CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Schooneng_Toelichting

Gemeenteraad 29 mei 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Schooneng (Voorthuizen)24.864 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voormalig erf Uit de onderzoeksresultaten van het actualiserend verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van het voormalige erf van Schoonengweg 5 blijk dat de voormalige toegangsweg bestaande uit een puinverharding met een globale dikte van 0,4 meter nog aanwezig is (bijlage 8). De rest van de locatie is braakliggend. In de zintuiglijk schone bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan arseen of zink gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Het grondwater bevat slechts een licht verhoogde concentratie aan chroom. Zintuiglijk is op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde grond/puin ter plaatse van de voormalige toegangsweg en het braakliggende voormalige erf de geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters, voor analyse op asbest, is analytisch geen asbest gemeten. Opgemerkt wordt dat ter plaatse van de afgevulde ondergrondse brandstoftank geen gericht bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Dit omdat de exacte ligging van de tank niet te achterhalen was. Bij de herontwikkeling/nieuwbouw dient men daarom rekening te houden met het mogelijk aantreffen van deze ondergrondse brandstoftank.

Agrarische percelen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de plaatselijk zwak (sporen) puinhoudende bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan lood is gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Het grondwater daarentegen bevat naast licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, chroom, kobalt, koper en/of zink plaatselijk matig of sterk verhoogde concentraties aan nikkel. De plaatselijk matig/sterk verhoogde concentratie aan nikkel in het grondwater worden naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door mogelijke oververzadiging van de grond. De oververzadiging is afhankelijk van het absorberend vermogen van de grond. Het verschijnsel doet zich voornamelijk voor in vermeste gebieden en arme zandgronden met weinig vastleggend vermogen. Als voor de voorgenomen herontwikkeling/nieuwbouw niet zal worden bemaald vormt de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater ter plaatse geen belemmering. Wel wordt geadviseerd om het grondwater ter plaatse niet op te pompen en te gebruiken voor beregening voor bijvoorbeeld een (moes)tuin of consumptief gebruik. Ter plaatse van het oostelijke terreingedeelte is geen bebouwing meer aanwezig. De schuur is in 2022, vermoedelijk samen met de in 2019 aanwezige en onderzochte laag asfaltgranulaat en puin rondom de schuur, verwijderd.

De voormalige toegangsweg naar de schuur maakt nu onderdeel uit van de huidige infra en bestaat uit een asfaltverharding met daaronder een laag asfaltgranulaat en puin als fundering. Zintuiglijk is op het maaiveld en in de opgegraven zwak puinhoudende grond aan de rand van de huidige infra en de zintuigelijk schone bovengrond ter plaatse van de voormalige schuur geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters, voor analyse op asbest, is analytisch geen asbest gemeten. Zuidelijk deel 26

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng Het zuidelijk deel is in 2017 (voormalig erf Schoonengweg 6 en agrarische percelen) verkennend onderzocht (bijlage 9). De onderzoeksresultaten ter plaatse van het voormalig erf worden als niet meer representatief/verouderd beschouwd. Dit omdat in 2017 geen concrete aandacht was besteed aan eventuele bodembesmetting met asbest(vezels) in de zogenoemde druppelzones, er sprake is van diverse grondtoepassingen na sloop van de aanwezige bebouwing en omdat in de noordwesthoek sprake is/was van opslag van diverse partijen grond. Aangezien het gebruik ter plaatse van deze agrarische percelen sinds 2017 gelijk is gebleven en ter plaatse geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden is naar verwachting de milieuhygiënische bodemkwaliteit niet gewijzigd. Het verkennend bodemonderzoek uit 2017 wordt daarom als voldoende representatief geacht voor de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van deze agrarische percelen. Voormalig erf Uit de onderzoeksresultaten van het actualiserend verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van het voormalige erf van Schoonengweg 6 blijkt dat in de plaatselijk zwak (sporen) puinhoudende bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond is plaatselijke een licht verhoogd gehalte aan arseen gemeten. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium en zink.

Zintuiglijk is op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde grond ter plaatse van het braakliggende voormalige erf geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters, voor analyse op asbest, is analytisch geen asbest gemeten. Opgemerkt wordt dat in de noordwesthoek van het voormalige erf een gronddepot aanwezig is. Ter plaatse heeft geen actualiseren bodemonderzoek plaatsgevonden. Gezien de te verwachten milieuhygiënische kwaliteit van de opgeslagen partij grond (bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur) wordt aangenomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse niet verslechterd is en de resultaten van het actualiserend verkennend bodemen asbestonderzoek ter plaatse van het overige deel van het erf als voldoende representatief worden beschouwd. Agrarische percelen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters gemeten. Het grondwater bevat slechts licht verhoogde concentraties aan barium.

Doorwerking in plangebied De beschikbare onderzoeksresultaten in het projectgebied Schooneng te Voorthuizen geven op dit moment geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging van de betreffende percelen. Ondanks dat de verkennende bodem- en/of asbestonderzoeken zijn uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden in het projectgebied dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de locatie dient te voldoen aan de algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. "Schooneng" (vastgesteld)

27

Schooneng

Afbeelding 9 Archeologische beleidskaart

5.2.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied zowel een lage als een middelhoge archeologische verwachting geldt. Voor deze zones is archeologisch onderzoek nodig bij plannen met een oppervlakte groter dan 10.000 respectievelijk 2000 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.

28

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

5.2.1.1

Archeologisch onderzoek

RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft in 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek voor het plangebied 'Voorthuizen-Zuid' (een deel daarvan vormt het plangebied Schooneng, bijlage 6). De uitkomst van dit onderzoek was dat de gebieden met een lage archeologisch verwachting en de gebieden waarvan de bodemopbouw is verstoord kunnen worden vrijgegeven. Voor twee vindplaatsen is geadviseerd op een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Een vindplaats, het erf Klein Wixeler, bevindt zich binnen het plangebied Schooneng. Op de onderstaande afbeelding is het erf Klein Wixelaar aangegeven in het blauw.

Afbeelding 10 Uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart

In 2011 is nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van waardevolle archeologische resten in het onderzoeksgebied.

5.2.1.2

Advies archeologie

Het erf Klein Wixeler moet nader worden onderzocht door middel van een proefsleuvenonderzoek. Behoud is in deze fase nog te voorbarig. Het namelijk nog niet duidelijk waar de archeologische resten exact gelegen zijn, hoe deze zich uiten en hoe diep ze gelegen zijn. Pas na het proefsleuvenonderzoek kan besloten worden tot behoud, opgraven of vrijgeven. Om ook de periferie van de mogelijke vindplaats te onderzoeken, wordt aanbevolen ook direct buiten de zone waar het karterend booronderzoek heeft plaatsgevonden proefsleuven aan te leggen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. In november 2023 is de opdracht verstrekt om het onderzoek uit te voeren. Op 23 januari 2024 heeft Synthegra Archeologie uit Leusden het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Er zijn veel recente verstoringen in het onderzochte gebied geconstateerd. Gezien de afwezigheid van vondsten en het zeer beperkte aantal sporen betreft het hier naar het oordeel van de deskundige een "Schooneng" (vastgesteld)

29

Schooneng niet-behoudenswaardige vindplaats. Het een en ander is vervat in het rapport d.d. 8 maart 2024 (bijlage 4). De regio-archeoloog heeft ingestemd met het onderzoeksrapport en de bewuste gronden archeologisch vrijgegeven. Er is voor het onderzochte deelgebied geen dubbelbestemming noodzakelijk ter bescherming van archeologische waarden.

5.2.2

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied bestaat uit een landschap van vochtige kampontginningen, met wat oud groen en bochtige wegen. In het rapport van RAAP is ook onderzoek gedaan naar de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. In het plangebied en de omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor het plan. 5.2.2.1

Historische boerderijplaatsen

In het noorden van het plangebied ligt boerderij Klein Wixeler. Deze dateert van voor het midden van de 16e eeuw. Op het erf waren in het midden van de 16e eeuw een huis, een hooiberg en een schaapskooi aanwezig. In het begin van de 19e eeuw bestond het erf uit een huis, schuur en een hooiberg. 5.2.2.2

Verkavelingspatroon

Het verkavelingspatroon van het plangebied is in de afgelopen 100 jaar sterk gewijzigd. Slechts enkele perceelsgrenzen zijn te herkennen op kaarten uit de 19e eeuw en daarvoor. Het grootste deel van het plangebied, en dan met name de hoger gelegen gronden, zal vóór het midden van de 16e eeuw zijn verkaveld. Voor het einde van de 17e eeuw moet een verkaveling zijn ontstaan die in grote lijnen stand hield tot het begin van de 20e eeuw. In deze periode moet het tot dan toe natte gebied rondom de Beek zijn ontgonnen. 5.2.2.3

Waardevolle landschapselementen

Ten aanzien van de landschapselementen en het beplantingsbeeld kan worden gesteld dat het gebied tot in de 20e eeuw de laat-middeleeuwse kleinschaligheid heeft behouden. De ligging van de landschapselementen en boomsoorten hing nauw samen met de bodemgesteldheid en het daarop afgestemde grondgebruik. De schaal van het landschap, de afwisseling, het aangezicht en de herkenbaarheid was niet alleen kenmerkend voor het plangebied, maar voor grote delen van de Gelderse Vallei. Door (vermoedelijk) de ruilverkaveling in het begin van de 20e eeuw is het landschap sterk veranderd. De ruimtelijke schaal is groter geworden. De afwisseling die voorheen werd bepaald door groenstructuren, wordt nu sterker bepaald door bebouwing. Door de schaalvergroting en verbouw van maïs onderscheidt het landschap zich minder van andere landschapstypen.

30

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

Afbeelding 11 Cultuurhistorische elementen 1832 5.2.2.4

Advies cultuurhistorie

RAAP adviseert om de historisch waardevolle landschapselementen te behouden, om zo de afwisseling en herkenbaarheid van het gebied te behouden. Dit kan versterkt worden door nieuw aan te planten groen af te stemmen op de bodemgesteldheid en het historisch beplantingsgebied. De huidige inrichtingsplannen van Voorthuizen-Zuid houden de bestaande percelering niet aan. Dit bestemmingsplan is daarmee strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, "Schooneng" (vastgesteld)

31

Schooneng gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd.

Stikstof Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied. De kortste afstand tot de Veluwe bedraagt ongeveer 3,8 kilometer. Dit gedeelte van de Veluwe bevindt ten noordoosten van het plangebied in de richting van Garderen.

Afbeelding 12 Natura 2000-gebied Veluwe

Vanwege de omvang van de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied "Schooneng" is een onderzoek naar stikstofdepositie in beschermde natuurgebieden noodzakelijk. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied Veluwe zijn overige effecten van de woningbouwontwikkeling op het natuurgebied naar het deskundige oordeel van de ecoloog van Omgevingsdienst De Vallei op voorhand zonder onderzoek - uit te sluiten. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie. Voor zowel de bouwfase (bijlage 31) als voor de gebruiksfase (bijlage 32) zijn de stikstofemissies beoordeeld. De conclusie van de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. In opdracht van projectontwikkelaar De Bunte Vastgoed Oost B.V. heeft Craeft Advies B.V. een voortoets Wet natuurbescherming uitgevoerd (bijlage 36). De conclusie luidt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. In 2024 heeft het deskundige bureau gereageerd op de beoordeling van Omgevingsdienst De Vallei van de voortoets (bijlage 37). Naar aanleiding van de beoordeling van de omgevingsdienst zijn enkele aanpassingen doorgevoerd.

Voor de locatie Schoonengweg 6 zijn in 2019 door gedeputeerde staten twee ontheffingen in de zin van de Wet natuurbescherming verleend voor de sloop van een schuur (bijlagen 27 en 28). Het plan heeft geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen, zodat er geen passende beoordeling nodig is en een plan-m.e.r.-plicht dus ook niet aan de orde is.

32

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets uitgevoerd. In juni 2017 heeft bureau ATKB een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor drie deelgebieden in het zuiden van Voorthuizen, waaronder het zuidelijke gedeelte van plangebied 'Schooneng' (bijlage 35). Dit gedeelte is in het rapport aangeduid als deelgebied 1 (Schoonengweg 6). Er is toen geconstateerd dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is met het oog op de soortenbescherming. In november 2017 heeft bureau ATKB op de locatie Schoonengweg 6 en 7 in Voorthuizen een nader onderzoek naar broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën opgeleverd (bijlage 19). Er zijn in een deelgebied beschermde verblijfplaatsen aangetroffen van de huismus, de rosse vleermuis en de gewone dwergvleermuis.

Op 27 maart 2018 is namens de projectontwikkelaar een ontheffing beschermde soorten in de zin van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij provincie Gelderland voor woningbouw aan de Schoonengweg in Voorthuizen (bijlage 1). Bij de aanvraag hoort een activiteitenplan met betrekking tot de gewone dwergvleermuis, de rosse vleemuis en de huismus (bijlage 2). In 2019 heeft bureau ATKB een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor het noordelijke gedeelte van het plangebied 'Schooneng' (bijlage 33). Met het oog op de gebiedenbescherming is een AERIUS-berekening aanbevolen. Die berekening is uitgevoerd, zoals is vermeld in §5.3.1.1. Verder is met het oog op de soortenbescherming een aanvullend ecologisch onderzoek naar bunzing, wezel en hermelijn aanbevolen. In 2024 is een erratum toegevoegd aan de quickscan uit 2019: een onderzoek met een endoscoop naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet aan de orde (bijlage 34). In 2021 heeft Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur nader onderzoek verricht naar onder meer kleine marterachtigen (bijlage 18). De uitkomst was dat het onderzochte gebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied van kleine marterachtigen, zoals de wezel, de hermelijn of de bunzing, vormt. Het terrein is evenmin een essentieel onderdeel van het leefgebied van de steenuil. Er zijn geen beschermde nest- of verblijfplaatsen aangetroffen.

Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform de Omgevingswet (en voorheen hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming) heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee worden de belangrijke functies van bossen en beplantingen gegarandeerd, zoals het invangen van fijnstof, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water, het vormen van een leefgebied voor dieren en planten en het fungeren als element met landschappelijke waarde. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. De Omgevingswet beschermt het vellen van houtopstanden die buiten de 'bebouwingscontour houtkap' liggen. In dat geval geldt een meld- en herplantplicht. Hiervoor zijn enkele uitzonderingen, "Schooneng" (vastgesteld)

33

Schooneng bijvoorbeeld houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 hectare of voor houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen. Wanneer een gemeente nog geen Omgevingsplan met daarin een 'bebouwingscontour houtkap' heeft vastgesteld, wat in Barneveld zo is, geldt het overgangsrecht. Daarin is bepaald dat de bebouwde kom, zoals deze door de gemeenteraad is aangewezen onder de Wet natuurbescherming, als een 'bebouwingscontour houtkap' blijven gelden. Voor het plangebied "Schooneng" geldt dat een groot gedeelte van het plangebied buiten de 'bebouwingscontour houtkap' ligt. Om inzicht te krijgen in de aanwezige houtopstanden heeft Pius Floris Boomverzorging uit Veenendaal in 2019 een inventarisatie en boomveiligheidscontrole uitgevoerd (bijlage 21). In het gebied bevinden zich twee bomenrijen van meer dan 20 bomen, die beschermd zijn conform de Omgevingswet. Het gaat om de bomenrij net buiten de westelijke plangrens en de bomenrij aan de zuidzijde van de Schoonengweg. De bomenrij langs de westelijke plangrens zal in zijn geheel behouden blijven en worden aangevuld met struikvormers. De bomenrij langs de Schoonengweg blijft grotendeels behouden. Enkele bomen kunnen niet duurzaam behouden blijven vanwege de aanleg van ontsluitingswegen tussen het noordelijk en zuidelijk plandeel. Voor deze bomen geldt de meld- en herplantplicht.

De bomen zullen binnen het plangebied worden herplant. De conclusie is dat de bescherming van houtopstanden conform de Omgevingswet van toepassing is op de te kappen bomen die onderdeel uitmaken van de bomenrij langs de Schoonengweg. Hiervoor geldt een meld- en herplantplicht. In 2024 heeft Pius Floris een bomeneffectanalyse uitgevoerd (bijlage 11). De bijlagen 12, 13, 14, 15, 16, 17 van de toelichting bij het voorliggende bestemmingsplan horen bij de bomeneffectanalyse.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden.

Afbeelding 13 Kaart geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022) In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Op de bovenstaande kaart is te zien dat de afstand tussen het plangebied "Schooneng" en GNN/GO meer dan 2 kilometer bedraagt. 34

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een "Schooneng" (vastgesteld)

35

Schooneng acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. De onderstaande afbeelding is een fragment van de risicokaart op de kaartviewer Atlas Leefomgeving.

Afbeelding 14 Risicokaart Atlas Leefomgeving

Aan Baron van Nagellstraat 69 bevindt zich een verkooppunt van motorbrandstoffen. De afstand tot het plangebied "Schooneng" bedraagt ongeveer 400 meter. De nieuwe woningen komen buiten het explosieaandachtsgebied. Op het perceel Zeumerseweg 5-5A, kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie G, nummer 4558 bevindt zich een opslagtank voor propaan. De afstand tot het plangebied "Schooneng" bedraagt ongeveer 620 meter. De opslagtank vormt geen gevaar voor de nieuwe woningen. In het Adviesmemo externe veiligheid d.d. 25 oktober 2023 (bijlage 20) heeft Craeft Advies B.V. geconcludeerd dat in het plangebied "Schooneng" wordt voldaan aan de eisen op het gebied van externe veiligheid en van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

36

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Buro Ontwerp & Omgeving uit Arnhem heeft het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (bijlage 3). In het rapport d.d. 31 augustus 2023 is de conclusie dat bij nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Vanuit akoestisch oogpunt is de realisatie van de nieuwe woningen zonder meer mogelijk. Een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij de woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai kan gegarandeerd worden. In 2024 is het rapport gecorrigeerd wat betreft het aantal woningen en de extra bouwlaag bij de appartementen. De conclusie van het rapport is ongewijzigd. De deskundige van Omgevingsdienst De Vallei is akkoord met het onderzoek en heeft aangegeven dat er geen verdere procedures noodzakelijk zijn.

Er zijn geen overschrijdingen van voorkeursgrenswaarden.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

"Schooneng" (vastgesteld)

37

Schooneng

Afbeelding 15 Geurnormenkaart Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van het plangebied liggen de volgende veehouderijen: Zeumerseweg 18: paardenhouderij op 200 meter ten zuiden van het plangebied Zeumerseweg 41: gemengde veehouderij op 370 meter ten zuiden van het plangebied. Belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden Vanuit de Wgv geldt een afstand van 100 meter tot aan woningen binnen de bebouwde kom. Ook geldt volgens de geurverordening een norm voor de voorgrondbelasting van 6,0 OuE/m³ in dit gebied. De afstand tussen de dichtstbijzijnde veehouderij, de paardenhouderij aan de Zeumerseweg 18, en het plangebied bedraagt 200 meter. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak.

Omdat er geen dieren met geuremissiefactor worden gehouden is geen berekening van de voorgrondbelasting vereist. De veehouderij op de Zeumerseweg 41 ligt ook op voldoende afstand. Hier worden wel dieren gehouden met een geuremissiefactor. De geurbelasting is daarom op de zuidgrens van het plangebied berekend. Om eventueel te verwachten ontwikkelingen op een veehouderij mee te wegen is een zogenaamde worst-case berekening gemaakt. Hierbij is, conform jurisprudentie, uitgegaan van alle vergunde geur op de rand van het bouwvlak. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het programma V-stacks vergunning (V-2020). De uitkomst is weergegeven in onderstaande tabel. Resultaten V-stacks berekening worst-case scenario voorgrondbelasting

38

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

Aan de vereiste geurnorm wordt voldaan in de nieuwe situatie. Conclusie Omdat aan de vereiste afstand wordt voldaan en de geurbelasting ter plaatse niet te hoog is in een worst-case scenario vormt dit plan geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij. Beoordeling woon- en leefklimaat Kader Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Aangezien er geen veehouderijen met relevante geuremissie op korte afstand ligt zal de achtergrondbelasting ter plaatse bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. Toetsing In dit gebied is volgens een kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 0 en 6 OuE/m³. In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden.

Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op:

Beoordeling Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Goed tot zeer goed. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

"Schooneng" (vastgesteld)

39

Schooneng

In de Aanmeldnotitie m.e.r. woningbouw Schooneng d.d. 25 oktober 2023 van Craeft Advies B.V. (bijlage 24) is geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling van de woonwijk in overeenstemming is met de normen uit onder meer de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen: 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 158 woningenmogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Schooneng' kent thans in hoofdzaak een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering.

Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 158 woningen mogelijk. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte 40

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Regionale bouwafspraken zijn vastgelegd in de Woondeal Foodvalley (2022), waarin totaal ruim 24.000 woningen gepland stand, waarvan ruim 19.000 op Gelders grondgebied. Voor Barneveld is een programma van 5.380 woningen overeen gekomen. Het provinciale Aktieplan Wonen streeft om in Gelderland versnelt tot woningbouw over te gaan en in komende 5 jaar de bouw van 45.000 woningen in de hele provincie te realiseren. Tot 2030 wil de provincie zo'n 80.000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd zien. Daarnaast lopen er de regionale (verstedelijkings-)studies in regio Amersfoort (Ontwikkelbeeld) en regio Foodvalley/Arnhem/Nijmegen (ANF) met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van deze regio's.

Voor Foodvalley staat tot 2040 een gewenste uitbreiding van 40.000 woningen genoemd, voor regio Amersfoort circa 36.000 woningen. De behoefte is mede onderbouwd op basis van een onderzoek van STEC (Woningbehoefte regio Foodvalley, september 2020). In de gemeentelijke Hoofdlijnennotitie (als voorloper op de Omgevingsvisie) die in juli 2021 door de raad zal worden vastgesteld, wordt aan de hand van verschillende groeiscenario's nader ingegaan op de mogelijke koers van gemeente Barneveld, mede in relatie tot deze regionale ruimtelijke verkenningen. Het advies hierin is om te koersen op een woningbouwprogramma van 8.000 tot 10.000 woningen in de periode tot 2040. In verband met de landelijke ontwikkelingen op de woningmarkt, de gewenste versnelling woningbouw vanuit het Rijk, wil de gemeente de eerstkomende jaren inzetten op een groei met gemiddeld 600 woningen per jaar. Met als speciaal accent dat meer aandacht voor de bouw in de kleinere kernen is gevraagd, 'de kracht van de kernen', mede in verband met het willen versterken van de leefbaarheid in deze kernen. In de in maart 2021 vastgestelde Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud', was nog de koers van de bouw van gemiddeld 500 woningen per jaar vastgesteld. Daarbij is ook een streefprogramma opgenomen, dat voorziet in een gewenste differentiatie naar huur- en koopprijsklassen.

Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld. Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de gemeentelijke woonvisie geresulteerd in het volgende streefprogramma voor de periode 2021-2025. Streefprogramma woningbouw gemeente Barneveld 2021-2025

*) exclusief onzelfstandige woonruimten (zoals studentenkamers, woonruimten arbeidsmigranten, flex

"Schooneng" (vastgesteld)

41

Schooneng woonruimten voor spoedzoekers, intramurale verpleegplaatsen). Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het volgende programma. Het programma voorziet in 158 woningen. Ruim tweederde wordt in de betaalbare sfeer aangeboden en voldoet daarmee aan de doelstellingen van de Woondeal. Er worden 46 appartementen en 16 rug-aan-rug woningen gebouwd (2 lagen) en verder 96 grondgebonden woningen. De sociale huurappartementen zullen aan de lokale woningcorporatie worden verkocht. Met dit programma worden zowel jongeren als ouderen in Voorthuizen en omgeving worden bediend. Programma Schooneng (november 2023)

Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. Het aandeel sociale en bereikbare woningen is 66,5% en voldoet daarmee aan de norm van 2/3 betaalbaar van het Ministerie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan ligt binnen het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld. 5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? De locatie ligt aan de zuidrand van Voorthuizen en is daarmee niet als binnen bestaand stedelijk gebied te typeren. De locatie ligt op fietsafstand van het centrum en ook van het NS-station van Barneveld-Noord.

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Bureau Ontwerp & Omgeving heeft de toets d.d. 19 oktober 2023 uitgevoerd (bijlage 23). De conclusie is dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven (bijlage 22). Er zijn geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

42

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld.

Het voorliggende plan maakt geen gevoelige bestemming (als bedoeld in artikel 3 van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)) mogelijk. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Aanmeldnotitie m.e.r. woningbouw Schooneng d.d. 25 oktober 2023 (bijlage 24) van Craeft Advies B.V., met name § 4.2. Geur en luchtkwaliteit, dient ter onderbouwing. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan. Fijnstof Wat betreft fijnstof gelden de volgende grenswaarden: 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijnstof uitstoot van de omliggende veehouderijen. Resultaten & beoordeling In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijnstof emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan.

De veehouderij aan de Zeumerseweg 41 heeft een relevante fijnstof emissie (>500 kg per jaar). Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel. Resultaten fijnstof berekening

Conclusie Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar.

"Schooneng" (vastgesteld)

43

Schooneng

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.

Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. 44

"Schooneng" (vastgesteld)

Schooneng Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 158 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee onder de drempelwaarden. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op 4 december 2023 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als bijlage 25 opgenomen. De aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als bijlage 24. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.

Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Conclusie Er zijn in de nabije omgeving geen bedrijven gelegen die een belemmering zouden kunnen vormen.

"Schooneng" (vastgesteld)

45

Schooneng

5.11.1 Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Op grond van dat artikel is het verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%, óók als het perceel niet is gelegen aan een watergang. Vanaf de inwerkingtreding kan en dient bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is immers relevant voor de in beginsel aan te houden afstand tot gevoelige objecten. Over het algemeen wordt aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 m die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit.

Conclusie Ten zuiden van het plangebied liggen gronden met een agrarische bestemming, die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluit. Bij de beoordeling moet worden uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden. Omdat er geen wettelijke bepaling bestaat over minimaal aan te houden afstanden tussen het telen van gewassen en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, wordt als vuistregel een afstand van 50 meter gehanteerd. In dit geval ligt een gedeelte van het plangebied binnen 50 meter afstand van de omliggende agrarische gronden. Deze gronden hebben echter grotendeels al te maken met beperkingen door bestaande woonbestemmingen aan zowel de Oosterkamp als de Schoonengweg. Het is niet reëel te veronderstellen dat de grondeigenaar op het betreffende perceel slechts gedeeltelijk gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Hierdoor is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. In artikel 3.5.2 onder sub d van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (geconsolideerd) is overigens bepaald dat het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van houtachtige gewassen, waaronder begrepen struiken en heesters, ter plaatse van de aanduiding 'overig kernrandzone' wordt aangemerkt als gebruik strijdig met de bestemming.

5.12

Natuur en landschap

Landschappelijke context Het plangebied "Schooneng" vormt met de wijken Holzenbosch en Wikselaarse Eng onderdeel van Voorthuizen-Zuid. De wijk komt te liggen in een agrarisch landschap waar openheid wordt afgewisseld met houtsingels en boomstructuren. Meest kenmerkend voor dit gebied was van oorsprong de onderverdeling in 'groene kamers' en de historische Schoonengweg met zijn beplanting aan weerszijden. Vanaf de hogere, droge delen heeft men in het verleden dit gebied in gebruik genomen, de groenstructuren vormden de perceelscheidingen. Door de tijd heen zijn diverse houtsingels verdwenen of onderbroken. Groenstructuren in de wijk Vanuit de landschappelijke onderlegger geredeneerd is het belangrijk om de Schoonengweg met zijn kenmerkende houtstructuren aan weerszijden te behouden, evenals de houtstructuren die aan de oost- en westzijde langs het plangebied liggen. Zij zorgen straks voor de herkenbaarheid van de wijk en voor een goede verweving van de nieuwe wijk met het buitengebied. Ook solitaire bomen in het plangebied en de erfbeplanting van het oude agrarische erf worden zoveel mogelijk behouden. De erfbeplanting vormt de basis van het centrale parkje in de wijk, waar ook wordt voorzien in speelruimte. Het bestaande groen wordt zorgvuldig aangevuld met nieuw(e) groen(structuren).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=f9069b4c-ee03-41c2-8b27-37bfcd9b115c