CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM Omgevingsplan Essenerweg 134A-Hulstweg ongenummerd Motivering

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling van de Wijziging “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ongenummerd” van het omgevingsplan in Kootwijkerbroek21.296 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een eventuele bodembesmetting met asbest(vezels), ontstaan door afstromend water in de zo genoemde druppelzone, wordt dan op tijd onderkend en voorkomt vertraging bij de voorgenomen herontwikkeling. Voor de sloop van de bedrijfsgebouwen dient ook vooraf een asbestinventarisatie uitgevoerd te worden. Door Baecx B.V. te Kootwijkerbroek is het rapport 'Verkennend bodem- en asbestonderzoek, locatie: Essenerweg 134a te Kootwijkerbroek' (projectnummer 250091, d.d. 4 maart 2025) opgesteld, welke als Bijlage 1 bij deze motivering is opgenomen. het uitgevoerde onderzoek is correct uitgevoerd en geeft een globaal beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat op een groot deel van de locatie sinds 2022 een verharding van asfaltgranulaat en repac is aangetroffen waarvan de herkomst en dus ook de milieuhygiënische kwaliteit niet bij ons bekend is. Voor de eventuele afvoer van deze verharding dient de milieuhygiënische kwaliteit alsnog te worden bepaald. In de zintuiglijk schone bovengrond direct onder de verharding van asfaltgranulaat en repac en ter plaatse van het overig onverharde terrein zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Dit geldt ook voor de zintuiglijk schone ondergrond en het grondwater ter plaatse.

Op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de opgeboorde grond is zintuiglijk geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging van de locatie. Ondanks dat het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de locatie dient te voldoen aan de algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. De beoordeling is op basis van het bodemonderzoek dat is ingediend. Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname. De gemeente is daarom niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie.

Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. van en naar de onderzoekslocatie te voldoen 24

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.3.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen. 5.3.1.1

Archeologie hoge verwachting

Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan is daarvoor de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' opgenomen. Daarbij is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

Afbeelding: uitsnede archeologisch beleidskaart; in blauw globaal de locatie van de nieuwe woning De oppervlakte van de bouwwerkzaamheden overschrijdt deze grenzen niet. Er is daarom geen archeologisch onderzoek nodig. Wel geldt altijd de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten. Meldingsplicht Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij het college van burgemeester en wethouders verplicht. 5.3.2

Historische stedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Conclusie De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan. 5.3.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plan ligt in een landschap van jonge vochtige landbouwontginning (waarde 2). Het betreft relatief lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvragen. Conclusie Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan. 5.3.4

Monumenten

In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan. 26

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

Op de planlocatie zijn geen monumenten aanwezig. Er is wel sprake van een gemeentelijk monument op relatief korte afstand van de locatie voor de nieuwe woning. Aan de Hulstweg 10 in Kootwijkerbroek zijn de boerderij en schuur aangewezen als gemeentelijk monument. De nieuwe woning met overige bebouwing komt hier dichter naar toe. Het plan is op 16 januari 2025 voorgelegd aan de Commissie Omgevingskwaliteit. De commissie is van mening dat de ontwikkeling aan de Essenerweg het historisch erf aan de Hulstweg 10 niet raakt. Het is er ver genoeg van verwijderd en er worden geen waardevolle zichtassen doorkruist. Er staan bovendien ook bomen tussen het erf en de nieuwe ontwikkeling. De sloop bij de Essenerweg 134A van oude bebouwing en het toevoegen van tuinen is een goede ontwikkeling. Het aanzicht gaat veel beter worden. Tegen de ontwikkeling is geen bezwaar vanuit het oogpunt van monumentenzorg. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4

Duurzaamheid en gezondheid

Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.2. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden.

Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen.

De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderij(en). Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (circa 1,8 km) tot het Natura 2000-gebied Veluwe zal alleen het effect van stikstofdepositie een rol kunnen spelen. Eventuele effecten van stikstofdepositie zijn gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de omvang van de werkzaamheden niet op voorhand uit te sluiten. Een stikstofonderzoek is daarom noodzakelijk.

Daarnaast kan het onderzoek gebruikt worden als onderbouwing voor de ruimtelijke onderbouwing zodat aantoonbaar wordt dat is voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) voor het onderdeel gebiedsbescherming (aspect ecologie/natuur). Stikstof Het plangebied ligt in de nabijheid van een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd en er is een rapport aangeleverd van de aangevraagde situatie en opgenomen als Bijlage 4, Bijlage 5 en Bijlage 6 bij deze motivering. Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het rapport met de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de aanvraag.

28

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

5.5.1.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).

Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO, ganzenrustgebied, weidevogelgebied of maakt onderdeel uit van de beschermingszone natte landnatuur. Voor deze gebieden geldt géén externe werking. Daar hoeft bij de planvorming dus géén rekening mee te worden gehouden. 5.5.2

Soortenbescherming

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een natuurtoets uitgevoerd. Daartoe is de door Baex B.V. te Kootwijkerbroek opgestelde rapportage 'Natuurtoets, Locatie: Essenerweg 134a te Kootwijkerbroek' (versie 2, d.d.

1 april 2025, met projectnummer 250090) aangeleverd. Het rapport is als Bijlage 2 bij deze motivering opgenomen. Aan de hand van het vooronderzoek en het veldwerk wordt geconcludeerd dat in en rondom het plangebied geen beschermde flora of fauna is vastgesteld. Hierbij is de locatie en de directe omgeving beoordeeld op aanwezige of potentiële natuurwaarden. Er is daarom geen omgevingsvergunning Natura 2000 of -flora en fauna activiteiten noodzakelijk. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In tegenstelling tot wat in het rapport is aangegeven, is wel degelijk een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie daarvoor 5.5.1.1). Daarnaast is in het kader van de sloop ook een natuurtoets aangeleverd. De door Baex B.V. te Kootwijkerbroek opgestelde rapportage 'Natuurtoets, Locatie: Essenerweg 134a te Kootwijkerbroek, aanleiding: sloop' (versie 2, d.d. 16 september 2025, met projectnummer 250957) aangeleverd. De aanleiding is de voorgenomen sloop van de aanwezige bebouwing. Dit betreft een woonhuis en een schuur. Deze rapportage geeft een eerste inschatting van mogelijke effecten op gebieden en op potentieel aanwezig habitat van beschermde flora en fauna. Aan de hand van het vooronderzoek en het veldwerk concludeert Baecx B.V. dat in en rondom het plangebied geen beschermde flora of fauna is vastgesteld.

Er is gekeken naar vogelnesten, vleermuisverblijfplaatsen -en foerageerroutes en andere beschermde soorten die mogelijk aanwezig zouden kunnen zijn, zijn aangetroffen of verblijven. Er is daarom geen "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. omgevingsvergunning flora en fauna activiteiten noodzakelijk. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 5.5.3

Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde. Het onderdeel houtopstanden is dan ook niet relevant. 5.5.4

Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten 30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna.

Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. 5.5.5

Conclusie

Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6

Geluid

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan wordt een woning mogelijk gemaakt. Dit is een geluidgevoelig gebouwen. Het plangebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen. De verplaatsing van de woning vindt plaats verder van de Essenerweg af tot een afstand waarop er ruim voldaan kan worden aan de standaardwaarde. Andere wegen hebben een beperkte verkeersintensiteit of liggen op grote afstand. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

5.7

Geur

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.

De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Essenerweg 121 - vleeskalverhouderij Hulstweg 6 - kleinschalige veehouderij Hulstweg 1-3 - pluimveehouderij Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen.

Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In dit geval is er geen veehouderij op korte afstand gelegen die met name bepalend is voor de geurbelasting; er liggen meerdere veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting is naar verwachting bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. In dit gebied is volgens een kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 20-30 OuE/m³. In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op:

32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Tamelijk slecht tot Slecht. Het gaat hier om een bestaande woning die op korte afstand opnieuw gebouwd wordt. Het woon-en leefklimaat ter plaatse zal bovendien vergelijkbaar zijn met de huidige situatie. Daarnaast heeft de gemeenten Barneveld een geurbeleid opgesteld. Het gebied waarin de woningen komen te liggen betreft het landbouwontwikkelingsgebied hiervoor geldt een specifieke streefwaarde voor de achtergrondbelasting van 32,0 ouE/m3. De achtergrondbelasting voldoet aan deze streefwaarde. Conclusie woon- en leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. De afstand tussen de veehouderij aan de Essenerweg 121 en het plangebied bedraagt meer dan 50 meter. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Ter plaatse van de woning geldt een maximale norm voor de voorgrondbelasting van geur vanuit omliggende veehouderijen. De geuremissie vanuit de veehouderij op de Hulstweg 3 is beperkt.

Omliggende woningen vormen bovendien eerder een belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen, omdat deze op kortere afstand liggen en daar eerder sprake zal zijn van een overschrijding van de geurnorm. Conclusie veehouderijen Omdat aan de vereiste afstand wordt voldaan vormt dit plan geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Conclusie geur Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. voldoende substantieel is. De ontwikkeling van het verplaatsen van een woning en vergroten van twee functievlakken met een woonfunctie valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.9

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.10

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Het plan betreft een dermate kleinschalige plan dat het project als 'niet in betekenende mate' (NIBM) kan worden aangemerkt. De verkeersaantrekkende werking is beperkt en wijzigt met het plan niet. Het overschrijdt de NIBM norm niet.

Ook de achtergrondconcentraties leiden er niet toe om hier op lokaal niveau overschrijdingen van normen te verwachten. Beoordeling fijnstof (PM10) vanuit de veehouderij Het plan is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de uitstoot van fijnstof van de omliggende veehouderijen. De pluimveeveehouderij op de Hulstweg 1-3 heeft een relevante fijnstof emissie. In de vergunning van dit bedrijf is de fijn stof belasting op omliggende woningen berekend. Op dichterbij gelegen woningen zoals de Hulstweg 10 werd aan de grenswaarden voldaan. Aangezien deze woning op grotere afstand komt kan ter plaatse aan de grenswaarden worden voldaan. De achtergrondconcentratie is ruim onder de grenswaarde zodat hier op lokaal niveau ook sprake is van een voldoende woon en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

5.11

Milieueffectrapportage

Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow).

Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit Wettelijk kader Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht. Toetsing De activiteit wordt niet genoemd in Bijlage V van het Ob.

Hierdoor is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)-plicht. De omvang van het project en de milieueffecten zijn dermate gering dat geen sprake is van een plan-mer-plicht op basis van artikel 16.36 lid 4 van het Ob. Ad 2: Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

5.12

Milieuzonering

Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Woningen zijn gevoelige gebouwen. Ook een school betreft een geluidgevoelig gebouw. Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering´ (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit. Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt op 115 meter afstand.

Daar mag maximaal milieucategorie 2 zitten, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Hier wordt ruimschoots aan voldaan, dus er zijn geen belemmeringen. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.13

Natuur en landschap

Voor de landschappelijke inpassing van het perceel is een erfinrichtings-/beplantingsplan aangeleverd. Deze beoogde inpassing is passend op een erf in het broeklandschap. Verder is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van dit gebied en is sprake van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, De uitwerking van deze kernkwaliteiten zijn verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan (zie Bijlage 3 bij de planregels). De versterking en de uitvoering hiervan is vastgelegd in onderhavig plan door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Conclusie Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.

5.14

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de functie de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 5.14.1 Externe veiligheid De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl).

Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico 36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof.

De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. 5.14.2 Beoordeling risicobronnen en verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. 5.14.3 Te treffen maatregelen Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes.

Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. 5.14.4 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het plan voldoet dus aan deze voorgeschreven afstand.

Liander heeft op 21 januari 2025 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit plan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. 5.14.5 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.15

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Voor de planlocatie Essenerweg 134A Kootwijkerbroek is volgens de gemeentelijke OOBelastingkaart en bijbehorend historisch vooronderzoek met (kenmerk RN-14037-2.0, dd. 27-10-2015 ) in het verleden een object geruimd. Hieronder een kaartuitsnede met blauw globaal de planlocatie aangegeven en in het geel globaal de locatie van de ligging van het object destijds.

Afbeelding Uitsnede vertaling locaties vanaf OO-belastingkaart

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. Dit betreft een melding van de EODD, waaruit blijkt dat op 2 januari 1992 op nr. 134 een object is geruimd. Het is niet beschreven waar het object is aangetroffen, maar zal waarschijnlijk bij de realisatie van een van de bouwwerken zijn ontdekt en gemeld. Het is in elk geval niet meer aanwezig. Het aantreffen van een enkel object is geen reden om de locatie als verdacht te bestempelen. Bovendien wordt ter plaatse van de bestaande bebouwing alleen gesloopt. Eventueel grondverzet vindt dan plaats in naoorlogs-geroerde grond en deze wordt als niet meer verdacht beschouwd. De planlocatie valt niet binnen verdacht gebied van OO. Er is geen aanvullend onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog nodig. Protocol Toevalstreffer Ontplofbare Oorlogsresten (OO) Omdat er in het verleden een object is aangetroffen is het verstandig om bij grondwerkzaamheden het bijgevoegde Protocol Toevalstreffer te hanteren. In het protocol staat kort beschreven wat er moet gebeuren als er onverhoopt iets verdachts wordt aangetroffen. Het Protocol Toevalstreffer moet voorafgaand aan de grondwerkzaamheden door de opdrachtgever kenbaar worden gemaakt aan de aannemer grondwerken, zodat deze zijn personeel kan informeren.

Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.

5.16

Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt dan wel dat er activiteiten in de buurt zijn zoals hiervoor wordt bedoeld. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.17

Verkeer

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. Het parkeren moet op eigen terrein worden opgelost; op de tekening is aangetoond dat daar voldoende ruimte binnen de planlocatie voor is. Verder is er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaar tegen de ingetekende uitrit, mits dit vormgegeven wordt zoals op de tekening is aangegeven (met het vervallen van de andere inrit naar de bestaande kleine woning). Voor de nieuwe dan wel reeds aangelegde inrit dient een aanvraag omgevingsvergunning worden ingediend. De nieuwe uitweg mag maximaal 3,5 à 4 meter breed "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong. zijn. Er is voldoende ruimte aanwezig zodat er voldoende parkeerplekken op eigen terrein worden gerealiseerd. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.

5.18

Weging van het waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Planontwikkeling en toetsing Het plan voor het vervangen/ deels slopen (en het vergroten) van de woning is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. Hemelwater Volgens ons beleid dient er voor verharding compenserende waterberging gerealiseerd te worden met een capaciteit van 30mm/m2.

Waterberging kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in de vorm van ondergrondse berging (denk aan infiltratiekratten, grindkoffers, buffer blokken, geperforeerde leidingen) of bovengrondse berging (denk aan wadi, laagte in tuin/landschap, bergingsvijver, zinksloot). Een combinatie van maatregelen is daarbij ook een mogelijkheid (bijvoorbeeld, een bergingsvijver met overstort naar infiltratiekratten). Indien een groen dak of halfverharding (vb. grind, split) wordt toegepast, gelden deze oppervlakken niet als verhard oppervlak en hoeft hiervoor geen extra berging gerealiseerd te worden. In dit geval is gekozen voor een wadi/poel en is opgenomen in het erfinrichting-/beplantingsplan. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is de aanleg en instandhouding geborgd. Huishoudelijk afvalwater Het gaat hier om drukriolering, hier mag geen hemelwater op worden aangesloten. Er zal in een zo vroeg mogelijk stadium contact moeten worden gelegd met de rioolbeheerder van de afdeling BOR om de mogelijkheden te bespreken. De kosten van het aansluiten op het riool zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Grondwater Om grondwateroverlast (in kruipruimte, kelder, etc.) te voorkomen, dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Het advies aan de initiatiefnemer is om een goed beeld te krijgen van de plaatselijke grondwaterstanden.

Er wordt geadviseerd om een minimale ontwatering te hebben van 30cm bij woningen zonder kruipruimte en 70cm bij woningen met kruipruimte. Zo nodig kan het terrein worden opgehoogd. Het structureel onttrekken van grondwater wordt niet gezien als duurzaam en is niet toegestaan indien goede argumenten waarom het nodig is. Oppervlaktewater Voor dit plan is dit niet direct van toepassing. Bij werkzaamheden aan de watergang dient dit te worden besproken met het waterschap. Materiaalgebruik In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen.

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong." (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Essenerweg 134A-Hulstweg ong.

Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap. De weging van het waterbelang vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=9a5ca285-9b9b-4d8f-b61a-47f6efa1bd4a