CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen raadsvergadering Barneveld dd 28 juni 2023

Gemeenteraad 28 juni 2023, gemeente Barneveld39.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Notulen van de openbare vergadering van de raad van de gemeente Barneveld gehouden op 28 juni 2023 Aanwezig zijn de raadsleden: de heer A.S. van Amerongen mevrouw E.C. van den Berg mevrouw M.H. Blankenburgh-in ’t Anker de heer T. den Boon de heer J.W. van den Born de heer T.N. Bos de heer G.W. Boswijk de heer H. Buitenhuis de heer A. Flier de heer W. Hazeleger (de avond deels afwezig) de heer G.H. Kevelam de heer W.A. Knapen de heer L. de Knegt de heer C.W. de Kool de heer A.W. Korevaar mevrouw D. de Kwant-van Lagen de heer F.J. van der Lubbe Voorzitter Griffier De collegeleden Gemeentesecretaris Verslag

2

mevrouw E. de Man-Rosbergen mevrouw A.R. van der Meer de heer E. Pladdet de heer J. van Schaik de heer J.M. Schipper de heer H. Smit mevrouw M.B.A. Tamaela de heer J. van der Tang de heer J. Top de heer J.A. van den Top (vanaf ongeveer 20.00 uur) mevrouw N. van Veen de heer S.P. Velt de heer D.G. de Vries de heer H.W. Wiesenekker de heer E. Wijnne mevrouw J.A.G.M. van den Wildenberg

: de heer J. van der Tak, burgemeester : de heer I. Bakker : mevrouw J. de Heer- Verheij, de heer W. Oosterwijk, mevrouw M.H.J. Pluimers-Foeken en de heer B. Wijnne : de heer W. Wieringa : mevrouw M.J. Strijbos-Vermeulen

Politieke en financiële beschouwingen: Jaarverslaggeving 2022, 1e Tussenrapportage 2023 en Kadernota 2024-2027

2.1 1e Termijn fracties De voorzitter geeft de fractievoorzitters de gelegenheid voor een reactie in 1e termijn, daarbij kunnen moties en amendementen worden ingediend. De heer Korevaar voert het woord namens de fractie van Pro’98. ‘Voorzitter, In deze financieel moeilijke tijden schuiven wij keuzes niet voor ons uit en zijn wij eerlijk over wat wel en niet kan. Het college wil daar zorgvuldig in zijn op basis van wat we zien en horen in de stad, maar ook op basis van wat de stad in de toekomst nodig heeft.’ Aldus het college van Amsterdam. Maar nu zijn we in de Barneveldse werkelijkheid aanbeland. Dit college legt bewust geen kaders voor want, zo stelde de wethouder in de commissie, daar is hij nog niet aan toe en er was in 2023 al genoeg voor 2024 begroot. Ik vraag mij af waarom wij vanmiddag bij elkaar zijn. Om te beschouwen. Dit dreigt een wel heel algemene politieke beschouwing te gaan worden. Moeten wij onze agenda in november vrij gaan houden om het vanaf 16.00 uur nog eens dunnetjes over te doen? Tot zover mijn input voor de agendacommissie. Laten we gaan beschouwen. 1

‘Onze huidige manier van leven stuit op economische, sociale en ecologische grenzen’, zei koning Willem-Alexander in de troonrede van afgelopen september. We kunnen er niet langer omheen, de wereld zit aan zijn ecologische limiet en de consequenties voelen wij ook in onze gemeente, of misschien juíst hier. Want als er gesproken wordt over stikstofdepositie en Natura 2000-gebieden dan wordt er naar de gemeente Barneveld gekeken. We hebben het in overvloed, binnen en buiten onze gemeentegrenzen, en met beide gaat het niet goed. Wij staan voor de grootste verbouwing van het buitengebied in decennia. Dat veranderende klimaat heeft, cru gezegd, de gevolgen van de energiecrisis afgelopen zachte winter nog enigszins getemperd. Maar ook daar staan wij aan de lat. We moeten alternatieven vinden voor de energiebronnen die bijdragen aan opwarming en het instandhouden van schurkenstaten. Voorlopig komen wij in Barneveld nog niet verder dan de zon. Wat deze energiecrisis ook heeft geleerd, is dat de ongelijkheid in Nederland groeit. Mensen die investeren in zonnepanelen, isolatie en warmtepompoen hebben juist nu een historisch lage energierekening. Mensen die afhankelijk zijn van hun verhuurder of geen financiële buffer hebben kunnen opbouwen zien hun kosten op alle gebieden stijgen: vaste lasten, boodschappen en vervoer. Na deze beschouwende alinea’s terug naar voorliggend stuk.

Ik denk dat er met onze Kadernota iets aan de hand is. Sorteert het college voor op het einde van de kadernota? Er kunnen allerlei redenen zijn om geen kaders op papier te zetten: corona, capaciteit, circulaires, chronische ideeënarmoede. Maar die argumenten verliezen hun waarde als het bij de begroting over vier maanden wel blijkt te kunnen. Er gaat in dit huis iets fundamenteel verkeerd als het gaat over planning. De kwaliteit van de Kadernota rammelt, zowel inhoudelijk als op leesbaarheid. Maar het echte probleem is dat het leest alsof werkelijk niemand de moeite heeft genomen om het stuk integraal door te nemen zodat het inhoudelijk sterk is, gestoeld op visie en voor een lekenbestuur leesbaar. In sommige gemeenten wordt de kadernota een perspectiefnota genoemd. Dat zouden wij graag hebben gelezen. Van een college mag men verwachten dat het anticipeert op omstandigheden, visie ontwikkelt voor wat komen gaat, beleid produceert en afwegingen maakt die van invloed zijn op onze begroting en impact hebben op onze inwoners. In plaats daarvan vraagt het college de raad om allerlei onderzoek te mogen doen. Daar hoeft deze raad geen toestemming voor te geven, dat had Pro’98 nu eindelijk in deze Kadernota willen lezen. Regeren is toch vooruitzien? Welke richting wil het college op? Het lezen van de Kadernota voelde een beetje als tijdverspilling.

Toon dan bestuurlijke moed en stuur een brief: ‘Het lukt nu niet, wij doen het volgend jaar beter en wij besparen onze ambtenaren de moeite.’ Een kadernota sorteert immers voor op de begroting zodat daarin alleen nog kleine bijstellingen gedaan worden. ‘Binnen eerder vastgestelde kaders,’ aldus de Bestuursacademie. Graag horen we van het college waarom deze uitgebreide kadernota met weinig inhoud op deze manier nodig was. En komen er dan straks grote bijstellingen in de begroting? Pro’98 verwacht het niet, want het is inmiddels eind juni. In juli en augustus zijn ambtenaren op vakantie. Vanaf september wordt er hard gewerkt om de begroting in oktober op de collegetafel te krijgen. Ideeën over grote bijstellingen hadden er nu al moeten zijn, of zijn die ergens op de plank blijven liggen tot morgen? In het kader van ‘komt u toch vooral zelf met kaders’ hebben wij motie 5 Instrument Kadernota voorbereid waarin Pro’98, CDA en Burger Initiatief stellen wat wij verwachten van een kadernota en uitspreken dat wij het instrument kadernota van grote waarde vinden en niet willen samenvoegen in een begrotingsvergadering. Daarnaast dienen wij motie 4 Realistisch plannen in waarin wij het college oproepen om realistisch te gaan plannen. Wij denken namelijk dat het probleem niet in het begroten zit. Als voorbeeld van nietrealistisch plannen pak ik het Pastoriebos er maar even bij.

De door de raad gevraagde royale compensatie voor verdwenen bomen werd beantwoord met een participatietraject dat 1. ongelooflijk veel geld kost en 2. door gebrek aan capaciteit nog steeds niet is uitgevoerd. Het leek alsof het hele participatie-wensenlijstje integraal toegepast moest worden. Begroten was het probleem niet, carte blanche moest het worden. De planning, daar loopt het op vast. Daarom de oproep: college, ga roeien met de riemen die u wel hebt. Ga met de stofkam door beleidsambities die worden doorgeschoven en maak uw doelen inzichtelijk, effectief en uitvoerbaar. 2

De Kadernota heeft uiteindelijk twee kaders die wél vaststelling behoeven: geld voor Programma Waardevol Buitengebied en compensatie voor maatschappelijke en culturele instellingen. Bij het Programma Waardevol Buitengebied willen wij voorwaarden meegeven in motie 2 Inzet Programma Waardevol Landelijk Gebied. Wat ons betreft wordt dit geld alleen ingezet om provinciaal en rijksbeleid uit te voeren en voor landschapsherstel. Het is enkel beschikbaar voor boeren die daadwerkelijk kiezen voor transitie, landschapsbeheer of technische maatregelen die wetenschappelijk bewezen zijn. Wij brengen nog eens ons plan voor het oprichten van een ontwikkelingsmaatschappij vitaal platteland in herinnering. Want als er een sector gebaat is bij visie en reëel perspectief, dan is het wel de agrarische. Een ontwikkelingsbedrijf om boeren in hun transitie te begeleiden en een fonds om projecten mogelijk te maken.

Past dit in de strategie van het college om de grootste verbouwing van ons buitengebied in decennia vorm te gaan geven? Klopt het college voor het vullen van het fonds dan ook even aan bij de financiers en toeleveranciers die jarenlang vooral geprofiteerd hebben van deze hardwerkende boeren? Wethouder Oosterwijk sprak in de commissie de woorden: ‘Wat we niet opgeschreven hebben, is nog belangrijker dan dat wat we wel opgeschreven hebben.’ En daarom noem ik zelf nog een paar zaken die Pro’98 niet teruggelezen heeft, maar die daarom niet minder belangrijk zijn: - De railterminal is een stille dood gestorven. Mogen wij concluderen dat nu ook het college de stekker eruit heeft getrokken, het restantbedrag van circa €115.000 teruggestort kan worden in de algemene reserve? Zo nee, wat is de grondslag om dit niet nu te doen? - Barneveld blijft groeien en dus gaan wij ervan uit dat het college actief initiatieven voor het Openbaar Voortgezet Onderwijs blijft ondersteunen. - Er liggen prachtige beleidsstukken op de plank, zoals het biodiversiteitsplan. Stof ze af, breng ze in bedrijf. - Voor Bloemendal zouden wij graag horen of het mogelijk is om een voorzieningenstrook in het verlengde van het hulpverleningscentrum te realiseren. Op die manier kunnen we een nu nog ontbrekende geluidsbuffer realiseren tussen de A30 en de nieuwe woonwijk Bloemendal.

Nog onbesproken zijn de volgende moties die wij indienen: - motie 6 Houtstook aanpak, - motie 7 Houtstook regels, - motie 1 Ecologische grens bereikt, - motie 3 Speeltuinen in dorpscentra. De gemeente Ede heeft het Marktplein vernieuwd, het zou toch geweldig zijn om dat ook op ons Torenplein te realiseren? Laat onze Jan kijken naar spelende kinderen in plaats van die al jaren groen gekleurde badkuip. Dat zou er zo uit kunnen zien.’ (spreker toont een sheet) De voorzitter wijst erop dat moties 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 worden toegevoegd aan de beraadslaging. De heer Top voert het woord namens de fractie van de SGP. ‘Voorzitter, In deze raadsvergadering bespreken we de Jaarverslaggeving, de Tussenrapportage, de Kadernota en het Meerjaren Investeringsplan (MIP). Daarin staan alle gerealiseerde plannen en nog uit te voeren plannen van de gemeente Barneveld. Wij zullen daarbij als SGP onze eigen accenten leggen. We bespreken hoe we de Barneveldse samenleving willen inrichten. Dat is goed, dat is een Bijbelse opdracht. We moeten immers, zoals in het eerste Bijbelboek Genesis staat, de aarde bebouwen en bewaren. Het is daarbij goed om te beseffen dat wij hier op aarde rentmeester zijn en daarmee beheerder. God is de grote eigenaar, Hij heeft de aarde geschapen en Hij onderhoudt deze nog steeds. In dat besef wil de SGP politiek bedrijven in onze gemeente, politiek bij een geopende Bijbel.

Binnen dat besef is financiële degelijkheid voor de SGP-fractie een belangrijk speerpunt. Dat is ook uitgangspunt geweest bij de coalitieonderhandelingen ruim een jaar geleden van de SGP met Lokaal 3

Belang en ChristenUnie. In het coalitieakkoord zijn hier duidelijke teksten over opgenomen. Ik noem de volgende: ‘Wij schuiven geen lasten door naar volgende generaties en sparen, waar mogelijk, voor toekomstige investeringen. De bestaande begroting wordt kritisch doorgelicht. In het geval dat blijkt dat middelen onvoldoende zijn om ambities waar te maken, kijken wij naar het vervangen van oud beleid door nieuw beleid. Indien dit onvoldoende middelen oplevert, overwegen we het her prioriteren van ambities en/of lastenverhoging. In die volgorde dus.’ Tevens is toen al aangegeven dat wij te maken gaan krijgen met grote loon- en prijsstijgingen, met stijgende rente, met de herijking van het Gemeentefonds en met hogere kapitaallasten. De SGP is content met het feit dat het college het afgelopen jaar actief heeft gewerkt aan het verkrijgen van meer financieel inzicht. Dit heeft geresulteerd in een overzichtelijk Meerjaren Investeringsplan, het MIP. Hierin staan investeringen voor onze inwoners, ondernemers, verenigingen en instellingen. Tenslotte doen wij het voor hen. Er ligt nu een 10-jarig MIP. Er blijken, logisch, meer investeringen ingebracht dan wij kunnen financieren. Het college zal dus daar waar nodig op aangeven van de gemeenteraad keuzes moeten maken. De SGP is allereerst positief over de beschikbaarheid van het MIP waardoor die keuzes gemaakt kunnen worden.

Voor ons staan, qua investeringen, drie dingen bovenaan: - investeringen voor noodzakelijke vervangingen, - investeringen waar inkomsten tegenover staan zoals scholenbouw - investeringen in de wegenstructuur, met name de aanpassingen bij het hulpverleningscentrum en de rondweg oost. Wat ons betreft neemt het college deze prioritering mee richting de programmabegroting 20242027. Wij vragen om een reflectie van het college op deze prioritering, om na te gaan waar extra financiële middelen gehaald kunnen worden moeten wij erop uit. Daarom stelt de SGP voor om de gemeentelijke lobbyactiviteiten te intensiveren.’ De heer Vos vraagt de heer Top om mee te tellen. Hij wijst de collegeleden aan en zegt vijf lobbyisten te tellen die de gemeente per maand ongeveer €40.000 tot €45.000 kosten. In het verleden was het in Barneveld zo dat burgemeester en wethouders hun stap richting Den Haag maakten waar nodig. In de Kadernota wordt gesproken over inflatie - hij vraagt of hij de conclusie mag trekken dat de vijf lobbyisten ook aan inflatie onderhevig zijn, dat zij niet meer kunnen wat in het verleden wel kon en dat zij momenteel een extra iemand nodig hebben om hun werk te doen. Hij informeert of er geen tijd meer beschikbaar is. De heer Top is het oneens met de vorige spreker.

Het politieke landschap en allerlei organisaties daar omheen zijn in de loop van de jaren almaar complexer geworden. Hij meent dat het college van burgemeester en wethouders wel degelijk in staat is om goed te lobbyen. Dat heeft men, zeker de afgelopen tijd, kunnen zien. Maar specifieke personen die zich daarmee bezighouden zijn echt nodig in de huidige tijd. Dit kost geld, maar dit gaat zijn geld meer dan gaat opleveren. De heer Bos vraagt met welk bedrag rekening gehouden moet worden bij een lobbyist. Een senior zou nogal wat impact op de programmabegroting hebben. Bij een junior is het de vraag wat hij kan. Spreker zou graag de kwalificatie en de kosten zien. De heer Top licht toe dat de SGP het college vraagt om aan de slag te gaan met lobbyactiviteiten. Dit wordt niet voor het college ingevuld, het is aan het college om te beoordelen hoe het dit gaat doen. Hij meent dat een junior lobbyist niet zal helpen. De heer Korevaar wijst erop dat lobby er al toe heeft geleid dat de gemeente voor onder andere de infrastructuur bij het hulpverleningscentrum al €17,5 miljoen op de plank heeft liggen. De heer Top sprak zojuist over de infrastructuur op die plek. Hij vraagt of de heer Top ook de cofinanciering voor de €17,5 miljoen voor de komende begroting geregeld wil hebben.

De heer Top stelt dat in de top drie van door de SGP gewenste investeringen niet voor niets de wegenstructuur staat genoemd. De wegenstructuur bij het hulpverleningscentrum maakt daar onderdeel van uit. De fractie zou het college willen meegeven dat dit hoog op het verlanglijstje staat. De heer Korevaar vraagt of de SGP daar een investering van €17,5 miljoen aan wil toevoegen. 4

De heer Top laat weten dat de SGP het gewenst vindt om de infrastructuur daar verder op orde te krijgen, zeker met de groei van de gemeente. Als dat niet gedaan wordt, krijgt de gemeente die €17,5 miljoen van het Rijk niet. Het lijkt zijn fractie een goede investering. De heer De Vries vraagt hoe de heer Top de drie prioriteiten precies bedoelt, of dit betekent dat de plannen die op één, twee en drie staan uitgevoerd worden waarna bekeken wordt wat er over is. Of bedoelt de heer Top dat er gekeken wordt of er punten af kunnen van deze drie. De heer Top benadrukt dat het niet zo is dat de SGP alleen de drie punten wil, de fractie hoopt dat er daarna geld overblijft voor andere zaken. De heer De Vries vraagt of hij goed begrijpt dat de SGP in ieder geval wil investeren in de drie punten en dan kijkt wat resteert. Of wil de fractie nog kritisch kijken naar de drie punten waar al plannen voor liggen, wil kijken of de plannen echt nodig zijn zodat punten vier, vijf en zes, die misschien ook heel belangrijk zijn - het CDA komt daar misschien nog op terug, ook uitgevoerd kunnen worden. De heer Top herhaalt dat de drie punten bovenaan staan bij de SGP. Het zou dom zijn om niet de investeringen te doen waar inkomsten tegenover staan. Investeringen in noodzakelijke vervangingen zullen sowieso moeten gebeuren.

Dan moet gekeken worden of dat op een slimme manier kan gebeuren, bijvoorbeeld door zaken uit te stellen. Als men nu niet actief aan de slag gaat met investeringen in de wegenstructuur, dan komt de gemeente daar jaar na jaar niet aan toe. Het is te vergelijken met een thuissituatie: je wilt een grote verbouwing, maar vandaag ga je uit eten, morgen worden dure kleren gekocht en voor je het weet is er geen geld meer voor de verbouwing. De gemeente moet actief aan de slag gaan met die onderwerpen. De heer De Vries vraagt of hij goed begrijpt dat volgens de SGP er niet getornd kan worden aan de plannen die bij de drie prioriteiten worden genoemd. De heer Top benadrukt dat de drie een grote prioriteit moeten krijgen bij het beoordelen van de investeringen voor de komende jaren. ‘Er niet aan tornen’ is wat zwaar uitgedrukt. De heer Top vervolgt zijn eerste termijn. ‘Het lobbyen is het geheel van rechtmatige acties dat wordt ondernomen om de politieke en ambtelijke besluitvorming te beïnvloeden. Spreker benadrukt het rechtmatige aspect, lobbyen heeft nogal eens een negatieve klank. Het kost geld, maar de SGP is van mening dat hiermee de investeringen substantieel verhoogd kunnen worden en dat daardoor de nodige investeringen kunnen worden gedaan. Dit is de afgelopen tijd een paar keer gebleken.

Het dient niet alleen een financieel doel, maar ook het doel om waar mogelijk het overheidsbeleid te beïnvloeden op voor de gemeente relevante punten. De SGP dient hiervoor motie 8 Lobbyactiviteiten in. Spreker haalt nadrukkelijk de opmerking van burgemeester Van der Tak aan: ‘We zijn te groot om klein te denken.’ Na het deel over het 10-jarig MIP keren wij terug naar het jaar 2022. In dat jaar is het nodige bereikt, wij vinden dat terug in de Jaarverslaggeving. Er is waardering vanuit de SGP voor al het gedane werk. Wat echter tegenvalt, is dat werk ter grootte van een bedrag van ruim €6 miljoen vorig jaar niet is gerealiseerd. Dit leidt tot twee vragen aan het college: - Hoe kan het dat zoveel werk vorig jaar niet is uitgevoerd? - Het werk wordt doorgeschoven naar 2023, wat betekent dit doorschuiven voor de in 2023 geplande werkzaamheden, kan al dat werk wel in 2023 worden uitgevoerd? Wat is er nodig om het uitgevoerd te krijgen? De fractie ontvangt graag een reactie van het college hierop. De 1e Tussenrapportage 2023 laat een negatief resultaat zien. Dit is op zich verklaarbaar door de forse prijsstijgingen en mede daardoor stijgende personeelskosten.

Wat gaat het college eraan doen om 2023 toch positief af te sluiten? Wat verder opvalt zijn de diverse externe onderzoeken, bijvoorbeeld een onderzoek naar de dalende inkomsten aan grafrechten en het onderzoek naar vrachtverkeer in het centrum van Voorthuizen. Een vraag aan het college: zijn in deze en andere gevallen daadwerkelijk externe onderzoeken nodig, is een korte interne analyse niet net zo krachtig?

5

Wat betreft de Kadernota 2024-2027 is het goed te zien dat 2024 een positief resultaat laat zien en dat we in 2025 daarbij in de buurt komen. Normaal gesproken zou de SGP vragen om vier jaren met een positief resultaat. Echter, wij begrijpen de insteek van het college om de zogenaamde ravijnjaren 2026 en 2027 op negatief te laten staan. Dat moet zorgen voor een krachtig signaal richting het kabinet om meer financiële middelen voor deze jaren. Dit financieel deel wil ik afsluiten met een oproep aan het college. Wij verwachten in oktober de programmabegroting 2024 die wij in november gaan behandelen. De SGP wil het college vragen of het mogelijk is om al enkele weken voor de publicatie van de programmabegroting een eerste doorkijk te geven, zo mogelijk met scenario’s. Dit om de gehele raad hierin goed mee te kunnen nemen. Dit kan bijvoorbeeld bij de bespreking van de 2e Tussenrapportage 2023. Zo kunnen er bij de programmabegroting 2024 goede keuzes gemaakt worden.’ De heer Korevaar hoort de heer Top spreken over ‘onderzoek’. Deze avond wordt de raad opgezadeld met veel onderzoeken. De SGP doet daar ook aan mee en vraagt om creatieve en out of the box-ideeën. Moeten de raadsleden niet naar zichzelf kijken als zij het college vragen om niet te veel externe onderzoeken uit te voeren? De heer Top beaamt dit. Daarom is de SGP terughoudend geweest.

Als het gaat over woonconcepten vraagt de fractie niet om een onderzoek maar om het in gedachten mee te nemen, om op die manier resultaat te boeken. Dat is geen onderzoek, maar een andere manier van denken erover. De heer Bos hoort de heer Top spreken over scenario’s en of de raad al meegenomen kan worden in doorkijkjes richting de begroting. Hij informeert of de heer Top dit openbaar of besloten wil doen. De heer Top zegt dit openbaar te willen doen, voor hem is dat vanzelfsprekend. In reactie op de opmerking van de heer Korevaar over de onderzoeken merkt de heer Van den Born op dat de Kadernota daarvoor bedoeld is, dat het normaal is dat fracties het college vragen zaken te onderzoeken. Dat wil niet zeggen dat het uitgevoerd moet worden. Er is sprake van een onderbezetting qua personeel, daar komt spreker nog op terug. Maar waarom zou een fractie het college niet kunnen vragen iets te onderzoeken voordat er een besluit wordt genomen bij de begrotingsvergadering? De heer Korevaar is blij met de vraag. Wat hem fascineert bij een aantal moties is dat de raad geen standpunt durft in te nemen maar dat het college gevraagd wordt ‘om te onderzoeken of’. Dan is het eigenlijk aan het college om daar ‘ja’ op te zeggen en om eventueel de keuze voor de raad te maken.

Een motie is niet bindend als de raad gewoon zegt iets graag te willen, dan hoort de raad vanzelf of het goed komt of niet. Dan hoeft de raad het college niet te laten onderzoeken, dat is een extra stap om het zorgvuldig te laten lijken, maar het komt niet daadkrachtig over. Die daadkracht zoekt hij. De heer Van den Born vindt een onderzoek vaak richtinggevend, het geeft aan waar een fractie naar toe wil. De heer De Vries komt terug op het ravijnjaar. De heer Top snapt de strategie van het college om niets te doen, af te wachten of het Rijk ergens mee komt en vooral te laten zien hoe erg de situatie in de gemeente is. Hij vraagt of er niet een plan B moet zijn, een visie van raad en college voor als het niet gebeurt. Dan moeten keuzes gemaakt worden. Moet men niet juist hard aan de slag om, als het Rijk niet over de brug komt, het zelf te gaan regelen? De heer Top vindt dit een verstandige strategie en gaat ervan uit dat het college dit zal gaan doen. Maar zelfs de VNG roept op om die jaren niet sluitend te maken. Als alle gemeenten dat wel doen, zegt de rijksoverheid dat er niets aan de hand is. De SGP is er niet gelukkig mee, normaal zou de fractie vragen om een vierjarige sluitende begroting. Maar de fractie snapt dat dit op deze manier gebeurt. Als het tegen die tijd nog niet duidelijk is, moet er uiteraard een plan B komen. De SGP gaat niet zomaar naar dat ravijn toe.

6

De heer De Vries snapt die strategie, zeker als de VNG dit aangeeft. Hij snapt niet dat de gemeente daar het afgelopen half jaar nog niet op voorsorteerde. Er wordt al jaren over het ravijnjaar gesproken. Het zou mooi zijn als de raad met voorstellen zou komen om dit te verbeteren. De heer Top denkt dat dit te vroeg komt voor de raad. Hij adviseert de heer De Vries om dit in zijn bijdrage mee te nemen. De heer Top vervolgt zijn eerste termijn. ‘Van hieruit naar negen inhoudelijke punten: 1. De SGP heeft er nadrukkelijk waardering voor dat, tegelijk met de Kadernota, gevraagd wordt om goedkeuring voor het Programma Waardevol Landelijk Gebied. Dit is belangrijk voor de toekomst van onze boeren en van ons buitengebied, gezien de te verwachten landbouwtransitie. Het sluit naadloos aan bij één van de speerpunten van de SGP: ruimte voor de boer. Het is werk, niet zozeer voor de te verwachten ‘stoppers’ maar juist voor boeren die door willen. Wij zullen moeten nadenken over wat wij doen met vrijkomende bebouwing. De opkoop van agrarische bedrijven, vrijwillig wat de SGP betreft, en de functieveranderingen die plaatsvinden hebben grote impact op ons buitengebied maar ook op de diverse dorpen. Een vraag hierbij is: hoe gaat het college ervoor zorgdragen dat de rijksoverheid gaat meebetalen aan dit programma? 2.

Wij zien dat de ambitie om voldoende woningen en zeker betaalbare woningen te realiseren onder druk staat, deels komt dat door huidige wet- en regelgeving, deels door de veelal traditionele manier van bouwen. Er zijn nieuwe en snellere bouwmogelijkheden. Deze kunnen bijdragen aan het versnellen van de woningbouw, zoals huizen uit de fabriek en prefab houtskeletbouw. Om dit te benadrukken dienen we hierover motie 9 Woningbouw Kadernota 2024-2027 in. 3. Wij vinden in de Kadernota beperkt informatie over energietransitie en de netcongestie. Het zijn belangrijke zaken, zeker de netcongestie zoals onlangs bleek uit de antwoorden op schriftelijke vragen van de SGP en het bericht van TenneT van gisteren. Dit geheel gaat grote gevolgen hebben voor zowel ondernemers als consumenten. Wij willen het college oproepen om hier blijvend werk van te maken en de gemeenteraad ervan op de hoogte te houden. 4. Belangrijk voor de SGP is ook de verdere ontwikkeling van bedrijventerreinen. Dit is hard nodig nu wij lezen dat in diverse gevallen de gemeente geen grond beschikbaar heeft bij verzoeken. Graag een reactie hierop van het college. 5. Het is goed dat in de Kadernota extra aandacht is voor veiligheid, dit is belangrijk in de huidige tijd met ook in onze gemeente groeiende criminaliteit, misdrijven, onjuist middelengebruik en verkeerd gedrag.

De heer De Vries gaat in op punt 2, de out of the box-ideeën voor woningbouw. Er zijn al veel ideeën naar voren gebracht in de raad en er zijn verschillende moties aangenomen op dat gebied. Maar op de één of andere manier lukt het niet, het is niet betaalbaar of er zijn andere problemen. Hij vraagt wat de motie gaat toevoegen richting college en uiteindelijk mogelijk de samenleving naast alle breed door de raad gedragen initiatieven die er al zijn. De heer Top wijst erop dat er de laatste jaren meer initiatieven komen om woningen sneller en meer betaalbaar te bouwen. De fractie wil hiermee het college oproepen om daar serieus werk van te maken. De heer De Vries vraagt of de SGP nieuwe initiatieven wil toevoegen aan de vele zaken die al besproken zijn in de raad. De heer Top benadrukt dat er de laatste jaren nieuwe initiatieven zijn ontstaan op dit punt. Het college kan die ook zelf zien en bedenken, maar de motie is een extra oproep om ermee aan de slag te gaan omdat de fractie ziet dat er in de gemeente nog veel traditioneel wordt gebouwd. De heer Wiesenekker verwijst naar punt 3, de beperkte aandacht in de Kadernota voor de energietransitie. Dat was de ChristenUnie ook opgevallen en die stelde hierover een vraag in de 7

commissie. De wethouder gaf toen aan dat wordt voortgegaan op de doelen die in 2023 zijn gesteld. Spreker is nagegaan wat die doelen zijn. Er is een jaarplan opgesteld voor 2023 waarin zes pijlers staan: energieneutraal in 2050, een duurzaam en gezond voedselsysteem, broeikasgassen verminderen met 55%, in 2050 klimaatadaptief zijn, behoud biodiversiteit en een 100% circulaire economie. De wethouder gaf aan dat deze strategie in 2024 wordt voortgezet en geactualiseerd. Spreker vraagt naar de mening van de heer Top over de strategie. Volgens de heer Top geeft het te denken dat hierover in de Kadernota beperkt informatie staat. Desnoods hadden de zes punten erin opgenomen kunnen worden, de punten zijn valide. De heer Van den Born is benieuwd naar de out of the box-ideeën. Hij vraagt of de SGP die al heeft en verwijst naar een bezoek aan een bedrijf dat snel huizen kan bouwen. Staat de fractie dat idee voor? De heer Top verwijst naar de genoemde voorbeelden: houtskeletbouw (wat maar mondjesmaat gebeurt) en woningen uit de fabriek (wat groeiende is). Zijn fractie wil de ideeën niet voorschrijven aan het college, maar wil in eerste instantie de raad oproepen om daarmee aan de slag te gaan. Anders redt de gemeente het niet met de woningbouw en blijft men bij ‘niet betaalbaar’. Betaalbare huizen zijn een grote wens binnen de gemeenteraad. De heer Top vervolgt zijn eerste termijn. 6.

In de commissievergadering is al nadrukkelijk met het college gesproken over het belang van aandacht voor de groeiende groep ouderen. Ouderdom kan gepaard gaan met een verslechterende gezondheid, daarom moeten ouderen zich daarop voorbereiden. Daarbij moet men onder andere denken aan woningen, bijvoorbeeld meer levensloopbestendige woningen. De SGP wil dat er in de komende Woonzorgvisie een duidelijk verband wordt gelegd tussen wonen en zorg, met daarbij aandacht voor het omzien naar elkaar. De vraag aan het college is hoe dat meer handen en voeten gegeven kan worden. 7. Uit de Kadernota blijkt dat de inzet op preventieve activiteiten in onder andere de jeugdzorg versterkt gaat worden. Dat is een goede zaak. Naast de positieve invloed die dit heeft op de financiële situatie binnen de jeugdzorg is het ook beter voor de jeugd en hun ouders/opvoeders als voorkomen wordt dat langdurige trajecten in de jeugdzorg moeten worden ingezet. De SGP vraagt hierbij nadrukkelijk aandacht voor de plaats van identiteitsgebonden organisaties. Identiteit is belangrijk bij de activiteiten op het preventieve vlak, mensen moeten zich thuis voelen bij de activiteiten die worden aangebonden. 8. Het is goed om te vernemen dat de nodige resultaten zijn geboekt voor wat betreft de verbetering van de dienstverlening en van toenemende digitalisering. Er moeten nog meer stappen worden gezet.

De SGP zal dit nauwgezet blijven volgen. 9. De SGP wil aandacht vragen voor begrafenissen in de gemeente. Hiervoor gelden strakke tijden, wat de fractie betreft té strak. Er kunnen zelfs boetes worden uitgedeeld als een begrafenisstoet te laat komt. Deze strakke aanpak vinden wij voor een dergelijk emotioneel moment niet passen. Daarom willen wij oproepen om met bloktijden te werken in plaats van vaste tijden. In andere gemeenten werkt dit al zo. Wij dienen hiervoor motie 10 Bloktijden begrafenissen in. De SGP zal de diverse raadsvoorstellen bij dit agendapunt steunen. Daarbij willen wij onze waardering uitspreken voor het vele werk dat in de afgelopen periode is verzet. Wij wensen alle betrokkenen van harte Gods zegen toe in het vervolg. Wij moeten bij dit alles bedenken dat onze inzet mensenwerk is. Wij zijn afhankelijk van de zegen van God en van de kracht en wijsheid die Hij geeft. Die zegen wensen wij toe aan ons allen. Ik dank u wel’ De voorzitter wijst erop dat moties 8, 9 en 10 worden toegevoegd aan de beraadslaging. De heer De Vries voert het woord namens de fractie van het CDA. Voorzitter, 8

‘Er was eens een voetbalmanager uit een ander dorp die een aanstelling kreeg bij een Barneveldse voetbalclub. Hij startte voortvarend. Op het gebied van financiën en organisatie had hij grootse plannen en wilde hij fors investeren. Er werd contact gezocht met nieuwe geldschieters, wegen om het complex kregen de aandacht, het stadion zou moeten worden uitgebreid en kunstgras werd gewoon weer maaibaar gras. ‘Grote ambities die horen bij een club die wil groeien’, vernamen de supporters bij de persconferentie en in het clubblad. Het bestuur van de club had daar wat twijfels bij. Hoe gaan we dat allemaal betalen en wat betekent dat voor de financiële toekomst van onze vereniging? En zijn dit wel de juiste prioriteiten? Bij de twee belangrijkste bestuursvergaderingen van het jaar was deze discussie duidelijk hoorbaar, maar de voetbalmanager hield voet bij stuk: dit moet kunnen, we kunnen het gemakkelijk dragen en er is geen reden tot paniek. De resultaten op het veld vielen echter vaak tegen. Voorzetten waren slordig of kwamen zelfs niet eens aan. Natuurlijk, er werd wel eens een mooi doelpunt gescoord waar het publiek voor kon klappen, maar de ploeg keek al snel weer tegen een achterstand aan. Ook externe geldschieters werden binnengehaald, maar dat werd vooral besteed aan de wegen en de bomen op de parkeerplaats.

De voetbalmanager bleef stoïcijns voor zijn beleid staan, al liepen de positieve geluiden wel wat terug. En toen, pardoes een half jaar later, kwam er toch een zenuwachtig bericht van de manager in de krant: ‘De tijd dat alles kon is voorbij’ en ‘Ik heb vaker tegen het bestuur gezegd dat ze wel heel veel willen’. Volgens de manager gaat de Barneveldse voetbalclub het met deze selectie en de financiën nu en in de toekomst niet redden. In de eerstvolgende bestuursvergadering was dan ook snel de vraag: ‘Oké, manager en nu dan?’ Het bestuur was verbaasd over het antwoord: ‘Dat ga ik eerst met mijn technische staf een half jaar bespreken, maar als u nog leuke ideeën heeft, dan is nu het moment!’ De heer Van den Born herinnert de heer De Vries eraan dat de leden van de voetbalclub besloten hebben tot die investeringen. De heer De Vries vervolgt zijn bijdrage in eerste termijn. ‘U hebt vast wat vergelijkingen gehoord want dit zijn inderdaad taferelen bij het huidige Barneveldse college. Het moment dat het bestuur van de voetbalclub heeft, hebben wij nu ook. Er zijn forse problemen en uitdagingen en degenen die de lijnen uitzetten, leggen de bal bij de gemeenteraad. Maar het college staat dagelijks op het veld, weet wat er speelt en stelt uiteindelijk op. Maar er is geen actieplan. Er wordt niets opgesteld. Het enige wat dit college stelt is teleur.

Wij zeggen dan ook: college, ga nu aan de slag. We dienen een amendement 27 Schrappen beslispunten 9 tot en met 14 in waarin we zes overbodige beslispunten schrappen. En dat is wat ons betreft de kern van wat er misgaat in de Kadernota. We willen namelijk geen kennisnemen van conceptplannen en financiële lijstjes in deze kadernota. En de raad hoeft geen toestemming te geven om het college haar standaardwerk te laten doen. Meent het college nu echt dat zij goedkeuring vraagt om oplossingen aan te dragen? Daarom luidt het amendement: college aan de slag! We schrappen overbodige beslispunten, hiermee is kostbare tijd verloren gegaan. Natuurlijk willen we ook ingrijpen op basis van de informatie die we nu hebben. Daarom motie 28 Reductie bomen om de bomeninvestering van €3 miljoen te schrappen dan wel te heroverwegen. Als het college en de raad écht vinden dat alles bespreekbaar is, dan is dit een hele legitieme motie. Dat geldt ook voor de motie op het gebied van wegen, motie 30 Investering wegen ten opzichte van andere speerpunten. Er moet heel kritisch gekeken worden of alles wel nodig is.

Het gaat om veel geld en dit kan een maatregel zijn waarmee andere ambities voorrang gegeven kan worden.’ De heer Van den Born verwijst naar motie 28 Reductie bomen en vraagt of de heer De Vries het met hem eens is dat bij de dorpsplannen die de raad ontvangt, het bijna overal over groen gaat. Er zijn zorgen over tekort aan groen, over te weinig groen in de dorpskernen. Met de motie zegt het CDA: gekapt maar niet vervangen.

9

In de motie staat dat vervanging van de bomen wellicht kan worden uitgespreid of geschrapt. Het bedrag staat in de MIP voor €2,9 miljoen over een periode van tien jaar. Dat is al aardig uitgespreid. Hij vraagt hoe ziet de heer De Vries de spreiding over twintig, dertig of veertig jaar ziet. De heer De Vries is het ermee eens dat er veel behoefte aan groen is. Het CDA is daar voorstander van, maar vindt dat in de Kadernota alles bespreekbaar moet zijn richting de begroting. Hier wordt gezegd dat overal over gesproken mag worden, maar niet over bomen en over wegen. Maar juist daar kan kritisch gekeken worden of iets nodig is of niet. In het MIP is dit uitgesmeerd over meerdere jaren, maar dat zegt niet zoveel. Er staat dat het verder geen status heeft, het is niet door de raad vastgesteld. Door de twee moties in te dienen wil de raad het college de ruimte geven om op alle gebieden, dus ook bij bomen en wegen, kritisch te kijken of het allemaal nodig is. De heer Van den Born constateert dat het CDA blijft zeggen er geen probleem mee te hebben dat de gemeente de komende tien jaar niet overgaat tot het vervangen van bomen, die bijvoorbeeld ziek zijn, in de kernen van de dorpen die daar heel vaak om vragen in de dorpsplannen. De heer De Vries meent dit niet gezegd te hebben. De heer Van den Born zegt dit erin te lezen.

Het budget kan wellicht beter over de tijd verspreid of in het uiterste geval nagenoeg geschrapt worden. Het CDA zegt dus in de motie het geen probleem te vinden als de vervanging van bomen geschrapt wordt. De heer De Vries licht toe dat de fractie er bewust voor gekozen heeft om in de motie niet concreet aan te geven voor welke bomen dit wel of niet geldt. De raad heeft daar te weinig verstand van, het wordt bij het college en uiteindelijk bij de uitvoering neergelegd. Als het college zegt dat bepaalde bomen vervangen moeten worden en daar een goed verhaal bij heeft, dan staat hij daarachter. Maar er moet kritisch gekeken worden naar of het nodig is. Dat geldt op alle gebieden. De heer Van den Born is het ermee eens dat kritisch gekeken moet worden. Hij meent dat het CDA bij motie 30 te stellig is over het vervangen van bomen. Inwoners vragen daar vaak om. De heer De Vries zegt toe te bekijken of de zinnen aangepast kunnen worden waardoor de motie voor Lokaal Belang acceptabel zou worden. De heer Wiesenekker memoreert dat zojuist amendement 27 Schrappen beslispunten 9 tot en met 14 is ingediend. Punt 12 gaat juist over het kader dat het college wordt meegegeven om breed te kijken naar mogelijkheden om minder te investeren.

Op het moment dat het amendement wordt aangenomen, voegt het CDA in feite toe: ga vooral bij wegen en bomen schrappen, het punt over het breed kijken is dan immers verdwenen. Hij vraagt waarom het CDA daarvoor kiest. De heer De Vries citeert ‘het college een opdracht te geven’, maar hij hoeft het college die opdracht niet te geven. Vandaar dat het CDA dat beslispunt schrapt. Als het gaat om andere inhoudelijke onderwerpen die in de Kadernota staan, dan is de raad daarvoor bij elkaar. Hij meent dat de breedte prima op die manier gepakt kan worden. De raad hoeft het college hiervoor geen opdracht te geven, hij meent dat dit standaard werk betreft van een college. De heer Wiesenekker concludeert dat, op het moment dat de raad dit amendement en de motie aanneemt, de raad zich beperkt tot waar geschrapt kan worden op investeren in bomen en wegen. Het voorstel van het college is beter, daarin wordt veel breder gekeken. Bomen en wegen zullen ook aan de beurt komen omdat dit twee forse kostenposten zijn. Hij vraagt of de heer De Vries dit met hem eens is. De heer De Vries legt de vraag terug en informeert of de heer Wiesenekker wel ziet dat bomen en wegen worden meegenomen in de afweging of dit wel of niet gaat plaatsvinden. Het CDA ziet dit niet in het stuk terug.

De heer Wiesenekker verwijst naar punt 12, waar staat dat er breed wordt gekeken naar mogelijkheden om investeringen te dempen. Het is in de commissie duidelijk aan bod gekomen dat het college breed wil kijken, ook naar hoe realistisch begroot kan worden op verschillende beleidsterreinen. Wat de ChristenUnie betreft, staat dit er wel. Hij herhaalt zijn vraag of de heer De Vries het met hem eens is dat, als de twee moties worden aangenomen, het CDA zich beperkt tot minder investeringen in groen en wegen en dat het beter zou zijn om dit breder te doen.

10

De heer De Vries denkt dat zijn fractie met het amendement aangeeft dat de raad het college deze opdracht niet mee hoeft te geven. Hij beaamt dat er bij de twee moties alleen naar deze onderwerpen gekeken wordt. In de tweede termijn zal hij bekijken of de tekst aangepast moet worden zodat het geheel consistenter wordt. De heer Top is het eens met de heer De Vries dat breed gekeken moet worden. Bij de SGP zijn daarbij ook bomen en wegen aan de orde. Hij vraagt of de heer De Vries zich bewust is van het feit dat de gemeente over het algemeen een vervangingsplicht heeft van bomen. Dat is een wettelijke plicht en dit wordt ook van inwoners gevraagd. Het is niet een goed voorbeeld als de gemeente dit zelf niet zou doen. De heer De Vries antwoordt dat als die plicht er is, hij uitgevoerd moet worden. De heer De Vries vervolgt zijn bijdrage in eerste termijn. ‘Dan het MIP. We spraken er al over. Het MIP zou meer inzicht geven volgens college en coalitie. Organisatorisch kan ik me nog voorstellen dat het prettig is om een keer te kijken naar alle ideeën en die te verzamelen, nu voor zo’n €500 miljoen. Maar bestuurlijk heeft het alleen waarde als er ook keuzes gemaakt worden. Nu zegt zo’n verzameling ideeën zonder inhoudelijke weging niets. Het MIP kan een prachtig instrument zijn, maar tot nu toe wordt er vooral vals op gespeeld.

We vragen niet om een college dat met een rekenmachine de samenleving in gaat, maar dat op basis van drijfveren en inspiratie kijkt wat mogelijk is. Een voorbeeld is de €1 miljoen die overblijft vanuit impuls armoedebeleid dat zomaar weer de algemene middelen ingaat. De vraag of er iets anders of iets meer nodig is, juist voor deze zorgelijk grote doelgroep, wordt niet beantwoord. Daarom stellen we voor, in lijn met de motie van de CU, om vanuit solidariteit dit geld alsnog hiervoor te bestemmen en hier beleid op te maken.’ Volgens de heer De Vries zegt het MIP op de huidige manier niets. De heer Wiesenekker benadrukt dat het een groei-instrument is, hij zal daar nog op terugkomen. Hij vraagt of niet juist het MIP, zoals dat is opgesteld, de heer De Vries het inzicht gegeven heeft om twee moties in te dienen, namelijk op het dempen van de investeringen op groen en op wegen. De heer De Vries zegt dat dit niet zo is. Dit heeft hij uit de Kadernota gehaald. Het MIP zegt hem in dit opzicht niet veel. De heer Wiesenekker meent dat het Meerjaren Investeringsplan juist laat zien dat er op termijn, als niets wordt gedaan, tekorten zullen ontstaan. Dat is een onderdeel van de opbouw van de door het CDA ingediende motie. Hij vraagt of het CDA zonder het MIP dezelfde moties had opgesteld voor de korte termijn: schrappen op groen en wegen.

De heer De Vries memoreert dat in andere jaren kadernota’s ook over investeringen voor meerdere jaren gingen, ook structureel. Ook dan werd het aan de raad voorgelegd. Momenteel wordt het vanuit het MIP gedaan. Dan had het CDA dus ook met de motie kunnen komen. De heer Wiesenekker zegt dat het MIP meer inzicht geeft. Inderdaad, als er €100 miljoen aan toegevoegd wordt, geeft dit het CDA ook meer inzicht, namelijk inzicht in dat de gemeente het niet gaat redden. Het is jammer dat er een lijst met dingen ligt die in feite niet veel zegt, waar nog keuzes in gemaakt moeten worden. Hij gelooft wel in het MIP. Maar het CDA kan niet veel met de voorliggende vergaarbak aan stukken en ideeën. De heer Wiesenekker is verheugd dat beiden geloven in het groeidocument MIP. De heer Korevaar is benieuwd wat de heer Wiesenekker voor waarde hecht aan het MIP als het college, en eigenlijk het concernteam want dat staat in het verlengde opgesteld - om in de woorden van de heer De Vries te spreken, vier keer in het stuk aangeeft dat het op dit moment niet in staat is om realistisch te begroten. De basis is momenteel al niet op orde. Hij vraagt wat een vooruitzicht over tien jaar de heer Wiesenekker waard is.

De heer Wiesenekker meent dat het alle raadsleden waard is om ook de investeringen die op de lange termijn gedaan moeten worden, te betrekken bij keuzes die voor kortere termijn gemaakt moeten worden. Men moet investeringen in het geheel bezien, wat investeringen voor de korte 11

termijn zouden betekenen is pas te zien als men ook de lange termijn ziet. Dat is de ChristenUnie veel waard. Er wordt veel werk begroot voor een jaar, maar een aantal werkzaamheden kunnen niet uitgevoerd worden door een gebrek aan menskracht of financiën. Dit wil men per jaar realistischer plannen. Voor de kortere termijn geeft het minder maar voor de langere termijn geeft het veel inzicht om op een realistische manier als raad besluiten te kunnen nemen en te kunnen begroten. De heer Korevaar begrijpt de redenering maar voelt ook mee met de heer De Vries als hij zegt: als er €100 miljoen was bijgeplust, dan had men het ook geaccepteerd omdat de raad dat niet echt kan vatten. Momenteel wordt gesproken over €500 miljoen, maar als er €600 miljoen had gestaan, had de raad het ook geaccepteerd. Ook de heer Wiesenekker is van mening dat het MIP een groeidocument is. De heer De Vries bracht naar voren dat het instrument niets zegt en dat bestrijdt spreker zeer. Het is voor het eerst dat een college zo goed inzichtelijk probeert te maken wat de raadsbesluiten voor effect hebben op de langere termijn. Hij vindt dit een compliment waard. De heer De Vries gelooft in het MIP. Maar er wordt zo vaak gezegd dat het een groeidocument is, dat er nog een keer over gesproken moet worden. Intussen is het anderhalf jaar later.

Hij pleit ervoor om keuzes vast te leggen op basis van het inzicht dat er momenteel is, maar daarbij moet ook aangegeven worden welke keuzes er niet worden gemaakt. De heer De Vries vervolg zijn bijdrage in eerste termijn. ‘Zojuist heb ik motie 24 Impuls armoedebeleid ingediend. Terug naar die voetbalcoach. Weet u wat volgens hem de belangrijkste reden was waarom het niet goed ging met de resultaten? Te veel spelers waren geblesseerd, het aantal spelers was te klein en er waren veel wisselingen in de selectie. Er was er echter maar één die daar echt verandering in kon aanbrengen en dat was de voetbalmanager zelf. Dat is niet alleen op het moment dat er gescoord wordt kloppen op je eigen borst, maar ook bij verliespartijen voor de camera gaan staan. Dat is verantwoordelijkheid nemen. Ook deze vergelijking maak ik bewust. Het probleem wordt te veel bij de medewerkers gelegd. Als CDA begrijpen we dat de arbeidsmarkt lastig is. Maar we vinden dat dit te vaak als excuus wordt gebruikt. Capaciteit of geen projectleider zijn vaak genoemde redenen. Hiermee zet het college de ambtenaren te veel in de politieke wind. En dat moet niet. Als raad hebben we de afspraak om in het openbaar niet over de ambtenarij te praten, omdat het college verantwoordelijk is.

We verlangen dan ook dat het college die verantwoordelijkheid ook andersom pakt: praat niet over uw mensen, maar sta voor uw mensen en maak zelf keuzes. We vergeten het bijna, maar de Kadernota is het politieke hoogtepunt van het jaar. Vergelijk het met de algemene politieke beschouwingen in Den Haag: het moment om inhoudelijk koers te bepalen, actie te ondernemen. Maar, en dat meen ik echt, het college ontneemt ons dat nu. We kunnen het eigenlijk alleen hebben over wat er mist en niet over wat we vinden van wat er staat. We vroegen nog om een schematisch lijstje met uitgangspunten en speerpunten, maar dat kon ons niet gegeven worden. Een kadernota zonder kaders.’ De heer Van den Born gaat in op de opmerking van de heer De Vries dat het college de raad de kans om discussie te voeren ontneemt. Hij informeert wat er anders is aan de Kadernota dan de afgelopen jaren. De raad kan moties en amendementen blijven indienen, kan het college opdrachten geven. De heer De Vries heeft een motie ingediend om zes beslispunten te schrappen. Indien hier een meerderheid voor komt, kan de fractie bepalen wat het college moet doen richting de begrotingen. Dat het college dit keer geen hapklare brokken heeft neergelegd in de beleidstoevoegingen is ander beleid. Maar dat verandert niets aan de mogelijkheid van de gemeenteraad om de kaders te bepalen.

Er is wat veranderd, maar dat wil niet zeggen dat de raad minder kan en minder mag. De heer De Vries beaamt dat er iets is veranderd. Bij een kadernota was de raad gewend om over de kaders te spreken die het college voorstelde als het ging over hoe de komende jaren eruit kwamen te zien. Het college heeft bepaalde kennis, daarop wordt ingegrepen en er worden maatregelen genomen; er wordt geïnvesteerd of bezuinigd. Dan wordt de mening van de raad gevraagd. Waar 12

momenteel voor wordt gekozen is: er wordt nog een half jaar over gesproken en het college komt er in de begroting op terug. Er zijn dus bepaalde ideeën en gedachten bij het college, maar de raad kent die niet want ze staan niet in het stuk. Het college ontneemt de raad dus de kans om het daarover te hebben, de raad moet wachten op de begroting. Natuurlijk kunnen de fracties daar eigen ideeën aan toevoegen, maar zij hebben geen idee waar zij dat aan toevoegen. De heer Van den Born wijst erop dat het college heeft gezegd dat het aantal beleidstoevoegingen wordt verminderd omdat het eerst wil afmaken wat nog niet afgemaakt was. Er ligt dus geen lijst van beleidstoevoegingen waar de raad over kan besluiten, maar dat neemt niet de mogelijkheid van het indienen van een motie of amendement weg. Spreker begrijpt niet waarom de heer De Vries de Kadernota als een andere kadernota ziet dan die van de afgelopen jaren omdat er geen beleidstoevoegingen zijn gevoegd. Daar moest zijn fractie ook aan wennen, maar het wil niet zeggen dat het een andere kadernota is. De heer Korevaar vraagt of de heer Van den Born het met hem eens is dat, als er een beleidsarme kadernota ligt (of een kadernota die in kadernood verkeert, zoals een fractiegenoot het formuleerde), de begroting dan ook beleidsarm moet zijn. Volgens de heer Van den Born hoeft dat niet.

De fracties zijn nog steeds in staat om hun kaders of hun moties in te dienen en als hier een meerderheid voor is, moet het college daar wat mee doen. Dat verandert niet. De heer Korevaar stelt dat er dan iets wezenlijks verandert: als de raad momenteel niet over de kaders spreekt die kunnen veranderen tijdens de begroting van 2024, dan wordt de raad er pas op dat moment mee geconfronteerd en door overvallen. Dat moet men niet willen. De Bestuursacademie stelt dat men dan alleen maar met kleine correcties komt op de begroting, dus op de kaders die zijn vastgesteld. De heer Van den Born meent dat de begroting ook de omgeving is waar gepraat kan worden over geld, geld dat vaak vast zit aan kaders. Maar er zijn ook andere zaken die besproken kunnen worden, het gaat deze dag niet alleen om het geld. De heer De Vries concludeert dat er sprake is van een verschil van mening. Het CDA vindt het belangrijk om kaders te krijgen van het college, dat het college weet welke kant het op wil met de raad. Dat is de fractie gewend. Dit is kennelijk veranderd. Dat betreurt hij. Hij zal in zijn bijdrage een aantal punten noemen die het CDA toegevoegd zou willen zien. De heer De Vries vervolgt zijn bijdrage in eerste termijn. ‘Wij zien het belang van een kadernota en zien dat deze bij dit college onder druk staat.

Daarom ondersteunen we motie 5 Instrument kadernota van Pro‘98 met de oproep om een kadernota blijvend voor te leggen aan de raad. Het niet maken van keuzes ligt wat ons betreft in lijn met de afgelopen anderhalf jaar van deze coalitie. Toen noemden we deze samenwerking ‘de coalitie van het ongemak’. En dat had vooral te maken met het broze vertrouwen van SGP en ChristenUnie aan de ene kant en Lokaal Belang aan de andere kant. De coalitie gaf vooral aan dat ze elkaar op inhoud goed hadden gevonden. Zolang je moeilijke keuzes uit de weg gaat, lukt dat wel. Als ik een wedstrijd ga boksen met Rico Verhoeven maar met hem afspreek dat we niet mogen slaan en schoppen, sta ik ook zonder kleerscheuren op het podium. De grote verliezer is dan het publiek, de inwoners waar we het voor doen. Vanuit college en coalitie kwam al snel de opmerking: het staat jullie vrij om zelf met plannen te komen, de heer Van den Born zei het zojuist ook. Hoezeer we ook vinden dat het college een koers zou moeten bepalen waar wij op kunnen voortborduren: we komen toch met suggesties. Een aantal voorstellen om te bezuinigingen dan wel te prioriteren noemde ik al. Ik heb nog drie voorstellen die u vast en zeker bij het CDA vindt passen: Als eerste de toekomstbestendigheid van onze dorpshuizen. Bij de afgelopen begroting vroegen we hier al raadsbreed aandacht voor en het is nog urgenter geworden.

Zeker als het gaat om verduurzaming. We vragen van het college om geld te reserveren om dorpshuizen te helpen in hun uitdaging op het gebied van duurzaamheid (motie 11 Dorpshuizen). 13

-

-

-

Ook vragen we van het college concreet werk te maken van onze enquête als het gaat om speeltuintjes in de wijken. Door deze motie aan te nemen geven we het college concrete locaties mee in de voorbereidingen richting het nieuwe Speelruimtebeleidsplan (motie 31 Speelruimte in wijken). Ook dienen we motie 29 Landelijke SPUK-regeling als extra impuls in om landelijk vrijkomende gelden (SPUK, een brede regeling vanuit het Rijk) van bijna een miljoen euro per jaar ook echt extra te investeren in de Barneveldse samenleving. Investeren in sport, bewegen, cultuur en gezondheid is hard nodig. Dit moet geen manier zijn om lokale investeringen hiervoor in te ruilen. De zogenoemde SPUK-regeling is een extra investering, niet een vervanging. Als laatste motie 12 Sporthal Kootwijkerbroek. Een lang gekoesterde wens. In Kootwijkerbroek staan Plaatselijk Belang, verenigingen en bedrijven te trappelen om gebruik te maken van de hal. Het is nu tijd om als politiek een keuze te maken voor de komende veertig jaar. Daar hoort met de groei van Kootwijkerbroek en Stroe een sporthal bij. Het plan ligt er, het enthousiasme is er, nu nog een college dat er concreet werk van wil maken. Garanties kunnen we niet geven, maar het zou helpen als het college de gesprekken opent met de mogelijkheid van een sporthal. Dat is alles wat in de motie wordt gevraagd.

De motie is in goede samenwerking met de ChristenUnie tot stand gekomen en wordt ondersteund door Pro’98, Burger Initiatief en VVD.’

De heer Korevaar vraagt zich af of motie 12 geldig is. Er is hier blijkbaar sprake van een fusie tussen CDA en ChristenUnie. Hij vraagt de griffier of dit technisch klopt. Griffier Bakker antwoordt dat het klopt. De motie wordt ingediend door leden en is in die zin geldig. De heer De Vries vervolgt zijn bijdrage in eerste termijn. ‘Ik kom bij de afronding van mijn bijdrage. ‘Het college moet aan de bak om onze steun te verzilveren’ zeiden we bij de begroting vorig jaar. Kortgezegd: dat is niet gelukt. En we hopen dat het college zich daar bewust van is. Met dergelijke stukken staat u wat ons betreft net als de voetbalmanager in de degradatiezone. En dat heeft voor een voetbalmanager vaak een consequentie. Maar nog erger: het heeft ook consequenties voor onze inwoners. Dit zwalkende beleid zonder duidelijke koers knaagt aan het broze vertrouwen in de samenleving en in de politiek. We vragen ons echt af of u dat tij weet te keren. Zet lijnen uit, maak keuzes, de blessuretijd is ingegaan. Dank u wel.’ De voorzitter wijst erop dat amendement 27, moties 11 en 12, moties 28, 29, 30 en 31 worden toegevoegd aan de beraadslaging. De heer Van den Born voert het woord namens de fractie van Lokaal Belang. ‘Voorzitter, Allereerst dankt onze fractie het college en alle ambtenaren die hard gewerkt hebben aan deze Kadernota. Wij dienen vandaag vijf moties in. 1.

De eerste is motie 13 Afschaffing hondenbelasting, geïnspireerd door het college tijdens de commissievergadering waar wij spraken over forenzenbelasting. Hierin beargumenteerde het college dat het een groep burgers geen evenredige verhoging van de belasting wenst op te leggen.’ De heer Bos memoreert dat de VVD twee jaar geleden een soortgelijke motie over het afschaffen van hondenbelasting heeft ingediend, met daarbij de dekking. Lokaal Belang was daar toen tegen. Hij vraagt de fractie wat daar verander…. (geluid valt weg). De heer Van den Born antwoordt dat de argumentatie uit het college zelf kwam. Dat is een verschil. De heer Bos vraagt waarom Lokaal Belang twee jaar geleden niet heeft gezegd dat het een goed idee was, met daarbij een sluitende begroting.

14

De heer Van den Born licht toe dat zijn fractie toen de argumentatie niet zag. Dit is momenteel wel het geval. De heer Bos dankt voor dit inzicht. Volgens de heer Korevaar is dit een motie waarbij hij denkt: neem als fractie een standpunt in. De fractie wil de hondenbelasting afschaffen en de implicatie ervan is bekend. De heer Bos doelde daarop, het kost geld. Het geld moet ergens anders vandaan gehaald worden. Dit hoeft niet onderzocht te worden, een fractie zegt gewoon van de hondenbelasting af te willen. De heer Van den Born brengt naar voren dat Lokaal Belang dit wil onderzoeken. De heer Top komt terug op de opmerking van de heer Korevaar dat hiermee geld gemoeid is. Hondenuitlaatplaatsen en dergelijke kosten de gemeente geld. Hij vraagt hoe de heer Van den Born dat denkt te financieren. De heer Van den Born verwijst naar de tekst van de motie. De fractie zegt niet dat het college op dit moment de hondenbelasting moet afschaffen, maar vraagt het college in aanloop naar de programmabegroting te onderzoeken wat de implicaties zijn. Er zijn ook kosten waar de gemeente dan niet meer mee te maken hebben. Bijvoorbeeld voor controleurs, de gemeente heeft hier veel geld aan gespendeerd. De heer De Vries herinnert eraan dat Lokaal Belang bij de afgelopen verkiezingen aangaf tegen hondenbelasting te zijn.

In de motie staat dat er eerst een onderzoek moet komen, dat er dan naar de implicaties wordt gekeken, naar wat het allemaal betekent. Hij vraagt of dit betekent dat Lokaal Belang twijfelt aan het willen afschaffen van de hondenbelasting. De heer Van den Born licht de argumentatie toe. Onlangs heeft het college bij een discussie over de forenzenbelasting de argumentatie gebruikt dat zij een groep burgers geen evenredige verhoging van de belasting wenst op te leggen waar anderen door de systematiek worden ontzien. Lokaal Belang constateert dat er ongelijkheid is tussen hondenbezitters en bezitters van veel andere dieren. In het kader van de toen gemaakt afspraken wordt het college gevraagd het te onderzoeken. De heer De Vries herhaalt dat de heer Van den Born dit nodig heeft om uiteindelijk te kunnen bepalen of de fractie voor de afschaffing van de hondenbelasting is. De heer Van den Born erkent dit. De heer De Vries concludeert dat de heer Van den Born nog twijfelt aan het afschaffen van de hondenbelasting. De heer Van den Born beaamt dit. Zijn fractie is zeer benieuwd naar de bevindingen van het college. De heer De Vries concludeert dat dit zijn fractie wat heeft geleerd over wat in verkiezingstijd wordt gezegd en wat momenteel wordt gezegd.

De heer Wiesenekker wijst erop dat in onderzoeken die gedaan worden naar overlast in wijken, naast hardrijders hondenpoep vaak hoog scoort, het staat op één of twee. De heer Van den Born geeft zojuist aan dat, op het moment dat de hondenbelasting zou worden afgeschaft, een deel van de investering niet meer gedaan hoeft te worden, namelijk die in mensen die toezicht houden. De veiligheid wordt uitgebreid. Hij vraagt of het niet zo is dat de overlast die momenteel al wordt ervaren in de wijken, terwijl er nog wordt gecontroleerd, veel groter gaat worden. Gaat men niet overal hondenpoep in de wijken aantreffen? Spreker zou zich daar zorgen over maken. De heer Van den Born licht toe dat het Lokaal Belang ook gaat om de evenredigheid. In de wijk waar hij woont hebben huizenbezitters meer last van kattenpoep in de tuin dan van hondenpoep op de stoep. De heer Wiesenekker vraagt of dat niet betekent dat de heer Van den Born het college moet verzoeken om een kattenbelasting. Spreker realiseert zich dat dit niet mag. De heer Van den Born merkt op dat er wat grappig wordt gedaan over de motie. Lokaal Belang vraagt het college niets meer en niets minder dan om te onderzoeken wat de implicaties zijn van het afschaffen van de hondenbelasting, gebaseerd op de eerdergenoemde opmerking van het college 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=dfa5fb70-395a-41fa-b381-656341a47971