie van het onderhavige perceel financieel niet aantrekkelijk.De huidige vergroting voorziet in een uitbreiding waarbij maatwerk geleverd wordt. Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor dit plan.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
25
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect 'leidingen en laagvliegroutes' geeft geen belemmering aan de uitvoering van dit plan
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, 26
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.
Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
Onderzoek IIn het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 283 m² bedrijfshal. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r.
(en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie "Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: Voor een timmerfabriek geldt voor het aspect geluid een richtafstand van 100 meter. Binnen 100 meter van de inrichting is een woning van een derde gelegen, waardoor het aspect geluid getoetst dient te worden. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 2 en paragraaf 5.5. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de geluidsnormen. Het bestaande machine- en apparatenfabriek zal gesplitst worden van de timmerfabriek. Hier zullen geen extra rechten aan toegekend worden en er zal geen uitbreiding/wijziging plaats vinden. Derhalve is er geen sprake van veranderde situatie. Het aspect geluid behoeft gelet op het bovenstaande de voorgenomen bestemmingswijziging niet in de weg te staan. Ter hoogte van de omliggende woningen van derden is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan de melding Activiteitenbesluit voor het aspect geluid worden geaccepteerd. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Voor de locatie Wielweg 44 en 46 te Achterveld is een erfinrichtingsplan opgesteld. Bestaande elementen worden behouden en op onderdelen versterkt. Houtwallen tussen de bebouwing zorgen ervoor dat het kampenlandschap meer zichtbaar wordt. Het erfinrichtingsplan is als Bijlage 1 bij de regels van het wijzigingsplan gevoegd. Momenteel is op het perceel aan de Wielweg 44 en 46 1.091 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig. Binnen het bestemmingsplan is een maximale bedrijfsoppervlakte van 1.232 m2 mogelijk. Er zal in totaal 283 m2 aan bedrijfsbebouwing toegevoegd worden (waarvan 142 extra dan is toegestaan). In percentages zal er dus 26% toegevoegd worden, waarvan 13% bovenop het toegestane in het bestemmingsplan. De uitbreiding van de bedrijfsbestemming zal onder de 30% blijven. Hierdoor is er op basis van artikel 2.53 lid 4 omgevingsverordening Gelderland geen sprake van een grootschalige uitbreiding. Het is van belang dat wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten per saldo niet significant worden aangetast. Bij dergelijke ontwikkelingen is een landschappelijke inpassing noodzakelijk. Als voorwaardelijke verplichting is dan ook een landschappelijke inpassing opgenomen. Gezien het feit dat het plangebied gelegen is in de Groene Ontwikkelingszone is er een aanvullende investering verreist.
Het gaat om de volgende punten, zoals aangegeven op onderstaande afbeelding: creëren paddenpoel (100 m2) (I); aanleggen inheemse struiken/bossage (J); herstellen sloot en verwijdering duiker (M);
28
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding 5.2.: gewenste inrichting De gewenste ontwikkeling sluit aan bij de kernkwaliteiten van het deelgebied (deelgebied 127, Zwartebroek, zoals genoemd in de provinciale omgevingsverordening). Met de aanleg van een paddenpoel zoals aangegeven, wordt aanvulling gezocht op de vochtige eigenschappen van Zwartebroek. Aanleg van een poel met flauwe oevers (m.n. aan de noordzijde) biedt veel mogelijkheden voor onder andere reptielen en salamanders. De nieuwe inheemse aanplant onder 'J' draagt bij aan de samenhang tussen de natuur aan de noordzijde en de nieuwe aanplant op het perceel. De nieuwee inheemse planten sluiten aan bij de bestaande bossage die aanwezig is op het perceel. Daarnaast zal de bestaande inrit onder 'M' verdwijnen inclusief duiker. Tot slot zal er zo weinig mogelijk licht en lichtmasten geïnstalleerd worden in en rondom het terrein om lichtvervuiling tegen te gaan. De landschappelijke inpassing wordt met deze partiële herziening van het bestemmingsplan vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting (zie art. 7.1.1). Daarnaast krijgt een deel van de landschappelijke inpassing de bestemming 'Groen' om deze extra aan te duiden en te beschermen. Conclusie Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor dit plan.
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. "Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Ten behoeve van de uitbreiding zullen er parkeerplaatsen op het eigen terrein gerealiseerd worden. Op de locatie zullen 4 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd worden voor eigen personeel (E). Daarnaast zal aan de westzijde een nieuwe ontsluiting gerealiseerd op de Blankenhoefseweg (G en H). De ontsluiting van de timmerwerkfabriek zal vai deze route ontsloten worden. Dit heeft bedrijfsmatige voordelen met laden en lossen. Dit leidt tot een betere situatie. Zie onderstaande afbeelding voor een uitsnede.
Afbeelding 5.3.: uitrit plangebied Conclusie Het aspect Verkeer vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan.
5.15
Water
Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het 30
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 waterschap Vallei en Veluwe In dit programma heeft waterschap Vallei en Veluwe haar huidige koers en ambities voor de toekomst vastgelegd.
Het waterbeheerprogramma bestaat uit 3 deelprogramma's: Waterveiligheid; richt zich op het voldoende beschermen van het gebied tegen overstromingen, Watersysteem; onderverdeeld in landelijke, stedelijke en KRW systemen, waarbij gericht wordt gestuurd op de juiste hoeveelheid water, de juiste kwaliteit van het water en (in het stedelijk watersysteem) het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen, Waterketen; dit programma richt zich op goede oppervlaktewaterkwaliteit, het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en de hoogst haalbare waarde uit het water halen. Ondanks de losse programma's voor het watersysteem en de waterketen worden deze wel heel nadrukkelijk als één systeem behandeld, en komen de ambities binnen deze programma's dus ook voor een groot deel overeen. In de programma's spelen het anticiperen van en reageren op klimaatontwikkelingen en het terugwinnen van grondstoffen een belangrijke rol. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater.
Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing. Langs de planlocatie zijn twee C-watergangen aanwezig. De bedrijfswoning is aangesloten op drukriolering. Toekomstige situatie Er zal op het terrein een bedrijfshal uitgebreid worden. In totaal zal er 283 m2 aan bedrijfsbebouwing toegevoegd worden. Hemelwater van verhard terrein stroomt af naar onverhard terrein en kan daar infiltreren. Op eigen terrein wordt een wadi/bezinksloot gerealiseerd t.b.v. de bebouwing met een capaciteit van 77 m3. Deze wadi krijgt een overloop naar de naastgelegen C-watergang. De overloopvoorziening dient te worden toegepast met taludbescherming. In het kader van duurzaam bouwen worden er geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast. Conclusie De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is.
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemming(en) 'Agrarisch', 'Bedrijf - Niet agrarisch' en 'Groen' worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. In de regels van 'Bedrijf - Niet Agrarisch' wordt aan de binnen artikel 6.2.2, lid c van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 opgenomen tabel, Wielweg 44-46 - 1.232 m² uit de tabel geschrapt, en hiervoor in de plaats komt de straat Wielweg 44 met een maximale oppervlaktemaat van 527 m² en de straat Wielweg 46 met een maximale oppervlaktemaat van 848 m². Dit om de maximale totale bebouwde oppervlakte van de bedrijfsgebouwen aan te geven. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit plan betreffende de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in artikel 7.1. Op het oostelijk gelegen bestemmingsvlak 'Bedrijf - Niet agrarisch', Wielweg 46, is de functieaanduiding 'bedrijfswoning uitegesloten' opgenomen. Alleen de bestaande bedrijfswoning op de westelijk gelegen bedrijfsbestemming van de Wielweg 44 is toegestaan en het bestemmingsplan beoogt geen tweede bedrijfswoning mogelijk te maken.
Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd in die zin dat het bouwvlak is aangepast en een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting toe te voegen. De partiële herziening leidt er op de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' zal uitgebreid worden aan de zuidzijde ten behoeve van de uitbreiding. 32
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 Daarnaast zal de bestemming opgedeeld worden in twee bestemmingsvlakken. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.1.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In onderhavige partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de landschappelijke inpassing van het perceel.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. "Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
34
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Doordat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, behoeft de raad op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro in dit geval geen exploitatieplan vast te stellen. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 21 januari in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende patiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden.
8.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er zijn geen belangen van bovenstaande instanties in het geding.
8.2
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van … tot en met … ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het plan. In de bijlage bij deze partiële herziening is de Nota Zienswijzen bijgevoegd.
36
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)