SVWind_Bijlage5_Locatieonderzoek.pdf
Tekst van het document
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 26
4 Waterhuishouding en bodem 4.1 Afstand windturbines tot waterstaatswerken In het zoekgebied bevinden zich geen primaire waterkeringen. Wel liggen er watergangen in het zoekgebied, die onderdeel zijn van waterstaatswerken. Figuur 4.1 geeft deze (A- en B-) watergangen weer. Volgens de Keur van het waterschap Vallei en Veluwe (2013), is het niet toegestaan om zonder watervergunning een bouwwerk (in dit geval windturbines en hun fundaties) in deze watergangen en hun beschermingszones te plaatsen of de watergang aan te passen. Windturbinefundaties dienen naar mogelijkheid buiten watergangen gepositioneerd te worden. Figuur 4.1 geeft de afstand van minimaal de halve rotordiameter van een fundatiediameter van 25 meter tot de beschermingszone van A- en B-watergangen in het zoekgebied weer. Indien de turbinemast buiten deze afstandscontour wordt geplaatst, overlapt het fundatieoppervlak van de windturbine niet met de watergang. Figuur laat zien dat de potentiële ruimte voor windturbines uit de GIS-analyse geen overlap toont met de beschermingszones van A- en B- watergangen in het zoekgebied.
Figuur 4.1 Oppervlaktewaterlichamen in het zoekgebied
4.2 Bodemkwaliteit Het bodemloket19 adviseert voor delen van het zoekgebied (verder) onderzoek naar bodemverontreinigingen en sanering. In het zoekgebied is een gedeelte van de bodem verontreinigd door 19
https://www.bodemloket.nl
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 27
een afvalstortplaats (zie Figuur 4.2). Hier moet nader onderzoek worden uitgevoerd om de omvang en de ernst van de vastgestelde verontreiniging te bepalen. Een groot deel van het zoekgebied is reeds gesaneerd. De potentieel geschikte locaties voor windenergie (de groene gebieden in figuur 7.2 hebben een verschillende status: De locatie tussen het spoor en de snelweg ligt in gebied dat deels al gesaneerd is en deels in gebied -
-
waarvoor gegevens aanwezig zijn, maar de status onbekend is; De locatie ten zuiden van het spoor ligt voor het grootste deel in gebied waarvoor bodemonderzoek uitgevoerd moet worden. Het betreft hier een stortplaats. Het westelijke deel van de locatie ligt in gebied dat al gesaneerd is; De locatie in het zuidwesten van het zoekgebied overlapt voor een klein deel met een gebied waarvoor gegevens aanwezig zijn, maar de status onbekend is.
Figuur 4.2 Bodemkwaliteit in het zoekgebied
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 28
5 Externe veiligheid In het zoekgebied zijn risicovolle inrichtingen, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en weg- en spoorinfrastructuur aanwezig. Voor deze objecten en infrastructuur moet voor het plaatsen van windturbines voldaan worden aan de veiligheidsnormen die in het Activiteitenbesluit milieubeheer 20 en het Besluit wijziging milieuregels windturbines (2011) gesteld worden.
5.1 Afstanden windturbines tot externe veiligheidsobjecten en infrastructuur De normen uit het Activiteitenbesluit en het Besluit wijziging milieuregels windturbines zijn te vertalen in afstanden die een windturbine aan moet houden tot infrastructuur en overige externe veiligheidsobjecten. Voor het bepalen van deze afstanden gaat Pondera uit van de richtlijnen uit de Handreiking Risicozonering Windturbines21 (HRW) en bijbehorende Handleiding Risicoberekening Windturbines. De afstanden betreffen generieke toetsafstanden. Buiten de genoemde afstand is er in principe geen sprake van een (aanvullend) veiligheidsrisico. De praktijk leert dat windturbines soms geplaatst kunnen worden op kortere afstand dan de toetsingsafstand van objecten op basis van nader (veiligheids)onderzoek, mitigerende maatregelen en overleg met de eigenaar of beheerder van het object of de infrastructuur. Tabel 5.1 geeft de toetsafstanden voor de referentieturbines weer die in het plan-MER (120 meter ashoogte en rotordiameter) en in deze notitie (150 meter ashoogte en rotordiameter) onderzocht zijn. Zoals uit de tabel af te lezen is, zorgt het vergroten van de windturbines voor veranderingen in de toetsingsafstanden. Figuur 5.1 geeft de ligging van externe veiligheidsobjecten en infrastructuur en de aan te houden afstanden voor een turbine met 150 meter ashoogte en rotordiameter in het zoekgebied weer.
Figuur 5.2 geeft zones met aandachtspunten in verband met externe veiligheid weer. Onder de kaarten volgt per aspect een toelichting voor zowel de harde belemmeringen als de zones met aandachtspunten. Tabel 5.1 Toetsingsafstanden externe veiligheid die relevant zijn in het zoekgebied Aspect
Toetsingsafstand referentieturbine 120 meter ashoogte & rotordiameter
Toetsingsafstand referentieturbine 150 meter ashoogte & rotordiameter
Kwetsbare objecten
Eis PR 10-06 = 180 meter
Eis PR 10-06 = 225 meter
Eis PR 10-05 = 60 meter
Eis PR 10-05 = 75 meter
Beoordeling PR 10-06 = 180 meter
Beoordeling PR 10-06 = 225 meter
Eis ½ RD = 60 meter
Eis ½ RD = 75 meter
Toetsafstand ½ RD+7,85 m = 67,5m
Toetsafstand ½ RD+7,85 m = 82,9m
Beoordeling binnen 180 meter
Beoordeling binnen 225 meter
Risicovolle inrichtingen dienen na plaatsing van windturbines te blijven
Risicovolle inrichtingen dienen na plaatsing van windturbines te blijven
Beperkt kwetsbare objecten Wegen Spoorwegen Industrie en risicovolle inrichtingen
20
Activiteitenbesluit milieubeheer, van 19 oktober 2007, met wijzigingen, te raadplegen via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0022762/ Na de uitspraak van de Raad van State op 30 juni 2021 over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding/Nevele-arrest (ECLI:NL:RVS:2021:1395) mogen de in het Activiteitenbesluit en -regeling (hierna: windturbinebepalingen) opgenomen normen voor externe veiligheid van windturbines niet meer zonder meer worden gebruikt als toetsnorm voor windparken tot er een planMER is uitgevoerd voor de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit en -regeling. Het is nog niet duidelijk wat de gevolgen hiervan zijn voor de ‘huidige’ normen. 21
Handleiding risicoberekeningen windturbines versie oktober 2020 en de nieuwe Handreiking risicozonering windturbines v1.1 (HRW2020)
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 29
Aspect
Toetsingsafstand referentieturbine 120 meter ashoogte & rotordiameter
Toetsingsafstand referentieturbine 150 meter ashoogte & rotordiameter
voldoen aan de normen voor Beviinrichtingen
voldoen aan de normen voor Beviinrichtingen
Beoordeling van het toegevoegde risico aan risicovolle inrichtingen binnen circa 440 meter22
Beoordeling van het toegevoegde risico aan risicovolle inrichtingen binnen circa 460 meter
Figuur 5.1 Harde belemmeringen en afstanden in verband met externe veiligheid in het zoekgebied
22
Risicovolle installaties kunnen geraakt worden binnen de zone van bladworp bij overtoeren bij het wegvliegen van een rotorblad. De kans op het optreden van dit scenario is relatief klein en de bijbehorende trefkansen van een zwaartepunt van een rotorblad per vierkante meter binnen deze cirkel zijn in de orde van grote van gemiddeld 5,0 x 1011 tot 8,0 x 10-12 per vierkante meter.
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 30
Figuur 5.2 Aandachtspunten in verband met externe veiligheid in het zoekgebied
5.2 (Beperkt) kwetsbare objecten In het zoekgebied bevinden zich zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten. Figuur 5.1 geeft de ligging van deze objecten met de aan te houden afstanden voor de referentieturbine aan. De definitie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt in de paragrafen hieronder toegelicht.
5.2.1
Afstandscontouren voor (beperkt) kwetsbare objecten In het Activiteitenbesluit en Besluit wijziging milieuregels windturbines wordt onder meer geregeld dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10 -6-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico. Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn. Een PR-norm van 10-5 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000 per jaar, PR 10 -6 een kans van 1 op 1.000.000 per jaar.
Beperkt kwetsbare objecten Alle bedrijfsgebouwen en overige gebouwen zijn minstens beperkt kwetsbare objecten en dienen zodoende een maximaal risico kleiner dan een Plaatsgebonden Risico (PR) van 1x10 -05 per jaar te ondervinden als direct gevolg van de windturbine. De PR10-05 contour ligt nooit verder dan een halve rotordiameterafstand vanaf de windturbine (maar kan wel kleiner zijn dan deze vuistregel). Voor de referentieturbine van 150 meter rotordiameter en ashoogte, betekent dit een afstand van 75 meter.
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 31
Kwetsbare objecten Objecten die meer bescherming verdienen zijn objecten bedoeld voor bewoning, bestemd voor het verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of andere kwetsbare personen of gebouwen waarin gedurende een groot deel van de dag grote aantallen mensen in verblijven. Deze en vergelijkbare objecten worden kwetsbare objecten genoemd. Als kwetsbare objecten beschouwt Pondera in deze analyse de objecten die de Risicokaart Nederland als kwetsbaar aanwijst en daarnaast woningen, onderwijs- en gezondheidszorginstellingen (vergelijkbaar met geluidgevoelige objecten). Voor kwetsbare objecten geldt dat het plaatsgebonden risico (PR) vanaf een windturbine niet hoger mag zijn dan PR10-06. De Handleiding risicobeoordeling windturbines geeft met een vuistregel aan dat deze afstand nooit verder ligt dan de maximale afstand van de tiphoogte of de werpafstand bij nominaal toerental indien deze groter is. Voor de referentieturbine van 150 meter rotordiameter en ashoogte, betekent dit een afstand van 225 meter als uitgegaan wordt van tiphoogte. De werpafstand bij nominaal toerental is meestal minder dan 225 meter, vandaar dat uit wordt gegaan van 225 meter.
5.2.2
Ruimte voor windturbines ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten Buiten de PR10-05 en PR10-06 contouren is er in principe geen sprake van een (aanvullend) veiligheidsrisico. Binnen de aangehouden afstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in Figuur 5.1 kan een windturbine alleen worden geplaatst, indien nader veiligheidsonderzoek voor een specifieke windturbine of windpark aantoont dat het risico toelaatbaar is, mogelijk in combinatie met mitigerende maatregelen. Daarnaast geeft het Activiteitenbesluit aan dat de bovenstaande regels enkel gelden voor ‘buiten de inrichting gelegen objecten’. Dit betekent dat voor objecten die behoren bij de gelijke inrichting als waar de windturbine onderdeel van is, er geen norm geldt voor het maximaal optredende risico op deze objecten in relatie tot de risico’s afkomstig van een windturbine. Het verdient voor de eigen interne bedrijfsvoering wel aanbeveling om een veiligheidsprotocol of risicoanalyse te doen om de mogelijke gevaren voor de eigen bedrijfsvoering inzichtelijk te maken.
5.2.3
Mogelijk zijn er aanvullende kwetsbare objecten in het zoekgebied Als kwetsbare objecten beschouwt Pondera in deze analyse de objecten die de Risicokaart Nederland als kwetsbaar aanwijst en daarnaast woningen, onderwijs- en gezondheidszorginstellingen (vergelijkbaar met geluidgevoelige objecten). Maar er kunnen zich situaties voordoen waarbij een beperkt kwetsbaar object in deze analyse door bijvoorbeeld aanwezigheid van meerdere personen zich toch kwalificeert als kwetsbaar object en er dus een grotere afstand aangehouden dient te worden. Dit is op voorhand moeilijk voor alle gebouwen te bepalen en vereist dus maatwerk. De delen van het zoekgebied waarbinnen nader onderzocht moet worden of beperkt kwetsbare objecten mogelijk toch kwetsbaar zijn, geeft Figuur 5.2 weer als zwart gearceerd vlak. Dit vlak symboliseert de afstand van 225 meter tiphoogte rondom alle beperkt kwetsbare objecten in het zoekgebied.
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 32
5.3 Infrastructuur In het zoekgebied bevinden zich een spoorweg en de snelweg A1. Figuur 5.1 toont de ligging van deze infrastructuurelementen.
5.3.1
Afstand tot de spoorweg De Handreiking risicozonering windturbines hanteert een plaatsingsadvies van een afstand van minstens 7,85 meter plus een halve rotordiameter afstand vanaf de rand van een spoorweg tot aan de windturbine. Voor de referentieturbine van 150 meter rotordiameter en ashoogte betekent dit een afstand van 83 meter. Daarnaast geldt een toetsingseis van het Individueel Passanten Risico (IPR) en het Maatschappelijk Risico (MR) voor de betrokken spoorweg omdat het een hoofdspoorweginfrastructuur betreft.
Veiligheidsonderzoek binnen tiphoogte afstand nodig Spoortrajectnummer 30EO.6 is onderdeel van het basisnet spoorwegen en er vinden daarom significante hoeveelheden gevaarlijke transporten plaats. Indien de windturbines worden geplaatst binnen circa 225 meter (tiphoogte) van de spoorweg, dient nader onderzoek plaats te vinden over de kans op treffen van gevaarlijke transporten en/of het optredend risico voor passanten en de maatschappij. De ervaring uit voorgaande analyses bij andere spoorwegen met gevaarlijke transporten leert echter dat plaatsing buiten een halve rotordiameter afstand goed mogelijk is.
5.3.2
Afstand tot de snelweg A1 De Handreiking risicozonering windturbines hanteert een plaatsingsadvies van een afstand van minstens een halve rotordiameter afstand vanaf de rand van de snelweg tot aan de windturbine. Voor de referentieturbine van 150 meter rotordiameter en ashoogte betekent dit een afstand van 75 meter.
Veiligheidsonderzoek binnen tiphoogte afstand nodig De snelweg A1 (wegvak G63) is onderdeel van het basisnet wegen en er vinden daarom significante hoeveelheden risicovolle transporten plaats. Voor de snelweg geldt daarom dat er, naast de adviesafstanden uit het Handboek risicozonering windturbines, nader onderzoek plaats dient te vinden over de kans op treffen van gevaarlijke transporten en/of het optredend risico voor passanten en de maatschappij, indien de windturbines worden geplaatst binnen circa 225 meter (tiphoogte) van de snelweg. De ervaring uit voorgaande analyses bij andere snelwegen met gevaarlijke transporten leert echter dat plaatsing buiten een halve rotordiameter afstand goed mogelijk is.
5.4 Industriële installaties en risicovolle inrichtingen Op bedrijventerrein Harselaar zijn aan de noordwestkant van het zoekgebied twee risicovolle inrichtingen aanwezig, bestaande uit respectievelijk een ammoniakinstallatie en een propaanopslag. Ook aan de zuidoostkant is nog een propaanopslag gelegen. Bij plaatsing binnen circa 460 meter vanaf terreinen zijn trefkansanalyses benodigd om de risico’s op schade aan de risicovolle installaties te onderzoeken. Uitvoering van nadere analyses dient inzichtelijk te maken welke risico’s de windturbines eventueel toevoegen aan de bestaande installaties. Hierdoor zijn mogelijk beperkte delen van het geselecteerde gebied minder geschikt voor de plaatsing van windturbines. Deze delen zijn op Figuur 5.2 weergegeven. De ervaring uit trefkansanalyses leert echter
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 33
dat de risicotoename als gevolg van het mogelijk geraakt worden in het scenario bladworp bij overtoeren doorgaans verwaarloosbaar klein is (kleiner dan 10% toevoeging) voor kleinere risicovolle installaties.
5.5 Transportleidingen en hoogspanningslijnen Op basis van de Risicokaart en Top 10 NL zijn er in het zoekgebied geen transportleidingen en/of hoogspanningslijnen aanwezig.
6 Ruimtegebruik 6.1 Ruimtegebruik in het zoekgebied in combinatie met windturbines Het huidige ruimtegebruik23 in het zoekgebied bestaat voornamelijk uit bedrijventerreinen, akkerland en grasland. Deze functies zijn in principe goed te combineren met windturbines. Figuur 6.1 geeft de ligging van deze functies in het zoekgebied weer. Figuur 6.1 Huidig ruimtegebruik in het zoekgebied
6.1.1
Combinatie landbouw en windturbines De functie landbouw is goed te combineren met de plaatsing van windturbines. Door het relatief kleine primaire ruimtegebruik van een windturbine blijft er veel ruimte over voor de landbouwfunctie. Daarnaast kunnen de verschillende opstelplaatsen en transportwegen van het nieuwe windpark dienen als routes voor landbouwwerktuigen. Wel zorgt de realisatie van funderingen, wegen en opstelplaatsen voor een
23
Volgens geodata beschikbaar uit Top 10 NL, 2 maart 2021
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 34
beperking van de hoeveelheid aanwezige landbouwgrond. Buiten de verharde infrastructuur en de masten van de windturbines kan het gebied blijvend worden gebruikt voor landbouw en wordt de huidige gebruiksfunctie van de ruimte slechts minimaal beïnvloed. Dit komt voornamelijk doordat in de regel de toename in verhard oppervlak relatief klein is in vergelijking met het totale oppervlakte van landbouwgrond.
6.1.2
Combinatie bedrijventerreinen en windturbines Windturbines zijn in de regel goed te combineren met de functies van bedrijventerreinen, indien er rekening wordt gehouden met externe veiligheid. Op bedrijventerreinen zijn vaak installaties met een hoge energiebehoefte aanwezig die kunnen worden gevoed door de opgewekte elektriciteit van de windturbines. Windturbines kunnen echter op een aantal vlakken invloed hebben op de bedrijfsvoering en mogelijkheden van nabijgelegen bedrijven. Voor bedrijven gelden de normen voor geluid en slagschaduw van windturbines niet, maar zeker voor bedrijfslocaties waar veel mensen werken zijn geluid en met name slagschaduw van windturbines in de nabijheid wel aandachtspunten. Met name het aspect externe veiligheid is ook relevant voor de plaatsing van windturbines op of in de nabijheid van bedrijventerreinen, omdat bedrijven die als (beperkt) kwetsbare objecten kunnen worden aangemerkt alleen op afstand van windturbines aanwezig mogen zijn. Zo is het bijvoorbeeld niet toegestaan als zich een kantoorlocatie bevindt direct onder de rotor van de windturbine.
6.2 Laagvlieggebied Defensie Een deel van het onderzoeksgebied overlapt met de rand van het laagvlieggebied Veluwe/ Randmeren van Defensie. Het betreft geen planologisch beschermd laagvlieggebied24. In afstemming met Defensie is hier de combinatie met windturbines bespreekbaar. Dit vormt een aandachtspunt voor windenergie.
24
Bij de twee voorbeeldopstelling die gehanteerd worden voor de berekeningen voor geluid en slagschaduw bevindt zich respectievelijk één van de windturbines binnen (aan de rand van) de laagvliegroute van Defensie.
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 35
Figuur 6.2 Laagvlieggebied Defensie
6.3 Straalverbindingen Het zoekgebied wordt gekruist door straalverbindingen (zie Figuur 6.3), waaronder ook de potentiële ruimte voor windturbines uit de GIS-analyse. Afhankelijk van de positie in het zoekgebied, kunnen windturbines daarom een straalverbinding in principe verstoren. In het geval van de onderzochte referentieturbine kan verstoring naar verwachting alleen optreden, indien de mast van de turbine binnen een straalverbinding wordt geplaatst. De straalverbindingen in het zoekgebied zijn relatief laag (15 tot 55 meter25), waardoor verstoring van het signaal door de wieken van de onderzochte referentieturbine van 150 meter ashoogte en rotordiameter geen reële kans is. De tiplaagte van de referentieturbine ligt namelijk bij 75 meter. De straalverbinding is daarmee lager dan de tiplaagte van de wieken. Ook bij een windturbine met een rotordiameter en ashoogte van 120 meter, bevindt zich de tiplaagte met 60 meter naar verwachting buiten (boven) de straalverbinding. In hoeverre de windturbines een verstorend effect op deze straalverbindingen hebben, is uiteindelijk afhankelijk van de specifieke turbine-afmetingen en turbinepositie. Indien een windturbine zich dichtbij een straalverbinding bevindt, moeten effecten op de verbinding in detail worden onderzocht tijdens de uitwerking van een concreet windenergieproject.
Indien de verstoring van significante mate is, kan er worden gekozen om maatregelen te nemen. Zo kan bijvoorbeeld de straalverbinding zelf omgeleid worden of kunnen de betrokken antennes op andere hoogten geplaatst worden. 25
Volgens het door Agentschap Telekom aangeleverde geodata-bestand met straalverbindingen in de gemeente Barneveld
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 36
Figuur 6.3 Straalverbindingen in het zoekgebied
7 Netcapaciteit Figuur 7.1 en Figuur 7.2 tonen aan dat in het overwegende deel van het zoekgebied in principe transportcapaciteit beschikbaar is (stand Liander, 4 maart 2021). Volgens de netbeheerder Liander is er in “transparant gebied” namelijk voldoende ruimte op het elektriciteitsnet voor het afnemen en/of terugleveren van elektriciteit. In het oostelijke deel van het zoekgebied is op dit moment nog capaciteit beschikbaar maar op basis van voorspellingen en uitstaande aanvragen zou er binnen afzienbare tijd echter een transport schaarste kunnen ontstaan. Dit gebied is geel weergegeven op de kaarten (Figuur 7.1 en Figuur 7.2). Voor het centrale deel van het zoekgebied geeft Liander aan dat er geen extra capaciteit meer op het elektriciteitsnet beschikbaar is. Dit gebied is rood weergegeven op de kaarten (Figuur 7.1 en Figuur 7.2). Het capaciteitstekort in de rode gebieden is volgens Liander ook niet door congestiemanagement26 op te lossen. Liander adviseert echter op haar website dat er ook in rood gebied aansluiting soms toch mogelijk is. Dit is afhankelijk van het type aansluiting. Daarnaast geeft Liander aan dat het ook kan voorkomen dat een gebied van rood naar transparant gaat: dan is er een knelpunt opgelost, waardoor er weer capaciteit beschikbaar is op het net.
Voor Barneveld geeft Liander op haar website aan op diverse plekken in de verzwaring van stations te investeren en zowel extra vermogen als aansluitmogelijkheden erbij te plaatsen. 26
Bij congestiemanagement verdeelt de netbeheerder de beperkte ruimte op het elektriciteitsnet op momenten dat de vraag naar transport van elektriciteit hoger is dan wat het elektriciteitsnet aan kan. Zakelijke grootverbruiker verbruiken of leveren dan tijdelijk en tegen betaling minder elektriciteit terug.
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 37
De situatie weergegeven in Figuur 7.1 en Figuur 7.2 is daarom een momentopname. Voor een concreet windenergie project moet daarom aan de hand van de verwachte jaarlijks opgewekte stroom een offerte bij Liander aangevraagd worden. Figuur 7.1 Beschikbare capaciteit voor het terugleveren van elektriciteit in Barneveld (Liander, 4 maart 2021)
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 38
Figuur 7.2 Globale aanduiding van de beschikbare capaciteit voor het terugleveren van elektriciteit27 in het zoekgebied
27
https://www.liander.nl/Transportcapaciteit/gelderland/kaart-terugleveren
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 39
8 Bijlage - Grafische kalenders slagschaduwberekening Zeumeren
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 40
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 41
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 42
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 43
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 44
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 45
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 46
Locatieonderzoek windenergie Barneveld 720159 | Aanvullende notitie | Definitief v2.0 | 18-6-2021 Pagina 47