Toelichting Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012.pdf
Tekst van het document
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
(december, 2021) bestemmingsplan Plannr. 1628
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 INLEIDING
5
Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen
6 6 6
Hoofdstuk 3 PLANBESCHRIJVING 3.1 Perceel 3.2 Bestemmingsplan
8 8 8
Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Rijk 4.2 Provincie 4.3 Regio 4.4 Waterschap 4.5 Gemeente
10 10 11 13 15 15
Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Veiligheid 5.14 Verkeer 5.15 Water
19 19 20 21 23 24 25 25 26 26 26 28 28 29 30 30
Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Inleiding 6.2 Inleidende regels 6.3 Bestemmingsregels 6.4 Algemene regels 6.5 Overgangs- en slotregels 6.6 Handhaving
32 32 32 32 33 33 33
Hoofdstuk 7
35
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Zienswijzen
36 36 36
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
Bijlage 3
Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012
2
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
3
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
4
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Toelichting Hoofdstuk 1
INLEIDING
Voor het perceel aan de Wielweg 44 en 46 te Zwartebroek is een verzoek ingediend om een uitbreiding te realiseren bij een bestaande timmerwerkplaats en de bedrijven planologisch te splitsen. Op het perceel zijn momenteel twee bedrijven gevestigd maar deze vallen onder een en dezelfde bestemming. De timmerwerkplaats op het perceel Wielweg 44 zal uitbreiden ten zuiden van de huidige bedrijfsgebouwen en de bedrijven zullen gesplitst worden. Op afbeelding 1.1 de globale ligging van het plangebied.
Afbeelding 1.1.: Ligging plangebied Wielweg 44-46. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend plan (partiële herziening van de verbeelding en de regels) bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van deze partiële herziening.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
5
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 2 2.1
BESTAANDE SITUATIE
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de Wielweg 44-46 in het buitengebied, circa 300 meter ten oosten van de kern Zwarteboek. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Wielweg en aan de westzijde door de Blankenhoefseweg. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de woonbestemming van de Wielweg 48 en aan de zuidzijde tevens aan agrarische gronden. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1.: Begrenzing plangebied
2.2
Geldende bestemmingen
Het plangebied ligt in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' en heeft de bestemmingen 'Bedrijf - niet agrarisch' met de functieaanduidingen 'opslag' en 'specifieke vorm van bedrijf - machine- en apparatenfabriek'. Buiten de bedrijfsbestemming geldt de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak. Daarnaast kennen de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Beplanting en verkaveling', 'Waarde - Openheid en Reliëf' en 'Waterstaat - Waterhuishouding'. Tot slot kennen de gronden de gebiedsaanduidingen 'ecologische hoofdstructuur' en 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied GV' Uitbreiding van de timmerwerkplaats is binnen de bestemming 'Agrarisch' is niet toegestaan en de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt groter dan de maximaal toegestane oppervlakte. In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.Onderstaand een uitsnede van het bestemmingsplan.
6
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding 2.2.: Bestemmingsplan
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
7
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 3 3.1
PLANBESCHRIJVING
Perceel
De timmerwerkplaats gevestigd aan de Wielweg 44 te Zwartebroek heeft vanwege bedrijfseconomische redenen behoefte om uit te breiden. Momenteel zijn er op dit perceel twee separate en kadastraal gesplitste bedrijven binnen hetzelfde bestemmingsvlak aanwezig. Op de Wielweg 44 is een timmerwerkplaats met een bedrijfswoning aanwezig. Op de Wielweg 46 is een machine- en apparatenfabriek aanwezig. Het bedrijf houdt zich bezig met ovenbouw. De timmerwerkplaats op nummer 44 heeft om bedrijfseconomische redenen behoefte om uit te breiden. Omdat beide bedrijven een ander soort bedrijvigheid voeren en andere wensen hebben is het wenselijk om deze bedrijven planologisch te splitsen. Op het perceel aan de Wielweg 44 en 46 is 1.091 m² aan bedrijfsbebouwing aanwezig. Er zal in totaal 283 m² aan bedrijfsbebouwing toegevoegd worden bij de timmerwerkplaats op Wielweg 44, waardoor de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op het gehele perceel 1.375 m² wordt (waarvan 142 m² extra is dan toegestaan). Om de uitbreiding landschappelijk in te passen zal aan de zuidzijde, ten opzichte van de uitbreiding, een nieuwe haag worden aangelegd. Aan de westzijde zal een nieuw inrit gerealiseerd worden. Onderstaand een schets van de gewenste situatie.
Afbeelding 3.1.: uitsende landschapsplan
3.2
Bestemmingsplan
Om de splitsing en uitbreiding mogelijk te maken zal het bestemmingsplan herzien moeten worden. De gewenste uitbreiding bedraagt 283 m², waarvan 141 m² nog mogelijk is binnen de huidige regels van het geldende bestemmingsplan. Voor de resterende 142 m² worden sloopmeters aangeleverd. Het geheel zal landschappelijk ingepast worden, hetgeen is vastgelegd in artikel 7.1.1. van de regels. Tevens krijgt een deel van de landschappelijke inpassing de bestemming 'Groen'. Daarnaast zal het bestaande bestemmingsvlak opgesplitst worden in twee seperate bestemmingen. Beiden blijven de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' houden, maar staan los van elkaar. Het bedrijf gelegen in het noordoosten van het plangebied, Wielweg 46, behoudt daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - machine- en apparatenfabriek' met een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 848 m² opgenomen in de regels. Het bedrijf op Wielweg 44, welke gaat uitbreiden 8
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 zal de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - timmerwerkfabriek' krijgen met een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 527 m² opgenomen in de regels. Daarnaast zal het bedrijf aan de oostzijde, nummer 46, een aanduiding krijgen om een bedrijfswoning uit te sluiten. In de huidige situatie kent deze ook geen bedrijfswoning.
Afbeelding 3.2.: Nieuwe bestemmingen.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
9
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 4
BELEIDSKADER
4.1
Rijk
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Ruimte. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. De SVIR vervangt verschillende nota's, waaronder ook de Nota Ruimte en geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Met de SVIR zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. De SVIR geeft invulling aan het streven van het kabinet naar deregulering en decentralisatie van de ruimtelijke ordening. Het Rijk heeft gekozen voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan de andere overheden goed door hen worden behartigd.
Het Rijk heeft drie doelen gekozen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De 13 nationale belangen zijn: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3) Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6) Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem
te waarborgen (nationaal belang 7) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13) Doorwerking in plangebied In dit geval is er geen sprake van één van deze 13 nationale belangen. De SVIR vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
10
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
4.1.2
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat eruit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.
Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.1.3
Crisis- en herstelwet
Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135). De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen.
Doorwerking in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing, want het gaat om het planologisch juist bestemmen van een situatie en uitbreiding van een bestaand bedrijf.
4.2
Provincie
4.2.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
11
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet. 4.2.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebied Het splitsen van een bestaand bedrijf en een uitbreiding in het buitengebied op de locatie aan de Wielweg is niet in strijd met de belangen uit de Omgevingsvisie. 4.2.1.2
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. In de Omgevingsverordening is het plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 2: Regels Landbouw (Plussenbeleid) Kaart 3: Regels Glastuinbouw (Tijdleijk verbodsgebied her-/nieuwvestiging en uitbreiding bestaande glastuinbouw) Kaart 4: Regels Natuur (Groene ontwikkelingszone) Kaart 6: Regels Water en Milieu (intrekgebied) Het plangebied ligt binnen het gebied dat op kaart 2 is aangewezen als 'Plussenbeleid'. Daarbinnen is uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij door een bestemmingsplan alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels. Omdat het hier niet gaat om het voortzetten of uitbreiden van een agrarisch bedrijf, volgen vanuit deze kaart geen specifieke aanduidingen die relevant zijn voor onderhavig bestemmingsplan.
Dit geldt ook voor kaart 3, omdat er op deze locatie geen sprake is van glastuinbouw en ook na de functiewijziging zal dat dit niet aan de orde zijn. Op kaart 6 is te zien dat de locatie valt binnen het gebied aangewezen als 'Intrekgebied'. In artikel 2.38 is bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft gronden binnen dit gebied de winning van fossiele energie niet mogelijk maakt. Hiervan is bij onderhavig plan geen sprake van. Kaart 4 toont aan dat het voorliggende plan gelegen is in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GO zijn ontwikkelingen onder voorwaarden mogelijk. Het is van belang hoeveel bebouwing er bij komt en dat de kernkwaliteiten van het gebied versterkt worden. De volgende investering zullen gedaan worden in het plangebied: creëren paddenpoel (100 m2); aanleggen inheemse struiken/bossage; herstellen sloot en verwijdering duiker. 12
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Voor een nadere beschrijving wordt verwezen naar hoofdstuk 5.12 Op kaart 4 is daarnaast te zien dat de planlocatie is aangewezen als 'Beschermingszone natte landnatuur'. Dit is een gebied in een zone rondom natte natuur in het Gelders natuurnetwerk waar de kwantitatieve grondwatersituatie directe invloed heeft op de instandhouding van de natte landnatuur. Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. In artikel 2.61 is aangegeven dat in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van een hydrologische beschermingszone, geen functies worden toegestaan die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Nieuwe functies binnen hydrologische beschermingszone dienen te worden getoetst op hun eventuele negatieve effecten op de grondwatersituatie voor de natte landnatuur. Bij nieuwe functies moet met name gedacht worden aan bebouwing en andere vormen van verharding. Op basis van het functieveranderingbeleid zal er per saldo meer oppervlakte verdwijnen dan er toegevoegd zal worden. In onderhavig geval is er geen sprake van de oprichting van een nieuwe functie. Ten eerste zullen de reeds bestaande bedrijven gesplitst worden en zal het bedrijf ten westen uitbreiden. Het gaat hier om een timmerwerkplaats. Het maximale aan extra meters bedraag 142 m2.
Deze zullen in het bestemmingsplan vastgelegd worden. Kaart 6 geeft aan dat het plangebied gelegen is in Water en milieu (intrekgebied). Op het plangebied zullen ten eerste geen nieuwe bedrijven toegestaan worden op deze locatie. De bedrijvigheid aan de oostzijde zal niet uitgebreid en gewijzigd worden. Aan de zuidzijde zal de timmerwerkplaats uitgebreidt worden. De timmerwerkplaats zal voor de bodem en de natte landnatuur geen nadelige effecten kennen. De bestaande watergangen zullen niet aangepast worden en de duiker ter hoogte van 'M' zal verwijderd worden. Het hemelwater rondom de paddenpoel zal afgevoerd worden op de paddenpoel om te zorgen voor het natuurlijk intrekken in de bodem. Tot slot zal er een overstort komen op de sloot aan de wesztijde. Hierdoor worden de natte elementen in het landschapstype behouden en versterkt. Hiermee is aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Nu de inrichting van het terrein planologisch is verankerd (met een voorwaardelijke verplichting, zie artikel 7.1 van de regels van dit bestemmingsplan) is deze ontwikkeling niet strijdig met de omgevingsverordening.
4.3
Regio
4.3.1
Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016
In maart 2017 is het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2008 is hiervoor de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld met in 2012 een “Nadere invulling” daarvan. Vanuit onder meer de praktijkervaringen van de regiogemeenten en jurisprudentie is de wens ontstaan om de beide beleidskaders uit 2008 en 2012 samen te voegen en te actualiseren. Het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 is dan ook primair geen nieuw beleid.
Wel zijn enkele beleidsaanpassingen/-toevoegingen gedaan; Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters; Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken; (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt; Deelnemende gemeenten Het regionale beleid voor functieverandering is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio Food Valley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale "Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
13
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 beleid van toepassing is omvat de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen. Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters Om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken en de voorgaande systematiek van afroming te vereenvoudigen, worden sloopmeters als eerste stap in een functieveranderingsproces vóór gebruik of verkoop 'omgezet' naar een 'inzetbare sloopmeters'. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als 'sloopmeters', waarna de omzetting plaatsvindt naar 'inzetbare sloopmeters'. Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Regionale inzetbaarheid van inzetbare sloopmeters Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van inzetbare sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter.
Basissystematiek Vanuit het functieveranderingsbeleid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door middel van compensatie van inzetbare sloopmeters mogelijk in twee hoofdvormen met een basissystematiek; functieverandering naar wonen; functieverandering naar werken: (niet-agrarische) bedrijven, maatschappelijke en recreatieve functies. De basissystematiek is opgebouwd met een standaard 'recht' voor een nieuwe woning/wooneenheid of niet-agrarisch bedrijf, het woningrecht en het bedrijfsrecht waarvoor een compensatie van inzetbare sloopmeters nodig is. Daarnaast wordt compensatie van inzetbare sloopmeters gevraagd per 1 m³ inhoud van de woning of 1 m² vloeroppervlakte niet-agrarisch bedrijf. Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze) In het geactualiseerde beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen. Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid. De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Een toegevoegde mogelijkheid is functieverandering van een woning naar een woongebouw, voor onder meer mogelijk toekomstige mantelzorgsituaties of meergeneratiewoningen.
Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Doorwerking in het plangebied Het functieveranderingsbeleid maakt uitbreidingen van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied mogelijk tot maximaal 1.000 m². Momenteel staat er in totaal 1.091 m² aan bedrijfsbebouwing. Het perceel zal gesplitst worden en de twee bedrijven zullen een specifieke aanduiding krijgen. De gewenste uitbreiding van de timmerwerkplaats zal binnen de 1.000 m² passen. Hier wordt echter nog wel gerekend met de bestaande bebouwing, waarvan de vloeroppervlakte meer is dan 500. In dit geval betreft het daarom de hoogste staffel (3 m²) aan inzetbare sloopmeters per 1 m² aan toe te voegen bedrijfsbebouwing. De totale uitbreiding van de timmerwerkplaats bedraagt 283 m², waarvan 141 m² mogelijk is binnen de huidige mogelijkheden van het bestemmingsplan. Voor de overige 142 m² dienen sloopmeters aangeleverd te worden. In totaal wordt er 426 m² aan sloopmeters aangeleverd. Deze sloopmeters komen van de Binnenweg 9 te De Klomp (30 m²) en Meulunterseweg 16 te Lunteren (396 m²). Conclusie Voorliggend plan valt binnen de regels van het functieveranderingsbeleid omdat er sprake is van uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing.
Door het aanleveren van voldoende sloopmeters van verschillende locaties wordt voldaan aan het functieveranderingsbeleid. Het functieverandersbeleid vormt daarmee geen belemmering voor dit plan.
14
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
4.4
Waterschap
4.4.1
Waterbeheerprogramma 2016-2021Waterschap Vallei en Veluwe
Op 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Partnerschap als watermerk' van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt in het waterbeheerprogramma dat de huidige wateropgaven zo complex zijn, dat alleen een aanpak samen met partnerorganisaties en inwoners zorgt voor de gewenste resultaten en de beste oplossingen. Daarom kan en wil het waterschap niet alleen opereren in het behalen van zijn doelen en hecht daarom groot belang aan de samenwerking met zijn partners in de regio. Samen met inwoners, ondernemers en andere organisaties wil het waterschap werken aan een duurzame waterzuivering van afvalwater en toekomstgericht beheer van onze dijken en waterwegen zodat iedereen tegen aanvaardbare kosten veilig kan wonen, werken en recreëren. Daarbij wil Waterschap Vallei en Veluwe de goede waterhuishoudkundige voorwaarden scheppen voor zowel inwoners, bedrijven, natuur en landbouw. Een belangrijke ontwikkeling waar het waterschap op anticipeert, is het veranderende klimaat. Deze verandering zal leiden tot meer extreme weersituaties: perioden van veel neerslag met kans op wateroverlast en perioden van droogte met kans op watertekorten. Om goed voorbereid te zijn, wil het waterschap het watersysteem robuuster maken door meer ruimte voor wateren te reserveren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied.
Het waterschap wil de effecten van klimaatverandering beperken door het vasthouden van water, het inrichten en beheren van robuuste watersystemen en het inrichten van een beperkt aantal waterbergingsgebieden. Afkoppelen van relatief schoon hemelwater van het riool is een belangrijke maatregel om overbelasting van het riool en een te snelle afvoer te voorkomen. Daarnaast wil het waterschap negatieve effecten op de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en bodem voorkomen, evenals negatieve effecten op beschermde flora en fauna. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.4.2
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
4.5
Gemeente
4.5.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld.(De vastgestelde versie is gepubliceerd op 29 december 2011 (Staatscourant, nr. 23938). De gemeente Barneveld heeft op 28 september 2016 de Strategische Visie Barneveld 2030 vastgesteld. De Strategische Visie geeft aan welke doelen het gemeentebestuur nastreeft voor de periode tot 2030. Daaraan voorafgaand heeft de raad in januari 2009 de Structuurvisie 2009 vastgesteld waarin de stedelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar zijn weergegeven. Mede op basis van de Strategische Visie is de Structuurvisie 2009 geactualiseerd door de vaststelling van de Structuurvisie Kernen 2022. De Structuurvisie Buitengebied is het derde en laatste onderdeel van deze beleidstrilogie. In de op 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied wordt specifiek ingegaan op onderwerpen als landbouw, recreatie en landschap in de periode tot 2020. De twee structuurvisies vullen elkaar hierbij inhoudelijk aan. De strategische visie geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn. "Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
15
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Met deze Structuurvisie Buitengebied biedt de gemeente Barneveld ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon - en leefmilieu. Ontwikkelingen in de landbouw en bij recreatieve bedrijven zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap en woon- en leefomgeving. Deze omgevingskwaliteiten zijn ook de belangrijkste vestigingsfactoren voor het buitengebied. Initiatieven beoordeelt de gemeente daarom mede op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon en leefmilieu, verkeer en natuur. Dit moet leiden tot een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat op die manier wordt ingericht is een aangename plek om te werken en te recreëren. De structuurvisie beoogt daarbij ontwikkelingsruimte te bieden aan goede initiatieven en wil een basis zijn voor samenwerking om die te realiseren. Bovenstaande aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast worden deelgebieden onderscheiden met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie (zie bijlage 8 Structuurvisie). Onderstaand is per deelgebied en zone een ontwikkelingsrichting met kwaliteitsbeeld beschreven.
Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum) eisen zijn kaderstellend voor het bestemmingsplan.
Afbeelding 4.1.: Uitsnede Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda 4.5.1.1
Agrarisch slagenlandschap
De functie landbouw in het gebied is richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik, ingepast in het behoud en de versterking van de structuurbepalende natuur- en landschapselementen.. Functieverandering naar wonen / niet agrarische bedrijvigheid wordt vorm gegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. Karakteristiek De rationele verkaveling rond Zwartebroek is gekoppeld aan een relatief kleinschalige ruimtelijke opzet, doordat veel lijnen worden begeleid door beplanting (lanen, houtsingels etc.). Er ontstaan daardoor landschappelijke coulissen, c.q. kamers. Grote delen van het gebied zijn relatief gave relicten van het cultuurhistorische slagenlandschap. Het duidelijk nattere karakter is goed herkenbaar in de beplantingen. Gebruik De functie landbouw in het gebied is richtinggevend, ingepast in het streven naar behoud en versterking van de structuurbepalende natuur en landschapselementen in het gebied. In de natuurkerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur is de landbouwfunctie niet richtinggevend. Wij streven in die gebieden naar duurzame landbouw binnen de natuurdoelstellingen. In het gemeentelijk ruimtelijk beleid willen we rekening houden met passende schaalvergroting, waardoor enerzijds bedrijven kunnen groeien, anderzijds bedrijven hun agrarische activiteiten zullen beëindigen.
Functieverandering naar wonen/niet-agrarische bedrijvigheid) geven we vorm in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. 16
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
We streven in het agrarisch slagenlandschap naar een goede dagrecreatieve structuur. Voor versterking van die toeristisch-recreatieve functie van het gebied besteden we aandacht aan mogelijkheden voor het realiseren en verbeteren van wandel- en fietspaden. We zijn terughoudend ten aanzien van verblijfsrecreatie, uitgezonderd het stimuleren van recreatief medegebruik van agrarische gronden, als onderdeel van het beleid met betrekking tot nevenactiviteiten en functieverandering. Doorwerking in het plangebied In dit geval betreft het plan de uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf, waarbij de uitbreiding hiervan alleen onder strenge voorwaarden wordt toegestaan. Omdat het hier al een bestaand bedrijf betreft waarbij de uitbreiding gering is, is het op deze locatie acceptabel. Daarnaast wordt er op verschillende manieren gecompenseerd (sloopmeters, landschappelijke inpassing, creëeren van een poel) waardoor de omgeving hier voordelen uit haalt. Conclusie De structuurvisie vormt geen belemmering voor dit plan. 4.5.2
Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief'
Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van de totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.5.3
Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden.
Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst). Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. Zonnepanelen Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
17
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden. De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen – gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Laadpalen Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen.
Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Doorwerking in plangebied De aspecten en onderwerpen aangehaald ter inspiratie om mee te nemen in het plan. Een deel van de duurzame mogelijkheden wordt binnen het plan aangebracht.
18
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 5
RANDVOORWAARDEN
5.1
Bodem
5.1.1
Bodemkwaliteit
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een verdachte locatie. Om inzicht te krijgen in de bodemgesteldheid is door EcoReest BV het rapport 'Verkennend bodemonderzoek Wielweg 44 te Zwartebroek' (projectnummer: 200899, d.d. 17 juni 2020) opgesteld, welke is bijgevoegd als Bijlage 1. Het verkennend bodemonderzoek heeft als doel een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en het grondwater van het onderzoeksterrein. De onderzoekslocatie betreft een deels met klinkers en deels onverhard terrein achter een bestaande timmerwerkplaats. Het asbestverdachte dak van de bestaande schuur water af op straatwerk buiten de onderzoekslocatie.
Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit matig fijn zand. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op 1,2 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. In de grond zijn geen verhogingen aan de onderzochte parameters gemeten. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium gemeten. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het grondwater een overschrijding van de streefwaarde aan barium is aangetoond. Het gemeten gehalte aan barium wordt beschouwd als zijnde een van nature verhoogde waarde. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve bevestigd. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit plan. 5.1.2
Niet gesprongen explosieven
Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart is het plangebied niet als risicogebied aangegeven. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
19
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie lage en middelhoge verwachting
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een lage en middelhoge archeologische verwachting geldt.
Afbeelding 5.1.: uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart De hierboven opgenomen afbeelding geeft binnen het plangebied (blauwe contour) het volgende aan: Groen: lage archeologische verwachting, beekdal en beekoverstromingsvlakte; Geel: middelhoge archeologische verwachting, dekzandwelving 25-50cm. Advies archeologie: De locatie waar de uitbreiding van het bedrijvenpand zal plaatsvinden, ligt in de zone met een lage archeologische verwachting (groen op afbeelding 1). Bij deze verwachting horen de volgende vrijstellingsgrenzen: 10.000m2 en 30cm onder maaiveld. De uitbreiding zal ca. 283m2 bedragen en valt daarmee binnen de vrijstellingsgrenzen. Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 20
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
Wel wordt geadviseerd de dubbelbestemming archeologie (lage- en middelhoge verwachting) op de percelen aan de Wielweg 44 te behouden. Indien bij de werkzaamheden vondsten (aardewerk, vuursteen, oude funderingen, opvallende donkere verkleuringen in het gele zand etc.) worden gedaan waarvan men redelijkerwijs mag vermoeden dat deze van archeologische betekenis zijn, dient hiervan onmiddellijk melding te worden gemaakt (art. 5.10 Erfgoedwet). 5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedenbouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedenbouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). 5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid met waarde 5 (hoge waarde), waarbij het gaat om een grote eenheid met weinig bebouwing, stukken oud bos, laagten van verdroogde veenontginningen. Kenmerk van de verdroogde veenontginningen zijn rechte lijnen en verspreid liggende bospercelen. De voorgenomen nieuwbouw betreft een uitbouw van een bestaand pand achterop het perceel. Er zal daarmee een klein deel van het onbebouwde perceel bebouwd worden, maar een groot deel van het perceel zal onbebouwd blijven. De kenmerkende rechtlijnige percelering, noch de typische slootjes of beplanting langs de perceelsgrenzen wordt daarmee verstoord. De nieuwbouwplannen hebben geen grote invloed op deze landschappelijke kenmerken oftewel: de voorgenomen plannen zijn niet strijdig met de cultuurlandschappelijke waarde. De bouwregels sluiten dusdanig aan bij de cultuurhistorische waarden in het gebied dat, indien aan deze bouwregels wordt gehouden er voldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied.
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
21
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te bepalen of er beschermde soorten op het perceel aanwezig (kunnen) zijn heeft op 30 maart 2020 een ecologisch deskundige van de Omgevingsdienst De Vallei het perceel bezocht. Het gedeeltelijk aan te passen (huidige) gebouw herbergt door vorm en bouw (constructie/materiaalgebruik) geen soorten met een jaarrond-beschermde vaste rust- of verblijfplaats. Het nu ook te bebouwen en te verharden grondstuk achter het bestaande gebouw is gedeeltelijk reeds verhard, (hierop staan enige stalen containers en ligt wat materiaal opslag). Ook hier zijn geen soorten met een jaarrond-beschermde vaste rust- of verblijfplaats te verwachten. Een gedeelte van het te bebouwen en te verharden grondstuk is nu nog intensief agrarisch beheerd grasland. Dit geldt ook voor de nieuw geplande inrit, deze komt ook door ditzelfde agrarische perceel van en naar de Blankenhoefseweg te lopen.
Ook hier zijn geen, soorten met een jaarrond-beschermde vaste rust- of verblijfplaats, te verwachten.Er behoeven geen bomen gekapt of watergangen omgelegd te worden. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Een herplantplicht is niet aan de orde 5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit § 4.2.1.2 Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied wel in de GO ligt. Voor de toetsing wordt hiernaar 22
"Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 verwezen. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit plan.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie "Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
23
Wielweg II, partiële herziening Buitengebied 2012 Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Voorliggend plan voorziet in een uitbreiding van een bedrijf. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen en functies mogelijk gemaakt. Binnen de mogelijkheden van de huidige bestemming is een timmerwerkfabriek al toegestaan. De uitbreiding vindt plaats op 70 meter afstand van woningen van derden. Het bedrijf valt onder bedrijfscategorie 3.2 welke een vaste afstandsmaat kent van 100 meter tot gevoelige functies. Om van deze afstansmaat af te wijken is door Adviesbureau VOBRU Nieuwleusen een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd (kenmerk: 379/18112020.v1 d.d. 18 november 2020). Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 2. Hierbij wordt voor de inpassing uitgegaan van bedrijfscategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Langtijdgemiddeld geluidsniveau Het berekende langtijdgemiddelde geluidsniveau (Lar,LT) ter plaatse van de bij bedrijfscategorie 2 behorende richtafstand van 30 meter is in de dag- en avondperiode- lager of gelijk aan de toetsingsnorm van 45 dB(A) etmaalwaarde zoals aangegeven in de VNG publicatie milieuzonering.