Toelichting_Bijlage 4 Natuurtoets (gebiedsbescherming).pdf
Tekst van het document
Natuurtoets beschermde gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen
Opdrachtgever
Schreuder Adviseurs Volenbekerweg 14 3882 RE Putten
Contactpersoon
Jurgen Schreuder info@schreuder-adviseurs.nl
Uitvoering
Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer
2019098
Versie
Apr.20-v4
Behandeld door
Lex Groenewold
Datum
29 april 2020
Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL005108693B90• Bank: NL26 INGB 0673.0025.27
Inhoudsopgave 1 2 3 4
Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 Aanpak onderzoek ........................................................................................................ 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 4 5 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 5 5.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 5 5.1.1 Uitspraak PAS Raad van State ....................................................................... 5 5.1.2 Gevolgen woningbouw ................................................................................... 6 5.1.3 Spoedwet stikstof ...........................................................................................
6 5.1.4 Beleidsregels intern en extern salderen .......................................................... 7 5.1.5 Situatie Tolnegenweg 69 ................................................................................ 8 5.2 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) ........................... 10 6 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 11 6.1 Algemeen ............................................................................................................ 11 6.2 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 11 6.3 Gelders natuurnetwerk / Groene Ontwikkelzone .................................................. 12 7 Advies ......................................................................................................................... 13 8 Literatuur .................................................................................................................... 14 Bijlagen .............................................................................................................................. 14
Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Uitdraaien Aerius
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
2
Versie: 29 april 2020
1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft het voornemen om op het perceel aan de Tolnegenweg 69 te Voorthuizen, gemeente Barneveld de bestaande agrarische opstallen te slopen en twee nieuwe woningen te realiseren. Voor de uitvoering is een quickscan natuur noodzakelijk. Het gaat dan om beschermde soorten en verblijfplaatsen en om beschermde gebieden. Dit onderzoek betreft het onderdeel gebiedsbescherming. Een separate rapportage gaat in op beschermde soorten en verblijfplaatsen.
2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven in de figuren hieronder en in de bijlage. Het betreft een oud agrarisch perceel met een woning en omliggende schuren. De bestemming is agrarisch. De schuren worden gesloopt en achter op het terrein is een 2-o-1-kap woning gepland. Het geheel wordt landschappelijk ingepast. Vanwege mogelijk beschermde natuurwaarden is een ecologisch onderzoek noodzakelijk (quickscan). Het gaat dan zowel om beschermde soorten als om de effecten voor het nabijgelegen natuurgebied Natura 2000. Deze rapportage gaat met name in op de gebiedsbescherming.
Bestaande (links) en nieuwe situatie
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
3
Versie: 29 april 2020
3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen op de Natura2000 gebieden in de omgeving en vindt toetsing plaats. Als het plan invloed heeft op Natura 2000 gebied of gelegen is in het Nationaal natuurnetwerk moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.
4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen (separate rapportage). Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden. Als er effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.
4.1
Gewenste ontwikkeling
Het plan omvat de sloop van de agrarische opstallen en realisatie van twee nieuwe woningen met bijgebouwen (schuren en ‘hooiberg’). Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde gebieden zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het slopen van de bestaande opstallen - het bouwrijp maken van het terrein - het realiseren en gebruik van een nieuwe dubbele woning en bijgebouwen - het planten van een kleine hoogstam fruitboomgaard - het realiseren van een poel met natuurvriendelijke oevers - de aanleg van tuinen en landschappelijke inpassing
4.2
Bronnenonderzoek
Het nieuw geplande woongebouw ligt in kilometerhok x:174/y:467. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket en waarneming.nl. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Daarbij is ook gebruik gemaakt van een uitdraai van de NDFF uit de omgeving. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst).
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
4
Versie: 29 april 2020
5 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van Voorthuizen.
5.1
Natura 2000
Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen hiervoor de onderliggende basis. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijgelegen schuur staat op ca. 20m van Natura2000 gebied Veluwe. Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor diverse vogelsoorten (o.a. zwarte specht, draaihals, nachtzwaluw, roodborsttapuit, ijsvogel), amfibieën (o.a. kamsalamander), meervleermuis en vliegend hert. Geen van deze soorten is in het plangebied aangetroffen of te verwachten. Er verdwijnt door realisatie van de plannen ook geen leefgebied voor deze soorten. Het aangrenzende bosgebied ter plaatse is geen kwalificerend type. Het dichtstbijgelegen kwalificerend habitattype is beukeneikenbos met hulst en ligt op ca. 390m ten noordwesten van de planlocatie. De Veluwe heeft ook diverse habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Belangrijkste effect voor Natura 2000 gebied Veluwe betreft daarmee de stikstofdepositie van het plan. Omdat de nieuwe woningen gasloos worden uitgevoerd betreft dit alleen het aan- en afrijdend verkeer.
5.1.1 Uitspraak PAS Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
5
Versie: 29 april 2020
toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist.
Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet natuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoordeling noodzakelijk. 5.1.2 Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie.
Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvonden en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van die agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. 5.1.3 Spoedwet stikstof Per 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak Stikstof in werking getreden. Deze wet vormt de basis voor een nadere uitwerking in ‘Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur’
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
6
Versie: 29 april 2020
waarvan de internetconsultatie inmiddels is afgerond. Beoogde relevante regelgeving betreft o.a.: a. “Met dit pakket aan maatregelen wordt het in de woningbouwsector mogelijk om in 2020 de benodigde 75.000 woningen te realiseren. Gebiedsgericht moet hier invulling aan worden gegeven, waarbij er meer ruimte zal zijn in geval keuzes gemaakt worden voor locaties of projecten die de aanvullende stikstofdepositie op Natura 2000gebieden relatief beperkt houden.” b. “Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat voor activiteiten die geen significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-vergunning meer aangevraagd hoeft te worden. Dit is in lijn met de Vogel- en Habitatrichtlijn.” Woningbouwprojecten die een beperkte toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben worden naar alle waarschijnlijkheid meldingsplichtig. De inwerkingtreding van de regeling is echter nog niet bekend. 5.1.4 Beleidsregels intern en extern salderen Gedeputeerde Staten van Gelderland stelden op 10 december 2019 de Beleidsregels intern en extern salderen (Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent stikstof) vast. Deze beleidsregels gelden voor de het verlenen van vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming vanwege de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Activiteiten waarbij niks veranderd, behouden hun vergunning. Voor activiteiten waarvoor wel een vergunning nodig is, moet gezorgd worden dat de neerslag van stikstof in Natura 2000-gebieden per saldo niet toeneemt. De nieuwe beleidsregels stellen met name voorwaarden aan intern en extern salderen:
Intern salderen: Bedrijf mag een bepaalde hoeveel stikstof uitstoten. Nieuwe activiteiten of bestaande activiteiten veranderen kan. De activiteiten moeten neerslag verminderen of tenminste niet meer worden. Alleen de al gerealiseerde capaciteit van de vergunning kan gebruikt worden. Extern salderen: Bedrijf maakt gebruik van de vergunning van een ander bedrijf dat wordt beëindigd. Slechts 70% van de gerealiseerde capaciteit mag gebruikt worden.
De beleidsregels traden op 13 december 2019 in werking. Deze beleidsregels gelden alleen voor het verlenen van vergunningen door gedeputeerde staten, niet voor het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenteraden.
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
7
Versie: 29 april 2020
5.1.5 Situatie Tolnegenweg 69 In de voorliggende situatie is met behulp van het rekenprogramma Aerius (versie 2019a) een berekening gemaakt van de te verwachten stikstofdepositie in de gebruiksfase en in de realisatiefase. Hoewel het hier, in de zin van de Wnb, primair gaat om de beoordeling van een plan, is voor de berekening toch aangesloten bij de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen. Op die wijze is het mogelijk om tegelijkertijd ook de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect inzichtelijk te maken. Historie In deze situatie is er in het verleden een milieuvergunning verleend voor het houden van vee, met een totale ammoniakemissie van 1.086 kg/jr (herberekening gewijzigde RAV 1.283 kg/jr). Het gaat dan om 48 melk- en kalfskoeien met beweiding, 14 st. vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 5 vleesstieren, 200 varkens en 25 kippen. Deze vergunning is medio 2013 ingetrokken, t.b.v. de bestemmingsplannen “Harselaar Zuid, fase 1” en “Harselaar Driehoek”. De vergunning is daarvoor als mitigatie ingezet. Doordat die omgevingsvergunning voor het houden van dieren is ingetrokken, mogen er op het perceel nu bedrijfsmatig geen dieren meer worden gehouden. Deze dieren kunnen dan ook niet ingezet worden in het kader van deze planprocedure.
Hobbymatige dieren De provincie geeft aan dat hobbymatig gehouden vee niet is in te zetten voor interne saldering, omdat deze niet zijn geregistreerd. Het is de vraag of deze stelling terecht is, aangezien voor veel meer zaken welke Aerius berekent geen vergunning is afgegeven en Aerius uitgaat van standaard emissies of ingeschat verbruik. Het gaat hier om feitelijk aanwezige stalruimte waar nu 4-6 hobbypaarden worden gehouden. In de nieuwe situatie verdwijnen de stallen en daarmee ook de huisvesting van de hobbypaarden. De bijdrage van de transportbewegingen van de twee nieuwe woningen is dermate minimaal dat het houden van 1 paard minder al tot een afname van de stikstofdepositie zou leiden. Het is daarmee duidelijk dat het plan ook zonder te rekenen, in de praktijk en feitelijk zal leiden tot een afname van de stikstofdepositie. In de huidige situatie is er een weiland met twee stallen aanwezig. In het weiland zijn maximaal 6 hobbypaarden/-pony’s aanwezig. Een deel van de stalruimte is in gebruik voor de paarden. In de koeienstal is een aantal boxen tijdelijk verhuurd aan derden voor het houden van rundvee van de buren (nr. 67). Die hebben een geldige milieuvergunning voor het houden van rundvee en vergunning voor het bouwen van een niet gerealiseerde stal. Om toch het vee te kunnen huisvesten is (tijdelijk) een klein deel van de stal op nr. 69 gehuurd.
In de huidige situatie zijn vrijwel altijd 4-6 paarden of pony’s aanwezig. Als er één paard minder aanwezig is in de stal dan geeft dat een afname van 4.2 mol/ha/jaar. Dit is op zich al voldoende om de toename van de verkeersbewegingen ruimschoots te compenseren. In de praktijk zijn er minimaal 4 paarden/pony’s aanwezig. Bij berekening met 2 volwassen paarden en 2 volwassen pony’s, bedraagt de afname van de stikstofdepositie na sloop van de stallen 13.6 mol/ha/jaar. Al dan niet vergund is er door de sloop van de stallen dus feitelijk een forse afname. Het gebruik voor hobbydieren is te regelen in de anterieure overeenkomst bij het bestemmingsplan. Daarmee is dit desgewenst ook juridisch te borgen. Om verdere discussies te voorkomen is voor de gebruiksfase alleen gerekend met de dagelijkse activiteiten van de tractor op het terrein en de bestaande vrachtwagenbewegingen.
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
8
Versie: 29 april 2020
Bestaande situatie voor berekening stikstofdepositie Het perceel heeft een agrarische bestemming met nog een groot achterliggend weiland. Er is een tractor aanwezig voor het werk op het land, voor het uitmesten en voeren van de hobbypaarden en andere werkzaamheden op het erf en het land. De tractor is gemiddeld ca. 0.5 uur per dag in bedrijf op het erf. Daarnaast komt gemiddeld één à twee keer per twee weken een vrachtwagen op het erf. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie is het plan 2 nieuwe woningen te realiseren (1 tweekapper). Op basis van 8 bewegingen per etmaal en per woning is een Aeriusberekening uitgevoerd. De Tolnegenweg grenst aan Natura2000 gebied Veluwe. Vlak bij de woning ligt op nr. 65 een veevoederbedrijf met vele personenauto’s en vrachtwagenbewegingen per dag. De achterliggende recreatieterreinen genereren veel verkeer op de Tolnegenweg (het meest in de zomermaanden). Verder is de Tolnegenweg één van de drie ontsluitingswegen van Stroe. Een personenauto vanuit de nieuwe woningen is dan ook vrijwel direct opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De berekende stikstofdepositie bedraagt dan in de gebruiksfase 0.04 mol/ha/jaar, op basis van (overigens niet apart vergunde) 8 bewegingen/woning/etmaal. Dit is hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Volgens de beslisboom van het ministerie is bij een bijdrage hoger dan 0.00 mol/ha/jr een Wnb vergunning gebieden noodzakelijk.
Deze is verleenbaar als bijvoorbeeld door intern salderen is aan te tonen dat er geen toename plaats vindt van de stikstofdepositie. Als er wel een toename plaats vindt, moet uit een ecologische voortoets blijken dat significante effecten zijn uit te sluiten. Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat de afname van de stikstofdepositie groter is dan de toename. Intern salderen In de nieuwe situatie zijn de tractorbewegingen op het erf niet meer nodig en mogelijk. Ook komen er na realisatie op het erf geen vrachtwagens meer (ca. 1-2 per 2 weken bestaand). Er is uitgegaan van de bestaande (nieuwe) tractor (80kW, Stage IV) met een bedrijfstijd van 0.5 uur per dag op het erf (5.5 kg NOx/jr). De berekende afname van de stikstofdepositie door het wegvallen van tractor is berekend op 0.33 mol/ha/jaar. Er blijkt dus geen toename is hoger dan 0.00 mol/ha/jr in de gebruiksfase. Op basis van de eerder genoemde factsheet van het Ministerie is verder onderzoek of een passende beoordeling niet nodig. Aanlegfase Voor de aanlegfase is een inschatting gemaakt van de te verwachten stikstofemissie. De te gebruiken machines, met geschat verbruik en tijdsinzet zijn bijgevoegd in de bijlage. In de aanlegfase worden de stallen gesloopt, de grond bouwrijp gemaakt en vindt de bouw van de woningen en bijgebouwen plaats.
Op dit moment is het proces in de fase van de planwijziging, waarbij nog geen aannemer bekend is. Ook is er nog geen aanvraag Omgevingsvergunning voor het bouwen.
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
9
Versie: 29 april 2020
Verder is de afspraak dat de huidige bewoners in de bestaande woning met stallen mogen blijven wonen, zolang de gezondheid dat toelaat. De verwachting is dan ook dat de feitelijke uitvoering pas over een aantal jaar zal plaatsvinden. Daarom is nu alleen een inschatting gemaakt van de mobiele werktuigen en het transport tijdens de sloop en de bouwfase. Tijdens de sloop en de bouwfase zijn er overigens ook geen paarden aanwezig. Tijdens de aanlegfase is dit vrij gemakkelijk handhaafbaar, waarmee deze afname voor de aanlegfase in elk geval legitiem is. De aannemers gebruiken over het algemeen nieuw materieel, tussen de 1-3 jaar oud. De emissie van NOx is geschat aan de hand van zowel het dieselverbruik als op basis van de invoermodule van Aerius (mobiele werktuigen). De gegevens zijn ingevoerd in Aerius 2019a. Uit de rekenresultaten blijkt dan dat de sloop en bouw een stikstofdepositie geeft van 0.12 mol/ha/jaar. De aanlegfase heeft daarmee een tijdelijke bijdrage op de depositie van Natura2000 gebied Veluwe. Op het moment dat de sloop begint stopt de dagelijkse bijdrage van de tractor op het terrein en komen wekelijks geen vrachtwagens meer. Voor de vrachtwagens is gerekend met 35 auto’s per jaar (70 bewegingen). Tijdens de aanlegfase komt dit neer op ca. 17 vrachtauto’s/34 bewegingen.
De emissie van de tractor is relatief hoog en daarmee relevant, zowel structureel als voor de tijdelijke situatie. Daarom is de bijdrage ook berekend voor de bouwperiode van een half jaar (2.2 kg NOx/jr). Op basis daarvan is er geen toename berekend boven de 0.00 mol/ha/jaar, maar een afname van 0.23 mol/ha/jr. Daarmee is geborgd dat er geen (tijdelijke) toename van de stikstofdepositie plaats vindt. Tijdens de sloop/bouw zijn er geen paarden aanwezig. Als ook de bijdrage van 2 paarden over een half jaar (1 paard heel jaar) wordt meegerekend is de feitelijke afname tijdens de aanlegfase 4,9 mol/ha/jaar. Op basis van bovenstaande is aannemelijk gemaakt dat realisatie van het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie in de gebruiksfase. Ook is aannemelijk dat het plan in de aanlegfase realiseerbaar is m.b.t. de stikstofdepositie. De verwachting is dat realisatie over een paar jaar zal plaatsvinden. Er is dan naar verwachting ook voldoende elektrisch materieel voorhanden. Bij de sloopmelding en aanvraag Omgevingsvergunning bouwen is tzt een Wnb vergunning gebieden wat dat betreft verleenbaar. Dit ter beoordeling aan het bevoegd gezag.
5.2
Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO)
Naast toetsing op Natura 2000 gebied vindt separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur. Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan invloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn Groene Ontwikkelzones (GO) aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang.
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
10
Versie: 29 april 2020
Het plangebied ligt buiten zowel het GNN als de GO (figuur resp. groen en bruin). De Tolnegenweg zelf is hier wel als groene ontwikkelzone aangewezen. De geplande woningen liggen op grotere afstand van de weg dan de schuren. De tuin wordt ingericht als boomgaard en er komt een natuurlijke vijver. Hiermee zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het GNN of de GO. Nader onderzoek is niet nodig.
6
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Algemeen
Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significante negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd voor de sloop van de agrarische opstallen en nieuwbouw van een 2-o-1kap woning met bijgebouwen op het perceel Tolnegenweg 69 te Voorthuizen, gemeente Barneveld. Een separate rapportage gaat in op de soortenbescherming.
6.2
Gebiedsbescherming
Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifiek beschermde habitats. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is de Veluwe aan de andere zijde van de Tolnegenweg. Dit betreft een niet kwalificerend habitat. Het perceel heeft nog een agrarische bestemming. De bestaande activiteiten bestaan uit oude stallen met enige opslag en een stal voor hobbypaarden (6 boxen). Er is een vrij nieuwe tractor aanwezig, welke ca. een half uur per dag op het terrein actief is. Ook komt er gemiddeld eens per twee weken nog een vrachtauto op het terrein. Plan is de bestaande agrarische opstallen te slopen en een nieuwe 2-o-1-kap woning met bijgebouwen te realiseren. De woningen worden gasloos uitgevoerd. Resteren de transportbewegingen, waarbij is uitgegaan van gemiddeld 8 mvt/etmaal. Dat geeft in totaal 16 extra bewegingen/etmaal. Er is uitgegaan van een evenredige verdeling over de rijrichtingen. Vanwege het karakter en intensiteit van de Tolnegenweg zijn de personenauto’s vrijwel direct opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De gegevens zijn ingevoerd in Aerius 2019a.
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
11
Versie: 29 april 2020
De transportbewegingen genereren in de gebruiksfase een bijdrage van 0.04 mol/ha/jaar. De aanlegfase genereert een tijdelijke bijdrage van 0.12 mol/ha/jaar.. Intern salderen Er is gekeken of het plan ook leidt tot lagere emissie ten opzichte van de bestaande activiteiten (intern salderen). Dat blijkt het geval. De bestaande bestemming is agrarisch. De stallen zijn nog aanwezig en deels in gebruik. Bijvoorbeeld voor de aanwezige paarden (niet bedrijfsmatig). Er zijn altijd 4-6 paarden en/of pony’s aanwezig. De stalruimte hiervoor wordt gesloopt. De stikstofdepositie van 1 paard minder (4.2 mol/ha/jr) compenseert ruimschoots de bijdrage van de toename van de verkeersbewegingen. Standpunt van de provincie is dat hobbydieren niet in de berekening mee mogen. Om discussie te voorkomen zijn de hobbydieren niet in de berekening van de gebruiksfase meegenomen. Na het slopen van de stallen en met de realisatie van de woningen stopt ook het huidige gebruik van de tractor op het erf (0.5 uur/dag). Ook komt er dan niet eens per twee weken een vrachtwagen meer. De tractorbewegingen op het erf zijn dan overigens ook niet meer mogelijk. De berekende afname van de stikstofdepositie door het wegvallen van tractor ten opzichte van de nieuwe woningen in de gebruiksfase is berekend op 0.33 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen toename hoger dan 0.00 mol/ha/jaar.
Voor de aanlegfase geldt dat de transportbewegingen van de vrachtwagens niet meer plaatsvinden en ook de bijdrage van de tractor stopt dan per direct. De tractor is gezien de emissie relevant voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase. Ook zijn er tijdens de sloop en bouwfase met zekerheid geen hobbypaarden aanwezig. Berekening is uitgevoerd over de te verwachten bouwtijd van een half jaar. Zonder de bijdrage van paarden is voor de aanlegfase een afname is berekend van 0.23 mol/ha/jaar, voor de betreffende periode. Als ook de bijdrage van 2 paarden wordt meegerekend is de feitelijke afname tijdens de aanlegfase 4,9 mol/ha/jaar. Op basis van bovenstaande is te concluderen dat realisatie van het plan in de gebruiksfase niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie boven de 0.00 mol/ha/jaar. Op basis van de eerder genoemde factsheet van het Ministerie is verder onderzoek of een passende beoordeling niet nodig. Het is verder aannemelijk dat ook de aanlegfase niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie, waarmee het bestemmingsplan kan worden vastgesteld. Op basis van de huidige regels is dan wel tzt voor de Sloopmelding en de Omgevingsvergunning bouwen een Wnb vergunning gebieden nodig. Hiermee is voldoende aangetoond dat de geplande aanvraag niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000 gebied Veluwe. Dit ter beoordeling aan het bevoegd gezag.
Vanwege het intern salderen is tzt wel een Wnb vergunning gebieden nodig.
6.3
Gelders natuurnetwerk / Groene Ontwikkelzone
Het plan ligt buiten de GO en het GNN. De Tolnegenweg zelf behoort hier wel tot de GO. De geplande woningen liggen op grotere afstand van de weg dan de schuren. De tuin wordt ingericht als boomgaard en er komt een natuurlijke vijver. Dit verhoogt de natuurwaarde t.o.v. de bestaande situatie. Hiermee zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het GNN of de GO. Nader onderzoek of een vergunning is niet nodig
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
12
Versie: 29 april 2020
7 Advies
Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Concreet houdt de zorgplicht hier in om de sloop en het bouwrijp maken buiten de broedtijd uit te voeren. Overigens mogen eventuele vroege of late legsels niet worden verstoord. De beste tijd is dan tussen 15 juli en 15 maart. Bij start van de werkzaamheden in de broedtijd vooraf een extra controle uitvoeren op aanwezigheid van broedende vogels. Het is aannemelijk dat er na interne saldering geen toename is te verwachten van de stikstofdepositie boven de 0.00 mol/ha/jaar. Dat geldt zowel voor de gebruiks- als de realisatiefase. De planwijziging is dan ook voor wat betreft het stikstofaspect vast te stellen. Feitelijke realisatie laat gezien de afspraken met de huidige bewoners waarschijnlijk nog een aantal jaar op zich wachten. Omdat de stikstofdepositie in de gebruiks- en aanlegfase hoger is dan 0.00 mol/ha/jaar, is bij de aanvraag Sloopmelding en Omgevingsvergunning Bouwen wel een Wnb vergunning nodig. Door toepassing van intern salderen is er feitelijk sprake van een afname en zijn significant negatieve effecten uit te sluiten. De vergunning is daarmee in principe verleenbaar.
Dit ter beoordeling van het bevoegd gezag.
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
13
Versie: 29 april 2020
8 Literatuur
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van & F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van natuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van BiZa, juli 2019, Factsheet woningbouwplannen, stikstof en Natura-2000 gebieden Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000
http://geodata2.prv.gelderland.nl/
www.gegevensautoriteitnatuur.nl www.infomil.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl
www.RAVON.nl
www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Uitdraaien Aerius
Natuurtoets gebieden Tolnegenweg 69 Voorthuizen Apr.20-v4.doc
14
Versie: 29 april 2020
Bijlage 1 Overzicht situatie Situatieschets
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 gebied Veluwe (geen habitattype)
Ligging plangebied t.o.v. de Groene Ontwikkelzone (oranje, hier de Tolnegenweg zelf)
Bijlage 2 Foto’s plangebied
Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving
Samenvatting Wet Natuurbescherming Versie januari 2020
Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.
Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wetten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Natuurvisie op.
Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvullende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t (medio 2019) in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.
Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provincie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daarnaast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken’. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.
Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden ingediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omgevingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2019). Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omgevingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.
Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele ontheffing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevingsvergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af.
Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)
Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvisie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming wijkt de Wet natuurbescherming af van de voorheen geldende Flora- en Faunawet. Er zijn drie beschermingsniveaus te onderscheiden, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Daarmee wijzigt ook een aantal definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk’ toegevoegd. Het opzettelijk doden, vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situatie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort.
Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is.
Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbescherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algemene zorgplicht. De indeling in de Tabel 1, 2 en 3 soorten uit de Flora- en Faunawet is verdwenen. Daarvoor in de plaats kunnen de provincies een vrijstellingsverordening opstellen. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau is minder bescherming nodig. Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en strafrechtelijke verboden.
Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaardelijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bijzondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsregeling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verboden genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10. Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar.
3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
- in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aantoonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode.
De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorgvuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedragscode conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of beschadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alternatieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de mogelijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan.
In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Vooralsnog is de verwachting dat de indeling van de jaarrond beschermde nesten niet zal wijzigen onder de Wet natuurbescherming. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken. Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de
desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om nader en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).
Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).
Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebieden behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale landschappen. Deze laatste twee zijn nieuw t.o.v. de wetgeving voor 1 januari 2017. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 164 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in principe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag.
De vergunningaanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente. Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (PAS, Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen’. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’.
Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling’. Het positieve effect van maatregelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag. In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar
zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en compensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effecten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -
Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.
Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt.
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is. Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stikstof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodiversiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam. Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld.
Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Voor de PAS is voor elk van de 118 Natura 2000 gebieden een samenhangend pakket herstelmaatregelen opgesteld op basis van een vastgestelde herstelstrategie per habitattype (69). Uiteindelijk krijgen deze afspraken over stikstof een plaats in de per gebied op te stellen beheerplannen. Op basis van de uitkomsten van de Aerius-calculator was een project vergunningsvrij (<0.05 mol/ha/jr), melding plichtig (tussen 0.05 mol/ha/jr. en de grenswaarde) of was het aanvragen van een Natuurvergunning noodzakelijk (> grenswaarde). De systematiek is echter op basis van een uitspraak van het Europese hof en de Raad van State op onderdelen afgekeurd en mag niet meer op dezelfde wijze worden gebruikt. Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden.
Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.
Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt.
Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet na-
tuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoordeling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk. Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvonden en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof-depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de woningbouw.