TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 Motivering voor een TAM-omgevingsplan
Datum:
Maart 2026
Locatie: Malenveld 8-10-12 in Stroe Plannr.: TAMOP0023
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Inhoudsopgave
Motivering Hoofdstuk 1
5 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toetsing aan omgevingsplan
6 6 6
Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Voorgenomen ontwikkeling
8 8
Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
10 10 10 11 15 18 18
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Cultuurhistorie 5.4 Duurzaamheid 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Geur 5.8 Gezondheid 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.10 Leidingen en laagvliegroutes 5.11 Luchtkwaliteit 5.12 Milieueffectrapportage 5.13 Milieuzonering 5.14 Natuur en landschap 5.15 Omgevingsveiligheid 5.16 Ontplofbare oorlogsresten 5.17 Trilling 5.18 Verkeer 5.19 Weging van het waterbelang
23 23 23 23 26 26 30 31 32 32 33 33 34 35 36 36 38 39 39 40
Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting functies
41 41 43
Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal
51 51
Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie 8.2 Zienswijzen
52 52 53
Bijlagen bij de motivering Bijlage 1
Inrichtingstekening
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing
2
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Bijlage 3
Bodemrapport
Bijlage 4
Quickscan Flora & Fauna
Bijlage 5
Stikstofberekening
Bijlage 6
Geluidsonderzoek
Bijlage 7
Wateradviesrapport
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
4
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Motivering Hoofdstuk 1
Inleiding
Voor de locatie Malenveld 10–12 te Stroe is een verzoek ingediend voor een gedeeltelijke functieverandering van een agrarisch bedrijf naar woonfuncties. Een deel van de agrarische bebouwing wordt gesloopt in het kader van de Lbv-plus regeling. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Om die reden is het voorliggende TAM-IMRO-plan 'TAM-omgevingsplan Malenveld 10–12' opgesteld.
Afbeelding: planlocatie Malenveld 10–12, globale ligging Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie en toekomstambitie
Beschrijving huidige situatie
Het plangebied ligt aan de Malenveld 8, 10 en 12 in het buitengebied van de kern Stroe. Het plangebied wordt gevormd door een agrarisch erf met diverse opstallen, waaronder voormalige stallen, een (voormalige) bedrijfswoningen. De locatie heeft een landelijke uitstraling en ligt in een overwegend agrarisch gebied, gekenmerkt door openheid, ervenstructuren en landschappelijke beplanting. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het perceel Malenveld 8. Aan de zuidzijde liggen graslanden en aan de westzijde vormt de openbare weg Malenveld de begrenzing, met daarachter enkele burgerwoningen en open landschap.
Afbeelding: begrenzing plangebied Malenveld 8 -10 -12
2.2
Toetsing aan omgevingsplan
2.2.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Het plangebied ligt in tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functies 'Agrarisch' (voorheen de bestemmingen) 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2'. Ook is de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' van toepassing. Daarnaast geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de bestemming 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2'.
6
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
2.2.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan past niet binnen het omgevingsplan omdat binnen de functie ‘Agrarisch’ geen reguliere woningen zijn toegestaan. Ook wordt er met de locatie deelgenomen aan de Lbv-plus regeling. Om aan de Lbv-plus regeling deel te nemen, moet onder andere aan de voorwaarde worden voldaan dat er een omgevingsplanwijziging wordt aangevraagd voor de locatie. Met deze omgevingsplanwijziging moet de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van dieren worden ontnomen. In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA). Ook is het plan niet mogelijk met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Hoofdstuk 3 3.1
Toekomstige situatie
Voorgenomen ontwikkeling
Het voorliggende plan betreft een gedeelteijke functiewijziging van een agrarisch erf naar een woonfunctie met behoud van bestaande bebouwing en sloop van intensieve veehouderijopstallen, in het kader van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). De voormalige bedrijfswoning bij nummer 10 krijgt een woonfunctie. Een deel van de agrarische bebebouwing blijft behouden als bijgebouw bij de woning. Ook worden een bijgebouw toegevoegd. Nummer 12 wordt gewijzigd van een kantoor naar een woonfunctie en er worden nieuwe bijgebouwen toegevoegd. De overige agrarische bebouwing wordt gesloopt. Bij nummer 8 blijft het agrarische bedrijf met bedrijfswoning behouden. De verkaveling sluit aan bij het bestaande erfkarakter. Er wordt herbeplanting toegepast (hagen, bomenrijen) conform het inpassingsplan. De ontsluiting blijft ongewijzigd via Malenveld. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Er is geen toename van verkeersdruk die niet past binnen het bestaande wegenprofiel. Natuurinclusieve maatregelen worden toegepast (waterberging, biodiversiteitsvriendelijke beplanting), zie bijbehorende maatregelenoverzicht.
Afbeelding: Beoogd plan Aan deze ontwikkeling wordt medewerking verleend omdat het plan past binnen de beleidsdoelstellingen van zowel het gemeentelijk functieveranderingsbeleid als de Rijksregeling Lbv-plus. De ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt versterkt door sloop van voormalige veehouderijgebouwen en landschappelijke inpassing. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de woonfunctie op zorgvuldige wijze wordt ingepast, waarbij relevante fysieke, milieukundige en beleidsmatige aspecten integraal zijn afgewogen. Conclusie:
8
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Omdat het initiatief niet in strijd is met de omgevingsvisie, de provinciale verordening of het rijksbeleid, kan aan dit plan medewerking worden verleend.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan beleid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteiten en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerking in plangebied Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten uit de NOVI. In het bijzonder draagt het bij aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en aan de verbetering van het leefklimaat door beëindiging van een intensieve veehouderijlocatie en het toevoegen van een duurzame woonfunctie met aandacht voor landschappelijke inpassing en natuurinclusieve maatregelen. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 4.2.2
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het 10
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.19). 4.2.3
Instructieregels Rijk (AMvB's)
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Deze instructieregels gaan over; voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen; lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool; bebouwingcontour jacht; bebouwingcontour houtkap. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Doorwerking in plangebied In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Het plangebied ligt binnen de volgende (thema)kaart vanuit de omgevingsvisie: Kaart 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Kaart 2: Themakaart Ruimtelijk beleid: Grote zonneparken mogelijk, windenergie mogelijk Kaart 3: Themakaart Waterbeleid: Intrekgebieden Doorwerking in plangebied Het plan voorziet niet in de aanleg van een zonnepark of windenergie. Ook worden er geen mijnbouwactiviteiten of andere grondwaterbedreigende activititeiten mogelijk gemaakt.
Conclusie Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
4.3.1.2
Omgevingsverordening
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij Omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen: algemene instructieregels (Afdeling 5.1) instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2) instructieregels over landschap (Afdeling 5.3) instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4) instructieregels over milieu (Afdeling 5.5) instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6) instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7) Het plangebied Malenveld 8–10–12 ligt binnen de Gelderse Vallei, specifiek in het deelgebied Barneveldse beken. In de Omgevingsverordening zijn voor dit gebied de volgende instructieregels van toepassing: Artikel 5.34 t/m 5.44: Deze artikelen beschrijven de kernkwaliteiten van het landschap en de ontwikkeldoelen voor de Gelderse Vallei. Het plan draagt bij aan deze kernkwaliteiten door: 1. het versterken van beplantingsstructuren, zoals houtsingels en boomrijen; 2. het behouden en herstellen van openheid en erfstructuren; 3. de aanpassing van nieuwe bebouwing aan het agrarisch karakter van het erf. Artikel 5.85: Dit artikel betreft de instructieregels voor klimaatadaptatie. Het plan voldoet hieraan door: 1. de aanleg van infiltratievoorzieningen voor waterberging; 2. het gebruik van niet-uitlogende materialen; 3. de vergroening van het erf en toename van het groene aandeel; 4.
het realiseren van duurzame, aardgasloze nieuwbouw. 12
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Doorwerking in plangebied Het planvoorstel voorziet in de beëindiging van intensieve veehouderij, functieverandering naar wonen en het landschappelijk inpassen van het erf. Hiermee wordt aangesloten bij de ontwikkeldoelen van de Gelderse Vallei: het versterken van landschappelijke structuren, terugdringen van verrommeling, stimuleren van biodiversiteit en het realiseren van waterbergingsmaatregelen. De inpassing is afgestemd op het gebiedstype 'Barneveldse beken', waarbij erfstructuur, beplanting, openheid en waterhuishouding leidend zijn.
Landschap Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale Omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (Afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (Afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan dat een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting blijkt dat: a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in de bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap; b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Het plan ligt binnen de streek Gelderse Vallei (deelgebied Barneveldse beken). Per streek is een streekgids beschikbaar met daarin informatie over de kernkwaliteiten landschap en ontwikkeldoelen https://www.gelderland.nl/themas/wonen-en-leven/samen-leven-in-gelderland/gelderse-streekgidsen.
Het voorliggende plan draagt hieraan bij door: het verwijderen van voormalige stallen en intensieve veehouderijbebouwing; het handhaven en inpassen van twee bestaande woningen binnen een herkenbare erfstructuur; het toepassen van natuurinclusieve maatregelen en streekeigen erfbeplanting (o.a. beukenhagen, hoogstamfruitbomen, singels met inheemse soorten); een landschappelijk inpassingsplan waarin het open karakter en de doorzichten behouden blijven, en afstemming van de bebouwing op de schaal en architectonische kenmerken van het gebiedstype. De uitwerking van deze kernkwaliteiten zijn verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan (zie Bijlage 2). Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een instructieregel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingegaan. Het artikel bepaalt dat, voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken, en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt.
Per saldo wordt bij deze ontwikkeling het aandeel groen op de locatie verhoogd en wordt voorzien in waterbergingsmogelijkheden. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.
Gebiedsaanwijzingen "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 De volgende gebiedsaanwijzingen gelden: aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe Gelderse streek Gelderse Vallei glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied intrekgebied werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Wat betreft 'aandachtsgebied windturbines'. Het plan voorziet niet in het realiseren van een windturbine. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie binnen de 'Gelderse streek Gelderse Vallei' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Het plan voldoet hier aan. Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw. Vervolgens wat betreft 'intrekgebied'. Het plan voorziet niet in een grondwaterbedreigende activiteit. Het is verboden in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Hiervan is geen sprake. Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende. Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken.
Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen. Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan. Doorwerking in plangebied Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
4.3.2
Omgevingswaarde(n)
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld: Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening). Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt.
Doorwerking in het plangebied De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.
14
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
4.3.3
Voorbereidingsbesluit stikstof
Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet. Conclusie Het plan ligt niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.5.1.
4.4
Regio
4.4.1
Regionaal waterprogramma 2021-2027
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn: Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen. Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water. Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden: 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid.
We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren. 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.19.
4.4.2 4.4.2.1
Regionaal functieveranderingsbeleid regio Foodvalley, regio Amersfoort Inleiding
Ons landelijk gebied is continue in ontwikkeling. Denk daarbij aan veranderingen bij agrarische bedrijven, nieuwbouw aan dorpsranden, aanleg recreatieve routes, inspelen op klimaatverandering, ingrepen in het watersysteem en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben impact op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en verstening neemt toe. Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van beide mooie regio’s. Ook de beëindiging van agrarische bedrijvigheid heeft zijn impact. Bedrijfsbebouwing die niet meer in gebruik is, kan verpauperen. Leegstaande gebouwen kunnen aanleiding "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 zijn voor ondermijning van de maatschappij door gebruik voor criminele activiteiten. Daarnaast draagt de agrarische sector zorg voor het onderhoud en beheer van het landschap. Het veranderen van deze functie heeft daarmee ook gevolgen voor het landschapsbeheer. Al met al leiden veranderingen in de agrarische sector op verschillende vlakken tot impact op de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Als een agrariër besluit zijn agrarisch onderneming te beëindigen, dan dient een functieverandering plaats te vinden. De agrarische functie komt immers te vervallen. Het functieveranderingsbeleid geeft twee mogelijkheden voor herbestemmen: functieverandering naar ‘Wonen’ of functieverandering naar ‘Werken’. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Bij een functieverandering van functie 'Agrarisch' naar functie 'Wonen' stopt de agrarische onderneming. Na functieverandering mogen op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. Hobbymatig mogen nog wel dieren gehouden worden. Het aantal is beperkt en afhankelijk van de diersoort. De vrijkomende (of overtollige) agrarische bedrijfsbebouwing dient hierbij te worden gesloopt. Dit wordt de slooplocatie genoemd. Daarnaast is het mogelijk om op de slooplocatie - of elders afhankelijk van gemeentelijke uitwerking - woonvolume toe te voegen.
Hiervoor geldt de sloopmetersystematiek, zoals hieronder wordt toegelicht . De functie 'Wonen' wordt gezien als een aantrekkelijke vervangende functie en het verbeteren van de omgevingskwaliteit. 4.4.2.2
Systematiek
Zodra een wens tot functieverandering kenbaar is gemaakt aan de gemeente, kunnen de sloopmeters berekend worden. De gemeente berekent deze aan de hand van de legale aanwezige vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Inzetbare sloopmeters kunnen ontwikkelingen op eigen locatie mogelijk maken, worden verhandeld en/of elders worden ingezet. De sloopmetersystematiek is gericht op het waarderen van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarbij gaat het om de footprint van het gebouw. De waardering in sloopmeters is niet gebaseerd op de productiecapaciteit van de stal. Ter verduidelijking gaat het bij een stal met een verdiepingsvloer alleen om de footprint, niet om het oppervlak van beide vloerdelen samen. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:
Het toevoegen van woonvolume is mogelijk volgens de onderstaande rekenregels.In de berekening hanteren we een basis bestaande uit het ‘woonrecht’ uitgedrukt in sloopmeters. Aanvullend hierop volgt een berekening van compensatie sloopmeters voor de gevraagde inhoud (m³) van de woning of woongebouw.
Bij woningen horen ook bijgebouwen. In het omgevingsplan is een maximale maatvoering vastgesteld. Met compensatie van sloopmeters kan een groter bijgebouw worden toegestaan.Voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen wordt de volgende regeling toegepast:
4.4.2.3
Gedeeltelijke functieverandering
Het regionale afwegingskader biedt ruimte voor gedeeltelijke functieverandering. Met gedeeltelijke functieverandering kunnen agrarische bedrijven geholpen worden, die bijvoorbeeld twee veehouderijtakken hebben en één hiervan willen beëindigen. Het regionale afwegingskader biedt twee mogelijkheden met bijbehorende voorwaarden: 16
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
• Eventueel gedeeltelijke sloop en een nevengebruiksfunctie starten. • Gedeeltelijke sloop en verkoop van de sloopmeters. Een omgevingsplanwijziging is ook bij gedeeltelijke sloop nodig. Door de sloop worden de hoeveelheid vierkante meters bebouwing binnen de agrarische functie beperkt voor de toekomst. De weggehaalde vierkante meters kunnen niet meer terugkomen. Planologisch borgen we dit in het omgevingsplan. Om geen verschil te laten ontstaan tussen een gedeeltelijke en een gehele functieverandering, wordt eerst de afroming berekend zoals deze zou zijn als het hele bedrijf beëindigd wordt. Op deze manier is gedeeltelijke sloop niet aantrekkelijker dan gehele sloop en andersom. Ook ontstaat geen verschil in het ‘gewicht’ van een sloopmeter. Vervolgens wordt rekening gehouden met de te slopen én de te behouden oppervlakte. De afroming die bij een gehele functieverandering van toepassing zou zijn, wordt nu evenredig verdeeld over deze oppervlakten. Als bijvoorbeeld 75% van de bebouwing gesloopt wordt, dan geldt hierbij ook 75% van de afroming die van toepassing zou zijn bij een gehele functieverandering. Tenslotte wordt de evenredige afroming afgetrokken van de te slopen bebouwing zodat inzetbare sloopmeters ontstaan uit deze gedeeltelijke functieverandering. Als het overige deel van het bedrijf in de toekomst beëindigd wordt, dan wordt de resterende afroming verrekend.
Een rekenvoorbeeld voor gedeelteijke functieverandering kunt u vinden in het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio foodvalley en Regio Amersfoort.
Doorwerking in plangebied Het gaat hier om een agrarisch bouwvlak waar door de jaren heen twee bedrijven zijn gevestigd. Het bedrijf gevestigd op Malenveld 10-12 stopt, het bedrijf op Malenveld 8 blijft behouden. Daarom wordt gedeelteijke functieverandering toegepast. De gemeente past bij de omzetting een afroming toe op de totale oppervlakte. Deze afroming is afhankelijk van de omvang van de slooplocatie, en wordt toegepast voorafgaand aan het bepalen van het inzetbare saldo. Op de locatie nummer 10-12 staat, naast de woning, 3.559 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 40 m2 van de 'kleine woning' en de afroming van 1.195 m2, zijn er 2.324 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig nadat de functie gewijzigd, de bebouwing gesloopt en dit geconstateerd is. De sloopmeters worden ingezet om bij beide woningen een grotere woninginhoud en oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk te maken. Ook is nummer 12 een nieuwe woning, hiervoor moet daarom ook woonrecht worden gecompenseeerd.
Woonrecht
Benodigde sloopmeters woninginhoud
Benodigde sloopmeters bijgebouwen
Woning 10
0
389 m²
210 m²
Woning 12
300
741 m²
340m²
Totaal
300
1.230m²
550 m²
Totaal benodigd
1.980
Op de locatie worden 1.980 van de inzetbare sloopmeters ingezet voor de eigen ontwikkeling. De overige (2.324 - 1.980 =) 344 sloopmeters zijn na sloop van de bebouwing inzetbaar. Dit wordt bijgehouden in het sloopmeterregistratiesysteem.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.19.
4.5.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.19.
4.6
Gemeente
4.6.1
Omgevingsvisie Barneveld 2040
In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken.
18
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij op de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van onze gemeente en onze dorpen zijn. De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente de stad. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd. 1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu. 2. Prettig leven in vitale dorpen Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen.
Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom. 3. Ruimte voor ondernemerschap Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra. 4. Waardevol landelijk gebied Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor uiteraard de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook in de blijvende plek voor onze agrarische sector, met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot. 5. Bereikbaar nu en in de toekomst Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken). Vijf gebieden en negen dorpen De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente.
Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040. Het plangebied ligt in het deelgebied het Oostelijk buitengebied. Van oorsprong bestaat het oostelijk buitengebied uit een gevarieerd landschap van beekdalen, broek- en heideontginningen en es-complexen aan de oostkant van het gebied. De karakteristieke beken van de gemeente Barneveld droegen bij aan dit kleinschalige landschap. In het gebied liggen de kernen Kootwijkerbroek en Stroe. De buurtschappen Essen en Esveld behoren tot Kootwijkerbroek. Het oostelijk buitengebied kenmerkt zich door een ondernemend karakter. In dit deel van gemeente Barneveld komt ondernemerschap in al zijn facetten het meest tot uiting. Het ondernemerschap bepaalt hier in belangrijke mate de identiteit van het gebied. Deze dynamiek in het gebied willen we behouden voor de toekomst. Daarom ondersteunen we hier het agrarisch ondernemerschap waar mogelijk.
Daarbij houdt de gemeente Barneveld oog voor behoud en versterking van de dragers van het cultuurlandschap, zoals de beken die dit gebied doorstromen. Bij dit gebied hoort bovendien een forse woonambitie voor de kernen. Doorwerking in plangebied De gedeeltelijke functieverandering zorgt ervoor dat er ruimte is voor de ondernemer om te blijven ondernemen. Ook wordt de ontwikkeling zorgvuldig ingepast, waardoor er wordt bijgedragen aan het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10 kleinschalige landschap. Conclusie Het plan is in lijn met de omgevingsvisie.
4.6.2
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015–2020 ('Investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad de Warmtevisie Barneveld vastgesteld, die de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In dit plan worden de woningen aardgasloos gerealiseerd.
Er wordt gebouwd conform BENG en waar mogelijk beter dan BENG, om de benodigde technische installaties te beperken en het elektriciteitsverbruik te minimaliseren. Dit is ook wenselijk met het oog op netcongestie. Warmtepompen De woningen worden voorzien van warmtepompen. Bij de plaatsing wordt rekening gehouden met de geluidsaspecten: de installatie wordt zodanig gepositioneerd dat het geluidsniveau bij de perceelsgrens onder de grens van 40 dB(A) blijft. Indien nodig wordt een geluiddempende omkasting toegepast. Zonnepanelen of -collectoren Op de woningen worden bij de bouw zonnepanelen geplaatst. Deze worden geïntegreerd in het ontwerp en georiënteerd op het zuiden/zuidwesten om een zo hoog mogelijk rendement te behalen. Materialen In het ontwerp wordt optimaal gebruikgemaakt van daglichttoetreding en passieve zonnewarmte. Er wordt gebruikgemaakt van duurzame, biobased materialen. Bij de sloop is onderzocht welke materialen circulair kunnen worden hergebruikt. Laadpalen Op het erf is ruimte voorzien voor het plaatsen van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. De gemeente staat positief tegenover het gebruik van laadpalen op particuliere erven. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein De verharding van het erf wordt beperkt tot functionele delen (oprit, parkeerplaats). Waar mogelijk wordt gebruikgemaakt van halfverharding of doorlatende bestrating.
Ook de verlichting op het erf is energiezuinig en indien van toepassing voorzien van tijd- of bewegingssensoren. Klimaat Zoals uitgewerkt in paragraaf § 5.19, wordt hemelwater niet geloosd op het riool maar lokaal geïnfiltreerd via wadi's en kratten. De erfbeplanting draagt bij aan schaduwvorming, verdamping en beperking van hittestress. Er is daarmee sprake van een klimaatadaptieve en robuuste erfinrichting. De woningontwerpen voorzien in passieve koeling door ligging, overstekken en ventilatiemogelijkheden.
20
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
4.6.3
Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.19.
4.6.4
Toetsingskader landelijk gebied
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023. Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijk opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011: 1. 2. 3. 4.
Agrarisch kampen- en slagenlandschap en landgoederen; Stedelijke zone en groene bufferzones; Agrarisch bedrijvenlandschap; Veluws natuurgebied, agrarische enclaves en overgangszone.
Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten: 1. Bestaande situaties en rechten worden door gemeente gerespecteerd op basis van wat bij recht is toegestaan in het Omgevingsplan. 2. Toetsing nieuwe ontwikkelingen altijd in samenhang met de ontwikkelingsrichting per deelgebied. 3. Alle nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het versterken van het natuurlijk systeem en het cultuurlandschap. 4. De beoordeling van een ontwikkeling wordt altijd integraal per locatie afgewogen. Naast het toetsingskader zijn alle andere beleidsstukken, programma's en verordeningen van toepassing. 5. Agrarische bedrijven worden niet gehinderd in de doorontwikkeling door gevoelige functies. 6. Er vindt geen aantasting van de milieu- en gezondheidssituatie plaats. 7. Toetsingskader is bedoeld voor zowel hoofdactiviteiten als nevenactiviteiten. Doorwerking plangebied De locatie Malenveld 8–10–12 ligt in het deelgebied agrarisch bedrijvenlandschap. Landbouw is in dit deelgebied de belangrijkste gebruiksfunctie. We streven naar herstructurering en passende schaalvergroting voor bedrijven gericht op innoveren. In dit agrarische productiegebied laten we in principe geen gevoelige functies toe. Deze functies horen thuis in de kernen.
Eventuele uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven is alleen onder strenge voorwaarden toegestaan. Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk. Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden zullen we beschermen.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Het plan voorziet in beëindiging van een intensieve veehouderij en de gedeelteijke functieverandering naar wonen. Om dat dit gaat om bestaande gevoelige functie worden er geen nieuwe gevoelige functies toegevoegd. De functieverandering wordt ruimtelijk zorgvuldig ingepast met sloop van bedrijfsbebouwing, versterking van het erfbeeld en toepassing van landschappelijke maatregelen. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het toetsingskader: het draagt bij aan ruimtelijke kwaliteit, versterkt landschapselementen, en belemmert geen agrarische ontwikkelingen in de omgeving.
22
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Hoofdstuk 5 5.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
5.2
Bodem
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie. Er is een bodemonderzoek (Bijlage 3) uitgevoerd (d.d. 18 september 2023) conform de NEN 5740. In het onderzoek zijn op meerdere plaatsen boringen verricht en zijn grond- en grondwatermonsters geanalyseerd. De resultaten tonen lichte verontreinigingen van zink, koper en lood in de bovengrond, die de achtergrondwaarden overschrijden, maar binnen de aanvaardbare normen blijven. De ondergrond en het grondwater geven geen aanleiding tot sanerende maatregelen. De onderzoeksresultaten zijn per locatie geplot en beoordeeld.
Op basis van de kaarten blijkt dat de verontreinigingen lokaal en beperkt zijn en niet belemmerend voor de voorgenomen functiewijziging. In de kaartlagen van het bodemloket zijn geen signalen van ernstige verontreiniging, stortplaatsen of bodembedreigende activiteiten opgenomen. De aangetroffen bodemkwaliteit staat de voorgenomen planontwikkeling niet in de weg. Wel verdient het aanbeveling bij eventuele grondroerende werkzaamheden passende veiligheidsmaatregelen in acht te nemen. De beoordeling is op basis van het bodemonderzoek dat is ingediend. Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname. De gemeente is daarom niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
5.3.1
Archeologie
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen.
Figuur 5.3.1.1. Archeologie
24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10
5.3.1.1
Archeologie lage verwachting
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied gedeeltelijk een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, RCE) verplicht. 5.3.1.2
Archeologie middelhoge verwachting
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied gedeeltelijk een middelhoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, RCE) verplicht. 5.3.1.3
Historisch boerenerf
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat het perceel aan de locatie niet binnen eenhistorisch boerenerf valt. 5.3.1.4
Terreinen van archeologische waarde
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat de locatie niet binnen een terrein van archeologische waarde (AMK-terrein) valt.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit plan.
5.3.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n).
Het plangebied Malenveld 8–10–12 te Stroe valt volgens deze kaart niet binnen een gebied dat is aangemerkt als stedebouwkundig waardevol gebied. Ook zijn er geen kenmerken uit de bijbehorende toetsingstabel van toepassing op deze locatie. Toetsing aan het bestemmingsplan 'Barneveld-Centrum 2022' is derhalve niet van toepassing. Er hoeft geen nadere stedenbouwkundige beoordeling plaats te vinden binnen het kader van historische waarden. Conclusie De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Malenveld 10" (vastgesteld)