CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

[OUD] TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg_Motivering

Gemeenteraad 28 mei 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: TAM-omgevingsplan voor de realisatie van azc Nijkerkerweg 13224.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.3

Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

5.3.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied deels een middelhoge archeologische verwachting geldt en deels een lage verwachting.

Afbeelding: Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingenkaart. In blauw plangebied

De gemeenteraad besloot op 25 april 2018 dat voor een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. (Voor een zone waar een lage archeologische verwachting geldt dat onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm). Planlocatie woningen azc Archol heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het bevoegd gezag (de gemeente Barneveld) stemt, gelet op het door de regioarcheoloog uitgebrachte advies, in met deze conclusie. De voormalige dubbelbestemming wordt van dit gedeelte verwijderd. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. Ontsluitingswegen In het kader van de ontwikkeling van de wijk Bloemendal heeft Bureau Archol uit Leiden in opdracht van gemeente Barneveld een verkennend en karterend veldonderzoek uitgevoerd welke betrekking heeft op de ontsluitingswegen die voor het azc gebruikt worden. ( Bijlage 4).

Ondanks het feit dat de onderzoeken breder zijn dan het gebied van de ontsluitingswegen voor het azc nodig zijn, worden deze voor de volledigheid geheel opgenomen.

26

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

In april 2016 is het archeologisch proces gestart met een bureauonderzoek voor Barneveld-Noord c.q. Bloemendal. Op basis van dit onderzoek zijn zes deelgebieden aangewezen, waar een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gold.

Afbeelding Zes deelgebieden na bureauonderzoek geselecteerd voor vervolgonderzoek

Deelgebied 2 is van belang voor het plangebied. In de tweede helft van 2016 is vervolgens een booronderzoek uitgevoerd, waarbij door het gehele gebied boringen in raaien zijn gezet. Een deel van het gebied werd geselecteerd voor vervolgonderzoek. In 2017 werd daartoe een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Op onderstaande afbeelding geeft de rode cirkel met een '1' ernaast het met proefsleuven onderzochte gebied aan. De rode cirkel met een 'S' erop, geeft een historisch bekende schaapskooi aan. Deze contour was nog niet voldoende archeologisch onderzocht. Daardoor gold dat bij iedere bodemingreep dieper dan 30 cm onder maaiveld, archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving was vereist. In november 2022 heeft het bureau ADC ArcheoProjecten een rapport uitgebracht dat gaat over de schaapskooi ter hoogte van Nijkerkerweg 128 in Barneveld ( Bijlage 5). Het onderzoek heeft uitgewezen dat van de schaapskooi één mogelijke korte wand bewaard is gebleven in de vorm van een rij kort op elkaar gelegen paalkuilen van circa 4,7 meter lang met een noord-zuid oriëntatie. Het is onnodig om een functie Archeologie (voormalig dubbelbestemming 'Archeologie') op te nemen op de kaart van ter bescherming van de resten.

Afbeelding Contouren proefsleuvenonderzoek

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

5.3.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). 5.3.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als 'vochtige kampontginning met een middelmatige waardering. Zeer hoog gewaardeerde landschappen (waarde 5) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan; hoog gewaardeerde landschappen (waarde 4) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan, mits ze aan zeer hoog gewaardeerde landschappen grenzen. Het is de bedoeling dat de waarden worden gehandhaafd danwel versterkt. De wijziging van het omgevingsplan is niet strijdig met deze waardering. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.3.4

Monumenten

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader. In afdeling 8.8 van het Bkl zijn regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Op het perceel of in de omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan.

5.4

Duurzaamheid en gezondheid

Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestress (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (omgevingsplan gemeente Barneveld) zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de visie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.4.

Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze 28

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.

Conclusie Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de bedrijven: Geitenhouderij aan de Peutweg 1-3 in Barneveld (afstand minimaal 500 meter) Geitenhouderij aan de Kallenbroekerweg 133 in Barneveld (afstand minimaal 1.800 meter). De woningen liggen in het gebied waarvoor een licht verhoogd risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied. Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd. In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw of een andere hindergevoelige functie zoals een azc overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie of de mogelijkheid voor de vestiging van een asielzoekerscentrum sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van een aazc met circa 300 verblijfsplaatsen (of het gebruik als reguliere woningen) mogelijk te maken nu de geitenhouderij(en) zich bevinden op een grotere afstand dan 500 meter. De mogelijke gezondheidsrisico's voor de nieuwe bewoners, vanwege de genoemde bedrijven, acht het bestuur van gemeente Barneveld gering.

De voorzorgsrichtlijn is niet doorslaggevend in de belangenafweging. Het causale verband tussen geitenhouderijen in de omgeving en de hogere incidentie van longontstekingen (nog) niet is aangetoond.

5.5

Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet).

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijn. Door de staatssecretaris van Economische Zaken is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten. Externe effecten op Natura 2000-gebied zoals licht, trillingen en geluid worden niet verwacht. Negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstof zijn niet op voorhand uitgesloten. Stikstof Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld.

Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situaties (Zie hiervoor Bijlage 9, Bijlage 10 en Bijlage 11). Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totaal) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van de uitgevoerde berekeningen, zie ook Bijlage 6 is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de aanvraag. 5.5.1.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone.

Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening). Op onderstaande kaart blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt. De kaart is een uitsnede uit de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. In §4.3.1.2 wordt nader op de Omgevingsverordening ingegaan. Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO waardoor negatieve effecten op GNN/GO op voorhand zijn uit te sluiten.

30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Afbeelding: Ligging plangebied ten opzichte van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone

Conclusie GNN en GO vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.2

Soortenbescherming

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren van) bovengenoemde soorten opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan/ natuurtoets uitgevoerd (Bijlage 7). In deze natuurtoets worden mogelijke ecologische risico's in beeld gebracht.

Gesteld wordt dat het plangebied een potentieel leefgebied vormt van beschermde soorten. Het gaat om soorten binnen de soortgroepen broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën, zie H 5.2. Van het plangebied is vastgesteld dat de houtsingel functioneert als essentiële vliegroute voor de gewone dwergvleermuis. Voor een aantal soort(groep)en dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden om conflict met één of "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg meerdere verbodsbepalingen van de Omgevingswet te voorkomen, zie H 5.5.1. Voor een actueel beeld van de voorkomende beschermde soorten is echter alsnog aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd. Zie Bijlage 8. Conclusie Voor de ontwikkeling van het azc is een quickscan natuurwetgeving, conform Ow, uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat beschermde soorten (mogelijk) voorkomen. De quickscan gaf echter onvoldoende inzicht in het wel of niet voorkomen van beschermde soorten. Voor een actueel beeld van de voorkomende beschermde soorten en verblijfsfuncties is aanvullend soortgericht onderzoek naar vleermuizen en roofvogels/ransuil uitgevoerd. Dit betreft het activiteitenplan Bijlage 8 en gaat in op de resultaten van het soortgericht onderzoek, de maatregelen die getroffen moeten worden om conflict met de Ow te voorkomen en levert de onderbouwing voor een vergunningaanvraag voor een flora- en fauna-activiteit. Door het uitvoeren van maatregelen kunnen negatieve effecten op beschermde soorten worden voorkomen. Geconcludeerd wordt dat ecologie voor wat betreft het aspect soortenbescherming geen belemmering geeft voor de uitvoering van dit plan. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht.

Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.5.3

Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Aan de zuid-, oost- en westzijde bevinden zicht boomsingels. Deze bevinden zich buiten het plangebied en blijven bestaan. Er worden geen bomen gekapt. Een herplantplicht is niet aan de orde. Uitgangspunt bij de realisatie van het azc, de appartementen en op termijn de andere woningen is de houtsingels te handhaven behoudens één doorsteekje aan de zuidzijde om het terrein toegankelijk te maken voor langzaam verkeer vanaf het zondagspad.

Dit is echter op dit moment nog niet aan de orde en maakt geen onderdeel uit van de plannen. De houtsingels krijgen een groene functie. Geconcludeerd kan worden dat dit aspect uitvoering van dit plan niet in de weg staat. 5.5.4

Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: 32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.

Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. 5.5.5

Conclusie

Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6

Geluid

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan worden 41 eenheden mogelijk gemaakt. Deze worden gedurende maximaal 10 jaar gebruikt ten behoeve van de huisvesting van 300 asielzoekers. Na dit gebruik kunnen de eenheden gebruikt worden als reguliere woningen. Dit zijn geen geluidgevoelige ruimten in de zin van het Bkl. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Het plangebied ligt nu nog buiten de bebouwde kom aan verharde gemeentewegen. Door de ontwikkeling zelf in combinatie met de aangrenzende woonwijk zal het plangebied onderdeel gaan uitmaken van de bebouwde kom.

In het akoestische onderzoek (zie Bijlage 12) is met de volgende etmaalintensiteiten gerekend voor de situatie in 2033/2034, inclusief de verkeersbijdrage vanwege het plan en de realisatie van alle fases van Bloemendal, op de nieuwe weg van 4.984 motorvoertuigen en op de Nijkerkerweg (ter hoogte van Nijkerkerweg 145) van 7.910 motorvoertuigen. De regels uit het Bkl zijn van toepassing op verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. Daarmee zijn zowel de nieuwe weg als de Nijkerkerweg met een intensiteit van 4.984 danwel 7.910 motorvoertuigen relevant in het kader van het Bkl. Uit het aangepaste akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de meest zuidwestelijk gelegen bovenwoning 1 Lden hoger is dan de standaardwaarde uit het Bkl. Bij alle andere woningen dus niet. Bij deze ene bovenwoning kan de standaardwaarde ook behaald worden door één van de volgende maatregelen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Toepassen van een geluidreducerend wegdektype; vrlagen van de rijsnelheid c.q. andere route; geluidscherm plaatsen direct langs de weg of op de plangrens; de afstand tussen de weg en de nieuwe woning (rekenpunt 01) vergroten; een geluidscherm aan de geluidbelaste gevels; de geluidbelaste gevels voorzien van (inpandige) balkons; de geluidbelaste gevels uitvoeren als “niet-geluidgevoelige gevel(s) met bouwkundige maatregelen”

De gemeente zal voor de hiervoor genoemde maatregelen moeten afwegen of er bezwaren zijn vanuit verkeerskundig, stedebouwkundig of financieel oogpunt. De maatregelen zijn afgewogen. 1. Het wegdek uitvoeren met SMA 0/8 of akoestisch gelijkwaardig is uit financieel oogpunt niet reëel. 2. het verlagen van de snelheid op een wijkontsluitingsweg naar 30 km/uur is vanwege de doorstroming geen verkeerskundig wenselijk alternatief; 3. het plaasten van een geluidsscherm is stededenbouwkundig en financieel niet wenselijk; 4. het verder van de weg realiseren van de nieuwe woning is stedenbouwkundig niet wenselijk; 5. vanuit architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt is een geluidsscherm aan de geven onwenselijk; 6. het is vanuit architectonisch en stedenbouwkundigoogpunt niet gewenst om voor deze woningen dergelijke maatregelen te treffen; 7. het is voor de nieuwe woning niet gewenst om gevels uit te voeren als “niet-geluidgevoelige gevel(s) met bouwkundige maatregelen”. 34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Als er geen reële maatregelen getroffen kunnen worden om het geluid ter plaatse van de bovenwoning te reduceren tot de standaardwaarde, wat hier aan de orde is, moet de gemeente Barneveld: De aanvaardbaarheid van het geluid afwegen, mede gebaseerd op het gecumuleerde geluid, dat maximaal 53 dB bedraagt. Omdat alle nieuwe woningen beschikken over een geluidluwe gevel en (kunnen) beschikken over een geluidluwe buitenruimte wordt gesteld dat het geluid aanvaardbaar is; voor de bovenwoning (rekenpunt 01), waar het geluid hoger is dan de standaardwaarde, in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid van maximaal 54 Lden vastleggen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7

Geur

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.

De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de geurnormenkaart die hoort bij de gemeentelijke geurveordening op grond van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied voor het azc is gelegen in de groen gemarkeerde zone (rood omcirkeld). In deze zone geldt een geurnorm van 14,0 ouE/m³. Omdat de locatie met de bouw van het azc binnen de bebouwde kom komt te vallen, is getoetst aan de voorgrondnorm van 3,0 ouE/m3.

In de omgeving van het plangebied liggen vier veehouderijen, zie de afbeelding hierna.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Afbeelding: Agrarische bedrijven rond het plangebied

De bedrijven zijn gelegen aan de volgende adressen: Nijkerkerweg 132 (op circa 150 meter) Dit is een bedrijf met een oudere milieuvergunning. Er loopt een principeverzoek bij de gemeente Barneveld voor een functieverandering van agrarisch naar wonen. Omdat de milieutoestemming nog aanwezig is, moet rekening worden gehouden met de geurcontour vanuit deze veehouderij. Bloemendaallaan 85-87-89 (op circa 54 meter) Deze locatie is in eigendom verworven door gemeente Barneveld en daardoor geen relevante factor meer. Peutweg 1-3 (op circa 500 meter) Op dit adres is een geiten- en pluimveehouderij gevestigd. Er worden dieren gehouden met een geuremissiefactor. Er moet rekening worden gehouden met een geurcontouren vanuit deze veehouderij. Nijkerkerweg 139 (op circa 250 meter) Dit is een bedrijf met een oudere milieuvergunning. De geuremissie vanuit deze veehouderij is beperkt.

Beoordeling belemmeringen omliggende veehouderijen Er is beoordeeld of de realisatie van een azc, een geurgevoelig object, een belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Bloemendaallaan 85-87-89 Deze veehouderij moet inactief zijn zodra het azc is gerealiseerd. Er is geen nadere beoordeling nodig. Nijkerkerweg 139 Deze veehouderij wordt al belemmerd door de al aanwezige geurgevoelige objecten in de directe omgeving. Er is geen nadere beoordeling nodig. Peutweg 1-3 en Nijkerkerweg 132

36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Deze veehouderijen liggen op voldoende afstand, meer dan 100 meter, van het plangebied. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Er is daarnaast per veehouderij een geurberekening gemaakt om de voorgrondbelasting van geur op de grenzen van het plangebied in beeld te brengen. Om eventueel te verwachten ontwikkelingen op een veehouderij mee te wegen is een zogenaamde worst-case berekening gemaakt. Hierbij is, conform jurisprudentie, uitgegaan van alle vergunde geur op de rand van het bouwvlak. Bij de Peutweg 1-3 is uitgegaan van een aangepast bouwvlak, waarbij deze eindigt ter hoogte van de daadwerkelijk gerealiseerde stallen. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het programma V-stacks vergunning (V-2020). De belasting is het hoogst zijn op het noordwestelijke deel van het plangebied.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Vergunde geurberekening worst case met rekenpunten

De voorgrondbelasting in een worst-case scenario vanuit de Peutweg 1-3 op de noordwestelijke hoek (rekenpunt 9) bedraagt maximaal 4,2 ouE/m3. De voorgrondbelasting in een worst-case scenario vanuit de Nijkerkerweg 132 bedraagt maximaal 2,0 ouE/m3. Omdat de voorgrondbelasting vanuit zowel de Peutweg 1-3 in een worst-case / uitbreidingsscenario boven de 3,0 ouE/m3 uitkomt is gekeken of de 3,0 ouE/m3 op deze locatie de juiste is. Het is wenselijk en noodzakelijk om de voorgrondnorm aan te passen. Dit op een zodanige wijze dat dit plan geen belemmering geeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen enerzijds, en er een aanvaardbare geur ter plaatse van de geurgevoelige objecten aanwezig is anderzijds. Hierbij wordt aangesloten bij uitbreidingswijken zoals bijvoorbeeld Bloemendal dat tegen deze locatie aan ligt. Bij het toelaten van het azc in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet worden voldaan aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties en aan de instructrieregels van het Bkl. Voor geur vanuit veehouderijen geeft het Bkl in artikel 5.109 enkele instructieregels. Hierin is aangegeven dat de standaardwaarde voor een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur binnen een concentratiegebied 3,0 ouE/m3 betreft.

Het omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde, mits deze niet hoger is dan de grenswaarde bedoeld in tabel 5.109.2. De grenswaarde voor een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur binnen een concentratiegebied bedraagt 14,0 ouE/m3. De Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Barneveld, in werking getreden op 24 december 2021, maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Hierin is een waarde van 14,0 ouE/m3 opgenomen voor dit gebied.

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Locatie plangebied (rode cirkel) met de geldende voorgrondnormen

Bij het vaststellen van de verordening was destijds sprake van een buitengebied met enkele woningen, niet van een locatie waarbij veel mensen gedurende langere tijd verblijven. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de geur ter plaatse van de geurgevoelige objecten aanvaardbaar zijn. Een geurnorm van 14,0 ouE/m3 is relatief hoog voor gebied met een aaneengesloten bebouwing met overwegen een woon- en verblijffunctie. Het plangebied grenst ten zuiden aan een gebied met projecteerde woningbouw. Hiervoor is in de geurverordening een norm voor de voorgrondbelasting van geur van 6,0 ouE/m3 opgelegd. Bij een dergelijke voorgrondbelasting is sprake van een 10 - 15 % geurgehinderden. Het leefklimaat ter plaatse wordt beoordeeld als 'redelijk goed'. (Bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002). Om eenzelfde niveau van bescherming tegen geur toe te kennen aan de geurgevoelige objecten binnen dit plangebied wordt daarom een norm van 6,0 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting van geur vanuit veehouderijen vastgesteld voor dit plangebied. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor leggen we een bebouwingscontour vast in het plan met daaraan gekoppeld een norm van 6,0 ouE/m3. Op deze manier wordt de maximale geur die wij toelaatbaar vinden vastgelegd.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Grens bebouwingcontour (gearceerd) zoals vastgelegd in de regels

Woon- en leefklimaat In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is beoordeeld of sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De geurbelasting vanuit de Bloemendaallaan 85 is niet beoordeeld, omdat deze niet meer actief is wanneer het azc in werking is. De geurbelasting vanuit de Nijkerkerweg 139 is beperkt. De voorgrondbelasting vanuit de veehouderijen op de Peutweg 1-3 en de Nijkerkerweg 132 is in een worst-case scenario maximaal 4,2,0 ouE/m3. De daadwerkelijke geurbelasting, uitgaande van de vergunde en opgerichte stallen op de feitelijke locatie, zal lager zijn. De achtergrondbelasting in dit gebied bedraagt maximaal 10,0 ouE/m3. De achtergrondbelasting is daarmee bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Beoordeling In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden.

Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op:

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Tabel relatie geurbelasting – geurhinder - leefklimaat

Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als redelijk goed tot goed. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde azc.

5.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder, zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking': 1. Behoeftenonderzoek 2.

Waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied? Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen: 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 41 wooneenheden mogelijk die gedurende de eerste 10 jaar als opvang voor asielzoekers (circa 300) worden gebruikt. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Nijkerkerweg (azc)' heeft op dit moment en in hoofdzaak een agrarische functie. Gronden met deze functie zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 41 wooneenheden mogelijk. Op basis van het omgevingsplan van rechtswege (voorheen het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012') is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats.

De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Voorliggend plan betreft de realisatie van 41 wooneenheden die gedurende de eerste 10 jaar worden gebruikt ten behoeve van de huisvestiging van circa 300 asielzoekers. Daarna worden de woningen ingezet voor de huisvesting van individuele huishoudens. Voor wat betreft de woningbouw zijn de regionale bouwafspraken vastgelegd in de regionale notitie 'advies toedeling woningbehoefte regio FoodValley' (okt. 2017, tabel 2).

Deze is als zodanig overgenomen in het uitvoeringsplan Regionale Woonagenda 2.0, regio FoodValley (jan 2018). Het provinciale Aktieplan Wonen streeft om in Gelderland versnelt tot woningbouw over te gaan en in komende 5 jaar de bouw van 45.000 woningen in de hele provincie te realiseren. Tot 2030 wil de provincie zo'n 80.000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd zien. Daarnaast lopen er de regionale (verstedelijkings-)studies in regio Amersfoort (Ontwikkelbeeld) en regio Foodvalley/Arnhem/Nijmegen (ANF) met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van deze regio's. Voor Foodvalley staat tot 2040 een gewenste uitbreiding van 40.000 woningen genoemd, voor regio Amersfoort circa 36.000 woningen. De behoefte is mede onderbouwd op basis van een onderzoek van STEC (Woningbehoefte regio Foodvalley, september 2020). In de gemeentelijke Hoofdlijnennotitie die in juli 2021 door de raad zal worden vastgesteld, wordt aan de hand van verschillende groeiscenario's nader ingegaan op de mogelijke koers van gemeente Barneveld, mede in relatie tot deze regionale ruimtelijke verkenningen. Het advies hierin is om te koersen op een woningbouwprogramma van 8.000 tot 10.000 woningen in de periode tot 2040. Dit komt eveneens uit op een groei met gemiddeld 500 woningen per jaar.

Met als speciaal accent dat meer aandacht voor de bouw in de kleinere kernen is gevraagd, 'de kracht van de kernen', mede in verband met het willen versterken van de leefbaarheid in deze kernen. In de in maart 2021 vastgestelde Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud', is de koers van de bouw van gemiddeld 500 woningen per jaar vastgesteld. Daarbij is ook een streefprogramma opgenomen dat voorziet in een gewenste differentiatie naar huur- en koopprijsklassen. Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de 42

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld. Op het gebied van de opvang van asielzoekers is op 1 februari 2024 de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (oftewel de Spreidingswet) in werking getreden. Doel van deze wet is om te komen tot voldoende opvangplekken en een evenwichtiger verdeling van asielopvang over provincies en gemeenten. Op basis van de indicatieve verdeling 2024 moet de gemeente 382 opvangplaatsen realiseren. Het voorliggende plan voorziet in een groot deel van de te realiseren opvangplaatsen. Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de gemeentelijke woonvisie geresulteerd in het volgende streefprogramma voor de periode 2021-2025.

Streefprogramma woningbouw gemeente Barneveld 2021-2025 *) exclusief onzelfstandige woonruimten (zoals studentenkamers, woonruimten arbeidsmigranten, flex woonruimten voor spoedzoekers, intramurale verpleegplaatsen).

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een gemengd programma bestaande uit 5 benedenwoningen (geschikt voor mindervaliden), 5 bovenwoningen, 5 hoekwoningen en 26 tussenwoningen. Op basis van het voorliggende plan is er sprake van woningen die vallen in de categorieën 'sociale koop', 'middelduur' en 'duur'. Aangezien de woningen gedurende de eerste 10 jaar worden benut voor de opvang van asielzoekers, is op dit moment geen meer gedetailleerde verdeling aan te geven. Temeer omdat nu nog niet duidelijk is welke prijsgrenzen danwel categorieën te zijner tijd gelden. Het programma kan, gezien de vraag naar zowel opvangplekken voor asielzoekers als vanuit de reguliere woningmarkt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande plan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gaat echter in belangrijke mate om agrarische bedrijfsvoering. Gelet daarop is het onderhavige plangebied voornamelijk gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld. 5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van genoemd aantal woningen danwel opvangplaatsen door middel van inbreiding binnen de kern Barneveld of één van de andere kernen van de gemeente ligt niet voor de hand. De kern Barneveld is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg gerealiseerd. Derhalve kent Barneveld weinig herstructurering en weinig (beschikbare) functieveranderingslocaties binnen de kern. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed. Dezelfde conclusie kan getrokken worden voor de kern Voorthuizen. Binnen de overige kernen van de gemeente is op enkele plekken wel ruimte voor inbreiding. Deze locaties zijn echter allemaal al in beeld voor reguliere woningbouw. Daarnaast zijn deze locaties niet voldoende groot om ongeveer 300 opvangplekken te realiseren. Tot slot ligt de voorliggende locatie op fietsafstand van het centrum en van het NS-station. Daarnaast was het plangebied voor Bloemendaal als zoekzone voor wonen al opgenomen in de vastgestelde Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 (in 2011 vastgesteld). Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.9

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect vormt geen belemmering voor dit plan.

5.10

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Het plan is gelegen in een aandachtsgebied PM10. De omgevingswaarden moeten in acht worden genomen. Aan de omgevingswaarden hoeft niet getoetst te worden nu de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Zie voor het aspect geur ook 5.7 Het plan voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.

Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van het plan, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met 'het evenwichtig toedelen van functies aan locaties'. Van het evenwichtig toedelen van de betreffende functie aan de betreffende locatie is sprake, omdat de bijdrage van het plan acceptabel is en de omgevingskwaliteit voldoende. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

44

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

5.11

Milieueffectrapportage

Een milieueffectenrapportage (hiernA: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit is de regelgeving rondom de m.e.r. opgenomen. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in de planmer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. Een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36, lid 1); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c OW (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening.

Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (artikel 16.35, lid 5 Ow). Inhoudelijk mag de plan-mer-beoordeling echter gelijk zijn aan de project-mer-beoordeling (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). Toetsing In dit geval is sprake van een wijziging van het omgevingsplan voor het realiseren van een azc welke na 10 jaar in gebruik kan worden genomen als reguliere woningen waarbij er bij de 'aanleg, wijziging of uitbreiding' sprake is van een mer-beoordelingsplicht. De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject. Inhoudelijk gaat de vormvrije mer-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief.

Deze effecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, opgesplitst in drie hoofdthema's: De kenmerken van het project; de plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); de kenmerken van de potentiële nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan hebben. Gelet op de kenmerken van het project zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Naar aanleiding van deze conclusie is op 29 augustus 2024 bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als Bijlage 13 opgenomen. Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Wanneer er, ondanks mitigatie, nog sprake is van een significant gevolg, dan kan het plan enkel worden vastgesteld wanneer de zogenaamde ADC-toets met succes doorlopen is (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen Passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=2976476c-2e24-4111-8564-614b5bb656b1