TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 Motivering en regels voor het TAM-omgevingsplan
Datum:
februari 2026
Locatie: Valkseweg 205 in Barneveld Plannr.: TAMOP0008
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Inhoudsopgave
Motivering Hoofdstuk 1
5 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toetsing aan omgevingsplan
6 6 6
Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Voorgenomen ontwikkeling
8 8
Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
10 10 10 11 14 16 17
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Cultuurhistorie 5.4 Duurzaamheid en gezondheid 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Geur 5.8 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.9 Leidingen en laagvliegroutes 5.10 Luchtkwaliteit 5.11 Milieueffectrapportage 5.12 Milieuzonering 5.13 Natuur en landschap 5.14 Omgevingsveiligheid 5.15 Ontplofbare oorlogsresten 5.16 Trilling 5.17 Verkeer 5.18 Weging van het waterbelang
21 21 21 22 23 24 27 27 29 29 29 30 31 32 33 34 34 35 35
Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting functies
37 37 39
Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal
42 42
Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
43 43 44 44
Bijlagen bij de motivering Bijlage 1
Asbestinventarisatierapport
Bijlage 2
Ecologisch onderzoek
2
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Bijlage 3
Onderzoek stikstofdepositie
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
4
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Motivering Hoofdstuk 1
Inleiding
Voor de locatie aan de Valkseweg 205 in Barneveld is een verzoek ingediend om het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een metaalbewerkingsbedrijf met toepassing van functieverandering mogelijk te maken. Het agrarische bedrijf is inmiddels beëindigd en het agrarische bouwvlak komt te vervallen. De bestaande, voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is inmiddels gedeeltelijk gesloopt. Een deel van de bebouwing (met een (vloer)oppervlakte van 500 m2) wordt in eerste instantie hergebruikt als bedrijfsgebouw waarin de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden ondergebracht. In de toekomst wordt ook deze bebouwing gesloopt en wordt op dezelfde locatie een nieuw bedrijfspand teruggebouwd. Het verzoek is ingediend op 5 mei 2023 en valt vanwege de overgangsregeling daarmee nog onder het 'Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016' en past binnen dit beleid . De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" opgesteld.
Afbeelding 1: planlocatie Valkseweg 205, globale ligging Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie en toekomstambitie
Beschrijving huidige situatie
Het plangebied ligt aan de Valkseweg 205 in de nabijheid c.q. ten oosten van de kern Barneveld. Het plangebied wordt globaal gevormd door de grens van het agrarisch bouwvlak van het voormalige agrarische bedrijf. Het plangebied wordt aan de west- en noordzijde begrensd door agrarische gronden; ten noorden daarvan ligt een woonfunctie. Aan de oostzijde vormt een bedrijfslocatie de grens van het plangebied. Aan de zuidzijde wordt de grens gevormd door de Valkseweg met ten zuiden daarvan een tweetal bedrijfslocaties afgewisseld met woonpercelen. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1: begrenzing plangebied
2.2
Toetsing aan omgevingsplan
2.2.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Het plangebied ligt in het "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van dit omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (inclusief de partiële herzieningen). Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie 'Agrarisch' met aanduidingen 'bouwvlak' en 'intensieve veehouderij' en de functie 'Waarde Archeologie 1' (voorheen de bestemming 'Agrarisch' met aanduidingen en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'). Ook geldt de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied GV'.
6
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
2.2.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan past niet binnen het omgevingsplan omdat de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf binnen deze functies (voormalige bestemmingen) niet is toegestaan. Het is mogelijk een agrarisch bedrijf te vestigen, maar de functie 'Agrarisch' staat het gebruik als niet-agrarisch bedrijf als hoofdactiviteit niet toe. Om het beoogde plan planologisch mogelijk te maken moet een procedure onder de Omgevingswet worden gevoerd. In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken (door bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA) of een buitenplanse OPA (BOPA)). Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Hoofdstuk 3 3.1
Toekomstige situatie
Voorgenomen ontwikkeling
Het voorliggende plan betreft het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een metaalbewerkingsbedrijf aan de Valkseweg 205(/205A) in Barneveld. Met het plan wordt de agrarische functie (met agrarisch bouwvlak) omgezet naar een niet-agrarische functie. Er wordt geen buitenopslag mogelijk gemaakt met dit plan. Er is in eerste instantie sprake van hergebruik tot maximaal 500 m2 aan bedrijfsbebouwing (vloeroppervlakte). In de toekomst wordt het bestaande gebouw vervangen door een nieuw bedrijfspand met een maximale vloeroppervlakte van 500 m2. Het verzoek is ingediend op 5 mei 2023 en valt vanwege de overgangsdatum (van 29 augustus 2023) daardoor nog onder de kaders van het 'Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016', dat de raad op 22 maart 2017 heeft vastgesteld. Inmiddels is dit beleid dus geactualiseerd, maar dit plan valt vanwege de overgangsdatum nog onder dit voormalige beleid; voorliggend plan past binnen de uitgangspunten daarvan. Onder andere heeft het zoeken naar de benodigde sloopmeters (en de inzetbaarheid daarvan), de overgang van de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet en de uitspraak met betrekking tot stikstof ervoor gezorgd dat het langer heeft geduurd de formele procedure van het plan op te starten. De bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen (en dus een deel van de (voormalige agrarische) bedrijfsbebouwing) blijft staan.
In het verleden is er een vergunning verleend voor het uitbreiden en vernieuwen van de woning. Er is sprake van een inwoonsituatie (met adres Valkseweg nummer 205A). Daarnaast is er ook een aantal bijgebouwen als zodanig vergund bij de bestaande bedrijfswoning met inwoning en daarom blijft er bij de bedrijfswoning een 250 m2 aan bijgebouwen staan. Vanwege de vergunde inwoonsituatie is er ook behoefte aan een grotere oppervlakte aan bijgebouwen. De overige bebouwing (waaronder ook tunnelkassen en twee kleinere bouwwerken) wordt gesloopt. Voorliggende ontwikkeling is wenselijk omdat dit een positief effect heeft op de verharding en ruimtelijke uitstraling van het buitengebied. De ontwikkeling zorgt voor een significante ontstening, ook op een locatie elders. De ontwikkeling leidt niet tot beperking van andere omliggende functies. Omdat het plan uitgaat van een soort bedrijf met milieucategorie van maximaal 3.2, ligt de bevoegdheid om dit plan vast te stellen niet bij het college, maar bij de raad. De in het bestemmingsplan (tijdelijk omgevingsplan) opgenomen voormalige wijzigingsbevoegdheid gaat namelijk uit van maximaal milieucategorie 2. Ondanks de hogere milieucategorie is het beoogde bedrijf aan de Valkseweg 205 kleinschalig van aard.
Gezien de omvang van het te vestigen bedrijf, de ligging van de locatie aan de Valkseweg met daarlangs meerdere kleinschalige niet-agrarische bedrijven, is het acceptabel om in dit geval mee te werken aan een niet-agrarisch bedrijf met deze milieucategorie. De (vloer)oppervlakte van de bedrijfsbebouwing met maximaal 500 m2 en het niet toestaan van buitenopslag maakt de (ontwikkelings)mogelijkheden op de locatie beperkt. Vanuit de milieuregelgeving zijn er ook geen bezwaren. De uitgangspunten binnen de geaccepteerde melding Activiteitenbesluit voor het niet-agrarische bedrijf zijn vertaald naar de planologische mogelijkheden binnen deze wijziging van het omgevingsplan. De bedrijfsactiviteiten blijven beperkt tot dat wat ruimtelijk acceptabel is, ook in het kader van een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving. De activiteiten voldoen aan de minimaal aan te houden afstanden ten opzichte van omliggende functies. Dit is voor wat betreft het aspect geluid ook onderbouwd (zie paragraaf 5.12 Milieuzonering). Een dergelijk bedrijf past binnen het regionale beleid uit 2017, waarin de milieucategorie overigens niet gemaximaliseerd is (zie verder 4.4.1 Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016).
Vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt is het voorstel voor het nieuwe functievlak akkoord; dit is voldoende compact en er wordt hiermee afstand gehouden tot en rekening gehouden met de nabijgelegen waardevolle houtwal. Bebouwing dichter op de houtwal dient te worden voorkomen. De voorgestelde vorm en de grootte van bedrijfserf is daarop aangepast. In het kader van milieuzonering kan een eventueel nieuw bedrijfsgebouw op de locatie van het bestaand bedrijfspand worden teruggebouwd, wat is vastgelegd door het opnemen van een bouwvlak op de verbeelding strak om de huidige bebouwing heen. Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing van het bedrijfserf. Vanuit verkeerskundig oogpunt is aangetoond dat er kan worden voldaan aan de minimale parkeerbehoefte. Sloopmeters Om het functieveranderingsverzoek mogelijk te maken moet een sloopcompensatie (sloopmeters) worden geleverd. Uit nameting van de bebouwing op 7 november 2023 is gebleken dat de oppervlakte van de 8
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 bebouwing 1.019 m2 bedraagt. Hiervan wordt het basisrecht van 80 m2 aan bijgebouwen per woning afgetrokken, waardoor de inzetbare sloopmeters 939 m2 bedragen wanneer de overige bebouwing gesloopt is. Bij deze berekening is de oppervlakte van de bestaande (bedrijfs-)woning (inclusief uitbreidingsdeel met inwoonsituatie) buiten beschouwing gelaten. Het ingediende plan vraagt om in totaal 1.270 m2 aan sloopmeters. Voor het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf met vloeroppervlakte van 500 m2 is namelijk een 1.100 m2 (100 m2 bedrijfsrecht en 500x2 bedrijfsbebouwing) nodig. Daarnaast is nog eens een 170 m2 nodig om de oppervlakte aan bijgebouwen (alles boven de 80 m2 dient gecompenseerd worden) vast te leggen. De resterende benodigde sloopmeters (331 m2) zijn van buiten de planlocatie gehaald. Dit betreft de locatie Lange Heideweg 22 in Otterlo. Daarmee wordt voldaan aan de minimale sloopeis.
Afbeelding: beoogd inrichtingsplan Valkseweg 205(/205A) in Barneveld Conclusie Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Als het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan beleid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteit en wordt de activiteit hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de kortetermijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerking in plangebied Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 4.2.2
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, naerfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.18).
10
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
4.2.3
Instructieregels Rijk (AMvB's)
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Deze instructieregels gaan over; voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen; lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool; bebouwingcontour jacht; bebouwingcontour houtkap. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Doorwerking in plangebied In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebied Het plangebied ligt binnen de volgende (thema)kaarten vanuit de omgevingsvisie: Kaart 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Kaart 2: Themakaart Ruimtelijk beleid Voor wat betreft kaart 1 is er een aantal verwijzingen die relevant zijn voor dit plan, waaronder in de verwijzing naar paragraaf "Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam" en de paragraaf 'Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio!'. Dit plan draagt bij doordat er sprake is van de ontstening van het buitengebied en er vindt landschappelijke inpassing plaats. Met het plan is op de planlocatie en elders bebouwing gesloopt. Het is tevens de bedoeling de bestaande, verouderde opstallen te vervangen door nieuwbouw wat ook bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Kaart 2 betreft verwijzingen naar dat grote zonneparken en windenergie mogelijk zijn, maar is niet relevant voor de onderhavige planontwikkeling. Het plan voorziet niet in een zonnepark en ook niet in een voorziening voor windenergie. De omgevingsvisie geeft alleen aan dat een zonnepark en/of windenergie mogelijk is en verplicht daar niet toe. Conclusie Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 4.3.1.2
Omgevingsverordening
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen: algemene instructieregels (Afdeling 5.1) instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2) instructieregels over landschap (Afdeling 5.3) instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4) instructieregels over milieu (Afdeling 5.5) instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6) instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7) De volgende gebiedsaanwijzingen gelden: Gelderse streek Gelderse Vallei glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Gezien de ligging van de planlocatie langs bebouwde percelen aan de Valkseweg, het gebruiken van een bestaand bebouwingscluster (voormalig agrarisch bedrijfsperceel) en het in stand houden en versterken van de landschappelijke inpassing van het erf, brengt het plan geen grote (landschappelijke) veranderingen met zich mee die in strijd zijn met de uitgangspunten van de Gelderse streek Gelderse Vallei. Met de landschappelijke inpassing en versterking is rekening gehouden met de uitgangspunten binnen dit gebied. Het plan voorziet niet in glastuinbouw (buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied), waarmee deze aanwijzing niet van toepassing is op dit plan.
De activiteit is geen activiteit die wordt bedoeld met de instructieregels in het werkgebied van het Faunabeheerbeleid Gelderland.
12
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Natuur en Landschap Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen; de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. De planlocatie ligt binnen de streek Gelderse Vallei en het deelgebied 'Barneveldse beken'. Functieverandering van de erven naar een woon-, werk- of recreatie bestemming in combinatie met landschapsbouw biedt kansen om een kwaliteitsimpuls te geven aan het landschap.
Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals functieverandering of uitbreiding, is dat er wordt voortgebouwd op de specifieke karakteristieken van de verschillende (historische) erven. Bestaande, uit te breiden en nieuwe erven dienen zich te voegen naar de historisch gegroeide erfstructuur langs de wegen. Nieuwe ontwikkelingen op en rondom het erf worden gecombineerd met het ontwikkelen van passende landschappelijke structuren, zoals lanen, houtwallen, boomgaarden en voetpaden. Gebouwen en beplanting vormen een samenhangend ensemble, één erf met een agrarische structuur. Nieuwe gebouwen dienen te passen binnen de karakteristieke stedenbouwkundige opzet van het erf. Het erf is aan alle zijden voorzien van een passende erfbeplanting met een onderscheid tussen de voor- en achterkant van het erf. Per saldo is er sprake van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, De uitwerking van deze kernkwaliteiten zijn verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan (zie Bijlage 4 bij de regels). De versterking en de uitvoering hiervan is vastgelegd in onderhavig plan. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan.
Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. In het kader van natuurinclusieve maatregelen worden extra boomrijen aangelegd langs de noordelijke en westelijke perceelsgrens. Dat draagt bij aan klimaatadaptatie, met name aan hittebestendigheid vanwege de schaduw afkomstig van de bomen. Verder wordt gedacht aan de toepassing van infiltratiekratten voor de opvang van hemelwater (zie ook paragraaf 5.18). Bij de uitwerking van het nieuwe terrein en het nieuwe bedrijfsgebouw zal daar toepassing aan worden gegeven. Ook wordt gedacht aan het toepassen van klimaatadaptieve verharding, zoals grastegels. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie. 4.3.2
Omgevingswaarde(n)
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld: "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening). Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt. Doorwerking in het plangebied De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.
4.4
Regio
4.4.1
Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016
In maart 2017 is het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2008 is hiervoor de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld met in 2012 een “Nadere invulling” daarvan. Vanuit onder meer de praktijkervaringen van de regiogemeenten en jurisprudentie is de wens ontstaan om de beide beleidskaders uit 2008 en 2012 samen te voegen en te actualiseren. Het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 is dan ook primair geen nieuw beleid.
Wel zijn enkele beleidsaanpassingen/-toevoegingen gedaan; Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters; Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken; (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt; Deelnemende gemeenten Het regionale beleid voor functieverandering is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio Food Valley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale beleid van toepassing is omvat de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen. Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters Om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken en de voorgaande systematiek van afroming te vereenvoudigen, worden sloopmeters als eerste stap in een functieveranderingsproces vóór gebruik of verkoop 'omgezet' naar een 'inzetbare sloopmeters'. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als 'sloopmeters', waarna de omzetting plaatsvindt naar 'inzetbare sloopmeters'.
Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. 14
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Regionale inzetbaarheid van inzetbare sloopmeters Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van inzetbare sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter. Basissystematiek Vanuit het functieveranderingsbeleid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door middel van compensatie van inzetbare sloopmeters mogelijk in twee hoofdvormen met een basissystematiek; functieverandering naar wonen; functieverandering naar werken: (niet-agrarische) bedrijven, maatschappelijke en recreatieve functies. De basissystematiek is opgebouwd met een standaard 'recht' voor een nieuwe woning/wooneenheid of niet-agrarisch bedrijf, het woningrecht en het bedrijfsrecht waarvoor een compensatie van inzetbare sloopmeters nodig is. Daarnaast wordt compensatie van inzetbare sloopmeters gevraagd per 1 m³ inhoud van de woning of 1 m² vloeroppervlakte niet-agrarisch bedrijf. Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze) In het beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen.
Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid. De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Een toegevoegde mogelijkheid is functieverandering van een woning naar een woongebouw, voor onder meer mogelijk toekomstige mantelzorgsituaties of meergeneratiewoningen. Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Functieverandering naar werken - gebiedspassende bedrijven Niet-agrarische functies zien de regiogemeenten als een mogelijke aanvulling op de bestaande voornamelijk landbouwfunctie. Het buitengebied fungeert daarmee ook als een soort ‘kraamkamer’ van nieuwe niet-agrarische bedrijven. De aard en omvang van de niet-agrarische bedrijven moet echter wel passend zijn voor het buitengebied. Bedrijven tot een oppervlakte van 500m² worden daarbij qua omvang gezien als passend in het buitengebied. Grotere bedrijven moeten gestimuleerd worden zich te vestigen op een lokaal of regionale bedrijventerrein. Met een zwaardere sloopeis zijn bedrijven tot een oppervlakte van 1.000 m² bedrijfsbebouwing echter wel bespreekbaar.
Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die in beginsel thuis horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in (delen van) het buitengebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om aannemersbedrijven, constructiebedrijven, aan agrarische functies verwante bedrijven, zoals paardenpensions, hoveniers, ambachtelijke bedrijven zoals dakdekker, rietdekker, schildersbedrijf, meubelmaker of zakelijke dienstverlening zoals een adviesbureau. De regeling voor functieverandering naar werken is opgedeeld in twee categorieën. De eerste categorie kleinschalige bedrijven tot een oppervlakte van 500 m² worden gezien als goed in het buitengebied passende bedrijven. De tweede categorie (grotere bedrijven) zijn bedrijven die in principe wel passend kunnen zijn in het buitengebied, maar wellicht beter op een bedrijventerrein kunnen worden gevestigd. Tot een maximale oppervlakte van 1.000 m² wordt daar wel (uitbreidings)ruimte voor geboden, maar dan onder meer strikte voorwaarden van meer (ruimtelijke) compensatie door sloopmeters. Doorwerking in het plangebied Dit plan is gebaseerd op het hierboven beschreven voor dit geval van toepassing zijnde beleid inzake functieverandering. Vanwege de overgangsregeling valt dit plan nog onder het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” wat is vastgesteld in 2017.
Onder andere heeft het zoeken naar de benodigde sloopmeters (en de inzetbaarheid daarvan), de overgang van de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet en de uitspraak met betrekking tot stikstof ervoor gezorgd dat het langer heeft geduurd de formele procedure van het plan op te starten. Volgens het geldende functieveranderingsbeleid (vastgesteld 2017) gaat het hier om het vestigen van een gebiedspassend bedrijf, zoals dus ook constructiebedrijven en valt onder de eerste categorie kleinschalige bedrijven tot een oppervlakte van 500 m2. De oppervlakte van de bedrijfsbebouwing met maximaal 500 m2 "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 en het niet toestaan van buitenopslag maakt de (ontwikkelings)mogelijkheden op de locatie veel beperkter dan bijvoorbeeld op een bedrijventerrein. Ondanks de hogere milieucategorie is het beoogde bedrijf aan de Valkseweg 205 kleinschalig van aard en een dergelijk bedrijf past daarmee binnen het regionale beleid uit 2017 (waarbinnen de milieucategorie niet is gemaximaliseerd). Dit wel onder de voorwaarden, zoals dit ook geldt voor bedrijven van categorie 1 of 2, dat is onderzocht of het bedrijf past in de omgeving en dat is het geval. 4.4.2
Regionaal waterprogramma 2021-2027
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn: Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen. Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water. Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden: 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid.
We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren. 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.18.
16
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
4.5.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.18.
4.6
Gemeente
4.6.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De vastgestelde versie is gepubliceerd op 29 december 2011 (Staatscourant, nr. 23938). De gemeente Barneveld heeft op 28 september 2016 de Strategische Visie Barneveld 2030 vastgesteld. De Strategische Visie geeft aan welke doelen het gemeentebestuur nastreeft voor de periode tot 2030. Daaraan voorafgaand heeft de raad in januari 2009 de Structuurvisie 2009 vastgesteld waarin de stedelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar zijn weergegeven. Mede op basis van de Strategische Visie is de Structuurvisie 2009 geactualiseerd door de vaststelling van de Structuurvisie Kernen 2022. De Structuurvisie Buitengebied is het derde en laatste onderdeel van deze beleidstrilogie. In de op 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied wordt specifiek ingegaan op onderwerpen als landbouw, recreatie en landschap in de periode tot 2020. De twee structuurvisies vullen elkaar hierbij inhoudelijk aan. De strategische visie geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn. Met deze Structuurvisie Buitengebied biedt de gemeente Barneveld ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu.
Ontwikkelingen in de landbouw en bij recreatieve bedrijven zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap en woon- en leefomgeving. Deze omgevingskwaliteiten zijn ook de belangrijkste vestigingsfactoren voor het buitengebied. Initiatieven beoordeelt de gemeente daarom mede op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon en leefmilieu, verkeer en natuur. Dit moet leiden tot een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat op die manier wordt ingericht is een aangename plek om te werken en te recreëren. De structuurvisie beoogt daarbij ontwikkelingsruimte te bieden aan goede initiatieven en wil een basis zijn voor samenwerking om die te realiseren. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Bovenstaande aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast worden deelgebieden onderscheiden met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie (zie bijlage 8 Structuurvisie). Onderstaand is per deelgebied en zone een ontwikkelingsrichting met kwaliteitsbeeld beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum) eisen zijn kaderstellend voor het plan. Agrarisch bedrijvenlandschap Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomstgerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren. Andere bedrijven zullen stoppen met hun agrarische activiteiten. In het kader van het functieveranderingsbeleid worden, in gevallen van vrijkomende en leegstaande agrarische bebouwing, planologische mogelijkheden geboden voor functiewijziging naar niet-agrarische bedrijvigheid. Ontwikkelingsfonds Platteland De structuurvisie beschrijft het type projecten die tot doel hebben de beschreven ruimtelijke kwaliteiten te realiseren. Investeringen voor die projecten kunnen, al dan niet gedeeltelijk, worden gefinancierd uit het Ontwikkelingsfonds.
Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst. Doorwerking in het plangebied Dit plan is in lijn met de Structuurvisie. Het plan voor de functieverandering van agrarisch naar niet-agrarische bedrijvigheid is vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling. Onderhavig plan voor de vestiging van het niet-agrarische bedrijf (van 500 m2) draagt bij aan het Ontwikkelingsfonds Platteland door een gebruikelijke financiële bijdrage (van € 10,-- per m2). 4.6.2
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. 18
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Zonnepanelen of -collectoren Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In de nieuwbouw van het bedrijfspand zullen zonnepanelen worden opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. Daarbij wordt er goed gekeken naar de oriëntatie van de zonnepanelen. Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden. Optie is de hoeveelheid materialen zoveel mogelijk te beperken en gebruik te maken van gezonde en duurzame (biobased) materialen - gezien over de hele levenscyclus. Voor de toekomst is het goed om te kijken naar de losmaakbaarheid van de onderdelen en het leveren van een materialenpaspoort. Zo kunnen materialen beter hergebruikt worden. Bij sloop is het goed om na te gaan of er opties voor hergebruik van de vrijkomende materialen en circulair slopen. Laadpalen Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen.
Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Vanuit duurzaamheidsoogpunt is het van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien/ wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf §5.18.
Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. Doorwerking plangebied Met de gewenste functieverandering worden de bestaande stallen ingekort (deels gesloopt) en vervolgens voor een deel gebruikt als werkplaats. In de toekomst wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd. Er wordt vooralsnog uitgegaan van hergebruik van de voormalige agrarische opstallen. Het te behouden deel dateert uit de jaren '80 van de vorige eeuw. Het heeft asbestdaken, wordt verwarmd met aardgas, is niet goed geïsoleerd en is van binnen eigenlijk te laag voor een optimale bedrijfsvoering. Bij nieuwbouw kan vanaf de ontwerpfase duurzaamheid al meegenomen worden. Het nieuwe bedrijfsgebouw zal dan uiteraard goed geïsoleerd worden en voorzien worden van een warmtepomp en zonnepanelen. Wanneer het nieuwe bedrijfsgebouw gerealiseerd wordt is nog onbekend. Dat hangt mede af van hoe veel budget er nog over is nadat de functieverandering volledig gerealiseerd is. Het is kostentechnisch niet aantrekkelijk om de bestaande stallen (beter) te isoleren en te voorzien van een warmtepomp, als op de korte tot middellange termijn een volledig nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd wordt.
Bij de nieuwbouw gaat er ook worden onderzocht om het bedrijf van het aardgas af te halen. 4.6.3
Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205 Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18. 4.6.4
Toetsingskader landelijk gebied
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023. Doorwerking plangebied Het toetsingskader is niet relevant voor onderhavig plan. Onderhavig initiatief is voor de voornoemde overgangsdatum bekend gemaakt bij de gemeente en het uiteindelijke principeverzoek is al ingediend op 5 mei 2023.
20
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
Hoofdstuk 5 5.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
5.2
Bodem
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Op basis daarvan c.q. uit ons bodeminformatiesysteem (BIS) blijkt dat voor zover bij de gemeente bekend op de locatie nog geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. De voorgenomen functiewijziging betreft meer een administratieve wijziging waarbij beperkte sloop- en grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden. Het laten uitvoeren van minimaal een historisch vooronderzoek conform de NEN 5725 heeft daarom weinig meerwaarde.
Als de te slopen bedrijfsgebouwen waren/zijn voorzien van asbesthoudende dakbedekking die (in het verleden) niet voorzien waren/zijn van een dakgoot en het maaiveld ter plaatse onverhard was/is dan wordt geadviseerd om voor de sloop ter plaatse echter wel een verkennend asbestonderzoek te laten uitvoeren conform NEN 5707. Een eventuele bodembesmetting met asbest(vezels), ontstaan door afstromend water in de zo genoemde druppelzone, wordt dan op tijd onderkend en voorkomt vertraging bij de voorgenomen herontwikkeling. Voor de sloop van de bedrijfsgebouwen dient ook vooraf een asbestinventarisatie uitgevoerd te worden. Daartoe is het door Baecx B.V. te Kootwijkerbroek opgestelde inventarisatierapport 'Asbestinventarisatie, locatie: Valkseweg 205 Barneveld' (projectnummer 240266, d.d. 19-03-2024), welke als Bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen. Daarin wordt aangegeven dat er sprake is van dakgoten en verharding ter plaatse van mogelijk aanwezige druppelzones. Voor de sloop van (een gedeelte) van de bedrijfsgebouwen dient een melding te worden gedaan. Mogelijk moet er naar aanleiding van de bedrijfsbeëindiging en -oprichting een eind- en/of nulsituatiebodemonderzoek in kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) uitgevoerd worden.
Bouwen op een locatie zonder dat er eerst een bodemonderzoek is gedaan geeft een risico dat later wordt ontdekt dat de grond toch vervuild is. De gemeente is niet aansprakelijk als later wordt ontdekt dat de gronden waarop wordt gebouwd vervuild is en/of voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205" (vastgesteld)
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Valkseweg 205
5.3
Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.3.1