TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 Motivering
Tekst van het document
Archeologie
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen. 5.3.1.1
Archeologie lage verwachting
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. 5.3.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Conclusie De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan. 5.3.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Zeer hoog gewaardeerde landschappen (waarde 5) en hoog gewaardeerde landschappen (waarde 4) die grenzen aan zeer hoog gewaardeerde landschappen grenzen zijn beschermd door het opnemen van een toegesneden regeling in het omgevingsplan. Het is de bedoeling dat deze waarden worden gehandhaafd dan wel versterkt. Het plangebied ligt volgens de cultuurhistorische waardenkaart in een zone die bebouwd/sterk veranderd is (waarde 0) en in een zone van vochtige landbouwontginningen (waarde 3). Het betreft lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvragen. Conclusie 22
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan. 5.3.4
Monumenten
In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan. Op het perceel en in de omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.
5.4
Duurzaamheid en gezondheid
Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestress (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.2. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden.
Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen.
De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderij(en). Het aspect duurzaamheid en "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5
Ecologie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied
De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (ongeveer 3 kilometer) tot het Natura 2000-gebied zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten. Externe effecten op Natura 2000-gebied (met uitzondering van vermesting en verzuring door stikstofdepositie) worden niet verwacht.
Stikstof De voorgenomen ontwikkeling zorgt mogelijk voor een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is De Veluwe. Dit gebied bevindt zich op een afstand van circa 3 km ten opzichte van het plangebied. Door middel van een AERIUS-berekening is inzichtelijk gemaakt of met het realiseren van het planvoornemen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving verwacht kunnen worden. Door Teus' Advies Omgevingsadviseurs is in juni 2025 een AERIUS-berekening voor de aanleg- en gebruiksfase ten behoeve van het planvoornemen uitgevoerd. De rapportage en de berekeningen zijn toegevoegd als Bijlage 3 bij de toelichting van dit plan. De AERIUS-berekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase tonen aan dat de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt, wat betekent dat er geen sprake is van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er worden dus geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied verwacht en dus wordt voldaan het principe van ETFAL voor het onderdeel gebiedsbescherming.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn om onderhavige planontwikkeling betreffende het planologisch wijzigen van de functie mogelijk te maken. 5.5.1.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe 24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening). Uit § 4.3.1.2 blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt. Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten. 5.5.2
Soortenbescherming
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten/overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en deze negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een natuurtoets uitgevoerd. Daartoe is de door Baecx B.V. te Kootwijkerbroek opgestelde rapportage 'Natuurtoets, locatie: Valkseweg 205 te Barneveld' (d.d.
gewijzigd 11 juni 2024, met projectnummer 240267) aangeleverd. Het rapport is als Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. De aanleiding is de voorgenomen sloop van een overkapping en een deel van een schuur. De overige bebouwing blijft staan. Deze rapportage geeft een eerste inschatting van mogelijke effecten op gebieden en op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. Aan de hand van het vooronderzoek en het veldwerk wordt geconcludeerd dat in en rondom het plangebied geen beschermde flora of fauna is vastgesteld. Er is gekeken naar vogelnesten, vleermuisverblijfplaatsen -en foerageerroutes en andere beschermde soorten die mogelijk aanwezig zouden kunnen zijn, zijn aangetroffen of verblijven. Er is daarom geen ontheffing noodzakelijk. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Zodra er ook werkzaamheden buiten de reikwijdte van dit onderzoek plaatsvinden, dient een aanvullende natuurtoets uitgevoerd te worden. 5.5.3
Houtopstanden
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
5.5.4
Algemene en specifieke zorgplichten
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en 26
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. 5.5.5
Conclusie
Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.6
Geluid
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan worden geen extra geluidgevoelige functies (woningen/appartementen) mogelijk gemaakt, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet nodig is. Er is wel onderzoek gedaan naar geluid afkomstig van de toe te voegen bedrijfsactiviteiten op de locatie, waar in paragraaf 5.12 verder op ingegaan wordt. Conclusie Binnen het plan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Dus hier is geen nader onderzoek voor noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.7
Geur
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.
De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Valkseweg 221 - rundveehouderij ten oosten van het plangebied Valkseweg 199 - kleinschalige varkenshouderij ten noorden van het plangebied Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting vanuit de rundveehouderij op de Valkseweg 221 is berekend op de werkplaats. Dit komt uit op 7,2 OuE/m³. Er liggen geen andere veehouderijen in de omgeving die een hogere voorgrondbelasting veroorzaken. In dit gebied is volgens een kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 14 -20 OuE/m³. De achtergrondbelasting is bepalend voor de hinder. Beoordeling In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden.
Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op:
Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Matig. De gemeente Barneveld heeft een geurbeleid opgesteld. Het plangebied ligt in het landbouwontwikkelingsgebied. Een achtergrondbelasting van 14 - 20 OuE/m3 wordt voor dit gebied als aanvaardbaar beschouwd. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 20,0 OuE/m3. De afstand tussen de veehouderij aan de Valkseweg 199 en het plangebied bedraagt 56 meter. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Het te realiseren bedrijfsgebouw betreft een ruimte- voor ruimte gevoelig object. De woningen zijn geurgevoelige objecten met een voormalige functionele binding met een dierenverblijf. Voor deze typen objecten gelden alleen vaste afstanden tot aan dierenverblijven. Er hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan. Conclusie Omdat aan de vereiste afstand wordt voldaan vormt dit plan geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.
5.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De ontwikkeling van het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch (met een bedrijfsgebouw van 500 m2 en zonder buitenopslag) valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.9
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.10
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Beoordeling Het plan betreft een dermate kleinschalige plan dat als NIBM project worden beschouwd. De verkeersaantrekkende werking is beperkt en overschrijdt de NIBM norm niet. Ook de achtergrondconcentraties leiden er niet toe om hier op lokaal niveau overschrijdingen van normen te verwachten. Een voldoende woon en leefklimaat is daarom geborgd. Beoordeling fijnstof (PM10) vanuit de veehouderij Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen. In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijnstofemissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.11
Milieueffectrapportage
Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow).
Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit Wettelijk kader Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen 30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht. Toetsing De activiteit wordt niet genoemd in Bijlage V van het Ob. Hierdoor is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)-plicht. De omvang van het project en de milieueffecten zijn dermate gering dat geen sprake is van een plan-mer-plicht op basis van artikel 16.36 lid 4 van het Ob. Het plan voorziet in een gebruikswijziging van een agrarisch naar een niet-agrarisch bedrijf en de sloop van een gedeelte van de aanwezige bebouwing op en buiten de planlocatie. De gevolgen voor bijvoorbeeld stikstofdepositie wordt bij toekomstige nieuwbouw verder onderzocht, waar in paragraaf 5.5 van deze motivering verder op wordt ingegaan. Ad 2: Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.
5.12
Milieuzonering
Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat (toekomstige) gevoelige gebouwen, zoals woningen, niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door (nieuwe) milieubelastende activiteiten. Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot gevoelige functies, onder andere wonen. Op basis van de handreiking geldt voor een met dit voorliggend plan mogelijk maken van een metaalbewerkingsbedrijf (constructiewerkplaats, gesloten gebouw) in principe een richtafstand van 100 meter (maatgevend is het aspect geluid). Vanwege het feit dat hier sprake is van een gemengd gebied kan een stap terug worden gedaan en is richtafstand van 50 meter acceptabel.
In de omgeving zijn geluidgevoelige gebouwen c.q. woningen aanwezig. De kortste afstand tot het functievlak van woning aan de Valkseweg nr. 178 bedraagt de afstand circa 45 meter en daarmee wordt niet helemaal voldaan aan de richtafstand. Echter ligt de tuin bij de bedrijfswoning nog tussen de woning en het verderaf gelegen bedrijfserf en is op grotere afstand gelegen. Dit geldt ook voor de (binnen het bouwvlak te brealiseren) bedrijfsbebouwing. Met een akoestisch aangetoond dat er een goed woon- en leefklimaat te garanderen is. In het kader van het aspect geluid is dan ook onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 5 bij de planregels opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat het bedrijf geen onacceptabele geluidhinder veroorzaakt op de omliggende gevoelige objecten. In de planregels is opgenomen dat mochten de bedrijfsactiviteiten groter mogen worden, dient te worden dat dit kan op basis van geluidsnormen dan wel te nemen maatregelen. De op de locatie uitgeoefende activiteit zorgt qua geluid voor een milieubelasting. Er is voor de bedrijfsactiviteiten een melding Activiteitenbesluit (nog onder de Wet ruimtelijke ordening) ingediend voor het oprichten en in werking hebben van een metaalbewerkingsbedrijf (met zaaknr. 2023M0133). Deze melding is meerder malen aangevuld en is uiteindelijk op 14 juni 2024 geaccepteerd.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingegaan. Er is geen sprake meer van een inrichting, maar van een locatie waar een of meerdere milieubelastende activiteiten plaatsvinden. De milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal) en in het omgevingsplan. De melding is automatisch (‘van rechtswege’) overgegaan in een of meerdere melding(en) en informatieplicht(en) volgens het Bal. Wanneer de activiteiten wijzigt is hiervoor een nieuwe toestemming nodig. De eerder geaccepteerde melding voldoet aan de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op basis "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 van dit besluit is het metaalbewerkingsbedrijf B. van Dijk een inrichting type B. Op de bij de melding bijbehorende tekening is een productieoppervlakte c.q. werkplaats van 295 m2 aangegeven. De overige ruimten binnen het bedrijfsgebouw (met een (maximale) (vloer)oppervlakte van 500 m2) betreffen andere ruimtes, waaronder opslag. Binnen de melding is aangegeven dat er maximaal 2 personen tegelijkertijd werkzaam zijn en ook aangegeven dat de verkeersbewegingen beperkt blijven tot maximaal 10 bewegingen overdag. De betreffende constructiewerkzaamheden vinden inpandig plaats. Op basis van de voornoemde en geaccepteerde melding in het kader van het Activiteitenbesluit sluiten de bedrijfsmatige activiteiten van het bedrijf het beste aan bij de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - constructiewerkplaats, gesloten gebouw'. De inrit en toegangsweg naar het bedrijfsgebouw toe is met aan de westzijde langs het bedrijfserf qua geluid gunstig gelegen ten opzichte van omliggende woningen. Het betref ook een bestaande inrit naar de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Een en ander is meegenomen in het akoestisch onderzoek.
De uitgangspunten binnen de geaccepteerde melding Activiteitenbesluit voor het niet agrarische bedrijf sluiten aan bij de planologische mogelijkheden en zijn ook ruimtelijk acceptabel zijn (ook in kader van een goede ruimtelijke ordening). De uitgangssituatie van het te vestigen bedrijf is rekening gehouden met de in de melding genoemde activiteiten. Ook vinden de metaalbewerkingsactiviteiten inpandig plaats. Op de verbeelding wordt het bouwvlak van het bedrijfsgebouw strak om het bestaande bedrijfsgebouw heen gelegd. Bij nieuwbouw zal deze binnen het bouwvlak moeten worden opgericht en daarmee zal de bedrijfsbebouwing niet dichter bij gevoelige gebouwen kunnen worden opgericht. Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Liander heeft op 21 januari 2025 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben. Daarom hoeven er in dit plan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.13
Natuur en landschap
Op de noordelijke en westelijke perceelsgrens bevinden zich waardevolle bomen die beschermd worden in de Algemene Plaatselijk Verordening (APV). Aan de oostkant van het erf bevindt zich een waardevolle boom die eveneens wordt beschermd in de APV. Aan de voorzijde van het erf bevinden zich nog enkele kleinere boompjes en hagen. Tijdens de bouw- en sloopwerkzaamheden moeten er voldoende maatregelen worden genomen om de bomen te beschermen zodat deze duurzaam in stand worden gehouden. Om te borgen dat de bomen tijdens de werkzaamheden geen schade (ondergronds of bovengronds) oplopen is het noodzakelijk de richtlijnen ‘werken rondom bomen’ na te leven. Voor de landschappelijke inpassing van het perceel is een erfinrichtings-/beplantingsplan aangeleverd. Deze beoogde inpassing is passend op een erf in het kampenlandschap. Verder is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van dit gebied en is sprake van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, De uitwerking van deze kernkwaliteiten zijn verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan (zie Bijlage 4 bij de regels). De versterking en de uitvoering hiervan is vastgelegd in onderhavig plan door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Conclusie Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.
32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
5.14
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteit en functie de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 5.14.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl).
Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.
Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 waarom er gebouwd wordt. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. 5.14.2 Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. 5.14.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.15
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop de globale planlocatie is te zien.
Afbeelding Uitsnede OO-belastingkaart nabij de planlocatie Valkseweg 205 in Barneveld Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.
5.16
Trilling
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt zoals hiervoor wordt bedoeld. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.17
Verkeer
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. Het parkeren moet op eigen terrein worden opgelost. Aan een bedrijfsfunctie zoals een metaalbewerkingsbedrijf zit een parkeereis verbonden. Het bedrijf valt onder de categorie bedrijf arbeidsintensief/ dus extensief (werkplaats). In het buitengebied hoort hier een parkeernorm van 2,4 per 100 m2 BVO bij. Bij een BVO van de bedrijfsbebouwing van 500 m2 betekent dat in principe een parkeereis van 12 nieuwe parkeerplaatsen. Bij de al bestaande woning hoort een parkeernorm van 2,5 dus afgerond 3. Deze parkeerplaatsen zijn op de erfinrichtings-/beplantingsplan aangegeven en er is aangetoond dat deze 12 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Er worden op basis van de voorgestelde en vastgelegde inrichting in totaal (12 + 2,5 = 14,5 dus afgerond) 15 parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeereis van 12 nieuwe parkeerplaatsen of 15 parkeerplaatsen in totaal is op basis van de gemelde milieubelastende activiteiten (nog een melding Activiteitenbesluit) waarschijnlijk aan de hoge kant.
De daadwerkelijke parkeervraag wordt ook bepaald door hoeveel werknemers en bezoekers er zijn, op welke tijden deze aanwezig zijn en hoe de bevoorrading geregeld wordt. Als deze motivering goed onderbouwd is en vanuit verkeerkundig oogpunt als realistisch beoordeeld kan worden, zou akkoord kunnen worden gegaan met een lagere parkeereis. Vooralsnog wordt het voorgestelde aantal parkeerplaatsen gerealiseerd en dus ook als (ruim) voldoende geacht. Verder blijft de bestaande uitritsituatie van het perceel en de bedrijfslocatie en daarmee ontsluiting op de provinciale weg ongewijzigd. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
5.18
Weging van het waterbelang
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In Hoofdstuk 4 is in verschillende paragrafen ingegaan op het waterbeleid. Bestaande situatie In de bestaande situatie betreft de locatie een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met een bedrijfswoning, bijgebouwen en bedrijfspanden. Nieuwe situatie Hier betreft het enkel een functieverandering, waarbij voor alsnog alleen bebouwing wordt gesloopt of huidige bebouwing wordt gehandhaafd/hergebruikt. Er is dus vooralsnog geen sprake van nieuwbouw.
Wanneer er wel gebouwd gaat worden (dus ook bij nieuwbouw (ter vervanging van bestaande bebouwing)) of bedrijfserf (verharding) wordt toegevoegd, moet worden voldaan aan het vigerende beleidskader van zowel de Gemeente Barneveld als het Waterschap Vallei en Veluwe. Er geldt dan onder andere dat er dan minimale waterberging per vierkante meter verharding dan wel bebouwing moet worden gerealiseerd. Het beleid geldt ook voor aanpassingen aan watergangen en kunstwerken (duikers, stuwen etc.).
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap. Conclusie De weging van het waterbelang vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Hoofdstuk 6
Juridisch aspecten
6.1
Wijziging omgevingsplan
6.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM's) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAM's is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
6.1.3
Werkingsgebied
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Valkseweg 205 in Barneveld (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2). Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie aan de Valkseweg 205 in Barneveld, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0008-0002.gml zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
6.2
Artikelsgewijze toelichting functies
6.2.1
Terugkerende thema's
6.2.1.1
Mantelzorg
In het voorliggende plan is voor een bedrijfswoning een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). Mantelzorg is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3. 6.2.1.2
Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast
Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven. Een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Bed & breakfast is niet mogelijk binnen de 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning', gelet op het kleinschalige oppervlak van de woning. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied.