Structuurvisie_Wind_ontwerp.pdf
Tekst van het document
STRUCTUURVISIE WIND Status: ONTWERP
versie 30 augustus 2021
Status: Ontwerp 2
Structuurvisie Wind
INHOUDSOPGAVE 1|
Inleiding 4
Deel A: Visie
2|
Opgave vanuit Regionale Energie Strategie (RES) 9
3|
Nut, noodzaak & alternatieven 10
4|
Uitgangspunten 14
5|
Visie grootschalige windenergie 16
6|
Visie kleinschalige windenergie 22
7|
Verder proces grootschalige windenergie 24
11 |
Begrippenlijst
12 |
Bronnen 61
13 |
Bijlagen
Structuurvisie Wind
Deel B: Uitwerking
Deel C: Voorwaarden
8|
Beleidsverantwoording 29
10 |
9|
Thematische uitwerking 30 9.1 | Energieopbrengst 9.2 | Landschap 9.3 | Geluid 9.4 | Slagschaduw 9.5 | Gezondheid 9.6 | Ecologie (flora en fauna) 9.7 | Waardevermindering onroerend goed 9.8 | Werkgelegenheid en economische ontwikkeling 9.9 | Milieu impact 9.10 | Overige aspecten
60
62
3
Overzicht gestelde regels 57
1|
INLEIDING
De Structuurvisie Wind vormt het (ruimtelijke) Barneveldse windenergiebeleid. Een structuurvisie kan in de toekomst verstrekkende gevolgen hebben voor bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden. Een structuurvisie is dan ook niet zomaar een beleidsdocument. Daarvoor is in aanloop naar deze structuurvisie veelvuldig gesproken met bewoners, bedrijven en andere belanghebbenden. Een belangrijk onderdeel van deze gesprekken waren de windgesprekken. Deze gesprekken hebben begin 2021 plaatsgevonden. Mede als gevolg van deze gesprekken ligt er nu een ontwerp Structuurvisie als voorstel voor het gemeentelijk windenergiebeleid. Met advies van bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden wordt dit voorstel verder uitgewerkt in een definitieve structuurvisie. AANLEIDING In 2015 heeft de raad van gemeente Barneveld in de Energievisie aangegeven hoe zij omgaat met de energietransitie (de overgang van fossiele brandstoffen naar vormen van hernieuwbare energie). De gemeenteraad koos voor een energiemix bestaande uit onder andere zonne- en windenergie. Om tot een goede mix tussen alle beschikbare vormen van hernieuwbare energie te komen is onder meer gekozen voor de realisatie van windenergie. De gemeentelijke energievisie is onder meer in de Visie Windenergie (2016) uitgewerkt.
Met de vaststelling bestond het gemeentelijke windenergiebeleid in hoofdlijnen uit de onderstaande punten: • Realisatie van 4-8 windturbines; • Realisatie ten oosten van de A30 geniet voorkeur boven realisatie ten westen van de A30; • Windenergie wordt niet gerealiseerd in bosgebieden; • Verrommeling van landschap voorkomen door turbines te bundelen; 1. Streven naar een zo groot mogelijk lokaal eigenaarschap 2. Een proces met goede participatie. Begin 2017 is een principeverzoek ingediend voor het realiseren van 3 windturbines op de locatie Zeumeren. Naar aanleiding hiervan is de behoefte ontstaan om een brede discussie te voeren over welke locaties geschikt zijn voor windturbines. In reactie hierop heeft de gemeenteraad besloten een nieuwe structuurvisie op te stellen. In 2018 is dit proces, met de
4
Structuurvisie Wind Inleiding
Notitie Reikwijdte en Detailniveau, gestart. Dit heeft geleid tot onder meer het “Milieueffectrapport Structuurvisie Windenergie Barneveld” (december 2019). Inmiddels heeft de gemeenteraad in 2021 met de Regionale Energie Strategie Foodvalley (RES) ingestemd. De RES is verder uitgewerkt in hoofdstuk 2 van de voorliggende visie. Deze RES vraagt om een adequate en concrete uitwerking in bijvoorbeeld een structuurvisie. DOEL Met de Structuurvisie Wind biedt gemeente Barneveld de (ruimtelijke) visie voor nieuwe windturbines. Deze visie geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. In deze visie is aangegeven hoe de opgave, gesteld in hoofdstuk 2, wordt gerealiseerd. De visie geeft daarmee aan wat, waar en onder welke voorwaarden gebouwd mag worden. Met het vaststellen van de Structuurvisie Wind wordt de vigerende Visie Windenergie (2016) ingetrokken.
Naar verwachting is dit proces omstreeks 2023 afgerond, waarna initiatiefnemer(s) een vergunningentraject kunnen starten. Dit is beknopt in hoofdstuk 7 beschreven. Afhankelijk van verschillende doorlooptijden van onderhandelingsprocessen met omgeving, onderzoeksconclusies en eventuele bezwaren & zienswijzen kan vanaf 2025 gestart worden met de realisatie van grootschalige windenergie. Dit is in lijn met de gemeentelijke energieopgave (zie volgend hoofdstuk). PROCES TOT NU TOE
TOEKOMSTIG PROCES EN PLANNING De voorliggende structuurvisie is een ontwerp. Het vormt een eerste vertaalslag van de gemeentelijke energieopgave, de gevoerde windgesprekken met 119 bewoners, ondernemers en andere belanghebbende en tot slot de uitgevoerde onderzoeken. Deze visie ligt tot medio oktober ter inzage. Gedurende de ter inzage termijn organiseert gemeente Barneveld meerdere inloop- en kennisbijeenkomsten. Deze bijeenkomsten, alsmede reacties vanuit bewoners, ondernemers en politiek, kunnen het voorliggende ontwerp bijstellen of aanscherpen. De volgende versie van de structuurvisie is een definitieve versie. Het college van burgemeester en wethouders zal aan de gemeenteraad vragen deze definitieve versie vast te stellen. Dit besluitvormingstraject staat gepland voor december 2021. De Structuurvisie Wind omschrijft niet enkel de ruimtelijke randvoorwaarden voor de plaatsing van windturbines. Binnen deze visie wordt ook het gewenste proces beschreven. Met het vaststellen van de Structuurvisie kan
Structuurvisie Wind Inleiding
de gemeente dit proces verder invulling geven. Een eerste belangrijke stap daarin is de verdere uitwerking van de tender. In deze tender (een soort aanbesteding) beoordeelt de gemeente Barneveld, samen met omgeving en belanghebbenden, windenenergieplannen van marktpartijen. Dit resulteert in een samenwerking met de uiteindelijke initiatiefnemer(s).
5
De voorliggende structuurvisie kent een lange aanloop. In 2018 is gestart met de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Op basis van deze notitie is vervolgens een milieueffectrapport (MER)1 opgesteld. Tijdens dit proces is veelvuldig gesproken over windenergie. Niet alleen tussen gemeente en inwoners tijdens enkele bewonersavonden in 2018, maar ook binnen gemeente, politiek en tussen inwoners zelf. Eind 2019 is het MER gepubliceerd. In dit rapport zijn op basis van diverse criteria 13 locaties geïdentificeerd waarbinnen (grootschalige) windenergie gerealiseerd kan worden. Deze locaties zijn vervolgens, op diverse aspecten, beoordeeld. De gemeente Barneveld heeft het MER ter advisering voorgelegd aan de Commissie MER. In april heeft de Commissie zich uitgesproken. “De Commissie vindt (…) het MER een nuttig voorbeeld voor andere plannen voor windturbineparken elders in Nederland”2. Het in 2019 vrijgegeven MER is volgens de commissie bijna compleet om een keuze te kunnen maken. In 2020 heeft de gemeente Barneveld op basis van dit advies het MER aangevuld3. Aanvullend aan het MER heeft de gemeente in 2020 een beleidsconfrontatie opgesteld, met als doel de 13 geïdentificeerde locaties ten opzichte van het bestaande beleid individueel te toetsen.
LEESWIJZER
Op basis van de conclusies uit zowel het MER, de aanvulling en de beleidsconfrontatie heeft de gemeenteraad in september 20204 besloten de mogelijkheden voor zoekgebied 5 (de Harselaar), voor zover ten zuiden van de A1, verder te laten onderzoeken.
De voorliggende structuurvisie bestaat uit 3 delen. In deel A wordt onder andere de opgave, het waarom en de visie op windenergie beschreven. Binnen dit deel wordt eveneens aangegeven hoe het verdere proces vorm krijgt. In deel B wordt de visie thematisch uitgewerkt. Deze uitwerking gaat dieper in op diverse haalbaarheidsaspecten en gevolgen. Vervolgens wordt in deel C een overzicht gegeven van de randvoorwaarden waaronder de gemeente bereid is medewerking te verlenen aan initiatieven voor windenergie.
Een belangrijk onderdeel in de door de gemeenteraad gevraagde verdere onderzoek zijn de windgesprekken. Gegeven de restricties als gevolg van de corona-epidemie heeft de gemeente 119 individuele gesprekken met onder meer bewoners en ondernemers rondom zoekgebied 5 gevoerd. Ook zijn diverse specialistische onderzoeken uitgevoerd, vaak met input vanuit deze windgesprekken. Deze onderzoeken, bijvoorbeeld een ecologisch onderzoek, maken onderdeel uit van de voorliggende structuurvisie.
Voor de totstandkoming van dit document zijn diverse bronnen geraadpleegd. De lijst van bronnen is achterin het document opgenomen.
JURIDISCHE STATUS
Deel A: Visie Na het inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de doelstellende opgave. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 het nut, de noodzaak en de alternatieven van windenergie kort gewogen. Dit resulteert in de conclusie waarom de realisatie van grootschalige windenergie gewenst is. In hoofdstuk 4 zijn de uitgangspunten van de visie gepresenteerd.
Een structuurvisie heeft beperkte juridische status in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Een structuurvisie is wel zelfbindend. Dit wil zeggen dat de gemeente verplicht is om in haar ruimtelijk beleid rekening te houden met hetgeen gesteld in de structuurvisie. In beginsel kan de gemeente bijvoorbeeld geen nieuw bestemmingsplan vaststellen als dit strijdig is met de structuurvisie.
Deze uitgangspunten leiden tot een visie op grootschalige windenergie (hoofdstuk 5), kleinschalige windenergie (hoofdstuk 6) en het te doorlopen proces voor initiatieven van zowel grootschalige als kleinschaliger windenergie. In dit laatste hoofdstuk zijn concrete voorwaarden voor dit proces opgenomen.
De structuurvisie is een strategisch beleidsdocument. Het besluit tot vaststelling staat daarmee niet open voor bezwaar en beroep. Dit kan wel indirect door in beroep te gaan bij de uitwerking van de structuurvisie in bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen.
Deel B: uitwerking In deel B is de visie verder uitgewerkt. Deze uitwerking leidt tot ruimtelijke voorwaarden voor initiatieven.
Deel C: voorwaarden In hoofdstuk 10 wordt een overzicht gegeven van de voorwaarden voor grootschalige en kleinschalige windenergie.
6
Structuurvisie Wind Inleiding
Structuurvisie Wind Inleiding
7
DEEL A: VISIE
8
Structuurvisie Wind Inleiding
2 | OPGAVE VANUIT REGIONALE ENERGIE STRATEGIE (RES) Het energievraagstuk staat de laatste jaren stevig op de maatschappelijke en politieke agenda. Naast het milieumotief en de betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. In 2030 moet Nederland de helft minder broeikasgassen uitstoten. In 2050 dient de volledige elektriciteitsproductie CO2 neutraal te zijn. Dit is geregeld in de Klimaatwet5. In de gemeentelijke Energievisie (2015) spreekt Barneveld de urgentie uit om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening. Recent heeft de gemeenteraad ingestemd met de opgave uit de Regionale Energie Strategie Foodvalley (RES) (26 mei 2021). In dit beleidsplan zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt over energiebesparing én duurzame energie-opwek. Ook de regionale strategie om de lokale en regionale energiedoelstellingen te bepalen en behalen is omschreven. De gemeenteraad heeft ingestemd met het gezamenlijk voornemen om 0,75 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. De RES moet verder uitgewerkt worden in de instrumenten van de Wet ruimtelijke ordening.
De voorliggende Structuurvisie Wind vormt voor wat betreft het aspect wind de eerste uitwerking Opgave In zowel de gemeentelijke Energievisie als de RES wordt de realisatie van windturbines als belangrijk middel gezien in de Barneveldse energietransitie. In de RES is deze ‘windopgave’ voor de gemeente Barneveld op 0,038 TWh/ jaar gesteld. Deze opgave moet in 2030 zijn behaald.
Structuurvisie Wind Opgave vanuit Regionale Energie Strategie (RES)
9
3 | NUT, NOODZAAK & ALTERNATIEVEN Met de vaststelling van de Energievisie (2015), de Visie Windenergie (2016), de Zonneladder (2019) en instemming met de RES (2021) heeft de gemeente zich meermaals uitgesproken over nut en noodzaak om de energietransitie lokaal vorm te geven. Daarin is ook aangegeven dat hiervoor windenergie nodig is. In veel van deze beleidsstukken is al uitgegaan van grootschalige windenergie: windturbines met een grotere ashoogte dan 35 meter.
energievoorziening. In de RES is aangegeven dat dit kan gaan om waterkracht, kernenergie (thorium), waterstof (opslag van energie), superkritische watervergassing of bijvoorbeeld (ultradiepe) geothermie. Gemeente Barneveld volgt deze innovaties op de voet en blijft monitoren welke kansen er zijn. Daarom wordt de RES elke twee jaar landelijk en regionaal herijkt om de nieuwste stand van de techniek mee te kunnen nemen.
De noodzaak tot vergroenen wordt door Barnevelders gedeeld, maar de vorm en effecten van de energietransitie baren bewoners en ondernemers zorgen. Deze zorgen gaan in belangrijke mate over windenergie. In de gevoerde windgesprekken is dan ook vaak de vraag gesteld of er geen alternatieven zijn: waarom wind? Deze belangrijke vraag vraagt meer dan alleen een verwijzing naar de recent vastgestelde RES Foodvalley of de gemeentelijk energievisie.
Uitbreiding van netwerkcapaciteit kent lange doorlooptijden en vaak hoge kosten. Om een zo groot mogelijk aandeel van onze behoefte aan duurzame opwek zo betaalbaar mogelijk te maken moeten het energienet zo efficiënt mogelijk benut worden. Vanuit dat oogpunt is de combinatie van zon- en wind relevant. Met alleen zonne-energie moet het stroomnet veel méér opvangen: als de zon flink schijnt, is er een enorme piek aan stroom. Wind levert meer gelijkmatig stroom. Daardoor vraagt zonne-energie, bij vergelijkbare vermogens, circa 3 keer meer netcapaciteit dan windenergie. Liander adviseert dan ook wind en zon in evenwicht te realiseren. Dit leidt bovendien gedurende een dag of week, en in de verschillende seizoenen, tot een zo stabiel mogelijke stroomvoorziening.
NETWERKCAPACITEIT
BESPAREN Energie die we niet verbruiken hoeft ook niet opgewekt te worden. Een belangrijke eerste stap in de regionale energiestrategie is een jaarlijkse besparing van 1,5%. Met de gemeentelijke Energievisie heeft de gemeenteraad in 2015 een nog ambitieuzer doel gesteld: 2%. Dit betekent dat in 2030 circa 30% besparing is gerealiseerd en in 2050 circa 70%. Dit is een grote opgave die veel inspanning vraagt van verschillende sectoren (gebouwde omgeving, industrie, landbouw en transport) en van alle inwoners. Het resterende energiegebruik moet in 2050 duurzaam opgewekt worden. Een grotere jaarlijkse energiebesparing lijkt nu niet haalbaar.
NU BESCHIKBARE TECHNIEKEN Voor de korte en middellange termijn (2030) zet gemeente Barneveld in op bewezen en beschikbare technieken voor grootschalige opwek. Het gaat daarbij om wind- en zonne-energie. AANGEDRAGEN ALTERNATIEVEN In theorie is het mogelijk om de winddoelstelling (zie hoofdstuk 2) met nu beschikbare technieken ook anders in te vullen. In de windgesprekken zijn de volgende oplossingen aangedragen.
NIEUWE INNOVATIES Alternatieven die nu nog niet beschikbaar zijn kunnen op langere termijn mogelijk een bijdrage leveren aan de gemeentelijke en regionale
10
Structuurvisie Wind Nut, noodzaak & alternatieven
Schematische weergave plaatsing zon op dak
Schematische weergave plaatsing zon op (agrarische) grond
Gebruik dakvlakken voor plaatsing zonne-energie Zon-op-dak is een maatschappelijk breed geaccepteerde techniek om energie duurzaam op te wekken. In de windgesprekken is vaak de verwachting uitgesproken dat met het vol leggen van dakvlakken op het industrieterrein de Harselaar aanvullende windenergie niet of slechts beperkt noodzakelijk zou zijn. In de Barneveldse Zonneladder (2019) is zon-op-dak benoemd als basis uitgangspunt. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dit zoveel mogelijk aan te moedigen. In de praktijk blijken echter niet alle daken geschikt. Dit uit zich ook in de Barneveldse bijdrage aan de regionale energietransitie. Zo zijn er veel daken die het extra gewicht van zonnepanelen niet kunnen dragen. De plaatsing van zonnepanelen leidt ook tot problemen met de verzekering van het pand6. Bovendien kunnen niet alle ondernemers deze aanschaf financieren. Tot slot vragen zonnepanelen veel netwerkcapaciteit. In zowel het landelijk gebied als binnen bestaand stedelijk gebied is deze netwerkcapaciteit niet altijd aanwezig. Dit geldt ook voor gemeente Barneveld7. Rond de Harselaar en Barneveld zelf kan de komende jaren niet meer energie uit zon worden terug geleverd. Gezien deze netwerkcapaciteitsproblemen staan de plaatsingsdoelstellingen van zonnepanelen op korte termijn al onder druk. Liander adviseert een halvering van de gemeentelijke plannen voor zon-op-dak.
De gemeente blijft onderstaande problematiek onder de aandacht brengen bij de landelijke overheid. Het is immers van groot belang dat beperkingen worden opgelost en de mogelijkheden voor zon-op-dak worden verbeterd.
Structuurvisie Wind Nut, noodzaak & alternatieven
11
Gebruik (agrarische) grond voor plaatsing zonne-energie Naast zon-op-dak is in de windgesprekken zon-op-land benoemd als kansrijk alternatief. Met de realisatie van aanvullende zonnevelden zou windenergie mogelijk niet meer noodzakelijk zijn. In voorbereiding op de structuurvisie heeft OVSL 8 geconcludeerd dat de gestelde energieproductie-opgave voor wind minimaal 32.3 hectare aan zonnepanelen vraagt. Daarbij is uitgegaan van het efficiënter worden van panelen. Op basis van een conservatieve inschatting zou zelfs minimaal 41 hectare nodig zijn. In de RES is voor de gemeente Barneveld nu uitgegaan van 32 hectare aan zon-op-land. Het behalen van de opgave met zon-op-land vraagt minimaal een verdubbeling van de bestaande inzet. Deze inzet is vergelijkbaar met de totale oppervlakte van de kern Kootwijkerbroek. LTO Noord geeft in het windgesprek aan geen voorstander te zijn van zon-op-land, dit zou in toenemende mate ten koste gaan van waardevolle landbouwgrond. Los van de actuele problemen met het netwerk en het advies van Liander (zie Gebruik dakvlakken voor plaatsing zonne-energie) vraagt het optimaal (en betaalbaar) benutten van een netwerkcapaciteit meer dan alleen zon (zie netwerkcapaciteit). Uit onderzoek blijkt bovendien dat de kosten van zonne-energie beperkt hoger 9 liggen dan de kosten van windenergie.
Vanuit het streven om de energietransitie betaalbaar te houden is het volledig overgaan op zonneenergie niet de beste keuze.
Meerdere kleinere windturbines Door enkele gesprekspartners is tijdens de windgesprekken de suggestie gedaan meerdere kleine windturbines te realiseren. Deze kleinere windturbines zouden een bescheidene impact hebben op omgeving, natuur én landschap. Als vuistregel wordt gesteld dat met 2x grotere wieken, circa 4x meer opbrengst wordt behaald. Met een halvering in grootte van een windturbine vragen de energiedoelstellingen dus 4 keer meer windturbines. Onderzoek10 toont aan dat met drie turbines van 130 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter naar verwachting net voldaan kan worden aan de energie-opwekopgave. Volgens de vuistregel is dit over het algemeen vergelijkbaar met circa 48 windturbines van circa 35 meter ashoogte en rotordiameter.
vanaf 130 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter financieel haalbaar kunnen zijn. Plaatsing van meerdere kleinere windturbines zal op basis van de huidige SDE++ subsidie niet uitvoerbaar blijken. KLEINSCHALIGE WIND VOOR INDIVIDU Mits er voldoende netwerkcapaciteit voor handen is, zijn kleinschalige vormen van windenergie vaak wel interessant voor individuen en kleinere collectieven. Een kleiner collectief kan dit financieren met de Subsidieregeling Coöperatieve Energie opwekking (SCE). De eigenaar of eigenaren nemen de opgewekte energie dan af. Omdat kleinere turbines minder elektriciteit genereren, is er een relatief beperkte hoeveelheid eigenaren nodig die de elektriciteit afnemen. Dat is de reden dat projecten die gebruik maken van de SCE dan ook zullen kiezen voor een wat kleinere turbine.
Op basis van de capaciteit van het netwerk kan individuele plaatsing in bepaalde gebieden niet (tijdig) uitvoerbaar zijn. Gelet op de verwachte kosten van aanpassingen van het netwerk zal de noodzakelijke aanpassing voor initiatiefnemers alleen lonen bij het realiseren van grote aantallen kleinschalige windturbines op één locatie. Dit zal relatief veel grond vragen. De landschappelijke impact per windturbine is weliswaar kleiner als deze tweemaal halveert in grootte, maar als er vervolgens 16 keer zoveel geplaatst moeten worden is deze winst in belangrijke mate weer tenietgedaan. Niet in de laatste plaats omdat kleinere turbines, met kleinere wieken, sneller draaien. Deze draaibeweging geeft een onrustiger beeld dan bij grotere turbines. In het uitgevoerde ecologisch onderzoek11 wordt over effecten op vogels bovendien gesteld dat het in het algemeen zo is dat grotere turbines gunstiger zijn, want in dat geval zijn er minder turbines nodig om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken. Daarmee is ook de mortaliteit met betrekking tot vogels lager. Daarmee is er naar verwachting geen kleinere impact op natuurwaarden. In de praktijk blijkt ook dat hoe groter de turbine, hoe rendabeler deze kan draaien. Een studie voor windturbines bij waterschappen12 toont voor windturbines van circa 35 meter ashoogte en 35 meter rotordiameter een terugverdientijd van gemiddeld 20 jaar.
Dit is niet alleen lastig voor investeerders, maar past ook niet binnen de Nederlandse subsidiesystematiek, waarin wordt gestuurd op minimale kosten per ton bespaarde CO2 (SDE++ subsidie). Onderzoek13 voor de Barneveldse situatie toont dat een turbine pas
Schematische weergave plaatsing meerdere kleine windturbines
12
Schematische weergave plaatsing grootschalige windturbines
Structuurvisie Wind Nut, noodzaak & alternatieven
GEZONDHEIDSRISICO’S In hoofdstukken 7 en 8 en in deel B van de voorliggende structuurvisie is uitgebreid aandacht besteed aan het thema Gezondheid. Daaruit volgt dat met toepassing van de landelijke normering geen aanvullende risico’s worden verwacht. DUURZAAMHEID WINDTURBINES In de windgesprekken is veelvuldig aangegeven dat windturbines mogelijk helemaal niet duurzaam zijn. Veel van de windturbine zou niet te recyclen zijn en enkele essentiële materialen worden gedolven met grote tol voor natuur en mens. CO2 Windturbines wekken stroom op zonder de lucht te vervuilen, zonder het klimaat te belasten en zonder grondstoffen uit te putten. Wel komt er CO2 vrij bij het bouwen, onderhouden en afbreken van de turbine, maar na 3 tot 6 maanden draaien heeft een turbine die hoeveelheid CO2-uitstoot al bespaard. Tijdens de hele levensduur van een windturbine, 20 jaar, produceert deze tot 80 keer zoveel energie als er nodig is om er één te bouwen14. SF6 In windturbines wordt vaak het gas SF6 (zwavelhexafluoride) gebruikt om kortsluiting te voorkomen. Dit gas wordt al tientallen jaren in veel zwaardere elektrische installaties gebruikt. Uit een vergelijking van Milieu Centraal15 blijkt dat beperkt extra uitstoot van dit gas niet op weegt tegen de besparing van CO2. Hoewel niet gewenst, vormt de beperkte extra uitstoot van SF6 daarmee geen belemmering voor de realisatie van windturbines.
Een alternatief voor dit gas zou door gemeente Barnveld worden aangemoedigd. Metalen In (grootschalige) windturbines kunnen metalen zitten zoals neodymium, dysprosium, praseodymium terbium. Deze metalen kunnen worden gewonnen onder bedenkelijke omstandigheden waarbij aan mens en milieu schade wordt gedaan. Met een toenemende elektrificatie zal de vraag naar zeldzame
Structuurvisie Wind Nut, noodzaak & alternatieven
13
metalen op korte termijn toenemen. Deze metalen zijn inmiddels terug te vinden in mobiele telefoons, zonnepanelen, laptops, windturbines en bijvoorbeeld elektrische auto’s en fietsen. Voor de gemeente Barneveld is het uitgangspunt dat deze zo schoon mogelijk moeten worden gewonnen en na sloop moeten worden hergebruikt. Recycling Tegenwoordig wordt circa 85-95% van de turbine gerecycled. Alleen de wieken van de windturbine zijn vooralsnog lastig te recyclen. Deze worden in sommige landen begraven. Wiekrecycling lijkt in de toekomst wel mogelijk te worden16. Gezien deze recente ontwikkeling wordt verwacht dat de grootschalige windenergie in Barneveld aan het einde van de levensduur nagenoeg geheel gerecycled kan worden. CONCLUSIE Het belang van het terugdringen van CO2 met grootschalige windturbines weegt zwaarder dan de nadelen die verbonden zijn aan het plaatsen van windturbines. Gelet op het bovenstaande is de keuze voor grootschalige windenergie zoals in deze visie voorgesteld een logische keuze.
4 | UITGANGSPUNTEN Aan deze visie liggen uitgangspunten ten grondslag. De uitgangspunten zijn geprioriteerd en geven daarmee sturing bij ruimtelijke keuzen. Het eerste uitgangspunt is de noodzaak van deze visie. Uitgangspunten 2a en 2b zijn gelijkwaardig in prioriteit. Deze zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 5 en 6. Het laatste uitgangspunt is verder uitgewerkt in hoofdstuk 7.
1. TIJDIG EN VOLDOENDE WINDENERGIE De ruimtelijke hoofddoelstelling van de Structuurvisie Wind is de tijdige realisatie van voldoende windenergie voor de Barneveldse energietransitie. Vanuit de Klimaatwet en de Regionale Energie Strategie moet deze vorm van energie opwek uiterlijk in 2030 gerealiseerd en operationeel zijn en in totaal jaarlijks 0,038 Twh realiseren. 2A. OMGEVINGSEFFECTEN MINIMALISEREN
2B. GOEDE LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
Mogelijke nadelige effecten van windenergie, bijvoorbeeld rondom geluid, slagschaduw of waardevermindering van woningen, treden veelal ter plekke op. Deze effecten dienen, waar mogelijk en wenselijk, beperkt of gemitigeerd te worden met als doel dat zo min mogelijk mensen hinder ervaren.
Windenergie vraagt een goede landschappelijke inpassing. Waar kleinschalige windenergie zich weet te voegen in de bestaande laag van bebouwing en begroeiing, voegt grootschalige windenergie een nieuwe laag aan het landschap toe. Een goede landschappelijke inpassing heeft niet alleen meerwaarde voor het landschap maar kan ook het acceptatieniveau onder omwonenden doen vergroten en gezondsheidsklachten beperken17. Gelet op het advies18 van landschapsdeskundigen is het gewenst de grootschalige windenergie te concentreren op één locatie. Het bundelen van meerdere grootschalige windturbines is ook (kosten)efficiënt. Indien mogelijk sluit deze locatie aan bij grotere structuren zoals grootschalige infrastructuur en grotere bedrijventerreinen. Dit volgt ook uit de provinciale beleidslijn windenergie (2019) en de RES.
3. Proces met ruimte voor (financiële) participatie
Onderzoek19 toont aan dat mensen meer bereid zijn om nieuwe windturbines in hun leefomgeving te accepteren als ze inspraak hebben in het besluitvormingsproces, als de windturbines het eigendom zijn van een groep burgers en lokale ondernemers, als de opgewekte elektriciteit en omzet (deels) ten goede komt in de regio zelf en niet wordt geëxporteerd en als mensen het gevoel van controle hebben. Daarom zet de gemeente Barneveld in op een proces met maximale ruimte voor omgevingsparticipatie. Dit proces is verder uitgewerkt in hoofdstuk 7.
14
Structuurvisie Wind Uitgangspunten
Structuurvisie Wind Uitgangspunten
15
5 | VISIE GROOTSCHALIGE WINDENERGIE Windturbines, groot of klein, kunnen niet zomaar overal binnen de gemeente worden geplaatst. De plaatsing van een windturbine vraagt een goede locatieafweging, een passende inpassing en daarmee samenhangende voorwaarden.
In het MER is onderzocht hoeveel windturbines per locatie in potentie gerealiseerd kunnen worden. Vanuit een goede landschappelijke inpassing en het beperken van omgevingseffecten is een bundeling van grootschalige windenergie gewenst. Dit vraagt een locatie die ruimte biedt aan minimaal 2 windturbines.
13 ZOEKLOCATIES
In februari 2020 heeft de gemeenteraad besloten het gebied ten noorden van de A1, behorende bij zoeklocatie 5, niet op te nemen als locatie voor windturbines in de op te stellen Structuurvisie windenergie. Ten zuiden van de A1 is de plaatsing van 6 windturbines mogelijk. Daarmee resteren zoeklocaties 1, 4 en 5.
In het MER is nader onderzoek gedaan naar waar in de gemeente Barneveld potentiële ruimte bestaat voor moderne windturbines. Bij deze 13 potentiële zoeklocaties zijn effecten van windturbines in beeld gebracht. Deze effecten zijn per zoeklocatie beoordeeld. In het MER is opgenomen dat vanwege de zeer nabije ligging van de radarpost in Nieuw-Milligen én de ligging in een belangrijk deel van het laagvlieggebied Veluwe-Randmeren de locaties 9, 10 en 13 niet kansrijk zijn. Vanwege de ligging van locaties 6, 7, 9, 10, 11 en 13 ten opzichte van de Veluwe en de potentieel significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Veluwe (zoals voor de wespendief), zijn deze locaties als weinig kansrijk aangemerkt. Daarmee resteren locaties 1 t/m 5 en 12.
In het MER en de aanvulling op het MER is onderzoek gedaan naar het aantal gehinderden in de omgeving. Daarin is aangegeven dat locatie 5 nader geoptimaliseerd kan worden. Deze optimalisatie heeft invulling gekregen in het locatieonderzoek. Deze onderzoeken leveren de volgende tabel op. In deze tabel is het effect van de geluidsproductie van de windturbine opgenomen. Daarnaast is ook het achtergrondgeluid beoordeeld. De aanwezigheid van achtergrondgeluid zorgt ervoor dat de windturbine naar verhouding minder bijdraagt aan het totale geluidsniveau en (deels) weg kan vallen tegen andere geluiden. Daarmee is het effect van windenergie op omgeving kleiner. Dit is passend binnen het uitgangspunt om effecten te minimaliseren.
16
Structuurvisie Wind Visie grootschalige windenergie
Kaartweergave Gemeente Barneveld en omgeving met 13 zoeklocaties in zwart gestippelde kaders en het voorkeursgebied in oranje kader en realisatiegebied in het oranje kader
Structuurvisie Wind Visie grootschalige windenergie
17
Uit de bijgaande tabel wordt duidelijk dat locaties 4 en 5 (geoptimaliseerd) elk op twee punten het beste scoren. Vanuit omgevingseffecten zijn deze locaties in zekere zin gelijkwaardig. Aantal mogelijke turbines
Geluid | Aantal ernstig gehinderden per turbine
Geluid | aantal gevoelige objecten in geluidscontour 42-47 Lden per turbine
Geluid | Aanwezig achtergrondgeluid
Slagschaduw | aantal gevoelige objecten per turbine
Zoeklocatie 1
3
5
10,67
-
169
Zoeklocatie 4
3
3
13
--
57
Zoeklocatie 5 (ten zuiden van A1)
6
6
16,62 (optimalisatie mogelijk)
0
140 (optimalisatie mogelijk)
Zoeklocatie 5 (geoptimaliseerd)
3
4
6
0
86
dat veel van de gesprekspartners allereerst de voorkeur uitspraken voor geen grootschalige windenergie. In de quickscan landschap22 is onderzocht hoe grootschalige windenergie het beste ingepast kan worden binnen zoekgebied 5 (voor zover ten zuiden van de A1). Op basis van een landschappelijke analyse zijn diverse opstellingsmogelijkheden onderzocht. Daaruit volgt, bij opstelling van meerdere windturbines, een voorkeur voor een lijn of cluster. De mogelijke clusters positioneren zich in de driehoek, alsmede (delen) van de lijnopstellingen. Structuren binnen dit gebied zijn zodanig grootschalig dat windenergie hier in samenhang met het landschap kan worden ontwikkeld. Dit volgt ook uit het recente advies van de CoP23. Het bundelen van grootschalige windenergie in de driehoek A1-spoor-Vink is in lijn met het derde uitgangspunt. In het uitgevoerde locatieonderzoek zijn de geluids- en slagschaduweffecten inzichtelijk gemaakt voor twee verschillende varianten. Een variant waarin de windturbines verspreid over zoeklocatie 5, voor zover ten zuiden van de A1 zijn geplaatst en een variant waarbij gekozen is voor een landschappelijk geoptimaliseerde opstelling, zoals onderzocht in de quickscan landschap. Deze vergelijking leert dat de effecten bij een gebundelde opstelling kleiner zijn.
Zo zijn er bij een verspreide opstelling 53 woningen met een relatief hoge geluidsbelasting als gevolg van de realisatie van grootschalige windenergie. Bij een gebundelde opstellingsvariant ligt dit aantal met 19 woningen beduidend lager. Door bovendien te kiezen voor een locatie nabij bedrijventerrein, snel- en spoorweg zorgen windturbines voor relatief minder verslechtering van de akoestische kwaliteit. In deel B van de structuurvisie is dit verder uitgewerkt.
Tabel omgevingseffecten (bewerkt vanuit aanvulling MER en locatieonderzoek). De blauw gemarkeerde velden geven de beste scores binnen dat thema aan.
Zoals verder uitgewerkt in hoofdstuk 9 heeft vanuit de gewenste landschappelijke inpassing locatie 5 een sterke voorkeur. Deze voorkeur volgt ook uit de Beleidsconfrontatie20 en is bevestigd in het raadsbesluit van september 202021. In de RES is de voorkeur voor plaatsing van windenergie nabij infrastructuur uitgesproken. VAN ZOEKLOCATIE NAAR REALISATIEGEBIED (VOORKEURSALTERNATIEF) In de Windgesprekken is veelvuldig de wens geuit niet overal grootschalige windenergie mogelijk te maken, maar enkele deelgebieden binnen het zoekgebied vrij te houden. Daarbij is eveneens de voorkeur voor plaatsing in de driehoek A1-spoor-Vink aangegeven. Daarbij moet opgemerkt worden
18
Structuurvisie Wind Visie grootschalige windenergie
Kaartweergave van Zoekgebied 5 in het rood gestippelde kader. De rode lijn met oranje vulling betreft het realisatiegebied.
Structuurvisie Wind Visie grootschalige windenergie
19
RENDABILITEIT (UITGANGSPUNT 1) Uit opbrengstberekeningen24 blijkt dat met de realisatie van minimaal 3 windturbines van 130 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter, rekening houdend met de mitigerende maatregelen (zie deel B), exact voldoende energie wordt opgewekt om te voldoen aan de opgave (hoofdstuk 2). Voor een sluitende businesscase zijn ashoogtes en rotordiameters tot circa 150 meter gewenst (tiphoogte 225 meter). Daarmee wordt beperkt meer energie opgewekt dan noodzakelijk vanuit de doelstellende opgave. Het locatieonderzoek en de ecologische analyse tonen voldoende ruimte voor 3 windturbines.
is, hoe meer samenhang de opstelling vertoont. Het zo compact mogelijk realiseren van grootschalige windenergie is eveneens belangrijk om het gebied waarin effecten zijn zo klein mogelijk te houden. Vanuit levensduur en rendementseisen is een minimale onderlinge afstand van 4 keer de rotordiameter gewenst. Afhankelijk van de uiteindelijke realisatiegrootte betekent 4 keer rotordiameter een afstand van circa 600 meter. Met deze afstanden is het nog mogelijk onderlinge samenhang tussen de windturbines te beleven25. Een grotere onderlinge afstand, door een grotere rotordiameter of meer dan 4x de rotordiameter, is niet gewenst. Bovendien zullen grotere onderlinge afstanden de plaatsingsmogelijkheden sterk beperken.
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING (UITGANGSPUNT 2B)
GEZONDHEID EN OMGEVINGSEFFECTEN (UITGANGSPUNT 2A) Bij projecten voor windenergie bestaan bij omwonenden in toenemende mate zorgen over de mogelijke gevolgen van windenergie op de kwaliteit van de leefomgeving en de daarmee samenhangende gezondheid. De vraag of de maximaal toegestane effecten van windturbines ook invloed op de menselijke gezondheid hebben is veelvuldig onderzocht zonder eenduidig bewijs. Dit is verder uitgewerkt in deel B van deze visie. Tijdens de windgesprekken is de zorg voor gezondheid vaak in één adem genoemd met geluid, slagschaduw en laag frequent geluid. Voor geluid en slagschaduw zijn in het Activiteitenbesluit en -regeling normen opgenomen. Recent zijn deze normen overigens vernietigd. Dit is verder beschreven in deel B. Voor laag frequent geluid gelden momenteel geen landelijke normen. In reactie op de windgesprekken zal de gemeente Barneveld, aanvullend aan de landelijke normering, normen stellen aan laag frequent geluid. Eveneens zullen normen worden opgenomen ter zekerstelling van een goed werkklimaat bij omliggende bedrijven en ter bescherming van het toeristisch potentieel rondom Zeumeren.
Een goede landschappelijke inpassing gaat verder dan alleen locatie. In de quickscan wordt een evenwichtige, herkenbare en begrijpelijke cluster- of lijnopstelling gevraagd. Met andere woorden: gelijke typen, gelijke onderlinge afstanden en bouwhoogtes en een redelijk uniforme inrichting van de standplaats bij voor alle turbines. Verder is aangegeven dat hoe korter de afstand tussen de windturbines
Hoe groter de rotordiameter van een windturbine, hoe verder het effect van slagschaduw rijkt. In het locatieonderzoek 26 is de slagschaduwcontour van een voorbeeld opstelling (150 meter rotordiameter) berekend. De contour waarbinnen effecten gemitigeerd moeten worden valt bij de proefopstelling
Schematische weergaven van herkenbare cluster of lijnopstellingen
20
Structuurvisie Wind Visie grootschalige windenergie
buiten de kern van Voorthuizen. Grotere rotordiameters hebben als mogelijk gevolg dat deze contour binnen de kern valt. Dit is strijdig aan het uitgangpunt om omgevingseffecten te minimaliseren. In deel B van de structuurvisie is dit thema verder uitgewerkt. GEBIEDSFONDS EN PARTICIPATIE (UITGANGSPUNT 3) Een belangrijk onderdeel van het mitigeren van omgevingseffecten is een gebiedsfonds. Binnen dit fonds worden in overleg met directe omgeving maatregelen getroffen in de omgeving om de effecten te reduceren. Dit kunnen versterkingen zijn van het landschap of aanvullende mitigerende maatregelen rondom geluid of bijvoorbeeld slagschaduw. Dit is verder uitgewerkt in deel B. HEROVERWEGING NAAR 2050 Zoals in hoofdstuk 3 aangegeven is het deels invullen van de energieopgave met grootschalige windenergie voor 2030 een onverminderde logische keuze. De technologische vooruitgang in energieopwekking gaat snel. Daarmee is het nu nog niet aan te geven hoe de energieopgave in 2050 wordt behaald. Dit vraagt een heroverwegingsmoment. Zo’n moment is ook aan de orde geweest tijdens enkele windgesprekken. Door voor grootschalige windenergie een tijdelijke vergunning (of tijdelijk bouwrecht) te verlenen kan zo’n moment worden ingebouwd.
Daarmee volgt de gemeente Barneveld onder meer provincie Noord-Brabant, welke voor grootschalige windenergie alleen tijdelijke vergunning voor maximaal 25 jaar toestaat. Deze tijdelijkheid wordt gekoppeld aan een opruimplicht, waardoor de windturbines ook daadwerkelijk worden ontmanteld na verloop van de termijn.
Beelden van scenariostudie’s diverse locaties, perspectieven en manieren van plaatsing van windturbines in het landschap. Bron: Landschapsstudies OVSL, Bijlage 8 Structuurvisie Wind Visie grootschalige windenergie
21
6 | VISIE KLEINSCHALIGE WINDENERGIE Waar grootschalige windenergie een nieuwe laag in het landschap vormt, past kleinschalige windenergie binnen de bestaande laag van bebouwing en begroeiing. Daarmee zijn het schaalniveau van de plaatsing en de samenhangende effecten kleiner. Kleinschalige windenergie is daarmee een lokale, gebiedseigen afweging. Gezien de diversiteit van de kernen en het buitengebied in Barneveld kan deze afweging in elk gebied anders gemaakt worden. Deze structuurvisie biedt ruimte voor zo’n lokale afweging. De gemeenteraad heeft in 23 september 2020 besloten windenergie met een ashoogte tot 35 meter binnen het gehele gemeentelijke grondgebied mogelijk te houden. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Kleinschalige windturbines kunnen, veelal individueel, in het bestaande landschap worden geplaatst. Anders dan bij grootschalige windenergie wordt daarin geen relatie tussen de verschillende windturbines voorzien. Deze windturbines maken wel een sterke relatie met de omgeving. Dit vraagt om een goede lokale inpassing. Randvoorwaardelijk in deze inpassing is een beperkte ashoogte van de windturbines. Dit heeft als resultaat dat de windturbines op afstand wegvallen achter bomen en gebouwen. Mits landschappelijk verantwoord is een maximale ashoogte van 35 meter mogelijk. Op basis van een gelijke rotordiameter (35 meter) bedraagt de tiphoogte circa 50 meter.
Bij hogere ashoogten zijn de windturbines over grotere afstanden beleefbaar en is er niet langer sprake van een lokale ingreep.
Schaalreferentie van kleinschalige windturbine van 35 meter ashoogte
22
Structuurvisie Wind Visie kleinschalige windenergie
RENDABILITEIT In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2012” zijn al windturbines tot 20 meter ashoogte, onder voorwaarden, toegestaan. Het vergroten van de ashoogte maakt de plaatsing van een groter aantal windturbines met grotere vermogens mogelijk. Daarmee kan beter ingespeeld worden op relatief beperkte hoeveelheid wind in Barneveld. GEZONDHEID EN OMGEVINGSEFFECTEN Het vergroten van de maximale ashoogte kan effect hebben op de omgeving (geluid en slagschaduw), natuurwaarden en de wijze van landschappelijke inpassing. Met de realisatie van windturbines met grotere ashoogten zal er mogelijk meer afstand tot woningen noodzakelijk zijn. De impact op natuurwaarden zal per aanvraag onderzocht moeten worden. Dit is verder uitgewerkt in deel B. GEEN HEROVERWEGING NAAR 2050 Kleinschalige vormen van windenergie leveren een relatief beperkte bijdrage aan de energiedoelstellingen van de gemeente Barneveld. Dit komt doordat de vermogens van de turbines veel kleiner zijn en windsnelheden lager bij de grond lager liggen. Het vermogen van het turbinetype WES34/100 (rotordiameter 35 meter) bedraagt bijvoorbeeld met 0,1 MW27 slechts 2% van de in de locatieonderzoek onderzochte Enercon 147 EP5 E228 (rotordiameter 150 meter).
Met het realiseren van kleinschalige windturbines kunnen we ruimte bieden aan de energietransitie op een lager schaalniveau: bij een individu of een klein collectief. Dit vraagt vanuit overheid geen herweging naar 2050. Gelet op de beperkte ruimtelijke impact van kleinschalige windenergie is dit vanuit landschap ook geen essentiële voorwaarden, mits de turbine, zodra niet meer in gebruik, zal worden opgeruimd.
Structuurvisie Wind Visie kleinschalige windenergie
23
EAZ windturbine in agrarisch landschap
7 | VERDER PROCES GROOTSCHALIGE WINDENERGIE Een correcte participatie met de omgeving is van essentieel belang in proces na vaststelling van de structuurvisie. Dit proces bestaat uit twee stappen. De eerste stap is een zogenaamde tender. Met deze procedure wil gemeente potentiële initiatiefnemers uitnodigen om een initiatief in te dienen. Samen met de omgeving, zowel inwoners als ondernemers, wordt de beste inschrijving geselecteerd. De tweede stap is het participatieproces waarbij initiatiefnemer in overleg gaat met de omgeving. Na het doorlopen van het participatieproces zal initiatiefnemer een vergunning kunnen aanvragen. Deze procedure is stap 3. Met het vastleggen van de hiernavolgende uitgangspunten wordt de basis voor het vervolgproces gevormd. TENDER (STAP 1)
Afbeelding: betrekken en informeren van omwonenden. Bron: Eneco
Net als bij de zonneladder wil de gemeente een partij selecteren op basis van de best mogelijke inschrijving. Deze inschrijving moet dan voldoen aan een nader uit te werken tenderdocument. Naast de voorwaarden gesteld in deze structuurvisie worden hiervoor ook voorwaarden voor participatie en bijvoorbeeld een gebiedsfonds in opgenomen. Deze voorwaarden moeten met omwonenden en direct nabij gesitueerde ondernemers nader uitgewerkt worden. Dit traject kan na vaststelling van deze structuurvisie starten. REGEL Gemeentelijke medewerking wordt via een tender aan het beste plan verleend.
Schema: illustratie van diverse vormen van procesparticipatie
24
Structuurvisie Wind Verder proces grootschalige windenergie
PARTICIPATIE (STAP 2)
het geld wordt uitgegeven. Hiervoor wordt voorafgaand samen met initiatiefnemer, omgeving en gemeente een uitvoeringsplan gemaakt. De initiatiefnemers betalen dan per geleverd MWh een bepaald bedrag aan het gebiedsfonds. Aanvullend moet worden onderzocht of dit bedrag aangevuld kan worden door bijdragen vanuit provincie, regio of gemeente.
De initiatiefnemer(s) doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vorm van participatie. Er zijn vijf vormen van participatie te onderscheiden: 1. procesparticipatie; 2. financiële participatie via een coöperatie of vereniging; 3. financiële participatie via aandelen of obligaties; 4. gebieds- of omgevingsfonds; 5. direct omwonendenregeling.
REGEL Initiatiefnemers dragen bij aan een te vormen gebiedsfonds.
De Nederlandse Vereniging van Duurzame Energie heeft met enkele partners deze vijf vormen verder uitgewerkt in een participatiewaaier. Voorafgaand aan de tender wil de gemeente de wensen vanuit de omgeving nader inventariseren. Deze wensen krijgen vervolgens een rol in het tenderproces. Van initiatiefnemers wordt voldoende inzet op alle vijf vormen van participatie gevraagd. Dit wordt in het tenderdocument (stap 1) nader ingevuld. De uitvoering van de participatie is stap 2. In veel windgesprekken is geadviseerd om bij een toekomstig overleg tussen initiatiefnemer en omgeving een onafhankelijke regievoerder. Dit advies is in lijn met het advies van de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW)29 REGEL Initiatiefnemer komt, in overleg met de omgeving en onder leiding van een onafhankelijke regievoerder, tot een uit te voeren plan voor alle vijf de vormen van participatie.
Participatie: gebieds- of omgevingsfonds Met een gebieds- of omgevingsfonds wordt een deel van de inkomsten van de windturbines direct geïnvesteerd in de omgeving. Daarmee kan ook de omgeving profiteren van de realisatie van windenergie. Daarbij valt te denken aan investeringen in aanvullende infrastructuur (internet, straatverlichting, etc), isolerende maatregelen, groenvoorzieningen (landschapsherstel), investeringen in de sociale structuur of bijvoorbeeld extra stilstand voor minder overlast van slagschaduw of geluid. Met het gebiedsfonds kunnen bewoners en mogelijk ondernemers uit het gebied samen beslissen waaraan
Structuurvisie Wind Verder proces grootschalige windenergie
25
Participatie: ambitie voor lokaal eigenaarschap Bij de besluitvorming over de RES tijdens de raadsvergadering van 26 mei 2021 is een amendement 30 aangenomen over 51% lokaal eigenaarschap bij energieprojecten. Dit is belangrijk omdat onderzoek31 aantoont dat mensen meer bereid zijn om windturbines te accepteren als deze het eigendom zijn van een groep burgers en lokale ondernemers. Dit lokale eigenaarschap is eveneens belangrijk in het betrokken en actief houden van inwoners en ondernemers. Bovendien blijven de opbrengsten ook lokaal behouden. Daarmee kunnen lusten en de lasten evenwichtig worden verdeeld. In de participatiewaaier past lokaal eigenaarschap binnen de twee vormen van financiële participatie. Met het vaststellen van het amendement wordt voldaan aan de aanbeveling van het Burgerforum en aan de wens van o.a. Duurzaam Kootwijkerbroek. Deze wensen zijn onder meer in de windgesprekken geuit. Goed lokaal eigenaarschap gaat echter verder dan 51%. Wanneer één lokale ondernemer volledig eigenaar is van een grootschalig windproject is dat niet in de geest van het klimaatakkoord en zal het weinig betekenis hebben voor de gewenste acceptatie. Bovendien worden lusten en lasten niet evenwichtig verdeeld. Daarom wordt een zo breed mogelijk eigenaarschap gevraagd. Bij voorkeur via een coöperatie of vereniging. Hiermee ontstaat een collectief lokaal eigenaarschap.
REGEL Minimaal 51% van het grootschalige windturbineproject is in lokaal eigendom. Lokaal eigendom vraagt een breed eigendom, bij voorkeur via een coöperatie of vereniging
Coöperatie of vereniging Om collectief eigenaarschap goed te regelen is vaak een rechtsvorm in de vorm van een coöperatie of vereniging nodig. Er kan voor een project een coöperatie worden opgericht, maar een reeds gevestigde coöperatie kan ook mede initiatiefnemer zijn van een project. Een coöperatie die voor 51% of meer eigenaar wordt van een project, kan leden laten deelnemen door middel van obligaties. De deelnemende leden tellen dan elk als individuele eigenaar.
bijdrage moeten leveren aan de acceptatie van de omgeving. Dit vraagt een aanvullende bijdrage aan een lokaal duurzaamheidsfonds of omgevingsfonds. REGEL Aan lokaal eigendom (financiële participatie) wordt invulling gegeven met de 3 opgenomen treden.
VERGUNNINGSPROCEDURE (STAP 3)
Alleen bij grootschalige windenergie Deze vraag dient zich overigens alleen aan bij grootschalige projecten. Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat kleinschalige vormen van windenergie alleen financieel rendabel te exploiteren zijn door toepassing van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking.
Na of tijdens het doorlopen van het participatieplan kan de initiatiefnemer een vergunning aanvragen. Onderdeel van deze vergunning is een onderzoek naar de gevolgen. De gemeente toetst dit op basis van hetgeen gesteld in deze structuurvisie, de landelijke (wettelijke) normering rondom geluid, slagschaduw en bijvoorbeeld externe veiligheid en een goede ruimtelijke ordening.
Treden van lokaal eigendom Hoewel de term lokaal eigenaarschap in toenemende mate leidend is bij energieprojecten ontbreekt het aan een landelijke of regionale standaard. De vraag welke bewoners, (agrarische) grondeigenaren en bedrijven onderdeel zijn van de lokale omgeving wordt per project bepaald. Voor grootschalige windenergie in Barneveld worden de volgende treden gehanteerd:
In beginsel verleent de gemeente medewerking op basis van tijdelijkheid. Daarmee is het mogelijk op termijn de nut en noodzaak van windenergie in Barneveld te heroverwegen. In hoofdstuk 5 is hiervoor de motivatie gegeven. Tijdelijkheid kan bijvoorbeeld door het opnemen van vergunningsvoorwaarde over het termijn waarbinnen de windturbines moeten zijn opgeruimd. De exacte regeling zal samen met initiatiefnemer afgestemd worden. De maximale looptijd daarbij is 25 jaar. Dit biedt initiatiefnemer voldoende ruimte voor de exploitatie.
1. Eerst binnen directe omgeving aanbieden Direct omwonenden en ondernemers die binnen een cirkel van 12 keer de rotordiameter van de windturbine(s) wonen of gevestigd zijn krijgen een eerste recht van koop. Deze groep kan, al dan niet via een coöperatie, eigendom verwerven. Dit eigendom staat los van eventuele compensatieregelingen. 2. Vervolgens aanbieden aan gehele gemeente Als bewoners en inwoners uit de eerste cirkel onvoldoende animo hebben om aan de gewenste 51% te voldoen, zal de initiatiefnemer (coöperaties van) bewoners en ondernemers die elders in de gemeente Barneveld wonen of gevestigd zijn een aanbod moeten doen om medeeigenaar te worden van het project. 3. Duurzaamheids- of omgevingsfonds Mocht ook binnen de gemeente onvoldoende animo zijn om aan de gewenste 51% te voldoen zal de initiatiefnemer op andere wijze een
REGEL Na maximaal 25 jaar vindt er een heroverweging plaats over grootschalige windenergie binnen het realisatiegebied. Dit vraagt een tijdelijke regeling.
26
Structuurvisie Wind Verder proces grootschalige windenergie
Structuurvisie Wind Verder proces grootschalige windenergie
27
DEEL B: UITWERKING
28
Structuurvisie Wind
8 | BELEIDSVERANTWOORDING
In september 2020 heeft de gemeente een beleidsconfrontatie opgesteld32. In deze beleidsconfrontatie zijn de 13 potentiële locaties uit het MER gewogen tegen bestaand beleid. De confrontatie spreekt zich uit over grootschalige windenergie. Het onderzochte beleid is ten tijde van het opstellen van de Structuurvisie Wind onverminderd actueel.
Met een situering ten zuiden van Zeumeren is de realisatie passend binnen de Gebiedsvisie Zeumeren. Zoals eveneens in de beleidsconfrontatie gesteld is realisatie van windturbines binnen zoekgebied 5 (en daarmee binnen het realisatiegebied) niet in strijd met de gemeentelijke structuurvisies. KLEINSCHALIGE WINDENERGIE
BELEIDSCONFRONTATIE Uit de confrontatie volgt dat zoeklocatie 5 in verschillende beleidskaders zeer divers scoort. In belangrijke mate komt dit doordat de locatie verschillende deelgebieden kent die beleidsmatig sterk verschillen. Deze locatie kent de meeste positieve beoordelingen van alle locaties en is daarmee vanuit het beleid de voorkeurslocatie. Gezien de grote diversiteit in scoring wordt een nadere locatieafweging binnen locatie 5 gevraagd. In de voorliggende structuurvisie heeft deze afweging vorm gekregen met de keuze van een realisatiegebied. REALISATIEGEBIED In de beleidsconfrontatie zijn de verschillende locaties gewogen tegen landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Op landelijk niveau zijn er naar verwachting geen belemmeringen voor realisatie van de grootschalige windenergie in het realisatiegebied. Wel kan dit de gebruiksmogelijkheden van het direct aangrenzende laagvlieggebied zeer beperkt beïnvloeden. Het provinciale beleid pleit juist voor bundeling van windenergie met infrastructuur en regionale bedrijventerreinen. De voorliggende structuurvisie is daarmee in lijn met de provinciale beleidskaders. Deze gewenste bundeling volgt ook uit de Regionale Energie Strategie Foodvalley (RES).
Structuurvisie Wind Beleidsverantwoording
29
Kleinschalige windenergie, tot 35 meter ashoogte, kent gelet op het beperkte schaalniveau geen tot beperkte raakvlakken met de beleid vanuit hogere overheden. In het provinciale beleid wordt aandacht gevraagd voor een goede landschappelijke inpassing. Een uiteindelijk plan zal rekening moeten houden met de kenmerken van het landschap. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 9. Het gemeentelijk windenergiebeleid zal worden gevormd door deze structuurvisie. CONCLUSIE Voorliggende structuurvisie past binnen de bestaande beleidskaders.
9 | THEMATISCHE UITWERKING In de windgesprekken is aandacht gevraagd voor enkele specifieke onderwerpen. In het voorliggende hoofdstuk zijn voor deze onderwerpen, bijvoorbeeld geluid, slagschaduw of het effect op toerisme uitwerkingen opgenomen. Deze uitwerkingen onderbouwen en verdiepen de visie zoals gepresenteerd in Deel A.
impact van windenergie op maatschappij en landschap is dit vergaande detailniveau legitiem. NADER ONDERZOEK NOODZAKELIJK De Structuurvisie Wind en de bijhorende onderzoeken tonen in voldoende mate aan dat de visie uitvoerbaar is. Hoewel deze onderzoeken in detailniveau zijn uitgevoerd is het uiteindelijk aan de toekomstig initiatiefnemer om de haalbaarheid van het initiatief op detailniveau aan te tonen. Hiervoor dient initiatiefnemer, op basis van een goede ruimtelijke ordening, diverse nadere onderzoeken uit te voeren.
DETAILNIVEAU UITWERKING Een structuurvisie is een visie op hoofdlijnen. Met deze visie wordt duidelijk hoe en waar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Voldoende aannemelijk moet worden gemaakt dat deze ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar zijn.
REGEL Initiatiefnemer zal moeten voldoen aan de onderzoeksverplichting vanuit voorliggende structuurvisie, wet- & regelgeving en een goede ruimtelijke ordening.
In het MER en de aanvulling daarop is in hoofdlijnen onderzoek gedaan naar de realisatie van windturbines binnen zoekgebied 5 en het daarin geleden realisatiegebied. Dit onderzoek spitst zich met name toe op turbines met 120 meter ashoogte en rotordiameter. Deze afmetingen zijn bewust gekozen omdat deze enerzijds in lijn lagen met de eerder opgestelde Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Anderzijds wordt door het onderzoek naar relatief kleine windturbines meer en grotere potentieel geschikte gebieden inzichtelijk gemaakt. Gegeven de verwachte grootte van de uiteindelijke windturbines is voor zoekgebied 5 aanvullend een locatieonderzoek uitgevoerd naar turbines met 150 meter ashoogte en rotordiameter. In het locatieonderzoek wordt voor het realisatiegebied één specifieke opstelling onderzocht, terwijl de structuurvisie ruimte geeft aan meerdere verschillende opstellingen. Dit locatieonderzoek gaat in detailniveau bewust veel verder dan verwacht mag worden van een structuurvisie. Gelet op de
30
Structuurvisie Wind Thematische uitwerking
9.1 | ENERGIEOPBRENGST In hoofdstuk 2 is een opgave van 0,038 Twh per jaar. Tijdens de windgesprekken is veelvuldig aangegeven dat Barneveld in een windluw gebied is gesitueerd. Enkele deelnemers gaven aan dat hier de opbrengsten van de windturbines te gering zouden zijn voor een winstgevende businesscase. Als voorbereiding op de voorliggende structuurvisie is een energieopbrengststudie uitgevoerd. Deze toont aan dat, rekening houdend met de noodzakelijke en verwachte mitigerende maatregelen, de doelstelling van 0,o38 Twh/jaar behaald wordt met drie windturbines met 130 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter. In deze studie is rekening gehouden met de lokale wind omstandigheden. Gezien de opgave en het eerste uitgangspunt (zie hoofdstuk 4) zullen drie windturbines van minimaal 130 meter (ashoogte en rotordiameter) moeten worden gerealiseerd. Een initiatief met minder turbines is alleen realiseerbaar als deze gecombineerd kan worden met een ander (toekomstig) initiatief, zodat deze initiatieven samen voldoende elektriciteit leveren.
REGEL De opgave van 0,038 Twh/jaar vertaalt zich in minimaal 3 windturbines van minimaal 130 meter, bij kleinere aantal windturbines moet voldoende aannemelijk zijn dat deze in de nabije toekomst wel worden gerealiseerd.
Structuurvisie Wind Thematische uitwerking
31
KLEINSCHALIGE WINDENERGIE In beginsel staat de gemeente positief tegenover kleinschalige windenergie. De gemeenteraad heeft 23 september 2020 dan ook besloten windenergie met een ashoogte tot 35 meter binnen het grondgebied mogelijk te maken. Omdat de opbrengsten aanmerkelijk kleiner zijn dragen deze, in kleine aantallen, echter zeer summier bij aan de doelstellende opgave.
9.2 | LANDSCHAP De groei van turbines in de hoogte heeft ruimtelijke gevolgen. Met de toegenomen ashoogtes hebben moderne windturbines minder relatie met de omgeving. Op grotere hoogten is er vaak een constante windsnelheid. Daarmee is het niet langer noodzakelijk windenergie in langs de kust of in open landschap te realiseren. In toenemende mate zijn andere elementen maatgevend in de locatiekeuze, zoals lokaal initiatief, grondeigendom of de nabijheid van het elektriciteitsnetwerk. In onderzoek hoe turbines een plek kunnen krijgen in het landschap heeft recent een groep deskundigen enkele kwaliteitsregels33 opgesteld voor windlandschappen. In hoofdlijnen roepen de deskundigen met deze kwaliteitsregels op om:
Op basis van het recente advies over windlandschappen is een bundeling gewenst. Dit vraagt een locatie waar meerdere windturbines gerealiseerd kunnen worden. In het MER is opgenomen dat vanwege de zeer nabije ligging van de radarpost in Nieuw-Milligen én de ligging in een belangrijk deel van het laagvlieggebied Veluwe-Randmeren de locaties 9, 10 en 13 niet kansrijk zijn. Vanwege de ligging van locaties 6, 7, 9, 10, 11 en 13 ten opzichte van de Veluwe en de potentieel significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Veluwe (zoals voor de wespendief), zijn deze locaties als weinig kansrijk aangemerkt. Daarmee resteren locaties 1 t/m 5 en 12. De plaatsing van meerdere windturbines is enkel mogelijk bij locaties 1, 4 en 5.
1. windturbines te bundelen. Daarmee ontstaan gebieden met windenergie en blijven gebieden vrij van (grootschalige) windenergie; 2. samenhang te realiseren. Leesbare samenhang zorgt er voor dat mensen een zekere logica ervaren bij de plaatsing van turbines. Er kan begrip ontstaan waarom turbines op de ene plek wel en op andere niet staat. Deze samenhang vraagt een geloofwaardige relatie (passend schaal); 3. het landschap onder te turbines te versterken.
In de aanvulling op de MER35 is getoetst aan de criteria van de Commissie MER. Daarin is zoeklocatie 5, ten opzichte van locaties 1 en 4, als beste beoordeeld. Dit ligt in lijn met het advies van de Commissie MER. Daarin wordt gesteld dat met realisatie van grootschalige windenergie in locatie 5 de minste aantasting van waardevolle landschappen plaatsvindt en er mogelijkheden zijn om turbineopstellingen te laten aansluiten bij de A1 en/ of het bedrijventerrein Harselaar. Zoals aangegeven in hoofdstuk 5 volgt deze voorkeur ook uit andere documenten, waaronder de opgestelde beleidsconfrontatie.
VOORKEUR VOOR ZOEKLOCATIE 5 In haar advies34 geeft de Commissie MER aan dat in de effectbeoordeling van windturbines twee criteria belangrijk zijn. Het eerste criterium is de mogelijkheid om aan te sluiten op grootschalige infrastructuur en bedrijventerrein tegenover de invloed op hooggewaardeerde cultuurlandschappen. Dit criterium volgt ook uit de bovenstaande kwaliteitsregels. Het tweede criterium heeft te maken met de mate van zichtbaarheid. Daarbij gaat het om het effect van windturbines in een open of dicht landschap. Met grote lokale verschillen is het landschap binnen gemeente Barneveld sterk gevarieerd.