CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 6 oktober 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat in Garderen20.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De depositie bij gebruik van de woningen bij het nieuwe plan is aanzienlijk minder dan bij gebruik van de 165 eenheden verblijfsrecreatie bij de vergunde situatie. Op grond van de in dit rapport gepresenteerde objectieve gegevens komen als gevolg van het gewijzigde plan voor Goedkamp geen effecten voor die niet al voor de vergunde situatie zijn beoordeeld. Het nieuwe plan betekent een extensivering van het toekomstig gebruik ten opzicht van de vergunde situatie. Het nieuwe plan wordt als gevolg daarvan als gunstiger beoordeeld voor natuur en negatieve effecten als gevolg van het project Veluwe op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe zijn uitgesloten. Omdat de effecten voor het nieuwe plan gunstiger zijn dan bij de vergunde situatie, en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten is het niet nodig naar cumulatieve effecten onderzoek te doen. Om dezelfde reden wordt een passende beoordeling niet nodig geacht. Voor het plandeel Apeldoornsestraat heeft hetzelfde bureau een quick scan uitgevoerd (gedateerd 9 juli 2019) welke als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. Geconcludeerd wordt dat het plangebied het leefgebied vormt van enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen.

Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Stikstof Op het gebied van stikstofdepositie leidt de gehele planontwikkeling niet tot een verslechtering. Uitgangspunt daarbij is dat er sprake is van één project met twee onderdelen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en als één geheel door middel van één bestemmingsplan planologisch worden bestemd. De realisering van de woningen op Goedkamp en de toevoeging van hotelkamers op de nabij (op een afstand van circa 600 meter) gelegen Hoeve Oud Milligen vinden namelijk beide hun directe oorzaak in (en zouden niet kunnen bestaan zonder) de omvorming van het grootschalige recreatieterrein op de locatie Goedkamp naar de functie natuur. Vanuit het 'overschot' van deze omvorming worden zowel de realisatie van de woningen als de realisatie van de hotelkamers mogelijk gemaakt en intern gesaldeerd. Het terrein Goedkamp beslaat 9 hectare grond, geschikt en planologisch bestemd voor de bouw van 164 recreatiewoningen/-chalets en een dienstwoning.

Van deze bouwclaim wordt slechts 2,8 hectare gebruikt voor de realisatie van de negen woningen met de omliggende tuinen en de toegangsweg. Hoewel het mogelijk zou zijn om de compensatie van de rest van de bouwclaim (vertaald in hotelkamers) op de resterende 6 hectare van de locatie Goedkamp te realiseren, is ervoor gekozen om deze 6 hectare te gebruiken voor het teruggeven aan de natuur c.q. de aanleg van nieuwe natuur. Zo worden de nieuwe functies optimaal gealloceerd aan de locaties die daar het meest geschikt voor zijn, waar zij het beste duurzaam tot hun recht komen en waarvan de effecten het meest passend zijn, gegeven zowel het historische, het huidige als het gewenste gebruik, namelijk: de nieuwe natuurfunctie daar waar elders op die locatie en aangrenzend aan de locatie feitelijk en planologische al sprake is van natuur (te weten 26

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat Goedkamp) en de nieuwe hotelfunctie daar waar elders op die locatie feitelijk en planologisch al sprake is van horeca- en logies (te weten de Hoeve Oud Milligen). De gronden waarop beide ontwikkelingen plaatsvinden zijn bovendien in handen van één eigenaar en beide ontwikkelingen worden ook in samenhang uitgevoerd als onderdeel van het grotere landgoed Oud Milligen. Ook na de (her-)ontwikkeling van Goedkamp en de uitbreiding bij de Hoeve Oud Milligen zal de eigenaar de overige gronden van het omliggende c.q. omsluitende landgoed Oud Milligen in eigendom houden. Op basis van de Aeriusberekening (zie Bijlage 9), waarbij alleen gekeken is naar vervoersbewegingen en niet naar eventuele uitstoot van cv-ketels in de huidige (mogelijke) situatie, blijkt een afname van de depositie op het meest nabijgelegen gebied van 0,01 mol/ha/jaar. Voor de locatie aan de Oud Milligenseweg is uitgegaan van de mogelijkheden op basis van de in 2010 verleende Natuurbeschermingswetvergunning (kenmerk 2009-000392) voor het plaatsen van 93 recreatiebungalows en 71 stacaravans aangezien voor het realiseren van deze eenheden geen toestemming (vergunning) meer nodig is gelet op artikel 3, lid 2 bij van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Voor de locatie aan de Apeldoornsestraat 78-80 geldt de via de PAS-melding opgegeven bedrijfsvoering.

Hiervoor loopt een legalisatietraject. Gelet op het voorgaande heeft het plan heeft geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen, zodat er geen passende beoordeling nodig is en een plan-m.e.r.-plicht dus ook niet aan de orde is. Er is derhalve geen plan-m.e.r.-plicht aan de orde. 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets (plandeel Oud Milligenseweg) en een quick scan (plandeel Apeldoornsestraat) uitgevoerd. Deze zijn als Bijlage 7 respectievelijk Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Voor het plandeel Oud Milligenseweg is de conclusie dat het plandeel betekenis kan hebben voor grondgebonden zoogdieren, algemene broedvogels en voor vleermuizen. Bij uitvoering van de plannen kan rekening worden gehouden met deze soorten waarbij de functie van het gebied voor deze soorten kan worden versterkt. Dit kan door in de nieuw aan te leggen woningen voorzieningen op te nemen voor huismus en vleermuizen. De aanleg van groenelementen zoals in het plan voorzien zullen een positief effect hebben op de betekenis van het gebied voor kleine marterachtigen, huismus en vleermuizen.

Toegangsweg plandeel Oud Milligenseweg In de beoogde situatie op het plandeel Oud Milligenseweg is er sprake van een nieuwe toegang. Hiervoor moeten maximaal twee bomen gekapt worden welke onderdeel uitmaken van een doorlopende groenstructuur met mogelijk betekenis als vliegroute voor vleermuizen. In de notitie 'Goedkamp: toegangsweg en Gelders natuurnetwerk van Bureau Waardenburg van 6 februari 2021' (zie Bijlage 10) is ingegaan op de mogelijke gevolgen. De nieuwe doorbreking is niet breder dan die van de huidige toegang en daar is geen sprake van een onderbreking van de groenstructuur. Daarnaast loopt ook aan de andere zijde van de weg een bomenrij en komt er meer beplanting bij de toekomstige inrichting. Een aantasting van een vliegroute voor vleermuizen is dan ook niet aan de orde. Wel zullen de te kappen bomen vooraf gecontroleerd moeten worden op mogelijke holtes die van betekenis kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen en nesten van vogels waarvan de nestlocatie jaarrond beschermd is. Daar de omgeving bestaat uit een groot bosgebied met veel oude bomen zijn effecten van de kap van twee bomen op boombewonende vleermuizen en broedvogels als buizerd uit te sluiten. Temeer omdat de kans op holtes en nesten niet groot wordt geacht omdat het merendeel van de bomen daarvoor te dun lijken.

Mocht onverhoopt uit de controle blijken dat de bomen toch een verblijfplaats of nestlocatie bevatten, zal een ontheffing nodig zijn. Verwacht wordt dat de kap deze functie niet aantast aangezien de doorbreking daarvoor te smal is. Conclusie uit de notitie is dan ook dat realisatie van de nieuwe toegang op de aangegeven locatie "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

27

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat vergelijkbaar is met de vergunde situatie of gunstiger, daar de toegang in de vergunde situatie dicht tegen de bosrand is geprojecteerd en er waarschijnlijk meer bomen gekapt moeten worden dan voor het nieuwe plan. Het nieuwe plan betekent dan ook geen negatieve verandering voor het GNN ten opzichte van de vergunde situatie. Daarnaast wordt het karakter van het GNN niet aangetast. Het uiteindelijke effect op GNN is positief gelet op het afsluiten (en verwijderen) van de bestaande en vergunden (twee) toegangen. Hierop is dan ook de verwachting gebaseerd dat de aangevraagde herbegrenzing van het GNN gehonoreerd zal worden. Conclusie plandeel Oud Milligenseweg Op voorhand worden vanuit de Wet natuurbescherming Hoofdstuk soortenbescherming geen beperkingen gezien voor realisatie van de negen woningen in het plan deel Oud Milligenseweg. Wel is voor de sloop van de beheerderswoning een ontheffing Wet natuurbescherming nodig indien uit nader onderzoek blijkt dat deze gebruikt wordt door huismussen en/of vleermuizen. Conclusie plandeel Apeldoornsestraat Het plandeel Apeldoornsestraat vormt, zo blijkt uit de quick scan, het leefgebied van enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen.

Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit § 4.3.2 'Omgevingsverordening' blijkt dat het plangebied in het GO ligt. Voor de toetsing wordt hiernaar verwezen. 28

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Plandeel Apeldoornsestraat 78-80 De planlocatie ligt aan een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Door de voorliggende ontwikkeling zal het groepsrisico toenemen. Ten behoeve van een eerdere ontwikkeling is daarom een kwalitatieve "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

29

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat risicoanalyse externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen onder Bijlage 13. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Het plaatsgebonden risico voldoet in alle situaties aan de norm en vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Het groepsrisico blijft na planrealisatie in alle situaties ver onder de oriëntatiewaarde (factor 50). De realisatie van het plan leidt voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg tot een toename van het groepsrisico. Op grond hiervan is een verantwoording van het groepsrisico nodig, waartoe in het onderzoeksrapport een aanzet is gegeven. De verantwoording van het groepsrisico is ter advies aan de veiligheidsregio voorgelegd. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling op zich zelf geen risicobron vormt voor de omgeving. Aangezien het in de verwachting ligt dat de in het plangebied aanwezige mensen overwegend voldoende zelfredzaam zijn, leidt de beoogde planontwikkeling naar verwachting niet tot een overschrijding van de mogelijkheden voor de rampenbestrijding. Plandeel Oud Milligenseweg 54 Dit planonderdeel ligt niet in het invloedsgebied van enige risicobron (hogedruk aardgasleidingen, inrichtingen of transport gevaarlijke stoffen over de weg/water/spoor). Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Plandeel Oud Milligenseweg De nieuwe woonfunctie aan de Oud Milligenseweg is op grond van de Wgh aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Aangezien er in en rondom het plangebied geen bedrijven zijn gelegen die op grond van de richtafstanden uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering een knelpunt vormen met het plangebied is geen nader onderzoek naar industriegeluid noodzakelijk. Om de geluidbelasting te bepalen, heeft er akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek (het geluidBuro, kenmerk 3883 MJ - 54 W0 001-08-09-2020 V1.1, gedateerd 22 mei 2019, gewijzigde 10 september 2020) is als Bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Conclusie van dit onderzoek is dat de hoogst berekende geluidbelasting 49 dB bedraagt op de noordoostelijk gelegen woning. Deze belasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde zodat voor deze woning een hogere waarde vastgesteld moet worden. Dit past binnen het gemeentelijk beleid nu de belasting ruim onder de toegestane 53 dB ligt. Akoestisch 30

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat gezien is er dan ook geen bezwaar tegen de realisatie van de negen woningen. Plandeel Apeldoornsestraat Voor de hotelfunctie aan de Apeldoornsestraat geldt dat dit geen nieuwe geluidgevoelige functie betreft. Derhalve is op basis van de Wgh geen onderzoek noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wenselijk inzicht te hebben in de gevelbelasting. Dit omdat het een verblijfs- en overnachtingsplaats is. Onderzoek naar industrielawaai is, gelet op de afstand tot omringende bedrijven, niet nodig. Met onderzoek (het geluidBuro, kenmerk 3886 NP - 78-80 WO 002 22-05-2019 V1.0, gedateerd 22 mei 2019, zie Bijlage 15) is aangetoond dat de gecumuleerde geluidbelasting op de voorgevel van het hotel vanwege het verkeer op de Apeldoornsestraat en Oud Milligenseweg 48 dB bedraagt. Aangezien met de huidige bouwtechniek de gevelwering minimaal 20 dB bedraagt, bedraagt het binnenniveau maximaal 28 dB. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven. Het meest dichtbij gelegen agrarische bedrijf ligt op meer dan 500 meter aan de Sleedoornweg in Garderen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

31

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van 9 woningen in combinatie met de bouw van een hotel met een bruto vloeroppervlakte van bijna 2.500 m² valt onder de definitie van een 'stedelijke ontwikkeling'. Doordat er sprake is van twee aparte onderdelen (woningen en hotel) zijn beide onderdelen apart getoetst. Voor wat betreft het aantal woningen is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling aangezien het niet gaan om meer dan 11 woningen. Voor het wat betreft het hotel heeft er onderzoek plaatsgevonden (Van Spronsen & Partners, rapport 2020-R-086/1007, Notitie Ladder voor Duurzame Verstedelijking - Landgoed Oud-Milligen, 18 november 2020, zie Bijlage 11). Conclusie uit dit onderzoek is dat, voor wat betreft de behoefte, ondanks Covid-19, hotels in de regio Veluwe een uitstekende zomer hebben gedraaid met hogere bezettingen dan in 2019. Dat betekent dat de groei van de vraag van de afgelopen vijf jaar geen trendbreuk opliep in 2020. Dit zal niet terugkomen in de jaarcijfers van 2020 door de gedwongen sluitingen die we dit jaar hebben gezien.

Uitgaande van een positieve ontwikkeling is berekend dat als eenzelfde aandeel verkochte kamers als in 2019 (met 2,5% organische groei zoals in de voorgaande jaren) wordt verdeeld over het toekomstige aantal kamers er nog steeds een bezettingsgraad van 67% wordt behaald door hotels in de regio. Door de opening van Oud Milligen en de marketing en publiciteit omtrent deze opening kan ook worden gesteld dat er extra vraag naar de Veluwe wordt gecreëerd, gemiddeld bij een goed georkestreerde opening is dat zo’n 15%, daar profiteert de regio van mee. Teruggerekend naar de totale toename van de vraag is dat een extra 1,1% groei in verkochte kamers per jaar. Voor wat betreft de behoefte voorziet het hotel dan ook in de groeiende behoefte aan hotelkamers op de Veluwe. Met de toevoeging van de 30 kamers van Oud-Milligen in 2022 daalt de verwachte kamerbezetting t/m 2022 niet onder de circa 68% ondanks de toevoeging van de verwachte hotelkamers. Dat is een bezetting waar hotels een gezonde exploitatie mee draaien. Conclusie voor wat betreft de inpassing in bestaand stedelijk gebied is dat: de geplande ontwikkeling een hotelfunctie betreft die gekoppeld is aan de bestaande plannen om de Hoeve van Oud-Milligen in ere te herstellen. De functie is hiermee locatie gebonden.

Het is niet mogelijk om de ontwikkeling elders te realiseren; de extra vraag die wordt gecreëerd door deze hotel opening gebaseerd is op het concept van het hotel dat wordt gerealiseerd op pleisterplaats Oud-Milligen. De historie, de ligging en de aansluitende (reeds vergunde) activiteiten op het perceel maken dat concept aantrekkelijk. Als dezelfde 30 kamers elders worden gerealiseerd zonder ondersteuning van dit concept zal dit niet tot hetzelfde resultaat en synergie van de diverse faciliteiten leiden. Hierdoor is het niet mogelijk om dit gebouw elders te realiseren; de uitbreiding van het hotel plaatsvindt binnen een perceel waarop de bestemming ‘Horeca (met nevenfuncties)' rust, waarbinnen de functie van hotel goed aansluit. De eindconclusie is dan ook dat de beoogde hotelfunctie van Landgoed Oud-Milligen voorziet in de groeiende behoefte aan hotelkamers op de Veluwe en dat deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door haar verbondenheid met de plannen om de Hoeve Oud-Milligen in ere te herstellen. Conclusie Het aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 32

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkeling binnen het plandeel aan de Oud Milligenseweg is, gelet op de huidige planologische mogelijkheden dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. Voor het plandeel aan de Apeldoornsestraat is de rekentool NIBM ingevuld (zie hieronder). Hieruit blijkt dat ook dit deel 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

33

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt weliswaar voor op de lijst in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, maar de omvang van de activiteit ligt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D 11.2 en het onderhavige plan is geen project dat vanwege aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect zal hebben. Dat blijkt ook uit de toetsing van het plan aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. Zo heeft die toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria (zie Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.

beoordeling Apeldoornsestraat 78-80 en Oud Milligenseweg 54 Garderen van Van Westreenen, zie Bijlage 12) uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek.

Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Vanuit het aspect milieueffectrapportage zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

34

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In de omgeving van beide plandelen bevinden zich geen 'niet-agrarische bedrijven' zodat er ook geen beperkingen worden ondervonden. Tussen de plandelen in ligt aan de Oud Milligenseweg een hotel annex conferentieoord. Aan de geldende hinderafstand van 10 meter wordt ruimschoots voldaan. Voor het overige zijn er geen mogelijke beperkende functies in de omgeving. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig zodat voldaan wordt aan de geldende afstandseisen vanuit het Activiteitenbesluit. Liander heeft op 30 augustus 2020 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Plandeel Oud Milligenseweg Het plandeel aan de Oud Milligenseweg bestaat uit een tweetal delen. Het noordelijke deel heeft weliswaar een verblijfsrecreatieve bestemming maar bestaat volledig uit bos en is gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk. Op basis van de verleende natuurvergunning (nummer 2009-000392, gedateerd 09-09-2010) bestaat er echter wel de mogelijkheid om binnen dit gebied 71 chalets te realiseren. In het voorliggende plan krijgt dit deel de bestemming 'Natuur'. Het zuidelijke (kleinere) deel is gelegen binnen de Groene Ontwikkelingszone bestaat op dit moment uit grasland met langs de randen bomen en struiken. Het geheel is op de bedrijfswoning en een modelwoning na onbebouwd. Wel is in dit deel de oorspronkelijke infrastructuur (kabels en leidingen etc.) nog aanwezig. Voor het deel is een plan gemaakt ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de woningen. Deze gaat uit van een groen binnengebied met boomgroepen. Tussen de kavels wordt struweel gerealiseerd. Deze landschappelijke inpassing is als Bijlage 17 bij deze toelichting gevoegd. Plandeel Apeldoornsestraat De planlocatie ligt in de Groene Ontwikkelingszone en wordt omringd door een open agrarisch gebied en dichte bospercelen. Over de rijksweg A1 zijn een nieuw ecoduct en een faunatunnel onder de spoorlijn gerealiseerd om natuurgebieden met elkaar in verbinding te brengen.

Hierdoor zullen meer dieren zich gaan verplaatsen, ook richting de Apeldoornsestraat. Aan de westzijde van de planlocatie wordt een groene zone rastervrij gehouden en tot natuur bestemd, in het kader van het behoud van een wildcorridor. Het bestaande erf met de karakteristieke bebouwing en groen maakt deel uit van een landschappelijk waardevol en aantrekkelijk gebied en heeft ook in samenhang met de historische wegenstructuren, de oude wegbeplantingen en de verderop gelegen bijbehorende dubbele woning Apeldoornsestraat 185-187 ensemblewaarde. Stichting Landschapsbeheer Gelderland heeft voor de voorliggende ontwikkeling een beplantingsplan opgesteld, zodat de nieuwe terreininrichting passend is in het cultuurlandschap en aansluit bij het historische karakter van het erf. Er zullen diverse nieuwe landschapselementen worden aangelegd. Deze elementen zijn beschreven in het beplantingsplan en weergegeven op de bijbehorende kaart. Het beplantingsplan met bijbehorende kaart is te zien onder Bijlage 16. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de overeengekomen landschappelijke inpassing voor beide plandelen zeker te stellen. "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

35

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Op het plandeel aan de Oud Milligenseweg 54 worden 9 woningen gerealiseerd. Deze worden ontsloten via een nieuw te realiseren in- en uitrit op de Oud Milligenseweg. De benodigde parkeerplaatsen (2,5 per woning) worden volledig gerealiseerd op eigen terrein. Aan de Apeldoornsestraat 78-80 is al een transformatie naar 'horeca' mogelijk gemaakt. Ten behoeve van die transformatie werd een parkeerterrein aangelegd met een capaciteit van 75 parkeerplaatsen. Als gevolg van de komst van een hotel met 30 kamers zijn 39 parkeerplaatsen extra nodig. Aangezien het plan een parkeerterrein omvat met in totaal 157 parkeerplaatsen wordt ruimschoots voldaan aan de in de Nota Parkeernormen gestelde eisen. Voor wat betreft de ontsluiting wordt, net als bij de transformatie was voorzien, de bestaande uitweg van het erf op de Apeldoornsestraat gewijzigd naar een ontsluiting voor fietsers en voetgangers. Ter plaatse wordt een paal geplaatst, zodat auto's hier niet in kunnen rijden. Aan de westzijde van het erf komt een nieuwe in-/uitrit voor gemotoriseerd verkeer. Deze ingang wordt dusdanig breed (zo'n 6 meter), dat in- en uitrijdend verkeer elkaar hier kan passeren. Langs de Apeldoornseweg zullen automobilisten ter plaatse van de oorspronkelijke entree middels een duidelijke verwijzing worden verwezen naar de meer westelijk gelegen nieuwe hoofdentree.

Laden en lossen ten behoeve van de horecafunctie zal plaatsvinden bij het multifunctionele gebouw en bij het restaurant. Op het toekomstige terrein zal voldoende manoeuvreerruimte aanwezig zijn voor het vrachtverkeer. Het plan voorziet daarmee in voldoende parkeergelegenheid voor de verschillende functies op eigen terrein. Conclusie Er zijn voor wat betreft het aspect Verkeer geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

36

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

5.15

Water

Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Plandeel Oud Milligenseweg 54 Huidige situatie De planlocatie is in de huidige situatie recreatieterrein de Goedkamp (natuurkampeerterrein). Het perceel is voornamelijk begroeid met gras. Er zijn twee opstallen aanwezig. Er bevinden zich geen watergangen of andere vormen van oppervlaktewater op of in de buurt van de planlocatie. Hemelwater kan infiltreren waar het valt, aangezien er zeer weinig verhard terrein is, de grondwaterstand laag is (GHG is >140 cm), en de bodemdoorlatendheid erg hoog is. Er ligt drukriolering onder de Oud Milligenseweg. Toekomstige situatie Op de planlocatie worden negen nieuwe woningen gerealiseerd.

De toename van afvoerend verhard oppervlak van de woningen is ca. 1.700 m2. Hiernaast wordt er ook mandelig terrein gerealiseerd met een gezamenlijke toegangsweg. Het hemelwater dat op het verharde oppervlak (daken en/of terreinen) valt, mag niet op de drukriolering in de Oud Milligenseweg worden aangesloten. Er dient waterberging op eigen terrein te worden gerealiseerd met een capaciteit van minimaal 20 mm maal het oppervlak van het verhard terrein (daken + terreinverharding). Op tekening is weergegeven dat een wadi wordt gerealiseerd in het centrum van het plangebied. Hiervan is nog niet bekend wat de bergingscapaciteit wordt. De initiatiefnemer maakt met afdeling Beheer Openbare Ruimte (BOR) afspraken over de aansluiting van het huishoudelijk afvalwater op het drukriool. In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen.

Plandeel Apeldoornsestraat 78-80 Huidige situatie De planlocatie betreft de Hoeve Oud Milligen aan de Apeldoornsestraat 78-80 in Garderen. In de huidige situatie zijn er 4 panden aanwezig met een totaal dakoppervlak van ca. 600 m2 (welke panden vooruitlopend en met het oog op de realisering van de reeds eerder op die locatie vergunde horecabestemming inmiddels alvast gesloopt zijn). Er is een rioolaansluiting op de drukriolering onder de Apeldoornsestraat. De grondwaterstand is relatief laag (GHG is >140 cm). Er is een c-watergang langs de Apeldoornsestraat, grenzend aan de planlocatie. Toekomstige situatie De Hoeve Oud Milligen wordt herontwikkeld, waarbij bestaande bebouwing wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een MF, B&B, hotelgebouw en erfverharding gerealiseerd. Drie panden worden gesloopt, hiervoor in de plaats wordt een nieuwe B&B gerealiseerd, een hotelgebouw, een MF-gebouw en een extra berging. Daarnaast wordt er in grote mate verharding aangebracht in de vorm van terras, in/uitrit, erfverharding en parkeerplaatsen. Er wordt in zijn totaliteit meer dan 7.000 m2 oppervlak gewijzigd als gevolg van de planontwikkeling. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding. De toename van afvoerend verhard oppervlak wordt hiermee ca. 5264 m2. "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

37

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

Er dient waterberging te worden gerealiseerd van minimaal 20 mm maal de toename van het afvoerend verhard oppervlak (daken + terrein). Dit komt met de aangegeven toename van verhard oppervlak neer op 105 m3 waterberging op eigen terrein. Het hemelwater dat op het verhard oppervlak valt, mag net als in de huidige situatie niet op de drukriolering worden aangesloten. Conclusie De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.

38

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels bestaan uit vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. Wijze van meten In artikel 2 is de wijze van meten opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

39

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

6.3

Bestemmingsregels

6.3.1

Bestemming 'Agrarisch'

De bestemming 'Agrarisch' is toegekend aan het grootste deel van het buitengebied van de gemeente Barneveld. Dit zijn gebieden waar weinig (bijzondere) landschappelijke en natuurlijke waarden voorkomen en die goed zijn verkaveld en ingericht voor de agrarische sector. Binnen deze gebiedsbestemming zijn de agrarische belangen in principe leidend. Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch' is hobbymatig agrarisch gebruik ook toegestaan. 6.3.2

Bestemming 'Groen'

Verspreid over de gemeente komen groensingels voor. Een deel hiervan is waardevol (oude houtwallen) of is op basis van postzegelplannen aangelegd. De bestemming 'Groen' is opgenomen ten behoeve van de instandhouding van de groensingels en nieuwe groensingels. Nieuwe groensingels zijn ter versterking van de landschappelijke waarde en hebben een afschermende functie. Groensingels zijn vaak waardevol voor de natuur omdat ze leefgebied en schuilgelegenheid bieden voor vogels en andere dieren. Binnen de bestemming 'Groen' zijn toegestaan opgaande beplanting met de daarbij behorende bouwwerken (geen gebouwen en overkappingen zijnde), werken, paden en watervoorzieningen. Om werken of werkzaamheden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het verbreden of verharden van paden of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud en de aanleg van nieuw groen valt niet onder de vergunningplicht. 6.3.3

Bestemming 'Natuur'

Er is bij dit bestemmingsplan gekozen voor een systematiek waarin alle natuur- en bosgebieden in één bestemming komen. Hieronder vallen alle bos, heide, en overige natuurterreinen evenals vennetjes en stuifzanden. Houtproductie maakt ook onderdeel uit van deze bestemming. Houtproductie vormt namelijk een onderdeel van het beheer van bosgebieden. Voordeel van een dergelijke regeling is dat het flexibiliteit biedt voor de beheerder van het natuurgebied. Een eventuele herinrichting (bijvoorbeeld van bos naar heide) is hiermee mogelijk zonder een wijziging van het bestemmingsplan. Omdat in deze gebieden in de praktijk niet veel verandert, is deze regeling prima te gebruiken. Bovendien worden de natuurwaarden ook al beschermd door wet- en regelgeving voor natuur. Natuurgebiedsplannen geven een belangrijk kader voor de gewenste soorten natuur. Ingezet wordt op behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur(wetenschappelijke)waarde en de landschappelijke waarde. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn daarom minimaal. Om werken of werkzaamheden in de natuurgebieden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het aanleggen van nieuwe paden en geluidswallen of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand.

Normaal onderhoud van natuurterreinen valt niet onder de vergunningplicht. Vergunningen zullen in ieder geval worden getoetst aan de natuurwaarden omdat een groot deel van de natuurgebieden in het Natura 2000-gebied 'Veluwe' of de voormalige Ecologische Hoofdstructuur ligt. Een ecologisch onderzoek zal onderdeel uit moeten maken van de aanvraag om vergunning. 6.3.4

Bestemming 'Verkeer'

De bestemming 'Verkeer' betreft de aanwezige interregionale, interlokale en lokale verharde en onverharde wegen. Voet- en fietspaden, bermen, faunapassages, ongelijkvloerse kruisingen en waterhuishoudkundige voorzieningen maken ook onderdeel uit van de bestemming. Binnen de bestemming zijn parkeer- en groenvoorzieningen mogelijk. 6.3.5

Bestemming 'Wonen'

Algemeen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de bestaande, legale woningen en nieuw te bouwen woningen. Binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' is maximaal één woning toegestaan. Een woning is bestemd voor de huisvesting van één huishouden. Dit betekent dat kamerverhuur niet zondermeer is toegestaan behalve als dit specifiek is aangeduid. 40

"Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat

Binnen de bestemming 'Wonen' is het mogelijk af te wijken van de bestemmingsregels en kamerverhuur toe te staan. Volgens de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Barneveld is de minimale maatvoering hiervoor 18 m2. In het bestemmingsvlak zijn het hoofdgebouw en eventueel aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen opgenomen. De inhoud van een woning bedraagt maximaal 750 m3, inclusief de onderbouw voor zover deze boven het maaiveld uitkomt. Onder een woning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat bij vergunningsvrije aanbouwen en bijbehorende bouwwerken van woningen niet vergunningsvrij mogen worden voorzien van een onderbouw. De maximale goot- en nokhoogte bedragen respectievelijk 3,5 en 10 meter. Via een afwijking van de bouwregels kan de toegestane goothoogte worden verhoogd naar 6 meter. Bijgebouwen bij woningen De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning bedraagt maximaal 80 m2. De maximale gooten nokhoogte bedragen respectievelijk 3 en 6 meter. Hoe kan met gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid de oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot? De regeling hiervoor is te vinden in artikel 8.4, lid 6. Met deze regeling kan een grotere oppervlakte aan bijgebouwen worden gebouwd, dan het bestemmingsplan bij recht toestaat.

Vergroten van de woning De woning kan via het afwijken van de bouwregels worden vergroot met de inzet van sloopmeters van elders. In de planregels is hiervoor een staffeling opgenomen, hoe meer vierkante meters worden gesloopt, hoe meer er terug mag worden gebouwd. Ook is in de regels omschreven welke voorwaarden er gelden voor sloop elders. Het herbouwplan mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit. Hobbymatig houden van vee In de gebruiksregels is bepaald dat het hobbymatig houden van vee is toegestaan, zowel binnen de woonbestemming als binnen de bestemming 'Agrarisch'. Steeds meer burgers in het buitengebied houden op hobbymatige wijze dieren. Het gaat vaak om schapen, geiten, kippen en paarden. Bij het houden van paarden speelt daarnaast mee dat een paardrijbak gewenst is om te kunnen paardrijden. Het beweiden van vee en het aanleggen van een paardrijbak zijn mogelijk op gronden met de bestemming 'Agrarisch', waarbij geldt dat een paardrijbak direct moet grenzen aan het betreffende bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' of een andere bestemming waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. 6.3.6 6.3.6.1

Dubbelbestemmingen en dubbelbestemmingen gebiedswaarden Dubbelbestemming 'Waarde - Cultureel erfgoed'

Met deze dubbelbestemming wordt een regeling getroffen ter bescherming van het cultureel erfgoed dat op deze plek aanwezig is. In de voorrangsregeling is aangegeven hoe de bestemmingen zich tot elkaar verhouden. Wordt er op gronden gebouwd die een dubbele bestemming hebben, dan dient men zich aan de regels te houden die de dubbele bestemming geeft. Er is een afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid opgenomen. 6.3.6.2

Bestemming 'Waarde - Archeologie'

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een dubbelbestemming voor archeologie toegepast. In het plandeel Apeldoornsestraat 78-80 is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2) behalve ter plaatse van het nieuw op te richten hotel aangezien daar uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden. In het plandeel Oud Milligenseweg 54 is, vooruitlopend op de opgraving, de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 6' opgenomen. Binnen deze bestemming kan geen enkele bebouwing worden opgericht of grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Het noordelijke deel met bestemming 'Natuur' krijgt de "Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat" (vastgesteld)

41

Oud Milligenseweg-Apeldoornsestraat bestemming 'Waarde - Archeologie 3'. 6.3.6.3

Bestemming 'Waarde - Openheid en Reliëf'

Voor het beschermen van waardevolle open gebieden en/of (cultuurhistorisch en/of natuurwetenschappelijk) waardevolle hoogteverschillen is de dubbelbestemming 'Waarde - Openheid en Reliëf' opgenomen. Aan deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gekoppeld. Dit zodat bijvoorbeeld het planten van opgaande beplanting of het egaliseren van gronden niet mag plaatsvinden zonder omgevingsvergunning. Binnen de in de bestemmingsomschrijving genoemde bouwvlakken en bestemmingen geldt dit niet. 6.3.7

Terugkerende thema's

6.3.7.1

Mantelzorg

In het voorliggende bestemmingsplan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de afwijkingsmogelijkheid voor de bouwregels in de bestemmingen waar dit relevant is. Mantelzorg is niet toegestaan binnen de bestemmingen 'Recreatie - Recreatiewoning' en 'Wonen - Voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3. 6.3.7.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=be455ec8-b957-4687-9a5a-8adebe5e85b8