TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 Motivering voor een TAM-omgevingsplan
Datum:
Maart 2026
Locatie: Rijksweg 101-103 Plannr.: TAMOP0042
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Inhoudsopgave
Motivering
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding
5 5
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toetsing aan omgevingsplan
6 6 6
Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Voorgenomen ontwikkeling
8 8
Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
9 9 9 11 14 17 17
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Cultuurhistorie 5.4 Duurzaamheid 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Geur 5.8 Gezondheid 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.10 Leidingen en laagvliegroutes 5.11 Luchtkwaliteit 5.12 Milieueffectrapportage 5.13 Milieuzonering 5.14 Natuur en landschap 5.15 Omgevingsveiligheid 5.16 Ontplofbare oorlogsresten 5.17 Trilling 5.18 Verkeer 5.19 Weging van het waterbelang
22 22 22 22 24 24 28 29 31 32 32 32 33 33 34 34 37 37 37 38
Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting functies
39 39 41
Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal
46 46
Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie 8.2 Zienswijzen
47 47 48
Bijlagen bij de motivering Bijlage 1
2
Rapport bodem Rijksweg 101-103
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Bijlage 2
Rapport flora & fauna Rijksweg 101-103
Bijlage 3
Rapport stikstof Rijksweg 101-103
Bijlage 4
Rapport geluid
Bijlage 5
Nota Zienswijzen
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
4
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Motivering Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Inleiding
Voor de locatie Rijksweg 101-103 in Terschuur is een verzoek ingediend voor een functieverandering van een agrarische bedrijfsfunctie naar verschillende woonfuncties. De twee voormalige bedrijfswoningen worden reguliere woningen. Ook worden er drie nieuwe woningen toegevoegd. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Met deze reden is het voorliggende 'TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103'
Afbeelding: planlocatie Rijksweg 101-103, globale ligging Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie en toekomstambitie
Beschrijving huidige situatie
Het plangebied ligt aan de Rijksweg 101-103 in de (nabijheid van de) kern Terschuur. De locatie ligt aan de westzijde van de Rijksweg en wordt aan de noordzijde begrensd door een watergang en aan de zuidzijde door agrarische percelen. De omgeving kenmerkt zich door een landelijk karakter met verspreide bebouwing en lintbebouwing langs de Rijksweg. Het plangebied is goed bereikbaar via de Rijksweg en heeft een strategische ligging nabij uitvalswegen.
Afbeelding: begrenzing plangebied
2.2
Toetsing aan omgevingsplan
2.2.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Het plangebied ligt in tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie 'Agrarisch' (voorheen de bestemming) 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde-Archeologie 3'. Daarnaast geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de bestemming 'Archeologie 1', 'Archeologie 2' en 'Archeologie 3'. Verder zijn de aanduidingen 'intensieve veehouderij en 'reconstructiewetzone - Verwevingsgebied GV' toegekend.
6
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
2.2.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan past niet binnen het omgevingsplan omdat binnen de functie ‘Agrarisch’ geen reguliere woningen zijn toegestaan zonder agrarische bedrijfsvoering. Ook wordt er met de locatie deelgenomen aan de Lbv-plus regeling. Om aan de Lbv-plus regeling deel te nemen, moet onder andere aan de voorwaarde worden voldaan dat er een omgevingsplanwijziging wordt aangevraagd voor de locatie. Met deze omgevingsplanwijziging moet de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van dieren worden ontnomen. In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA). Ook is het plan niet mogelijk met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Hoofdstuk 3 3.1
Toekomstige situatie
Voorgenomen ontwikkeling
Het voorliggende plan betreft een functieverandering van een agrarische bedrijfsfunctie naar verschillende woonfuncties. De twee voormalige agrarische bedrijfswoning worden reguliere woningen. Bij nummer 101 blijft een deel van de agrarische bebouwing staan als bijgebouw bij de woning. Bij de bestaande woning bij nummer 103 komt een nieuw bijgebouw van 250 m². De overige agrarische bebouwing wordt gesloopt, waarna het perceel wordt opgedeeld in drie woonkavels met bijbehorende infrastructuur. Het ontwerp houdt rekening met landschappelijke inpassing door middel van natuurlijke hagen, clustering van inheemse bomen, en duurzame waterberging via infiltratiekratten en wadi’s. Dit plan biedt een duurzame en landschappelijk verantwoorde invulling die aansluit bij de woonfunctie.
Afbeelding: Beoogd plan
8
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan beleid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteiten en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Het voorliggende plan sluit aan bij de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarin de vier prioriteiten richtinggevend zijn voor een duurzame inrichting van Nederland. De ontwikkeling draagt op meerdere punten bij aan de ambities zoals geformuleerd in de NOVI. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Er verdwijnt bebouwing en verharding en er zal hiervoor minder bebouwing en verharding in de plaats komen. Ook wordt er meer groen toegevoegd. Hiermee sluit het plan aan op het streven naar een toekomstbestendige en veerkrachtige leefomgeving. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De beëindiging van het agrarische gebruik past binnen het landelijk beleid gericht op het stimuleren van functieverandering op locaties zonder toekomstperspectief voor landbouw. Door vrijkomende agrarische locatie zorgvuldig te herontwikkelen, wordt ruimte geboden aan andere functies, zonder dat dit leidt tot verrommeling van het buitengebied. 3.
Sterke en gezonde steden en regio’s De ontwikkeling draagt bij aan een gevarieerd en aantrekkelijk woonmilieu in het buitengebied welke in balans is met de omgevingskwaliteiten. De landschappelijke inpassing bevordert een goede leefomgeving voor huidige en toekomstige bewoners. Tevens wordt de omgevingskwaliteit versterkt door de sloop van voormalige, agrarische bebouwing. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Met het plan wordt invulling gegeven aan de gewenste transitie van het landelijk gebied. De functieverandering sluit aan bij het streven om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken, onder meer door behoud van openheid, versterking van groenstructuren en beëindiging van ongebruikte agrarische functies. Doorwerking in plangebied De ontwikkeling past binnen het perspectief van de NOVI. Het initiatief levert een positieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving en dragen bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met oog voor de lange termijn opgaven, zoals benoemd in de nationale belangen. Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder de ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
4.2.2
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, naerfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.19). 4.2.3
Instructieregels Rijk (AMvB's)
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Deze instructieregels gaan over; voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen; lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool; bebouwingcontour jacht; bebouwingcontour houtkap.
10
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Doorwerking in plangebied In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebied Het plangebied ligt binnen de volgende themakaarten vanuit de omgevingsvisie: Kaart 2 Grote zonneparken mogelijk; Kaart 2 Windenergie mogelijk; Kaart 3 Intrekgebieden. Het plan maakt geen grootschalige opwek van hernieuwbare energie mogelijk, zoals zonneparken of windenergieopwekking.
Door de afname van verhard oppervlak neemt de infiltratiecapaciteit van het perceel toe. Dit draagt positief bij aan de waterhuishouding, met name omdat de locatie zich bevindt binnen een intrekgebied voor grondwater. Conclusie Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
4.3.1.2
Omgevingsverordening
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen: algemene instructieregels (Afdeling 5.1) instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2) instructieregels over landschap (Afdeling 5.3) instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4) instructieregels over milieu (Afdeling 5.5) instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6) instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7) Natuur en Landschap Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen.
Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: Per saldo is sprake van een versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, zoals bedoeld in de bijlage Kernkwaliteiten en Ontwikkeldoelen. Op alle drie de locaties verdwijnt een veehouderij met bijbehorende stallen en verharding. Deze sanering draagt tevens bij aan de stikstofreductie, wat bijdraagt aan de verbetering van zowel de omgevingskwaliteit als de ecologische draagkracht van het gebied. Het verdwijnen van deze stallen op zich, en de groene invulling die daarvoor in de plaats komt, vormen een duidelijke verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de landschappelijke inpassing is gebruikgemaakt van de streekgidsen, zodat de nieuwe inrichting aansluit op het karakter van de omgeving. De versterking en uitvoering hiervan worden vastgelegd in het landschappelijk inpassingsplan. De uitwerking van deze kernkwaliteiten is verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan, die als bijlage is toegevoegd aan de regels. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan.
Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. In alle drie de plannen is sprake van ontstening door het slopen van stallen en verwijderen van verharding. Bij de plannen die nieuwe woningen mogelijk maken wordt gebruik gemaakt van waterretentie. Meer 12
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 hierover vindt u in paragraaf 5.19 Weging van het waterbelang. De volgende gebiedsaanwijzingen gelden: Aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe Gelderse streek Gelderse Vallei glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied intrekgebied werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Met voorliggend plan worden geen windturbines mogelijk gemaakt. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie binnen de 'Gelderse streek Gelderse Vallei' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Het plan voldoet hier aan. Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw. Vervolgens wat betreft 'intrekgebied'. Het plan voorziet niet in een grondwaterbedreigende activiteit. Het is verboden in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Hiervan is geen sprake. Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende.
Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken. Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen. Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan. Doorwerking in plangebied Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteiten passen binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
4.3.2
Omgevingswaarde(n)
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld: Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening). Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt.
Doorwerking in het plangebied De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
4.3.3
Voorbereidingsbesluit stikstof
Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet. Conclusie Het plan ligt niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.5.1.
4.4
Regio
4.4.1
Regionaal waterprogramma 2021-2027
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn: Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen. Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water. Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden: 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid.
We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren. 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.
14
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
4.4.2 4.4.2.1
Regionaal functieveranderingsbeleid regio Foodvalley Inleiding
Ons landelijk gebied is continue in ontwikkeling. Denk daarbij aan veranderingen bij agrarische bedrijven, nieuwbouw aan dorpsranden, aanleg recreatieve routes, inspelen op klimaatverandering, ingrepen in het watersysteem en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben impact op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en verstening neemt toe. Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van beide mooie regio’s. Ook de beëindiging van agrarische bedrijvigheid heeft zijn impact. Bedrijfsbebouwing die niet meer in gebruik is, kan verpauperen. Leegstaande gebouwen kunnen aanleiding zijn voor ondermijning van de maatschappij door gebruik voor criminele activiteiten. Daarnaast draagt de agrarische sector zorg voor het onderhoud en beheer van het landschap. Het veranderen van deze functie heeft daarmee ook gevolgen voor het landschapsbeheer. Al met al leiden veranderingen in de agrarische sector op verschillende vlakken tot impact op de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Als een agrariër besluit zijn agrarisch onderneming te beëindigen, dan dient een functieverandering plaats te vinden. De agrarische functie komt immers te vervallen.
Het functieveranderingsbeleid geeft twee mogelijkheden voor herbestemmen: functieverandering naar ‘Wonen’ of functieverandering naar ‘Werken’. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Bij een functieverandering van functie 'Agrarisch' naar functie 'Wonen' stopt de agrarische onderneming. Na functieverandering mogen op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. Hobbymatig mogen nog wel dieren gehouden worden. Het aantal is beperkt en afhankelijk van de diersoort. De vrijkomende (of overtollige) agrarische bedrijfsbebouwing dient hierbij te worden gesloopt. Dit wordt de slooplocatie genoemd. Daarnaast is het mogelijk om op de slooplocatie - of elders afhankelijk van gemeentelijke uitwerking - woonvolume toe te voegen. Hiervoor geldt de sloopmetersystematiek, zoals toegelicht in paragraaf 4.4.2.2. en 4.4.2.3 . De functie 'Wonen' wordt gezien als een aantrekkelijke vervangende functie en het verbeteren van de omgevingskwaliteit. In dit geval gaat het om het 'oude' beleid. Het functieveranderingsbeleid 2016. 4.4.2.2
Systematiek
Zodra een wens tot functieverandering kenbaar is gemaakt aan de gemeente, kunnen de sloopmeters berekend worden. De gemeente berekent deze aan de hand van de legale aanwezige vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Inzetbare sloopmeters kunnen ontwikkelingen op eigen locatie mogelijk maken, worden verhandeld en/of elders worden ingezet. De sloopmetersystematiek is gericht op het waarderen van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarbij gaat het om de footprint van het gebouw. De waardering in sloopmeters is niet gebaseerd op de productiecapaciteit van de stal. Ter verduidelijking gaat het bij een stal met een verdiepingsvloer alleen om de footprint, niet om het oppervlak van beide vloerdelen samen. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:
Het toevoegen van woonvolume is mogelijk volgens de onderstaande rekenregels.In de berekening hanteren we een basis bestaande uit het ‘woonrecht’ uitgedrukt in sloopmeters. Aanvullend hierop volgt een berekening van compensatie sloopmeters voor de gevraagde inhoud (m³) van de woning of woongebouw.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Bij woningen horen ook bijgebouwen. In het omgevingsplan is een maximale maatvoering vastgesteld. Met compensatie van sloopmeters kan een groter bijgebouw worden toegestaan.Voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen wordt de volgende regeling toegepast:
4.4.2.3
Doorwerking plangebied
Op het perceel staat, naast de twee bedrijfswoningen, 4.985 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 per woning en de afroming van 1.662 m2, zijn er 3.163 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig nadat de bebouwing gesloopt en dit geconstateerd is. Daarnaast staat 81 m2 buiten het agrarische bouwvlak. Daarvoor is een separate berekening gemaakt omdat hier geen afroming van toepassing is. Deze oppervlakte is na sloop en de aantoning hiervan direct inzetbaar. In totaal gaat het dus om 3.244 m2 sloopmeters. De drie nieuwe woningen krijgen een gezamenlijke inhoud van (440 + 440 + 660) = 1.540 m3. Hiervoor zijn er (300 x 3 + 1.540 x 1,5 =) 3.210 m2 sloopmeters nodig. De bijgebouwen van Rijksweg 101 worden niet gesloopt. Deze meters kunnen 1 op 1 worden ingezet om een bijgbouw van 209 m2 vast te leggen. Deze meters kunnen niet worden gebruikt voor de ontwikkelingen op de Rijksweg 103. De inzetbare sloopmeters komen na vermindering uit op 3.115 Bij de nieuwe woningen komen geen grotere bijgebouwen dan 80 m2. Bij de voormalige bedrijfswoning komt een bijgebouw van 250 m2
Woonrecht Inhoud
Inhoud Bijgebouwen Bijgebouwen Benodigde sloopmeters sloopmeters sloopmeters
Rijksweg101
0
0
0
209
129
129
Rijksweg 103
0
0
0
250
170
170
Woongebouw I
300
440
660
0
0
960
Woongebouw II
300
440
660
0
0
960
Vrijstaande woning
300
660
990
0
0
1.290
Totaal
3.380
Na de sloop en verificatie door de gemeente zijn er 3.115 m² sloopmeters beschikbaar vanaf de locatie. Dit betekent dat er nog 265 m² sloopmeters elders aangekocht dienen te worden. Dat is gebeurd en geregistreerd in de sloopmeteradministratie van de gemeente. Conclusie Binnen dit omgevingsplan is sprake van een situatie waarin tekorten aan sloopmeters worden gecompenseerd door aankoop. Hiermee is voldaan aan de beleidsmatige eis van voldoende sloop als tegenprestatie voor nieuwe bebouwing. Het aspect inzet van sloopmeters vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
16
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.19.
4.5.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.19.
4.6
Gemeente
4.6.1
Omgevingsvisie Barneveld 2040
Op 16 juli 2025 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. In samenhang daarmee is besloten om twee bestaande structuurvisies in te trekken: de Structuurvisie Buitengebied 2022
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 de Structuurvisie Kernen 2022 Met het vaststellen van de Omgevingsvisie zijn deze structuurvisies komen te vervallen. De omgevingsvisie vormt sindsdien het integrale beleidskader voor de fysieke leefomgeving in zowel het buitengebied als de kernen van de gemeente Barneveld. In de Omgevingsvisie wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken. De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij op de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van onze gemeente en onze dorpen zijn. De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente de stad. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd.
1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu. 2. Prettig leven in vitale dorpen Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom. 3. Ruimte voor ondernemerschap Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra. 4. Waardevol landelijk gebied Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor uiteraard de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook op de blijvende plek voor onze agrarische sector, met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot. 5. Bereikbaar nu en in de toekomst Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit.
Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken). Vijf gebieden en negen dorpen De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040. Het plangebied ligt in het deelgebieden Westelijk buitengebied. Deelgebied Westelijk buitengebied Het westelijk buitengebied in de Gelderse Vallei is het laagstgelegen deelgebied van de gemeente Barneveld. Het ligt grotendeels in het kampenlandschap, een landschapstype dat zich kenmerkt door kleinschaligheid, met een afwisseling van percelen, bosschages, houtsingels en erven. De noordzijde van het gebied is deel van een veenontginning. Dit kenmerkt zich door open landschap met een langgerekte strokenverkaveling en sloten.
Landbouw is vooral grondgebonden in dit gebied. 18
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Het westelijk buitengebied is kleinschalig en afwisselend, met een eigen identiteit en dynamiek in onze gemeente. De natuurlijke en landschappelijke elementen en kwaliteiten in dit gebied zien we als een goed fundament om de toeristische en recreatieve sector in dit gebied te verstevigen, ter ontlasting van de recreatieve druk in de Veluwe. De voorziene ontwikkelingen zijn kleinschalig en moeten bijdragen aan de plattelandsontwikkeling. Daarbij zien we er wel op toe dat de effecten die door de spreiding optreden niet tot nieuwe grote problemen leiden in dit gebied. De ambitie richt zich op de doorontwikkeling van het agrarisch bedrijf, zowel grondgebonden als niet grondgebonden. Het hoofdaccent ligt hierbij wel op de ontwikkeling van natuurinclusieve en/of extensievere vormen van landbouw en/of multifunctionele landbouw, in het bijzonder in het Groene Valleilint en in de beekdalen. Door te ondernemen met aandacht voor de groenblauwe kenmerken van het gebied, behouden we het kleinschalige en diverse karakter en versterken we de natuurlijke en landschappelijke waarden. Doorwerking in plangebied De Rijksweg 101-103 bevindt zich in het het Westelijk buitengebied. Enerzijds is de functie landbouw in het gebied is richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik, ingepast in het behoud en de versterking van de structuurbepalende natuur- en landschapselementen.
In de natuurkerngebieden van de EHS is landbouw niet richtinggevend, maar volgend, duurzaam ingepast. Functieverandering naar wonen wordt vorm gegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging.
4.6.2
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Materialen Bij sloop is het goed om na te gaan of er opties voor hergebruik van de vrijkomende materialen en circulair slopen. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien/ wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf § 5.18.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
4.6.3
Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.19.
4.6.4
Toetsingskader landelijk gebied
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023. Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijke opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011: 1. 2. 3. 4.
Agrarisch kampen- en slagenlandschap en landgoederen; Stedelijke zone en groene bufferzones; Agrarisch bedrijvenlandschap; Veluws natuurgebied, agrarische enclaves en overgangszone.
Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten: Bestaande situaties en rechten worden door gemeente gerespecteerd op basis van wat bij recht is toegestaan in het Omgevingsplan. Toetsing nieuwe ontwikkelingen altijd in samenhang met de ontwikkelingsrichting per deelgebied. Alle nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het versterken van het natuurlijk systeem en het cultuurlandschap. De beoordeling van een ontwikkeling wordt altijd integraal per locatie afgewogen. Naast het toetsingskader zijn alle andere beleidsstukken, programma's en verordeningen van toepassing. Agrarische bedrijven worden niet gehinderd in de doorontwikkeling door gevoelige functies. Er vindt geen aantasting van de milieu- en gezondheidssituatie plaats. Toetsingskader is bedoeld voor zowel hoofdactiviteiten als nevenactiviteiten. Doorwerking in het plangebied De locatie ligt in het Agrarisch slagen- en kampenlandschap en landgoederengebied. In dit deelgebied is de functie landbouw richtinggevend. We streven in dit deelgebied naar het versterken van dagrecreatie en houden rekening met passende schaalvergroting in de landbouw. Het gebied Kallenbroek met recreatief medegebruik (Het Paradijs, landgoed Erica) en landgoederen zien we als natuurkerngebied in het Groene Valleilint. In dit gebied is de landbouwfunctie niet richtinggevend.
In dit kerngebied streven we naar duurzame landbouw, het versterken van de beken binnen de natuur- en klimaatdoelstellingen met ruimte voor natuur en landschapselementen en uitbreiding recreatief routenetwerk. Voor de functieverandering betekent dit dat nieuwe woningen (of omzetting bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning naar reguliere woning) in de kernrandzone, binnen een bestaand cluster van gevoelige 20
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103 functies of op een voormalige (agrarische) bedrijfslocatie, mogelijk zijn. Het gaat hier om woningen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Tevens worden de woningen toegevoegd in een bestaand bebouwingslint dat zich kenmerkt door woonfuncties. Conclusie De ontwikkelingen zijn passend binnen het Toetsingskader.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
Hoofdstuk 5 5.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
5.2
Bodem
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de eisen van financiële uitvoerbaarheid en of deze, vanuit oogpunt van volksgezondheid en milieu, als aanvaardbaar kan worden beschouwd voor het beoogde gebruik. De planlocatie betreft een bodemgevoelig gebied, zoals vermeld in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. De beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit is gebaseerd op de Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018 en de bijbehorende Nota bodembeheer 2022. Met deze instrumenten kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden vastgesteld, mits historisch onderzoek geen verdachte locaties aanwijst. In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie. Naar aanleiding hiervan is er een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707. Op basis van het onderzoek (Bijlage 1) is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater op Rijksweg 103 te Terschuur onderzocht, met als aanleiding de voorgenomen bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. Tijdens het onderzoek zijn bodemmonsters geanalyseerd op de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PCB’s, PAK’s en asbest. De locatie is op grootschalig niveau grotendeels onverdacht voor verontreiniging.
Er zijn lichte verhogingen van zware metalen, minerale olie en PCB’s vastgesteld, maar deze blijven onder de helft van de interventiewaarde. In het grondwater is een verhoogd gehalte aan barium aangetroffen, waarschijnlijk van natuurlijke oorsprong. Daarnaast is in peilbuis PB02 een lichte verhoging van naftaleen geconstateerd. Voor de onderzochte tank- en aggregaatlocaties is een lichte overschrijding van de achtergrondwaarde voor minerale olie in de bodem vastgesteld, terwijl in het grondwater geen verontreinigingen zijn aangetroffen. Op het terrein zijn enkele gebieden als verdacht aangemerkt, waaronder een asbestverdacht erf en druppelzones rondom bebouwing. Bij de veldinspecties en laboratoriumanalyses is op de meeste verdachte locaties geen asbest aangetroffen. Een uitzondering vormt een druppelzone bij een kleine westelijke schuur, waar een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest is vastgesteld. Voor deze locatie wordt sanering aanbevolen om de geschiktheid voor de nieuwe bestemming te waarborgen. Aangezien het onderzoek steekproefsgewijs is uitgevoerd, kan niet worden uitgesloten dat elders op de locatie andere verontreinigingen aanwezig zijn. Dit is met name relevant bij toekomstige grondverzetwerkzaamheden, waarvoor nader onderzoek of monitoring wordt geadviseerd.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
5.3
Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. 22
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
5.3.1 5.3.1.1
Archeologie Archeologie lage en middelhoge verwachting
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied gedeeltelijk een lage en middelhoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor een lage verwachting archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor de middelhoge verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt echter onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij het college van burgemeester en wethouders verplicht.
Afbeelding: archeologische verwachtingenkaart Rijksweg 101-103 "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
5.3.2
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plan ligt deels in een gebied dat wordt aangeduid als 'jonge vochtige landbouwontwikkeging' en deels 'enigzins regelmatig ingedeelde broeken' beide met een 1 waardering. Conclusie Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.
5.3.3
Monumenten
In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan. Op het perceel of in de directe omgeving zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.
5.4
Duurzaamheid
In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.2.
5.5
Ecologie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Rijksweg 101-103
5.5.1
Gebiedsbescherming
5.5.1.1
Natura 2000-gebied
Gebiedsbescherming 5.5.1.1 Natura 2000-gebied De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepalen welke activiteiten toegestaan zijn binnen een Natura 2000-gebied en welke beperkingen gelden ter bescherming van de instandhoudingsdoelen. Daarnaast worden in artikel 2.44, lid 2 en lid 5 Omgevingswet ook bijzondere natuurgebieden en landschappen aangewezen en beschermd. Natura 2000-gebied De Veluwe is op 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Op basis daarvan is De Veluwe officieel aangewezen als Natura 2000-gebied in het aanwijzingsbesluit van 11 juni 2014 (bekendgemaakt op 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, gericht op het behoud en herstel van biodiversiteit. De instandhoudingsdoelstellingen voor De Veluwe zijn vastgelegd in het aanwijzingsbesluit, waarin onder andere de grenzen van het gebied en de beschermde habitats en soorten zijn beschreven.
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (Bijlage 3). Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het rapport is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmering is voor het plan.