CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 14 maart 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Harskamperweg e.o (Kootwijkerbroek)27.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen, waarvan gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog van € 230.000 tot € 280.000), 20% middeldure woningen (middendure huur tot € 1.067,- en koop van € 280.000 tot € 350.000) en 30% duurdere woningen vanaf € 350.000,- en 10% vrij in te delen. In regio FoodValley zijn onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2017-2027 maximaal zo'n 3.800 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, Foodvalley, waarbij er in de periode 2020-2040 in Foodvalley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zou dit een opgave van tenminste 6.000 woningen beteken. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor.

Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of 28

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o. mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2021 t/m 2024 is een programma van ruim 2.600 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75-80% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, dit betekent zo'n 500 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2021 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen (opgesplitst in sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog € 230.000 - € 280.000) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 1.067,- in 2022). In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen, goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs.

Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 65.000, voor sociale koop laag op € 55.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijsen inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking Qua woningbouw betreft het voorliggende plan de nieuwbouw van één woning. Dit past binnen de regionale en lokale afspraken. 4.6.3

Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.

Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

29

Harskamperweg e.o.

4.6.4

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).

Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Per 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Zonnepanelen en -collectoren Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energie- en warmteopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw.

Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden. De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen – gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Laadpalen Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen. Duurzaamheid op eigen terrein Vanuit duurzaamheidsoogpunt is het van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.

30

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o.

Er is aandacht voor verlichting op het eigen terrein. Het terrein zal ingekeerd naar de Harskamperweg worden ingericht om zo richting woningen van derden lichthinder te beperken. Het terrein wordt omzoomd met groen en extra aangezet met ondergroei. De L-vorm van opslag op de zuidelijke bedrijfslocatie komt ten goede van natuur en lichtvervuiling. Verder zal een slimme lichtregeling en/of schakelsysteem energie besparen en voorkomt zo'n systeem onnodige lichtvervuiling. Door op gezette tijdstippen de verlichting (met veegpulsen) uit te schakelen of te werken met sensoren, zorgt dit ervoor dat verlichting niet onnodig brandt. Mogelijk worden er aanwezigheids- en daglichtsensoren toegepast worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken.

Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. Doorwerking in plangebied Er is aandacht voor duurzaamheid op het terrein. Er komen zonnepanelen op beide bedrijfsgebouwen te liggen. Bij de bedrijfsbebouwing en buitenopslag wordt gewerkt met slimme en efficiënte terreinverlichting. Er is hier sprake van landschappelijke inpassing alsmede komen extra maatregelen op het gebied van natuur (onder andere het aanleggen van bos/natuur en een poel voor amfibieën). Dit is nader uitgewerkt in het document "Overzicht maatschappelijke tegenprestaties" dat is toegevoegd als Bijlage 5 van de regels. De woning ten zuiden van Oude Essenerweg 15 wordt energieneutraal en aardgasvrij gebouwd en wordt naar verwachting voorzien van een warmtepomp. De woning en het bijgebouw zullen worden voorzien van zonnepanelen. Of er bij de woning een laadpaal voor elektrische auto's wordt geplaatst is nu nog niet bekend. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt en waar mogelijk wordt doorlatende verharding aangelegd. 4.6.5

Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities

Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d. mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid.

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

31

Harskamperweg e.o.

Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het voorliggende bestemmingsplan is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. 4.6.5.1

Saldering

Salderen van bouwvlakgroei, nieuwvestiging en omschakeling In de beleidsnotitie 'Kaders herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012' heeft de gemeenteraad een aantal beleidskeuzes vastgelegd die een aanvulling vormen op de Structuurvisie Buitengebied en het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Een deel van deze beleidskeuzes heeft betrekking op de groeimogelijkheden voor agrarische bedrijven. Het gaat hierbij om een herverdeling van de ruimte die nu reeds in het bestemmingsplan geboden wordt. Deze herverdeling wordt bereikt door de introductie van een salderingsregistratie. Deze salderingsregistratie is een gemeentelijke administratie waarin twee elementen worden geregistreerd: 1. hoeveel agrarische bedrijven in planologische zin verdwijnen (bijvoorbeeld door functieverandering), respectievelijk worden toegevoegd; 2. welke oppervlakte aan agrarisch bouwvlak verdwijnt; respectievelijk wordt toegevoegd. Salderen van de oppervlakte agrarisch bouwvlak Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' maakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden de vergroting van agrarische bouwvlakken mogelijk. Deze groeimogelijkheden zijn afgestemd op de twee reconstructieplannen Veluwe en Gelderse Vallei/Utrecht-Oost. Onze verwachting is dat de groeiruimte die in theorie geboden wordt door het vastgestelde plan niet in zijn geheel noodzakelijk is in de komende planperiode.

Het is daarom beter deze groeiruimte in te kaderen. Dit wordt gedaan door een salderingssystematiek te introduceren waarbij er een koppeling wordt gelegd tussen de oppervlakte aan bouwvlakken die vrij komt door stoppers (b.v. via functieverandering) en de agrarische bedrijven die willen groeien. Hierbij wordt de oppervlakte aan bouwvlak die vrij komt door een stopper opgenomen in een salderingsregistratie. Een bedrijf dat gebruik wil maken van de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van zijn bouwvlak kan vervolgens kosteloos gebruik maken van het saldo dat aanwezig is op de salderingsregistratie. Op deze manier zal de totale oppervlakte aan bouwvlak in het plangebied niet toenemen. De salderingsregistratie zorgt er daarbij voor dat de ruimte die beschikbaar komt (door stoppers) ook op de gewenste plek kan worden ingezet door groeiers. Op basis van de ervaringen de afgelopen jaren met ons functieveranderingsbeleid en de ervaring met de aantallen stoppende agrarische bedrijven, verwachten wij dat het saldo van de salderingsregistratie voldoende zal zijn om daar waar nodig het vergroten van bouwvlakken te faciliteren. Doorwerking plangebied Met het wegbestemmen van het agrarische bouwvlak op het perceel Oude Essenerweg 13, 15 en 17 verdwijnt een agrarisch bouwvlak ter grootte van 17.005 m2. Dit aantal is opgenomen in de salderingsregistratie.

32

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o.

Hoofdstuk 5

RANDVOORWAARDEN

5.1

Bodem

5.1.1

Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een verdachte locatie. Er zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd, te weten: - Verkennend bodem- en asbestonderzoek, door Rouwmaat groep, d.d. 21 juni 2018, zie Bijlage 1 van de toelichting; - Verkennend bodem- en asbestonderzoek, door Hunneman milieu-advies, d.d. 6 mei 2022, zie Bijlage 2 van de toelichting; - Asbestinventarisatierapport, door AsbestdakAdvies B.V, d.d. 17 maart 2021, zie Bijlage 3 van de toelichting. De uitgevoerde verkennende bodem- en asbestonderzoeken zijn correct uitgevoerd en geven een voldoende beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het plangebied valt binnen de contour van de onderzoekslocatie.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de plaatselijk zwak (sporen) tot matig puinhoudende bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten aan koper, PCB en/of minerale olie zijn aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters gemeten. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium. Ter plaatse van twaalf voormalige ondergrondse brandstoftanks en één bovengrondse dieselolietank in een vloeistofdichte bak is zintuiglijk en analytisch geen verontreiniging met minerale olie/vluchtige aromaten waargenomen/gemeten. Vrijwel alle ondergrondse brandstoftanks zouden reeds verwijderd zijn. Van één tank is dit echter onzeker, deze zou in verband met een gasleiding mogelijk zijn blijven liggen. Zie onderstaande afbeelding. Ook moet worden opgemerkt dat de bovengrondse dieselolietank in het verleden mogelijk op meerdere plekken heeft gestaan. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie is zintuiglijk plaatselijk (asbestgaten 22 en 28) asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters ASMM06 en ASMM07 van de toplaag ter plaatse van één van de onderzochte druppelzones overschrijden de gewogen asbestconcentraties van respectievelijk 2508,02 mg/kg d.s. en 1542,77 mg/kg d.s. de saneringsnorm/hergebruiksnorm van 100 mg/kg d.s.

Voor de situering van de betreffende druppelzone zie onderstaande afbeelding. Formeel gezien is ter plaatse van een afperkend onderzoek noodzakelijk. De asbestinspectiegaten zijn echter in de druppelzone gesitueerd. De gemeten asbestconcentraties worden zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de erosie van de dakplaten. Omdat de schuur niet voorzien is van dakgoten en het maaiveld plaatselijk onverhard, komt het regenwater derhalve direct op en in de bodem onder de dakrand terecht. Een afperkend asbestonderzoek is ons inziens derhalve niet noodzakelijk. In de samengestelde mengmonsters ter plaatse van de overige druppelzones en het overige terrein, voor analyse op asbest, is analytisch maximaal een gewogen asbestconcentratie van respectievelijk 23,57 mg/kg d.s. en 38,35 mg/kg d.s. aangetoond.

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

33

Harskamperweg e.o.

Afbeelding: situering druppelzone Met uitzondering van de aangetoonde sterke asbestverontreiniging ter plaatse van één van de onderzochte druppelzones geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodem-/asbestonderzoek of -sanering. De aangetoonde sterke asbestverontreiniging ter plaatse van de betreffende druppelzone moet onder milieukundige begeleiding, vooruitlopend op de voorgenomen sloop van de schuur, worden gesaneerd. Voorafgaand aan de bodemsanering moet een BUS-melding worden ingediend bij het bevoegd gezag, de provincie Gelderland. Ondanks dat de verkennende bodem- en asbestonderzoeken zijn uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling van het terrein en de daarbij behorende grondroerende werkzaamheden moet rekening worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de onderzoekslocatie moet voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

34

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o.

5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologie hoge verwachting (en middelhoge verwachting)

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone (met een hoge verwachtingswaarde) archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt echter onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. De bouw van zowel het bedrijfsgebouw van 2.080 m2 en het opslaggebouw van 450 m2 overschrijdt weliswaar de vrijstellingsgrenzen, maar vindt grotendeels op een plek waar de pluimveestallen hebben gestaan en zijn (of worden) gesloopt. Daarbij komt dat in de bouwplannen is aangegeven dat de nieuwe bebouwing niet diep zal worden gefundeerd. Verder geldt voor het verharden van het terrein voor opslag dat indien geen afgraving van de bodem, dieper dan 30cm onder maaiveld plaatsvindt, geen archeologisch onderzoek nodig is.

Ook is geen archeologisch onderzoek nodig voor de aanleg van het talud voor zandopslag en verharding van het terrein, behoeft geen archeologisch onderzoek, op voorwaarde dat er geen grond wordt afgegraven. Er wordt een dubbelbestemming archeologie opgenomen. De huidige 'hoge verwachting' blijft gelden voor het oostelijke, onbebouwde deel van het plangebied (gedeelte dat buiten het agrarische bouwvlak van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" ligt). De verwachtingswaarde op de locatie waar de stallen staan dan wel hebben gestaan (en reeds zijn gesloopt) kan worden bijgesteld naar 'middelhoog'. Voor een zone met een middelhoge verwachtingszone is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Op onderstaande afbeelding is in rode contour de zone aangegeven waar de verwachtingswaarde van hoog naar middelhoog wordt bijgesteld in dit plan.

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

35

Harskamperweg e.o.

Afbeelding: fragment archeologische beleidskaart Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. 5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als .jonge vochtige landbouwontginningen met een lage waardering (waarde 1). De nieuwbouw is niet strijdig met de cultuurlandschappelijke waarde. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk (hierna: GNN) en de Gelderse Ontwikkelingszone (hierna: GO) van belang.

36

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Er heeft een quickscan natuurwaardenonderzoek plaatsgevonden, waarin wordt ingegaan op de effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Omgevingsverordening. Dit rapport is opgesteld door Natuurbank Overijssel d.d. 25 maart 2021 (kenmerk 3235 versie 1.0). Het rapport is als Bijlage 6 toegevoegd aan de toelichting. Onderzocht is of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het GNN en Natura 2000.

Omdat de bescherming van het GNN geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingsverordening Gelderland. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging nabij Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties te kunnen vaststellen, moet een stikstofberekening worden uitgevoerd. Stikstof Voor de locatie zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (zie Bijlage 7, Bijlage 8, Bijlage 9, Bijlage 10 en Bijlage 11 van de toelichting). In dit geval is de stikstofdepositie berekend voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase voor dit plan. Daarbij wordt uitgegaan van intern salderen, waarvoor een toelichting is opgesteld (zie Bijlage 12 van de toelichting). De berekening en de toelichting zijn beoordeeld door de deskundige van de OddV, waarbij geconcludeerd is dat er geen effect is in de bouw- en gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is de in bovenstaande paragraaf genoemde quickscan uitgevoerd (dit is Bijlage 6 van de toelichting). Het plangebied is op 2 maart 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. In de quickscan is aangegeven dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats maken voor beschermde plantensoorten en tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdieren het plangebied als foerageergebied, bezetten grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats.

Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor "Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

37

Harskamperweg e.o. het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die mogelijk leiden tot een negatief effect op bezette vogelnesten, moeten buiten de voortplantingsperiode worden uitgevoerd. Voor de meeste beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de steenmarter. Om de gebouwen te mogen slopen moet ontheffing verkregen worden om de vaste rust- of voortplantingsplaats van de steenmarter te mogen beschadigen/vernielen, of moet gewerkt worden volgens een toepasbare gedragscode. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels niet af. Vervolgens is door Natuurbank Overijssel d.d. 8 december 2021 een rapportage, tussentijdse bevindingen nader onderzoek naar marterachtigen (steenmarter, wezel, bunzing en hermelijn) uitgevoerd (kenmerk 3236A).

Deze rapportage is als Bijlage 13 toegevoegd bij de toelichting. Uit de eerste controles en het rapport is gebleken dat het plangebied onderdeel uit maakt van het functionele leefgebied van de steenmarters, bunzing en wezel. Als gevolg van het herontwikkelen van het terrein wordt mogelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soorten aangetast en mogelijk wordt een bunzing, wezel en steenmarter (niet opzettelijk) gedood. Geadviseerd wordt om een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Gelderland voor bunzing, steenmarter en wezel. Mocht uit het onderzoek blijken dat ook de hermelijn in het plangebied voorkomt, dan kan deze alsnog worden toegevoegd omdat het onderzoek eerder is afgelopen dan de procedure voor het verkrijgen van de ontheffing. Op 17 juni 2022 hebben Gedeputeerde Staten een ontwerp ontheffingsbesluit (Wet natuurbescherming, soortbescherming) genomen waarmee zij het voornemen hebben om de ontheffing te willen gaan verlenen. Zie Bijlage 14 van de toelichting. Er is een (ontwerp) ontheffing verleend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de soorten steenmarter, wezel en bunzing. Aan de ontheffing zijn algemene en soortspecifieke voorschriften verbonden. In tabel 3 van de ontheffing staan alle uit te voeren mitigerende maatregelen.

Er zullen in het plangebied vier permanente nestkasten voor de bunzing en wezel worden geplaatst. Verder worden twee marterhopen in het plangebied gerealiseerd en komen er zes takkenrillen. Dit is opgenomen in de ontheffing. Het opgestelde Activiteitenplan soortbescherming (voor marterachtigen) is als Bijlage 15 toegevoegd aan de toelichting. Ook is de huidige bebouwing onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen (nader onderzoek door Natuurbank Overijssel, d.d. 31-10-2022). Hierbij is ook bekeken of opgaande beplanting langs de randen van het perceel benut wordt als vliegroute door vleermuizen. Dit onderzoek is uitgevoerd in de periode mei-september 2022. Zie Bijlage 16 van de toelichting voor dit nadere onderzoek. Uit het rapport blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied zijn vastgesteld. Ook is geen vliegroute vastgesteld langs de opgaande beplantingsranden van het plangebied. Wel zijn gewone dwergvleermuizen waargenomen in de zuidoosthoek van het plangebied. Deze waren afkomstig van het erf Oude Essenerweg 15. Tijdens de najaarsronden werd daar ook een baltsend mannetje gewone dwergvleermuis waargenomen. Het slopen van de bebouwing in het plangebied leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen ontheffing Wet natuurbescherming voor een vleermuissoort aangevraagd te worden.

Het rapport is akkoord bevonden door de ecoloog van de Omgevingsdienst de Vallei. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. 38

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o.

Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. In dit geval is een herplantplicht aan de orde. Een deel van de aanwezige beplanting is geveld om dit plan mogelijk te maken. Voor het plan zijn bomen gekapt: een bomenrij (52) en een aantal bomen (5) aan de Harskamperweg. Er is voor de kap van in totaal 57 bomen op 13 januari 2021 een kapmelding ingediend bij de provincie en deze is door de provincie geaccepteerd. Onderstaande afbeelding is een fragment van de tekening die onderdeel uitmaakt van de geaccepteerde kapmelding.

Afbeelding: gekapte bomen volgens de kapmelding (rood omcirkeld) Vanwege deze kap moeten de initiatiefnemers met de provincie afstemmen hoe deze compensatie er precies uit komt te zien. De provincie is namelijk het bevoegd gezag. De provincie heeft aangegeven dat de oppervlakte aan gevelde bomen op hetzelfde kadastrale perceel herplant moet worden en binnen 250 meter van de velling. Zodra de compensatie is uitgevoerd, is voldaan aan de herplantplicht. Alleen dan is geen compensatie-ontheffing nodig. De herplant (oppervlakte aan compensatie) moet minimaal gelijk te zijn aan de gevelde oppervlakte. Als dat niet het geval is, dan moet er een compensatie-ontheffing aangevraagd worden bij de provincie. De compensatie moet binnen 3 jaar na de kap plaatsvinden op dezelfde locatie. Mocht dit niet lukken dan moet er wel een ontheffing bij de provincie worden aangevraagd. De herplantplicht die geldt vanuit de provincie zal plaatsvinden langs de Harskamperweg. Het onderdeel houtopstanden vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het voorliggend plan niet in de "Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

39

Harskamperweg e.o. weg staat. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het GNN of het GO. Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van 40

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o. gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Het plangebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied voor externe veiligheid, zodat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Externe veiligheid is daarom geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom moet de geluidbelasting vanwege het wegverkeer worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Onderzoek 1 Door TecMap is op 27 september 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (nr. 20200186-1) voor de bouw van een nieuwe woning aan de Oude Essenerweg. Het rapport is toegevoegd als Bijlage 4 van de toelichting. Uit de berekeningen en toetsing blijkt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer over de N310, de Garderbroekerweg, de Oude Essenerweg en de Hazendonkweg na aftrek minder dan 48 dBL den bedraagt. Daardoor wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Er hoeft geen hogere waarde als bedoeld in de Wet geluidhinder te worden vastgesteld. Ook wordt in het rapport geconcludeerd dat het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd is bij een gevelgeluidwering van 20 dB. Ook in de woonvertrekken van de nieuw te bouwen woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderzoek 2 Daarnaast is ook een akoestisch onderzoek van 7 november 2022 (nr.

20200186-04) door TecMap uitgevoerd dat ziet op de te verwachten geluidemissie van de twee niet-agrarische bedrijven in het plangebied zelf (waarbij ook ingegaan wordt op milieuzonering). Het rapport is toegevoegd als Bijlage 5 van de toelichting. De geluiduitstraling van de inrichtingen is berekend op basis van de met de bedrijven gewenste representatieve bedrijfssituaties en bureauervaringsgegevens. Ter bepaling van de geluidbelasting ter "Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

41

Harskamperweg e.o. hoogte van de bestaande woningen is een rekenmodel opgesteld. Hiermee is de geluidbijdrage ter plaatse van woningen bepaald. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende: - Directe hinder: o Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van woonbestemmingen minder dan 45 dB(A) etmaalwaarde zowel onder representatieve als incidentele bedrijfsomstandigheden. Er wordt voldaan aan stap 2 uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering behorende bij een rustig woongebied. o Er wordt ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus per bedrijf ook ruimschoots voldaan aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit. o Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van woonbestemmingen minder dan 52 dB(A). De normstelling behorende bij stap 2 uit de VNG publicatie behorende bij een rustig woongebied wordt ruimschoots gerespecteerd. o Er wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. - Indirecte hinder: o De ontsluiting van beide terreindelen binnen het plangebied is voorzien via de provinciale weg. Vanwege het grote aantal verkeersbewegingen over deze openbare weg, zal het verkeer met bestemming plangebied als zodanig ter plaatse van woningen niet meer herkenbaar zijn.

Volgens de beoordelingssystematiek zoals beschreven in de circulaire indirecte hinder is er dan geen indirecte hinder te verwachten. Uit de rapportage volgt dat de voorgenomen bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied bij de bestaande woningen nog sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Beide onderzoeken zijn door de geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei gecontroleerd en akkoord bevonden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering. Ook hoeft er geen hogere waarde te worden vastgesteld voor de nieuw te bouwen woning.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Opslag van grond en een hal, uitsluitend voor de opslag van machines, is niet geurgevoelig en is niet belemmerend voor agrarische bedrijven. Nieuwe woning Oude Essenerweg De nieuw te bouwen woning aan de Oude Essenerweg wordt als geurgevoelig object aangemerkt. Er liggen in de omgeving geen agrarische bedrijven waar rekening mee moet worden gehouden. Er is een 42

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o. planologische planprocedure doorlopen voor de locatie Oude Essenerweg 7-9 (wijzigingsplan "Essenerweg II"), waardoor er hier niet langer meer sprake is van een paardenhouderij (maar planologisch er nu drie woningen zijn toegestaan). Ook voor de locatie Oude Essenerweg 8 is een planologisch planprocedure doorlopen, waarbij de aanduiding voor de agrarische nevenactiviteit is verwijderd (en de milieuvergunning is ingetrokken). Andere agrarische bedrijven in de omgeving worden in hun ontwikkelingsruimte eerder door andere geurgevoelige objecten belemmerd dan door het voorliggende plan. Niet-agrarische bedrijvigheid Alleen gebouwen voor (langdurig) menselijk verblijf zijn geurgevoelig. In het bedrijfspand met een oppervlakte van 2.080 m2 is (onder meer) een kantoor en werkplaats gesitueerd. Hiervoor is het volgende van belang. Het plan grenst aan de Harskamperweg 60, een perceel met een agrarische bestemming. Ter plaatse worden agrarische werktuigen gestald. Het past echter binnen de planologische mogelijkheden om landbouwhuisdieren te houden. Tussen stallen van dieren en geurgevoelige objecten moeten, volgens de geurwetgeving, vaste afstanden aangehouden worden. In dit geval komt het kantoor op voldoende afstand van de agrarische bestemming.

De werkplaats komt op kortere afstand en kan ook als geurgevoelig worden beschouwd indien er gedurende langere tijd mensen verblijven. Het is echter niet waarschijnlijk dat op de Harskamperweg 60 dieren gehouden gaan worden. De afstand tot een kwetsbaar gebied, gelegen aan de overkant van de Harskamperweg, is zeer beperkt. Gezien de wetgeving rondom ammoniak en stikstof is het onwaarschijnlijk dat hier een vergunning verleend kan worden voor het houden van landbouwhuisdieren. Daarom achten wij medewerking aan dit plan vanuit het aspect geur acceptabel. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Met artikel 3.16, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, moet de toelichting een beschrijving bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, dan is artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro niet van toepassing. Is dat het geval, dan moet nog steeds beoordeeld worden of de in het plan voorziene bestemmingen passende bestemmingen zijn (goede ruimtelijke ordening) en of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Toetsing Er is hier sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het betreft een ontwikkeling in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 en ook gebouwen met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 500 m2.

In dit geval maakt het nieuwe bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk, en wordt eveneens nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk gemaakt op de gronden die nu bestemd zijn als 'Agrarisch "Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

43

Harskamperweg e.o. Onbebouwd' (bestemmingsplan "Garderbroekerweg-Kerkweg"). Het plan voorziet daardoor (deels) in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien heeft plan ook een zodanige aard en omvang dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is het niet mogelijk om in bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien. Er zijn geen beschikbare ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied die geschikt zijn voor deze twee bedrijven. Dit is onderstaand nader toegelicht voor beide bedrijven. Plangebied A (noordelijke bedrijfslocatie) Energy Team is momenteel gevestigd aan de Meulunterseweg 71 in Lunteren. Energy Team monteert grote installaties (modulaire PV systemen) die met name geplaatst worden bij MKB-bedrijfspanden en agrarische bedrijven. Concreet worden zonnepanelen door derden aangeleverd, door Energy Team aan elkaar gekoppeld/gemonteerd, en vervolgens weer getransporteerd of op de bestemde locatie geïnstalleerd op de daken. De specialisatie en focus van het bedrijf ligt op grootschalige professionele projecten. De kratten waarin de panelen worden klaargezet en vervoerd hebben een lengte van 15 meter. De huidige locatie biedt zich niet voor deze schaal van monteren en is aangewend met huur van gebouwen.

Het bedrijf heeft daarom behoefte aan een eigen locatie met voldoende ruimte voor buitenopslag. Een bedrijventerrein is lucratief als productieruimte. De prijs van deze bouwgronden is zodanig groot dat aankoop van deze gronden voor hoofdzakelijk opslag / depot van bouwstoffen en materieel financieel niet uit kan. 7.000 m2 aan opslagterrein is daarnaast ook niet op een nabijgelegen bedrijventerrein te vinden. Bedrijventerreinen kunnen beter beschikbaar gehouden worden voor activiteiten die een grotere oppervlakte aan bebouwing vereisen (productieoppervlakte). In de kern Lunteren of bestaand stedelijk gebied in de directe omgeving is ook geen ruimte beschikbaar voor bedrijven met een dergelijk ruimtebeslag aan buitenopslag. Daarom is behoefte aan een locatie zoals aan de Oude Essenerweg. Het bedrijfsgebouw zal worden ingezet als kantoorruimte, aankomstruimte (opslag) van panelen, montageruimte, en inpakruimte. Vanuit de inpakruimte worden de panelen buiten geplaatst, klaar voor verzending. De beoogde activiteiten zijn weergegeven in de bijgevoegde tekening in 22 van de toelichting. Plangebied B (zuidelijke bedrijfslocatie) De opslag van zand en grind gezamenlijk is in het verleden gevestigd geweest aan de Kerkweg 6 in Kootwijkerbroek (bedrijf Verhoef). De zand- en grindhandel van Verhoef lag aan de rand van de bebouwde kom en de verkeersontsluiting was niet optimaal.

Met de verhuizing van het bedrijf naar de Garderbroekerweg is de opslag van fijn zand en grind voor Breeam/GPR-gebouw gecertificeerde bouwprojecten aldaar mogelijk gemaakt. Vanwege een aantal recente ontwikkelingen is echter behoefte ontstaan om een groter terrein. Allereerst zijn de eisen van het bouwstoffenbesluit verscherpt. Bepaalde bouwstoffen mogen niet met elkaar vermengd worden. Door deze stoffen op twee verschillende locaties op te slaan, wordt vermenging voorkomen. Het gaat hierbij om de opslag van zwarte grond met een schone achtergrondwaarde en/of vulzand. Deze mogen niet vermengd worden met het fijne zand en grind. Op de huidige locatie heeft Verhoef hiervoor geen gronden beschikbaar. Daarnaast zijn de bedrijfsactiviteiten van Verhoef door de jaren heen uitgebreid qua opslag van grond en wordt tegenwoordig materieel ten behoeve van de grond-, weg- en waterbouw opgeslagen (duikers, bermblokken, klinkers, pvc, drainageleidingen, kolken, betonbanden, transportmiddelen etc.). Met het afgraven van gronden en verwijderen van puin gaat namelijk veelal verwijdering van dergelijke elementen gepaard. In plaats dat derden deze elementen op moeten komen halen, kan het bedrijf deze elementen zelf meenemen. Deze opslag van materieel neemt echter veel ruimte in beslag waar het bedrijf op de hoofdlocatie niet over beschikt.

Op de huidige locatie Garderbroekerweg 241 is uitbreiding niet mogelijk vanwege ruimtegebrek en omdat de duurzame bouwproducten gescheiden opgeslagen moeten worden van de zwarte grond en het vulzand. Ook in de kern Kootwijkerbroek of bestaand stedelijk gebied in de directe omgeving is geen ruimte beschikbaar voor bedrijven met een dergelijk ruimtebeslag. Het vestigen op een bedrijventerrein is gezien de aard van het bedrijf, het benodigde ruimtebeslag en vanuit financieel oogpunt niet wenselijk. Een bedrijventerrein bestaat grotendeels uit bouwvlakken. De prijs van deze bouwgronden is zodanig groot dat aankoop van deze gronden voor hoofdzakelijk opslag / depot van bouwstoffen en materieel financieel niet uit kan. 10.000 m2 aan opslagterrein is daarnaast ook niet op een nabijgelegen bedrijventerrein te vinden. 44

"Harskamperweg e.o." (vastgesteld)

Harskamperweg e.o. Zoals eerder aangegeven kunnen bedrijventerreinen beter beschikbaar gehouden worden voor productieoppervlakte. Het bedrijfsgebouw zal worden ingezet als opslagruimte voor machines en werktuigen. Buiten is ruimte voor de opslag van de grond, het vulzand en het materiaal ten behoeve van de grond-, weg- en waterbouw. De beoogde activiteiten zijn weergegeven in de bijgevoegde tekening in 23 van de toelichting. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ontwikkeling voorziet in een behoefte, de locatie wordt passend ontsloten en landschappelijk ingepast. Daarnaast komt de ontwikkeling voort uit een functieverandering van een voormalig agrarisch bouwvlak naar werken. Er wordt daarom duurzaam omgegaan met de ruimte. Daarbij komt dat in de komende jaren geen geschikte locaties met een bedrijfs-/ bedrijventerrein-bestemming beschikbaar zijn op bestaande bedrijventerreinen. De grondprijzen zijn extreem hoog en te duur voor een zandopslag en/of de opslag van materialen. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=a48aaded-eafc-433e-947d-5be432019458