Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest_Toelichting.PDF
Tekst van het document
Planspecifiek
Onderzoeksresultaten In Bijlage 7 bij de toelichting is een externe veiligheidsonderzoek opgenomen. Uit de risico-inventarisatie in paragraaf 3.3 van dat onderzoek blijkt dat het beoogde bouwvlak voor de tweede evenementenhal is gelegen binnen het invloedsgebied van de A30, waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en het bouwvlak is niet gelegen binnen een plasbrandaandachtsgebied (PAG). De hoogte van het groepsrisico is berekend middels een kwantitatieve risicoanalyse. Hieruit blijkt dat het groepsrisico in zowel de huidige als de toekomstige situatie hoger ligt dan de oriëntatiewaarde. Het veranderen van het bouwvlak leidt niet tot een significante toename (> 10%) van het groepsrisico. Omdat het groepsrisico hoger ligt dan de oriëntatiewaarde, dient het groepsrisico uitgebreid verantwoord te worden (conform art. 8 lid 2, Bevt). Groepsrisicoverantwoording A30 De dichtheid van personen in het invloedsgebied De dichtheid van personen in het invloedsgebied wijzigt niet. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie heeft de tweede evenementenhal een oppervlak van circa 7.000 m², bestemd voor maximaal 5.000 personen. Alleen het bouwvlak wijzigt beperkt.
De hoogte van het groepsrisico In zowel de huidige als de toekomstige situatie is sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. In de huidige situatie bedraagt het groepsrisico 1,36 maal de oriëntatiewaarde en in de toekomstige situatie is dit 1,37. Het groepsrisico neemt als gevolg van het wijzigen van het bouwvlak iets toe, maar niet significant (< 10%). Maatregelen ter beperking van het groepsrisico In het kader van dit plan zijn geen alternatieve stedenbouwkundige opzet of voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte onderzocht omdat het vigerende bestemmingsplan reeds een tweede evenementenhal toestaat en met het voorliggende plan alleen het bouwvlak van deze hal beperkt wijzigt. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan In het kader van dit plan zijn geen mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico onderzocht omdat het vigerende bestemmingsplan reeds een tweede evenementenhal toestaat en met het voorliggende plan alleen het bouwvlak van deze hal beperkt wijzigt. Mogelijkheden voor de rampenbestrijding In het kader van het aspect rampenbestrijding is advies gevraagd aan de VGGM voor de bouw van de tweede evenementenhal. Hierop heeft de VGGM advies uitgebracht Bijlage 8.
In een memo, welke naar aanleiding van het op gestelde qra door de VGGM op verzoek is verstrekt, geeft de veiligheidsregio aan geen aanleiding te zien om nader te adviseren. Ze geven echter wel een nadere toelichting welke is bijgevoegd als Bijlage 9 Mogelijkheden voor de zelfredzaamheid Ook in het kader van zelfredzaamheid heeft de VGGM maatregelen geadviseerd en nader toegelicht in de hiervoor reeds genoemde memo. Het advies van de VGGM is opgevolgd waarmee de risico's verantwoord zijn. Mogelijkheden voor rampenbestrijding De rampenbestrijding richt zich in eerste instantie op het beperken van de schadelijke effecten voor de omgeving, dus bij de bron. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een koude Bleve (explosie en warmte straling met brand tot gevolg) zal de hulpverlening in de omgeving "Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
25
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest plaatsvinden, dus in het plangebied. Het plangebied is in het kader van rampenbestrijding dan goed bereikbaar, enerzijds via de Thorbeckelaan anderzijds via de calamiteitenontsluiting aan de zuidzijde richting de parkeerplaats van de bestaande sportvelden. Binnen het plangebied is voorzien in voldoende bluswatermogleijkheden en is ruimte gereserveerd voor opstelplaatsen van hulpvoertuigen. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid Risicocommunicatie vindt allereerst plaats via NL-Alert (eventueel waspalen?) Daarnaast kan de zelfredzaamheid worden verhoogd door een goede risicocommunicatie ten tijde van de ramp. De initiatiefnemer stelt een BHV plan/Calamiteiten plan op in samenwerking met de VGGM. Hierin zullen de risico's en de handelingsperspectieven van de verschillende scenario's een plek krijgen, de handelingsperspectieven zullen dan op gezette tijden worden geoefend. Bij een risicoscenario op de A30 is er ook rekening gehouden met het ontvluchten van het gebied van de bron af. Er zijn BHV verzamelpunten gelegen richting de Thorbeckelaan van de A30 af. Vandaaruit kan het plangebied ontvlucht worden richting de Thorbeckelaan of via de calamiteitenontsluiting aan de zuidzijde van het gebied. In de toekomst is er het voornemen om tevens de bestaande weg langs de manege door te trekken naar de zuidzijde.
Bij een explosie of toxisch scenario kan er worden geschuild in de Midden Nederland Hallen, bij een toxisch scenario kan dan de ventilatie in deze hallen worden uitgeschakeld. Conclusie Met het voorliggende plan wordt een ander bouwvlak mogelijk gemaakt voor een tweede evenementenhal op het complex van de Midden Nederland Hallen (MNH). Deze beperkte verandering van het bouwvlak leidt tot een lichte toename van het groepsrisico. Echter, zowel in de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico hoger dan de oriëntatiewaarde. Doordat binnen het plan voldoende aandacht wordt besteedt aan de risicocommunicatie en de adviezen van de VGGM zijn/worden opgevolgd kan het eventuele risico worden verantwoord. Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Doorwerk ing in plangebied Er is geen sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten waardoor dit aspect niet relevant is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluidhinder de uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 26
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Doorwerk ing in plangebied In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen. Daarnaast maakt het plan geen bouw van geurgevoelige objecten mogelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur de uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De Midden Nederland Hallen aan de Thorbeckelaan 123 in Barneveld is voornemens een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing te realiseren aan de zuidzijde van de bestaande bebouwing. Deze uitbreiding is noodzakelijk om aan de stijgende vraag naar evenementen te kunnen blijven voldoen. De uitbreiding geeft de mogelijkheid om de huidige locatie te optimaliseren.
Het bouwplan ten zuiden van de bestaande evenementenhal betreft een oppervlakte van 7000m2 Initiatiefnemer beoogt het huidige oppervlak aan bedrijfsbebouwing te vergroten. Dit zal gebeuren op eigen terrein waarbij een extra gedeelte parkeren zal plaatsvinden aan de zuidkant waar initiatiefnemer een stuk grond zal verwerven. Het totale perceel met de nieuwe grenzen heeft een oppervlakte van ca. ongeveer 6 hectare. In de nieuwbouw zullen met name theatervoorstellingen plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De behoefte aan uitbreidingsruimte bij initiatiefnemer is groot. Daarnaast vindt de uitbreiding van de "Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
27
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest bebouwing plaats op aansluitende gronden die reeds de bestemming 'Cultuur en Ontspanning' hebben en kunnen worden geschaard onder bestaand stedelijk gebied. De behoefte aan een dergelijke hal bestaat tevens omdat er in de regio geen zalen aanwezig zijn van een dergelijke grootte zoals de voorgenomen hal. De bestaande theaters in Barneveld, Amersfoort en ede kunnen niet voorzien in deze vraag. De initiatiefnemer merkt bij zijn klanten dat er behoefte is aan een dergelijke zaal. Ook is een vergelijkbare locatie in de regio niet aanwezig. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Leidingen en laagvliegroutes staan de uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Desondanks is er toch een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd naar stikstofoxiden en fijnstof. Op alle receptorpunten is het effect van de bedrijfsactiviteiten op de luchtkwaliteit minder dan 3% van de grenswaarde (i.c. 1,2 µg/m3), voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. De emissies vanwege de inrichting zijn daarmee niet in betekende mate (NIBM). Een verdere toetsing aan de grenswaarden daarom kan achterwege blijven.
( zie hiervoor Bijlage 2) Conclusie Op basis van het voorgaande blijkt dat met betrekking tot de gewenste bedrijfssituatie geconcludeerd kan worden dat de bedrijfsactiviteiten niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van onderhavige plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 28
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is.
Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.
Toetsing In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt weliswaar voor op de lijst in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, maar de omvang van de activiteit ligt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D 11.2 en het onderhavige plan is geen project dat vanwege aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect zal hebben. Dat blijkt ook uit de toetsing van het plan aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. Zo heeft die toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek "Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
29
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een evenementenhal van 7000 m² en bijbehorend, deels bestaand parkeerterrein. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. De aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling (2022) is opgenomen als Bijlage 10. Hieruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Op 16 november is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als Bijlage 11 opgenomen.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Het plan betreft de bouw van een evenementenhal en de aanleg van bijbehorende parkeerplaatsen. In dit kader is van belang dat deze voorzieningen impact kunnen hebben op de omgeving. Om dit inzichtelijk te maken is een onderzoek uitgevoerd in het kader van het 'Activiteitenbesluit milieubeheer'. Zie hiervoor Bijlage 12. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidemissie van de inrichting in de te melden bedrijfssituatie.
Uit het onderzoek blijkt dat er in de toekomstige situatie met de nieuwe hal niet onder alle omstandigheden wordt voldaan aan de geluideisen uit het Activiteitenbesluit. Wanneer sprake is van gelijktijdige activiteiten kan in de nieuwe hal altijd 95 dB(A) aan muziek niveau optreden. In de bestaande hal dienen de niveaus dan beperkt te worden als volgt: Bij muziek in de nieuwe hal en Auditorium groot dienen de geluidniveaus in het auditorium maximaal 90 dB(A) te zijn. Bij muziek in de nieuwe hal en expo hal dienen de geluidniveaus in de expo hal maximaal 92 dB(A) te 30
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest bedragen. Bij muziek in de nieuwe hal, het grote Auditorium en de Expo hal dienen de geluidniveaus in de expo hal en auditorium maximaal 88 dB(A) te bedragen. In de overige ruimten mag het muziekniveau niet meer dan 70 dB(A) bedragen. Als wordt voldaan aan de bovenstaande randvoorwaarden, kan worden voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Qirion heeft op 19 december 2022 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Het plangebied betreft een evenementenlocatie waarbij het parkeren een prominente rol inneemt aan de zuidzijde van het terrein. Het inpassen van dit terrein is belangrijk voor de uitstraling van het geheel. Daarbij is het belangrijk dat de drie bestaande grote bomen (eiken) worden ingepast op het terrein. Er is aan de westkant en zuidkant bestaand groen aanwezig dat behouden blijft. In de toekomst kan de oostkant, welke op dit moment geen deel uit maakt van het plan en eigendom is van de gemeente, gebruikt worden voor het optioneel verlengen van de houtwal. Met het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan wordt de inpassing en uitstraling geborgd.
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
31
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Terreininrichting na realisatie v an hal 2 (met in uitsnede een uitsnede v an luchtf oto v an dit gebied)
Conclusie Het plan wordt op een goede manier landschappelijk ingepast en geborgd. Hierdoor geeft het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van 32
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Parkeren Bij realisatie van de tweede hal, is een uitbreiding van de parkeergelegenheid nodig. Om te kunnen voorzien in voldoende parkeerplekken worden 516 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. Een gedeelte hiervan was braakliggend terrein maar wel reeds als overloop in gebruik. Daarnaast kunnen 93 parkeerplaatsen worden gevonden bij het manegecomplex aan de zuidkant van de Midden Nederland Hallen.
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
33
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Parkeren rond de Midden Nederland Hallen
Voor grotere evenementen en/of gelijktijdig gebruik van zowel de bestaande als de nieuwe hal kan het voorkomen dat er rondom de hallen onvoldoende parkeergelegenheid is. Op deze momenten zal gebruik worden gemaakt van parkeergelegenheden in de nabije omgeving. Dit betreft o.a. parkeerterrein de Vetkamp, Schaffelaar en Veluwehal. Tijdens evenementen worden verkeersregelaars ingezet om het inkomende en uitgaande verkeer op een vlotte manier te laten verlopen. Ontsluiting terrein Om de bezoekers bij aankomst op een vlotte manier te laten parkeren moeten de parkeerstromen op een 34
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest heldere manier verlopen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen auto's, touringcars en leveranciers. Automobilisten en fietsers maken gebruik van de bestaande entree bij de bestaande hal. Automobilisten worden afhankelijk van het evenement naar een van de parkeerplaatsen geleid. Voor P2,P3 en P4 worden de automobilisten om de hallen heen geleid. Bij vertrek worden de automobilisten via een uitgang aan de oostzijde geleid. Touringcars rijden bij bezoek P1 voorbij en betreden het terrein tussen de beide hallen waar een ruimte is om passagiers uit te kunnen laten stappen voor de nieuw te bouwen hal. Aan de achterzijde van de nieuwe hal is ruimte voor touringcars om te parkeren. Touringcars verlaten het terrein net als de auto's via de uitgang aan de oostzijde. Leveranciers rijden de zelfde aanrijdroute als de touringcars maar kunnen dan tussen de beide hallen in voor laden en lossen. Het verlaten van het terrein gaat evenals alle voertuigen via de uitgang aan de oostzijde. Overigens kunnen de bezoekers van de manege via de kortste route aan de oostzijde naar de manegelocatie.
Ontsluiting en routering op het terrein
5.15
Water
Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
35
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Vanuit het aspect water zijn er diverse beleidsstukken die relevant zijn voor dit plan. Vanuit het waterschap is er de BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe. Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) wordt beschreven in 4.4.3 Het gemeentelijk Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 wordt beschreven in 4.5.4. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Huidige situatie Op het terrein is momenteel één hal gesitueerd met een parkeerplaats aan de noordzijde en verharding aan de zuidzijde voor overig gebruik. Voor de gehele huidige planlocatie inclusief verharding aan de zuidzijde van het pand is reeds waterberging gerealiseerd in de aangegeven locatie. Het water in de berging wordt door een stuw tot de benodigde hoogte opgestuwd in het zuiden van de watergang.
Hierna zal het water overstorten en afgevoerd worden naar de Barneveldse beek. Deze waterberging is tevens ook het afvoertraject voor een deel van Bloemendal en het woningbouwproject aan de overzijde van de Thorbeckelaan (oosten). Deze afvoeren stromen door de duiker onder de Thorbeckelaan door richting het westen langs het MNH terrein naar het zuiden richting de Barneveldse beek. Naast deze berging ligt er ook een c-watergang op de grens tussen de manege.
36
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Wateraf v oer
In de Thorbeckelaan ligt een transportleiding die het water afvoert naar het gemaal in de Jacob Catstraat. Het terrein is aangesloten op de leiding bij de zuidelijke inrit. Deze voert onder vrij verval het vuilwater naar put 10020 waar het aangesloten zit op de transportleiding. Toekomstige situatie Op het terrein van de Midden Nederland Hallen wordt een tweede hal gebouwd met een parkeerterrein voor alle benodigd vervoer. Het parkeerterrein wordt opgedeeld in 2 delen, waarbij het noordelijke deel verhard wordt uitgevoerd en het zuidelijke deel (de punt tot aan de manege) wordt uitgevoerd in waterdoorlatende verharding of onverhard materiaal. Door de bouw van de tweede hal komt er meer afvalwater vrij. De bebouwing kan worden aangesloten op de huidige terreinriolering. In de eerste fase van de Midden Nederland Hallen is er berging gerealiseerd voor hal 1, bijhorende parkeerplaatsen en verharding en de punt aan de zuidzijde van het plan. De realisatie van hal 2 en de bijhorende verharding is dan ook al voorzien van berging in dit plan en door het uitvoeren van het overige
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
37
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest deel van de parkeerplaats in halfverharding of waterdoorlatende verharding te realiseren is er geen extra waterberging nodig t.b.v. de nieuw aan te leggen verharding. Uitgangspunt bij het zuidelijke deel van de parkeerplaats is dat de 3 grote bomen blijven staan. Ten zuiden van het plan, op de grens met de manege, ligt een watergang die wordt opgewaardeerd. Dit mede om ook de toekomstige afwatering van het naast gelegen woningbouwproject te garanderen en een mooie groene overgangszone te creëren ten zuiden van de Midden Nederland Hallen. Bij de realisatie zullen uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruiken. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
38
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Barneveld-Noordwest" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1310-0003), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Dit is hier niet aan de orde. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemming 'Cultuur en Ontspanning' na (en de toegevoegde voorwaardelijke verplichting in hoofdstuk 3) worden de regels van het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest" op de locatie gewijzigd in die zin dat het bouwvlak binnen de bestemming 'Cultuur en Ontspanning' is aangepast inclusief de benodigde functie aanduidingen. De uit te werken maatschappelijke bestemming heeft voor een deel de bestemming 'Cultuur en ontspanning' gekregen. Tevens is een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest".
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen.
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
39
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
6.4.1
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In onderhavige partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met het behoud van de groene elementen in het plan en de aanleg van de parkeerplaatsen.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.
40
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Barneveld-Noordwest") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
41
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het plan de bouw van een evenementenhal (artikel 6.2.1 Bro) mogelijk maakt, is dit aan de orde. Voor dit plan is een grondexploitatie (Thorbeckelaan-Zuid) geopend en vastgesteld door de gemeenteraad. Voor het tekort van deze grondexploitatie heeft de gemeenteraad een verliesvoorziening getroffen. Doordat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden hiermee anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, behoeft de raad op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro in dit geval geen exploitatieplan vast te stellen.
42
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 8 december 2022 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: Participatie bij ruimtelijke initiatieven; Participatie bij initiatieven van de overheid; Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 juli 2022, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: Meebepalen | co-creatie Meewerken | adviseren Meedenken | raadplegen Meeweten | informeren In dit geval is het eerste spoor van het beleid relevant en trede 'informeren' van de participatieladder.
De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met de ruitersportvereniging Barneveld welke een accommodatie heeft ten zuiden van het evenementencomplex aan de Thorbeckelaan 133 Dit tevens met het doel de parkeerterreinen van beide locaties van elkaar te kunnen gebruiken als extra overloop bij drukke momenten. Meer belanghebbenden zijn er niet in de directe omgeving.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. "Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
43
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. Bij onderhavig plan is dat niet aan de orde.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 24 januari tot en met 6 april 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
44
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Bijlagen bij de toelichting
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
45
Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest
Bijlage 1 Aanvullend bodemonderzoek, Lawijn, juli 2022
46
"Thorbeckelaan IX, partiële herziening Barneveld-Noordwest" (vastgesteld)
AANVULLEND BODEMONDERZOEK THORBECKELAAN, A3084 (MNH 2.0) TE BARNEVELD
LAWIJN advies & management Rapportnr.: 22.4882-A1 juli 2022
Opdrachtgever Timo Kruft Beheer B.V. Hoofdstraat 18 3781 AG Voorthuizen Opdrachtnemer LAWIJN Advies & Management Dijnselburgerlaan 1-4a 3705 LP Zeist Telefoonnr. : 030 - 699 19 39 Telefaxnr. : 0847 - 23 78 19 e-mail : info@lawijnadvies.nl Rapport Kenmerk Datum
: 22.4882-A1 : 28 juli 2022
Opsteller / projectleider dhr. ing. H. (Herman) van Wijngaarden
Kwaliteitscontrole: mw. drs. ing. F. (Erica) Broeder
KWALITEITSVERKLARING LAWIJN Advies & Management verricht bodemonderzoek conform BRL SIKB 2000. Het bedrijf is hiervoor gecertificeerd volgens ISO 9001 en BRL SIKB 2000 (Protocollen 2001, 2002 en 2018). De werkzaamheden zijn op basis van dit certificatieschema uitgevoerd door (een) erkende veldwerker(s). Er hebben geen afwijkingen op het certificatieschema plaatsgevonden. LAWIJN Advies & Management is op geen enkele manier gelieerd aan de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzochte locatie. De projectleider en veldwerker(s) verklaren dat de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd. Bij eventuele klachten op de uitvoering van de activiteiten binnen de reikwijdte van het kwaliteitsmanagementsysteem dient de opdrachtgever zich in eerste instantie te wenden tot LAWIJN Advies & Management en in tweede instantie tot de certificerende instelling.
Rapportnr.: 22.4882-A1, juli 2022 Aanvullend bodemonderzoek Thorbeckelaan, A3084 (MNH 2.0) te Barneveld
INHOUD
blz.
1 INLEIDING............................................................................................................................................. 1 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................. 2 2.1 Locatiegegevens ........................................................................................................................ 2 2.2 Historische gegevens ................................................................................................................. 2 2.3 Gegevens bodemonderzoek ...................................................................................................... 3 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................... 3 2.5 Onderzoeksstrategie .................................................................................................................. 4 3 UITVOERING VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN....................................................... 5 3.1 Algemeen.................................................................................................................................... 5 3.2 Veldwerk .....................................................................................................................................
5 3.3 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................ 5 3.4 Monster- en analyseselectie....................................................................................................... 6 4 RESULTATEN EN INTERPRETATIE VAN HET ONDERZOEK .......................................................... 7 4.1 Algemene begrippen en toetsingskader..................................................................................... 7 4.2 Grond.......................................................................................................................................... 8 4.3 Asbest......................................................................................................................................... 8 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................................ 10 5.1 Conclusies ................................................................................................................................ 10 5.2 Aanbevelingen .......................................................................................................................... 10
Rapportnr.: 22.4882-A1, juli 2022 Aanvullend bodemonderzoek Thorbeckelaan, A3084 (MNH 2.0) te Barneveld
TABELLEN
blz.
1. Geohydrologisch overzicht................................................................................................................... 3 2. Onderzoeksstrategie. ........................................................................................................................... 4 3. Boringen en diepten van zintuiglijk waargenomen verontreinigingen.................................................. 5 4. Overzicht van grondmengmonsters en analyses, algemene bodemkwaliteit...................................... 6 5. Overzicht van mengmonsters en analyses, asbest ............................................................................. 6 6. Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grond (mg/kg d.s.).................................................. 8 7. Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten asbest (mg/kg d.s.) .................................................... 8
BIJLAGEN
1 Topografische kaart en kadastrale kaart met ligging onderzoekslocatie 2 Situatietekening onderzoekslocatie 3 Beschrijving boorprofielen 4 Analyserapporten 5 Toetsing analyseresultaten aan normen Wet bodembescherming 6 Foto’s onderzoekslocatie
Rapportnr.: 22.4882-A1, juli 2022 Aanvullend bodemonderzoek Thorbeckelaan, A3084 (MNH 2.0) te Barneveld
1
INLEIDING
Op de locatie Thorbeckelaan, A3084 (MNH 2.0) te Barneveld is in opdracht van Timo Kruft Beheer B.V te Voorthuizen een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de NEN5707. Onderhavig onderzoek vormt een aanvulling op het verkennend bodemonderzoek uit november 2021 (Lawijn, kenmerk: 21.4643-A1). De aanleiding voor het bodemonderzoek vormt de voorgenomen herinrichting en uitbreiding van het terrein van de evenementenlocatie aan de Thorbeckelaan 123, ten noorden van de onderzoekslocatie (Midden Nederland Hallen). Het doel van het bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de gehaltes en de mogelijke verspreiding van de eerder plaatselijk aangetroffen sterke verontreiniging met asbest in de bovenlaag van het oude ontsluitingpad noordelijk van de voormalige woonkavel Thorbeckelaan 131, alsook het verifiëren van de algemene kwaliteit van de bovengrond. Leeswijzer In het voorliggende rapport komt eerst het vooronderzoek, met een samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek, aan de orde. Vervolgens worden de onderzoekstrategie en de uitvoering van het bodemonderzoek beschreven. Ten slotte komen, na de presentatie van de resultaten van het onderzoek en een interpretatie van deze resultaten, de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek aan bod.
Rapportnr.: 22.4882-A1, juli 2022 Aanvullend bodemonderzoek Thorbeckelaan, A3084 (MNH 2.0) te Barneveld
1 / 10
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek is verricht volgens de NEN 5725 richtlijn, aan de hand van een locatiebezoek, een interview met de huidige eigenaar, en archiefgegevens van de gemeente Barneveld / omgevingsdienst De Vallei en de provincie Gelderland. In onderstaande paragrafen zijn de verkregen gegevens samengevat beschreven. 2.1
Locatiegegevens
Adres (postcode) Gemeente Kadastrale gegevens Eigenaar Gebruik Coördinaten Onderzocht oppervlakte
: Thorbeckelaan, Barneveld (3771 ED) : Barneveld : gemeente Barneveld, sectie A, nummer 3084 (ged) : gemeente Barneveld : ontsluitingpad, grasland : X - 167.130 Y - 462.150 2 : circa 300 m
In bijlage 1 zijn een topografische en kadastrale kaart met de ligging van de locatie opgenomen. Indeling locatie Onderhavig onderzoek is gericht op het terreindeel bij het oude ontsluitingpad voor de voormalige woonkavel Thorbeckelaan 131 en het bestaande trafohuisje op het noordelijk gedeelte van de locatie. Ten oosten van de locatie ligt de met asfalt verharde ontsluitweg voor het zuidelijk gelegen terrein van de paardenmanege (Thorbeckelaan 133). De locatie is onbebouwd en braakliggend (grasland), met uitzondering van het trafohuisje aan de noordwestzijde van het perceel. In 2019 is de bebouwing ter plaatse van de voormalige woonkavel Thorbeckelaan 131 gesloopt. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen. Locatie-inspectie Tijdens de locatie-inspectie zijn op de locatie geen verdachte plekken in de vorm van verzakkingen, plaatselijke ophogingen of brandplaatsen waargenomen. Ook zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 6 zijn foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen. 2.2
Historische gegevens
Historisch gebruik Op oude topografische kaarten blijkt dat de percelen in de omgeving van de onderzoekslocatie tot jaren e ’70 van de 20 eeuw in gebruik waren als weiland en akkerland. In 1972 is de autosnelweg A30 ten westen van de onderzoekslocatie aangelegd. Op een topografische kaart uit 1909 is voor het eerst bebouwing zichtbaar ter plaatse van de voormalige woonkavel Thorbeckelaan 131. Het overige gedeelte van het terrein is van oudsher in gebruik als weiland en akkerland. In 2017 is de paardenmanege ter plaatse van het zuidelijk gelegen perceel (Thorbeckelaan 133) opgericht. De oude ontsluitingweg richting het perceel Thorbeckelaan 131 is in verband met de bereikbaarheid van de manegehal geasfalteerd en circa 75 meter verlengd in zuidelijke richting. De voormalige bebouwing op het perceel Thorbeckelaan 131 is in 2019 gesloopt. Bedrijfsactiviteiten en olietanks Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen specifieke (voormalige) bedrijfsactiviteiten bekend. In het archief van de gemeente Barneveld / omgevingsdienst De Vallei zijn geen (voormalige) Hinderwet- of Wm-vergunningen bekend voor de locatie. Wel is voor de voormalige woonkavel Thorbeckelaan 131 een voormalige ondergrondse huisbrandolietank bekend (inhoud: 8.000 liter), welke in 1993 is gesaneerd. Uit het Kiwa-cerificaat blijkt dat er geen verontreinigingen zijn aangetroffen.
Rapportnr.: 22.4882-A1, juli 2022 Aanvullend bodemonderzoek Thorbeckelaan, A3084 (MNH 2.0) te Barneveld
2 / 10
2.3
Gegevens bodemonderzoek
Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Barneveld (regio De Vallei) ligt de onderzoekslocatie in zone ‘Wonen na 1945’. Voor deze zone is bekend dat in de bovengrond diffuse licht verhoogde gehaltes kwik en PAK kunnen voorkomen, en in de ondergrond licht verhoogde gehaltes molybdeen. Voorgaand bodemonderzoek Voor het terreindeel bij het oude ontsluitingpad zijn twee eerdere onderzoeken bekend: [1] Bodemonderzoek kabel- en leidingtracé Thorbeckelaan 131, Stantec, 4 januari 2019 [M18B0069]; [2] BUS-melding TUP Thorbeckelaan 131 te Barneveld (1991504), d.d. 16 januari 2019. Tijdens het bodemonderzoek in 2019 voor het aanleggen van een kabel- en leidingtracé aan de noordzijde van het perceel Thorbeckelaan 131 (t.h.v. het trafohuisje naast de openbare weg) is in de puinhoudende bovengrond van het ontsluitingpad een heterogene verontreiniging met asbest geconstateerd (asbestgehalte inspectiegat 1: 29,6 mg/kg d.s., asbestgehalte inspectiegat 2: 267 mg/kg d.s.). De sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond wordt voornamelijk veroorzaakt door materiaal in de grove fractie (>20 mm). In de puinhoudende bovenlaag van het ontsluitingpad zijn hiernaast lichte verontreinigingen met zink, PCB en minerale olie aangetoond.