CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 Motivering

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling van de Wijziging “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103” van het omgevingsplan voor de locatie Rijksweg 101-103 in Terschuur19.610 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.5.1.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).

Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. 5.5.2

Soortenbescherming

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten: Vogels, beschermd onder de Vogelrichtlijn. Strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a), dan wel soorten opgenomen in bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het Verdrag van Bonn. Overige (nationale) beschermde soorten. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

De volgende soorten zijn door de provincie Gelderland vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis en vos. (Controleer in de meest recente Omgevingsverordening of deze lijst nog actueel is). In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (inclusief eieren) van beschermde soorten opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en of zij negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden, is een quickscan uitgevoerd. Uit de quickscan (Bijlage 2) blijkt dat er geen negatieve effecten worden verwacht op beschermde soorten. Er zijn geen vaste rust- of verblijfplaatsen aangetroffen. Wel zijn er enkele maatregelen voorgeschreven om invulling te geven aan de specifieke zorgplicht, zoals het werken buiten het broedseizoen en het zorgvuldig verwijderen van vegetatie. Deze moeten worden opgevolgd. De conclusies worden onderschreven.

5.5.3

Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Conclusie Op de planlocatie's worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.

5.5.4

Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit 26

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna.

Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. 5.5.5

Conclusie

Op basis van de zorgplichten zoals vastgelegd in de Omgevingswet en het Bal, is het noodzakelijk dat bij alle activiteiten die mogelijk invloed hebben op natuurwaarden voorafgaand onderzoek plaatsvindt. Indien negatieve effecten te verwachten zijn, moeten passende maatregelen worden genomen. Tijdens en na de uitvoering moet worden gemonitord of deze maatregelen effectief zijn. Vanuit het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie, mits de "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 zorgplichten correct worden nageleefd en geborgd.

5.6

Geluid

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort, te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen. Aan de noordzijde ligt een gemeentelijke weg. Aan de zuidzijde ligt de Rijksweg A1. Om aan te tonen of aan de geluidswaarden voldaan kan worden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). De waarde van het geluid op de gevels voldoet zonder maatregelen vanwege de gemeentelijke wegen op woning 1 en 3 aan de standaardwaarde van Lden= 53 dB. Op woning 2 wordt op de noordgevel niet voldaan. Vanwege de A1 voldoet geen van de 3 woningen aan de standaardwaarde voor Rijkswegen van Lden=50 dB.

Op de verdieping van de zuidgevel van woning 1 na is wel te voldoen aan de grenswaarde voor Rijkswegen van Lden=60 dB. Om aan de Grenswaarde te voldoen zijn dus maatregelen nodig. In het onderzoek zijn enkele varianten verkend. Het gaat hier om twee verkeerlawaaibronnen. Bij overschrijding van de standaardwaarde is een beoordeling nodig van de aanvaarbaarheid van gecumuleerd geluid. Hierbij wordt het geluid omgerekend naar een hinderlijkheid vergelijkbaar met wegverkeer (Art. 3.25 Or). Als het geluid van een bronsoort toeneemt, dan is ook daarvoor een beoordeling nodig. Het bevoegd gezag kan zelf criteria bepalen voor de aanvaardbaarheid, waarbij de Ow een integrale benadering hanteert. Mogelijke aspecten zijn dan bijv. hinder, gezonde leefomgeving, woningbouw, economie en mobiliteit. Uit de rekenresultaten blijkt dan dat met afscherming door veranda's op de begane grondvoor zowel de Rijksweg A1 als de gemeentelijke weg op één van de gevels is te voldoen aan de standaardwaarde. Op de verdieping is dat niet haalbaar. Het gemeentelijke geluidbeleid is als uitgangspunt genomen. Daarin staat dat er bij hogere niveaus een geluidluwe gevel en buitenruimte moet zijn.

Voor alle drie de woningen geldt dat er één of meer geluidluwe gevels aanwezig zijn (Lcum niet groter dan 53 dB) is sprake van een acceptabel tot goed woon- en leefklimaat en is het plan vanuit ETFAL aanvaardbaar voor wat betreft het aspect verkeersgeluid. Op de zuidgevel van woning 1 is een waarde berekend vanwege de A1 van Lden=61 dB. Dat ligt boven de grenswaarde. De zuidgevel moet dan worden uitgevoerd als dove gevel (voldoende geluidwering en zonder te openen delen). Als hier ook een veranda zou worden geplaatst (5m hoog), dan is de waarde op de gevels iets te reduceren en is een dove gevel niet vereist. Het gezamenlijke geluid (Lgez) is een ongewogen energetisch optelling van alle geluid en dit wordt gebruikt voor de bepaling van de geluidwering van de gevels. Vergelijkbaar met de oude regelgeving is de minimale karakteristieke geluidwering GA;k=20 dB en geldt een binnenwaarde van 33 dB of lager. Het gezamenlijk geluid op deze woningen dient vastgelegd te worden in het omgevingsplan, alsook de aanwezigheid van de niet geluidgevoelige zuidgevel met bouwkundige maatregelen op de 1e verdieping van woning 1.In het kader van de aanvraag bouwen dient aangetoond te worden dat de gevelwering voldoende is om de binnenwaarde van 33 dB te borgen. Er zijn daarmee geluidluwe gevels (Lcum niet groter dan 53 dB aanwezig.

Het plan past binnen de randvoorwaarden van het gemeentelijke geluidbeleid. De zuidgevel van de meest zuidelijke woning dient doof te worden uitgevoerd. Op die gevel is er met Lden=61 dB, een overschrijding met 1 dB van de grenswaarde voor Rijkwegen. Het rapport is beoordeeld door de geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden. Conclusie 28

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 Het aspect geluid vormt geen belemmering.

5.7

Geur

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.

De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan. Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen op korte afstand gelegen. Op het naastgelegen perceel, aan de Rijksweg 105, worden hobbymatig paarden bij de woonbestemming gehouden. Beoordeling woon- en leefklimaat Veehouderijen in de omgeving liggen op grote afstand. De achtergrondbelasting van geur bedraagt, na verdwijnen van de veehouderij, naar verwachting maximaal 10,0 ouE/m3. Daarbij is sprake van een redelijk goed tot goed woon-en leefklimaat. Om eventuele overlast vanuit de naastgelegen paardenstallen, bakken en paddocks te beperken wordt een robuuste struweelhaag aangebracht. Daarmee zal ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat.

Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten om het buitengebied. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 14,0 OuE/m3.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

De veehouderijen in de omgeving liggen op voldoende afstand van de nieuw te realiseren woningen; de dichtstbijzijnde ligt op meer dan 200 meter afstand. Er kan aan de eisen worden voldaan gezien de grote afstand. Omliggende veehouderijen worden niet belemmerd.

30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

Conclusie Het aspect geur vormt onder voorwaarden geen belemmering voor dit plan.

5.8

Gezondheid

De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.

De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderijen aan de Peutweg 1 en de Dronkelaarseweg 30, beiden in Barneveld . De afstand bedraagt 1400 en 1100 meter. De nieuwe woningen komen dus niet in het hoogste risicogebied. Wel ligt het plangebied in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied. Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd en de ontwikkeling draagt bij aan toekomstigebestendige ontwikkeling van het buitengebied. Hierbij wordt bijgedragen aan ontstening en verrommeling wordt tegengegaan.

In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van drie woningen mogelijk te maken nu de geitenhouderijen zich bevinden op een grotere afstand dan 500 meter. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

5.9

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De wet biedt de mogelijkheid om de laddertoets door te schuiven naar de fase van vergunningverlening. In de planfase kan een globaler onderzoek in dat geval volstaan.

De zorgvuldigheid vereist aan de wijziging van het omgevingsplan wél een (globaal) onderzoek ten grondslag te leggen, waaruit de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling blijkt (op grond van artikel 3:2 Awb). Een gedetailleerd ladderonderzoek hoeft niet al in de planfase, maar pas in de vergunningfase te worden uitgevoerd. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van 3 nieuwe woningen valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.10

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.11

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Beoordeling 32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen. Resultaten & beoordeling In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar.

5.12

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht. Toetsing De activiteit wordt niet genoemd in Bijlage V van het Ob. Hierdoor is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)-plicht. De omvang van het project en de milieueffecten zijn dermate gering dat geen sprake is van een plan-mer-plicht op basis van artikel 16.36 lid 4 van het Ob. De nieuwe woonfuncties hebben een kleinere impact op het milieu in vergelijking met het voormalige agrarische bedrijf. Ad 2: Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow).

Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie 5.12) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.

5.13

Milieuzonering

Om milieubelasting bij woningen door bedrijven te voorkomen, is een goede afstemming binnen de Omgevingswet noodzakelijk. Het uitgangspunt is dat toekomstige woningen niet onevenredig worden belast door nabijgelegen bedrijvigheid op het gebied van milieu, zoals geur, geluid en emissies. Omgekeerd mogen nieuwe woningen bedrijven niet beperken in hun bedrijfsvoering. Om dit te borgen, bevat hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) rijksregels voor milieubelastende activiteiten. Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Daarnaast heeft de gemeente regels opgenomen in het Omgevingsplan die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn te allen tijde van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt met zones waarin de beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit oploopt, zonder dat een vaste lijst van activiteiten wordt gehanteerd. Deze systematiek richt zich hoofdzakelijk op milieuhinderlijke "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkgebieden, maar biedt ook richtlijnen voor functiemenging. De handreiking helpt bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit en biedt richtlijnen voor een goede ruimtelijke inpassing van bedrijvigheid. Doorwerking plangebied In de nieuwe situatie wordt de agrarische functie beëindigd en wordt het terrein herontwikkeld voor woningbouw. Dit betekent dat er geen sprake meer is van milieubelastende activiteiten binnen het plangebied. Wel is het van belang dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Er zijn geen bedrijven binnen 250 meter van de locatie aanwezig. Hierdoor is de kans op milieuhinder door geur, geluid of emissies minimaal. Er is getoetst of de woningen voldoen aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering'. Op basis hiervan zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Conclusie Vanuit milieuzonering en omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen voor de locaties. Er zijn geen aanvullende maatregelen vereist.

5.14

Natuur en landschap

De ontwikkeling aan de Rijksweg 101 vindt plaats binnen een gedeeltelijk verstedelijkt en agrarisch overgangsgebied. De kernkwaliteiten van het gebied worden bepaald door de ruimtelijke openheid en de overgang tussen het landelijke en bebouwde karakter. Aanwezig groen (stroken, bos, landbouwgebied) Er zijn enkele groene erfafscheidingen en houtsingels aanwezig, die bijdragen aan het landschappelijke beeld. Nabij het perceel ligt landbouwgrond, waar op sommige percelen beperkte groenvoorzieningen aanwezig zijn. Landschappelijke inpassing De ontwikkeling van nieuwe woningen houdt rekening met het bestaande landschap, waarbij een geleidelijke overgang tussen bebouwing en open ruimte wordt gecreëerd.De planverbeelding bevat specifieke maatregelen om visuele verstoring te minimaliseren en groene buffers te behouden of te versterken. Landschappelijk waardevol groen De bestaande houtwallen en heggen langs de perceelranden worden behouden en waar nodig aangevuld. Er wordt ingezet op extra groenstroken en beplanting om de nieuwe bebouwing visueel en ecologisch in te passen in het landschap. Conclusie Het plan is in lijn met de landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied. De bestaande groene structuren worden behouden of versterkt, waardoor de impact op het landschap en de ecologie beperkt blijft.

Vanuit landschappelijke inpassing zijn geen belemmeringen voor de ontwikkelingen op beide locaties. Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.

5.15

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe woonfuncties de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

5.15.1 Externe veiligheid De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit.

Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

5.15.2 Beoordeling risicobronnen en verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve een relevant milieuaspect. De locatie Rijksweg 103 in Terschuur ligt binnen het gifwolk aandachtsgebied, op minder dan 300 meter van de snelweg A1. Dit betekent dat bij een incident met gevaarlijke stoffen op de snelweg er een verhoogd risico is op blootstelling aan een gifwolk. Op basis van landelijke risicoanalyses is de kans op een zwaar incident met een tankwagen met giftige stoffen op snelwegen in Nederland klein, met een geschatte frequentie van 1 op 106 tot 1 op 107 per jaar per kilometer. De daadwerkelijke kans op blootstelling binnen het gifwolk aandachtsgebied, rekening houdend met factoren zoals windrichting en verspreiding, ligt in de orde van 1 op 107 tot 1 op 108 per jaar. Hoewel de locatie binnen het aandachtsgebied valt en er sprake is van een theoretisch verhoogd risico, blijft de absolute kans op een incident dat daadwerkelijk tot blootstelling leidt zeer klein.

5.15.3 Te treffen maatregelen Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie.

Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Toetsing planontwikkeling Bij de plantontwikkeling wordt er voldoende rekening gehouden met veiligheidsmaatregelen. Er kan aan de opkomstnormen worden voldaan.

5.15.4 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven.

5.15.5 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. De beëindiging van agrarische activiteiten en de beperkte nieuwe invulling leiden niet tot risicovolle situaties. In de regels is geborgd dat uitsluitend functies worden toegestaan die passen binnen de geldende veiligheidsafstanden. Het aspect omgevingsveiligheid vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig

36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

5.16

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Het historisch vooronderzoek met kenmerk RN-14037-2.0, uitgevoerd door Expload en gedateerd op 27 oktober 2015, richtte zich op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog binnen de gemeente Barneveld. Volgens de beschikbare informatie is het plangebied in dit onderzoek niet als verdacht aangemerkt. Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.

5.17

Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen, zoals opgenomen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt die trillingen veroorzaakt. De meest voorkomende bron van trillingen in de gemeente is spoorverkeer. De Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen biedt een beoordelingskader voor trillingen bij de toedeling van functies aan locaties. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op 600 meter ten zuiden van de planlocatie. Volgens het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen moet binnen een zone van 100 meter worden beoordeeld of trillinghinder kan optreden. Aangezien de planlocatie ruimschoots buiten deze zone ligt, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan. Er zijn geen nadere onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig.

5.18

Verkeer

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. Bij de toedeling van functies aan locaties is een goede verkeersafwikkeling essentieel om de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. De beoogde ontwikkeling mag geen onevenredige toename van het verkeer veroorzaken. De verkeersgeneratie wordt beoordeeld aan de hand van richtlijnen uit de CROW-publicaties en vergelijkbare functies. Hierbij wordt gekeken naar het aantal verkeersbewegingen per etmaal en de spreiding hiervan over de dag. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de verkeersafwikkeling en dat de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit biedt om het extra verkeer op te vangen. Voor de ontwikkeling geldt de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen 2020, waarin per woning drie parkeerplaatsen vereist zijn. Bij de verdere uitwerking van het plan moet hiermee rekening worden gehouden.

Extra parkeervoorzieningen dienen te worden gerealiseerd op eigen terrein of in de directe omgeving, mits dit ruimtelijk en verkeerskundig aanvaardbaar is en geen overlast veroorzaakt voor omwonenden. De locatie wordt ontsloten via de bestaande infrastructuur, waarbij verkeersveiligheid en doorstroming gewaarborgd blijven. De aansluiting op het wegennet voldoet aan de gestelde eisen en biedt voldoende zichtlijnen voor een veilige in- en uitritsituatie. Ook voor fietsers en voetgangers is de ontsluiting passend "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 en veilig. Aanpassingen aan de infrastructuur zijn niet noodzakelijk, aangezien het bestaande netwerk de extra verkeersbewegingen zonder problemen kan verwerken. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Daarbij is voldoende ruimte beschikbaar voor het realiseren van de benodigde parkeercapaciteit conform de gemeentelijke parkeernormen. Hierdoor wordt geen druk uitgeoefend op de openbare ruimte. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.19

Weging van het waterbelang

Weging van het waterbelang Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen is het van belang dat waterhuishoudkundige aspecten op een verantwoorde manier worden meegenomen. Dit omvat onder andere de afvoer en infiltratie van regenwater, de bescherming tegen wateroverlast en de borging van voldoende waterberging in het gebied. De watertoets is een verplicht instrument dat in samenwerking met het waterschap wordt uitgevoerd om te beoordelen of een plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Hierbij wordt gekeken naar: Afstroming en infiltratie van hemelwater; Gevolgen voor grondwaterstanden en droogte; Bescherming tegen wateroverlast en overstromingen; De aanwezigheid van waterbergingsgebieden. De waterparagraaf van het Omgevingsplan en de richtlijnen van het Waterschap zijn hierbij leidend. Het uitgangspunt is dat er geen toename van de waterproblematiek optreedt en dat het plan past binnen het bestaande watersysteem. Voor de ontwikkeling is een beoordeling gemaakt van de gevolgen voor de waterhuishouding. De locatie bevindt zich niet in een waterbergingsgebied en is niet gevoelig voor overstromingen. Het plan zorgt niet voor een significante toename van het verharde oppervlak, waardoor het effect op de waterafvoer beperkt blijft.

Regenwater wordt lokaal geïnfiltreerd, in lijn met de uitgangspunten van het Waterschap en de geldende richtlijnen voor waterbeheer.Er wordt geen extra belasting op het rioolstelsel verwacht, doordat de afwatering wordt geregeld via waterdoorlatende voorzieningen en afkoppeling van hemelwater. Aangezien het waterbelang voldoende is gewaarborgd, zijn er geen belemmeringen vanuit waterhuishoudkundig oogpunt. Klimaatadaptatie Voor de waterveiligheid en het tegengaan van wateroverlast is er een wadi opgenomen. Deze wadi zorgt ervoor dat overtollig regenwater tijdelijk wordt opgevangen en vervolgens langzaam in de bodem kan infiltreren. Dit draagt bij aan een stabiele waterhuishouding, wat ook helpt om droogtes te verminderen. Daarnaast omvat het plan veel groen en beplanting, wat bijdraagt aan de vermindering van hittestress in het gebied. Het groen zorgt voor schaduw en verkoeling, waardoor het leefklimaat op locatie wordt verbeterd tijdens warme zomers. Conclusie Het waterbelang voor het plan is op een verantwoorde manier meegenomen in de planvorming. Er zijn geen waterbergingsgebieden of overstromingsrisico's die een belemmering vormen.

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

Hoofdstuk 6

Juridisch aspecten

6.1

Wijziging omgevingsplan

6.1.1

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

6.1.3

Werkingsgebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Rijksweg 101-103 in Terschuur (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2). Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de planlocatie: Rijksweg 101-103 in Terschuur waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0012-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en hierna https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103

6.2

Artikelsgewijze toelichting functies

6.2.1

Terugkerende thema's

6.2.1.1

Functieverandering

De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat. Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd. 6.2.1.2

Mantelzorg

In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). 6.2.1.3

Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast

Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt.

Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.

6.2.1.4

Paardrijbakken

Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan. De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied. De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.

6.2.1.5

Zonnecollectoren

Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnecollectoren op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnecollectoren op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnecollectoren op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnecollectoren te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnecollectoren op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnecollectoren als de landschappelijke inpassing van deze zonnecollectoren. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnecollectoren. Wat betreft de bouwregels worden zonnecollectoren beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnecollectoren buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.

6.2.1.6

Recreatief medegebruik

Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.

6.2.1.7

Normaal beheer, onderhoud en gebruik

Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren. Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst.

Ook moeten soms ontheffingen op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (BKL en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan.

6.2.2

Functie wonen in de kernen/ in het buitengebied

Algemeen De functie 'wonen in het buitengebied' is toegekend aan de bestaande, legale woningen. Binnen een 42

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e5951d58-b005-4015-a0ca-1fc8981a27ea