CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 Motivering

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling van de Wijziging “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10” van het omgevingsplan voor de locatie Malenveld 8, 10 en 12 in Stroe22.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

5.3.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige landbouwontginning met een 1 waardering (laag). Conclusie Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.

5.3.4

Monumenten

In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan. Op het perceel of in de omgeving zijn geen gemeentelijke / rijksmonumenten aanwezig. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4

Duurzaamheid

Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.2.

5.5

Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er 26

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (4,7 km) tot het Natura 2000-gebied zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten. Externe effecten op Natura 2000-gebied (met uitzondering van vermesting en verzuring door stikstofdepositie) worden niet verwacht vanwege de afstand tot het gebied.

Stikstof Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie ((Bijlage 5). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de stikstofdepositie op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied voor de gebruiksfase 0,53 mol/ha/jaar bedraagt, en 0,50 mol/ha/jaar bouw-, sloop- en aanlegfase als in de gebruiksfase. Dit is veel lager dan de 1,58 mol, zijnde de 15% die van de Lbv-plus regeling mag worden gebruikt voor een vervolg activiteit. Hiermee wordt gebruik gemaakt van intern salderen. Een passende beoordeling zal hiervoor toegelicht worden in paragraaf 5.12. Conclusie De Aerius-berekening (worst case) laat zien dat in de sloop-bouw en gebruiksfase de depositie ruim onder de 1,58 mol van 15% van de referentiesituatie. Er is nergens een toename te zien in stikstofdepositie. De sloop en bouw kan plaatsvinden middels interne saldering met 15% van de referentiesituatie.

5.5.1.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).

Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Voor de GNN/GO geldt geen externe werking, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.

5.5.2

Soortenbescherming

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan (Bijlage 4) uitgevoerd. De quickscan natuur is uitgevoerd door De Slijpkruik Ecologie B.V. d.d. 18 november 2024. In het onderzoek is beoordeeld of jaarrond beschermde nesten, verblijfplaatsen van vleermuizen, of andere strikt beschermde soorten aanwezig zijn.

Uit de resultaten blijkt dat dergelijke beschermde soorten en elementen niet zijn aangetroffen binnen het plangebied. Er is geen sprake van vaste rust- of verblijfplaatsen en er zijn geen voortplantings- of foerageergebieden vastgesteld. Het effect van de geplande ontwikkeling op beschermde soorten is derhalve uitgesloten. Voorwaarde is wel dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd en dat wordt voldaan aan de algemene zorgplicht ex artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming (thans overgegaan in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet). Wel is van belang dat de in de quickscan geadviseerde maatregelen in het kader van de zorgplicht daadwerkelijk worden uitgevoerd. Deze betreffen onder meer mitigerende maatregelen ter bescherming van mogelijk aanwezige soorten tijdens de aanlegwerkzaamheden. De gemeentelijk ecoloog onderschrijft de conclusies van de quickscan (advies d.d. 17 december 2024) en adviseert uitvoering van genoemde maatregelen. De soortenbescherming staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Er zijn op basis van de uitgevoerde quickscan geen nadelige effecten op beschermde soorten te verwachten, mits de zorgplichtmaatregelen worden nageleefd.

5.5.3

Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.

28

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

5.5.4

Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna.

Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. 5.5.5

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en het geldende wettelijke kader is vastgesteld dat de voorgenomen ontwikkeling op de locatie Malenveld 8–10–12 niet leidt tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Ontwikkelingszone, beschermde soorten of houtopstanden. De zorgplichten zijn uitvoerbaar binnen het plan en kunnen worden geborgd via regels of voorschriften. Vanuit het aspect ecologie en natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6

Geluid

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan worden twee woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied voor geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen. In het geluidsonderzoek (Bijlage 6) van d.d. 17 april 2025 is gerekend met toekomstige verkeersintensiteiten in 2030, inclusief de verkeersbijdrage van het plan. De relevante bron is de Rijksweg A1, met een verkeersintensiteit die ruimschoots boven de 2.500 motorvoertuigen per etmaal ligt. Daarmee is de Rijksweg A1 relevant in het kader van het Bkl. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de gevel van woning nr. 12 als gevolg van verkeer op de A1 maximaal 59 dB Lden bedraagt.

Voor woning nr. 10 bedraagt de geluidbelasting minder. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van 60 dB Lden voor rijkswegen. De woning aan nr. 10 beschikt over een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Voor woning nr. 12 geldt dat geen geluidluwe gevel of buitenruimte aanwezig is, maar dat dit met de toevoeging van een serre alsnog wordt gerealiseerd. De gecumuleerde geluidbelasting blijft onder de waarde van 60 dB Lden. De benodigde geluidwering van de gevels wordt afgestemd op de vastgestelde geluidsbelasting. De gemeentelijk geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei heeft het rapport beoordeeld en akkoord bevonden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. De voorgenomen woningen voldoen aan de grenswaarden en er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Voor woning nr. 12 wordt dit geborgd door het aanbrengen van een serre als geluidluwe gevel en buitenruimte.

30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

5.7

Geur

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn vastgelegd. De gemeente Barneveld heeft daarnaast gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij verordening af te wijken van wettelijke geurnormen. De Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Barneveld is in werking getreden op 24 december 2021 en maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Het plan is getoetst aan deze verordening, voor zover van toepassing. Volgens de instructieregels van het Bkl wordt getoetst aan geurnormen op geurgevoelige gebouwen (artikel 5.91 Bkl). De definitie van een geurgevoelig gebouw in het Bkl wijkt af van die in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De gemeente Barneveld heeft ervoor gekozen om bij de overgang naar de Omgevingswet beleidsneutraal te werk te gaan.

Daarom wordt in deze beoordeling aangesloten bij de definitie van een geurgevoelig object zoals opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, en voorheen de Wgv: “Een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf, dat op permanente of vergelijkbare wijze wordt gebruikt.”

Beoordeling geurbelasting van veehouderijen In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende veehouderijen: - Malenveld 8 (paardenhouderij) - Dunenkamperweg 10 - Dunenkamperweg 15 De achtergrondbelasting is bepalend voor het woon- en leefklimaat, aangezien geen enkele nabijgelegen veehouderij dominant is. Uit berekening met V-Stacks gebied (V2020) blijkt dat de achtergrondbelasting op de hoekpunten van de woonbestemmingen tussen de 16,0 en 20,0 ouE/m³ ligt. Daarmee is sprake van een matig woon- en leefklimaat, wat voor het buitengebied en landbouwontwikkelingsgebied van Barneveld aanvaardbaar wordt geacht. De afstand van de veehouderijen aan de Dunenkamperweg 10 en 15 tot het plangebied bedraagt meer dan 140 meter. Daarmee wordt voldaan aan de minimale afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten. Voor de paardenhouderij aan Malenveld 8 geldt: - De woning op nr. 12 ligt op voldoende afstand. - De woning op nr. 10 ligt binnen 50 meter afstand. Daarom wordt een aanduiding 'voormalige functionele binding' voorgeschreven, zodat: - de geurregels niet gelden voor deze woning; - geen nieuwe geurgevoelige objecten binnen 50 meter mogen worden gerealiseerd; - er geen belemmering ontstaat voor de agrarische functie van nr. 8. De woningen op nr. 10 en 12 zijn voormalige bedrijfswoningen bij een veehouderij. Hiervoor geldt alleen een vaste afstandsnorm.

Toetsing aan de voorgrondbelasting is niet vereist.

Beoordeling overige geurbronnen Er zijn geen overige geurbronnen in of nabij het plangebied die relevant zijn voor toetsing in het kader van een evenwichtige toedeling.

Conclusie Het plan voldoet aan de normen uit de Verordening geurhinder en veehouderij Barneveld en het tijdelijke omgevingsplan. Onder voorwaarde dat: - voor Malenveld 10 een aanduiding 'voormalige functionele binding' wordt opgenomen; "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 - geen nieuwe geurgevoelige objecten binnen 50 meter van Malenveld 8 worden gerealiseerd; vormt het aspect geur geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.8

Gezondheid

De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.

De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderijen: - Wolweg 21, 3776LM Stroe – afstand circa 1.800 meter - Grote Hegweg 1, 3774RA Kootwijkerbroek – afstand circa 1.900 meter De nieuwe woning komt dus niet in het hoogste risicogebied. Wel ligt het plangebied in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied. Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd en verrommeling van het buitengebied tegen wordt gegaan. In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied.

Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van één nieuwe woning mogelijk te maken nu de geitenhouderijen zich bevinden op een grotere afstand dan 500 meter. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.9

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Een functieverandering en het toevoegen van één nieuwe woning valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.10

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.11

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Beoordeling Er worden twee gevoelige functies toegevoegd (burgerwoningen). Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het kader van het agrarisch advies (OddV) is beoordeeld of aan de grenswaarden voor fijnstof wordt voldaan. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig met een relevante fijnstofemissie (>500 kg/jaar). Daarom is geen berekening van de luchtkwaliteit uitgevoerd.

De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Er zijn geen aanvullende maatregelen of beperkingen noodzakelijk. Tevens is beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gelet op de lage fijnstofbelasting vanuit de omgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.12

Milieueffectrapportage

Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow).

Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Voor het plan geldt dat er vanwege beperkte depositie in de bouw- of gebruikfase sprake is van een passende beoordeling zoals hiervoor besproken in 5.5.1. Deze passende beoordeling bestaat uit de stikstofberekening waarbij intern gesaldeerd wordt met de beëindiging van de veehouderij op de locatie. Daarbij wordt meer dan 85% van de voormalige emissie van de veehouderij afgeroomd. Het feit dat voor bovengenoemde percelen sprake is van een passende beoordeling leidt ook tot een m.e.r.

beoordelingsplicht Daarbij moet worden getoetst aan de criteria uit bijlage II smb-richtlijn: de kenmerken van het plan of programma en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Uit de m.e.r. beoordeling moet blijken of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op voorhand zijn uit te sluiten. Omdat de m.e.r. beoordelingsplicht in dit geval slechts ontstaat vanwege de geringe mate van stikstofdepostie, die bovendien ruimschoots intern wordt gesaldeerd, wordt volstaan met een globale/generieke m.e.r.beoordeling: De locatie kenmerkt zich door de ligging in het landelijk gebied, waarbij op de locatie bestaande woningen behouden blijven en een gedeelte van het agrarisch bedrijf voortgezet wordt. Deze ontwikkelingen zijn passend in het landelijk gebied. Uit de beoordeling van locatie met bedrijfsactiviteiten volgt dat deze activiteiten de omgeving niet zwaar belasten, er is sprake van enige geluidproductie, geurgeneratie en verkeersaantrekkende werking maar andere effecten op de omgeving zijn niet aan de orde. Daarnaast geven ook kenmerken van het gebied (zoals archeologische of ecologische waarden) geen aanleiding om belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. De ontwikkelingen vinden niet plaats in gebieden met een verhoogd beschermingsniveau.

Op basis van het voorgaande zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op voorhand uit te sluiten. Het opstellen van een m.e.r. voor de betreffende locaties in plan is niet nodig. 34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

5.13

Milieuzonering

Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieebelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieebelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit.

In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspecten van belang: - De voormalige agrarische locatie Malenveld 8 is niet meer actief in gebruik en bevat geen inrichting met milieubelastende activiteit zoals bedoeld in het Bal. - De omgeving bestaat verder hoofdzakelijk uit burgerwoningen, agrarische gronden en kleinschalige erven zonder milieubelastende bedrijvigheid. - Binnen een straal van 100 meter bevinden zich geen bedrijven waarvoor een aanduiding milieuzone of beschermingszone nodig is. - Verkeersemissies zijn beperkt tot lokaal landbouw- en bestemmingsverkeer en veroorzaken geen relevante milieubelasting. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan. 5.13.1 Spuitzonering In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is.

Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Vanuit jurisprudentie geldt dat als vuistregel een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Doorwerking in plangebied In dit geval betreft het een afwaardering van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie, waarbij de bedrijfsbebouwing (grotendeels) verdwijnt. Het al aanwezige en te behouden woongedeelte van het perceel wijzigt feitelijk niet. Verder wordt het kantoor gewijzigd in een woning, waarmee het aantal gevoelige functies gelijk blijft. Om die reden wordt hier op dit moment geen spuitvrije zone verplicht gesteld vanuit de gemeente. Mocht in de toekomst een nieuwe wijziging op het perceel gewenst zijn, zoals het intensiveren van de woonfunctie (bijvoorbeeld door woningsplitsing), het aanpassen van het woonfunctievlak of een functiewijziging, dan zal een zonering wel opgenomen moeten worden. Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. De afstand tot naastgelegen agrarische percelen is voldoende en het woon- en leefklimaat is aanvaardbaar.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

5.14

Natuur en landschap

De landschappelijke inpassing van het plan Malenveld 10–12 houdt expliciet rekening met de aanwezige landschappelijke kernkwaliteiten zoals benoemd in paragraaf 4.3.1.2 van dit plan. Het gebied wordt gekenmerkt door open agrarisch landschap met verspreide erfstructuren, afgewisseld met landschappelijk waardevolle groenstroken langs wegen en perceelsranden. De bestaande erfstructuur op Malenveld 10 wordt in stand gehouden. De nieuwe woning op Malenveld 12 sluit aan bij het bestaande lintbebouwingsbeeld en is georiënteerd haaks op de weg, conform het landschappelijke patroon in het gebied. De inpassing vindt plaats binnen de bestaande begrenzing van het erf en tast de openheid richting het achterland niet aan. Rondom het erf zijn bestaande beplantingsstroken aanwezig die de visuele inpassing ondersteunen. De zuidzijde blijft groen ingekaderd. Er is geen sprake van bos of kwetsbaar natuurgebied in of nabij het plangebied. Wel wordt bij de verdere vergunningverlening aanbevolen om de beoogde erfbeplanting en eventuele hagen visueel te onderbouwen via een beplantingsplan. Het plan draagt bij aan het behoud van de landschappelijke kwaliteiten zoals openheid, ervenstructuur, en kleinschalige groenstructuren. Van landschappelijke verstoring is geen sprake. Conclusie Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.

5.15

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de functiewijziging naar burgerwoningen de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 5.15.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. 5.15.2 Beoordeling risicobronnen en verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn.

Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. 5.15.3 Te treffen maatregelen Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie.

Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Toetsing planontwikkeling De planontwikkeling voorziet in een functiewijziging van voormalige agrarische bebouwing naar burgerwoningen. De bereikbaarheid van het erf via de Malenveldweg is goed. De locatie ligt binnen het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 bereik van de hoofd- en subaanrijdroutes en voldoet aan de basisvoorwaarden uit de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. De opkomsttijden van de brandweer zijn toereikend voor woonfuncties. De feitelijke toetsing vindt plaats bij indiening van een omgevingsvergunning voor de bouw. Conclusie Het aspect bereikbaarheid en bluswatervoorziening vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.15.4 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), met name in paragraaf 3.4.2 en artikel 4.29, zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen zoals een gasdrukmeet- en regelstation. Voor woningen geldt een minimale veiligheidsafstand van 6 meter. Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen zijn beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het plan voldoet aan de voorgeschreven veiligheidsafstanden. Er zijn geen risicobronnen binnen de plangrens waarop deze bepalingen van toepassing zijn. Liander heeft op 27 mei 2025 schriftelijk bevestigd dat zij geen belangen of voorzieningen in het plangebied hebben. Daarom hoeven er in dit plan geen veiligheidsafstanden te worden opgenomen.

5.15.5 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zijn geen relevante risicobronnen aanwezig en de afstand tot de dichtstbijzijnde risicovolle infrastructuur (Rijksweg A1) is ruim voldoende. De borging vindt plaats door de toetsing aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), en het gemeentelijk Omgevingsplan. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.16

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie Malenveld 10–12 niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Er zijn geen aanwijzingen voor afwerpmunitie, geschutsgranaten of andere conventionele explosieven binnen het plangebied. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

Afbeelding Uitsnede OO-belastingkaart

Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.

5.17

Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen ... Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt. De planontwikkeling voorziet in een functiewijziging van bestaande bebouwing naar een woonfunctie, zonder dat sprake is van installaties, spoorverkeer, funderingswerkzaamheden of andere bron van structurele trillingen. De planlocatie ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn of andere bron van structurele trillingen. Er zijn geen omliggende bedrijven of infrastructurele voorzieningen die relevant zijn voor het aspect trillingen. Ook vanuit het verleden zijn ter plaatse geen klachten bekend. Gezien de aard en omvang van het plan, de ligging in het buitengebied en de aard van de omgeving is het aannemelijk dat trillinghinder zich niet zal voordoen. Conclusie Het aspect 'trilling' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.18

Verkeer

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

De planontwikkeling voorziet in de functiewijziging van voormalige agrarische bebouwing naar twee burgerwoningen. De verkeersgeneratie als gevolg van deze functiewijziging is gering en past binnen de bestaande capaciteit van de Malenveldweg. De ontsluiting vindt plaats via een bestaande erftoegang en sluit aan op het onderliggende wegennet, dat voldoende capaciteit en zichtlijnen biedt. Voor de functie 'wonen' wordt een parkeernorm gehanteerd van 3,0 parkeerplaatsen per woning. Op het erf is voldoende ruimte beschikbaar om aan deze norm te voldoen. Parkeren zal volledig op eigen terrein plaatsvinden, waardoor geen extra parkeerdruk ontstaat in de openbare ruimte. Er is geen verkeersstudie noodzakelijk geacht, aangezien de verwachte toename in verkeersbewegingen beperkt is en de ontsluitingssituatie ruim voldoet aan de gemeentelijke eisen. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.

5.19

Weging van het waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Het plan betreft het slopen van de agrarische opstallen en het realiseren van twee bijgebouwen. Het plan is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. Hemelwater Door de realisatie van de nieuwbouw woning komt er nieuwe verharding bij op het perceel.

Deze verharding moet worden gecompenseerd met waterberging conform het hemelwaterbeleidsplan met 20mm/m2 waarbij gesloopte bebouwing niet in mindering mag worden gebracht. Waterberging kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in de vorm van ondergrondse berging (denk aan infiltratiekratten, grindkoffers, buffer blokken, geperforeerde leidingen) of bovengrondse berging (denk aan wadi, laagte in tuin/landschap, bergingsvijver, zinksloot). Een combinatie van maatregelen is daarbij ook een mogelijkheid (bijvoorbeeld, een bergingsvijver met overstort naar infiltratiekratten). Initiatiefnemer heeft gekozen infiltratiekratten. Wanneer deze worden uitgevoerd zoals aangegeven op de inrichtingstekening, is er voldaan aan het waterbeleid van de gemeente en is op een passende manier invulling gegeven aan het aspect water.

Conclusie Het aspect waterbelang vormt geen belemmering voor dit plan.

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

Hoofdstuk 6

Juridisch aspecten

6.1

Wijziging omgevingsplan

6.1.1

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

6.1.3

Werkingsgebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Malenveld 10-12 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2). Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen. De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op Malenveld 10-12 waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0023-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

42

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10

6.2

Artikelsgewijze toelichting functies

6.2.1

Terugkerende thema's

6.2.1.1

Functieverandering

De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat. Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd.

6.2.1.2

Mantelzorg

In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). Mantelzorg wordt niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3.

6.2.1.3

Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast

Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e20d82f2-7123-44e1-a18d-cd76df7a4ac9