CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Meentweg IV, partiële herziening Grenscorrecties_Toelichting_Bijlage 11 Quickscan Wet natuurbescherming (2020).pdf

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Meentweg IV partiële herziening grenscorrecties10.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Flora- en faunaquickscan op een planlocatie aan de Meentweg 19 te Kootwijkerbroek Toetsing aan de Wet natuurbescherming

Flora- en faunaquickscan op een planlocatie aan de Meentweg 19 te Kootwijkerbroek

Colofon: Opdrachtgever:

Dhr. Mouw

Tekst en foto’s:

J.H.S. Rijsdijk MSc.

Rapportkenmerk:

R19036-01

Status rapport:

Definitief

Datum:

16-01-2020

Contact:

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies Ugchelseweg 86 7339 CL Ugchelen 06-15383223 info@natuurkompas.nl www.natuurkompas.nl

© Natuurkompas. Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale reproductie of anderszins noch mag het zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd Natuurkompas is niet verantwoordelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Natuurkompas. De opdrachtgever vrijwaart Natuurkompas voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Inhoudsopgave

1

2

3

4

5

Inleiding .......................................................................................................................................... 3 1.1

Aanleiding .............................................................................................................................. 3

1.2

Doel ......................................................................................................................................... 3

1.3

Leeswijzer .............................................................................................................................. 3

Beleidskader .................................................................................................................................. 4 2.1

Inleiding Wet natuurbescherming ....................................................................................... 4

2.2

Soortbescherming................................................................................................................. 4

2.3

Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 5

Plangebied en werkzaamheden ................................................................................................. 8 3.1

Beschrijving onderzoeksgebied .......................................................................................... 8

3.2

Geplande werkzaamheden ............................................................................................... 10

Werkwijze ..................................................................................................................................... 11 4.1

Soortbescherming............................................................................................................... 11

4.2

Gebiedsbescherming ......................................................................................................... 11

Resultaten en effectbeoordeling ............................................................................................... 12 5.1

Vaatplanten.......................................................................................................................... 12

5.2

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................. 12

5.3

Vleermuizen ......................................................................................................................... 14

5.4

Vogels ................................................................................................................................... 16

5.5

Reptielen en amfibieën ...................................................................................................... 19

5.6

Overige beschermde soorten............................................................................................ 20

5.7

Samenvatting....................................................................................................................... 21

6

Mitigatie ........................................................................................................................................ 23

7

Gebiedsbescherming ................................................................................................................. 24

8

7.1

Natura 2000-gebieden ....................................................................................................... 24

7.2

Storingsfactoren .................................................................................................................. 25

7.3

Effectbeoordeling ................................................................................................................ 26

7.4

Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk) ..................................................... 26

Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................... 27 8.1

Conclusies ........................................................................................................................... 27

1 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

8.2

Nader onderzoek ................................................................................................................ 28

8.3

Aanbevelingen..................................................................................................................... 29

Literatuurlijst ............................................................................................................................................

2 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Dhr. Mouw is voornemens om enkele leegstaande varkensstallen en een loods te slopen. Vervolgens wordt het kavel gesplitst en wordt op het nieuwe kavel een bedrijfswoning met bijgebouw gerealiseerd. De nieuwbouw wordt landschappelijk ingepast. Voor deze uitbreiding is het noodzakelijk om een bestemmingsplan op te stellen. Onderdeel daarvan is een flora- en faunaquickscan. In een flora- en faunaquickscan worden de (mogelijke) effecten op beschermde dier- en plantensoorten in kaart gebracht. In deze quickscan moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op onder de Wet natuurbescherming beschermde dier- en plantensoorten. Indien dit niet uit te sluiten is, moet mogelijk nader onderzoek plaatsvinden, mitigerende (verzachtende) maatregelen getroffen worden en/of eventueel een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Natuurkompas is door dhr. Mouw gevraagd een flora- en faunaquickscan uit te voeren om de effecten van de sloop en nieuwbouw op eventueel aanwezige beschermde dier- en plantensoorten in kaart te brengen. Er wordt hierbij ingegaan op het soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming. Tevens wordt kort ingegaan op het aspect gebiedsbescherming.

Voorliggende flora- en faunaquickscan is gebaseerd op een gebiedsanalyse, beschikbare verspreidingsgegevens van beschermde plant- en diersoorten en een biotoopinschatting die is gemaakt tijdens een verkennend veldonderzoek.

1.2

Doel

Deze flora- en faunaquickscan geeft antwoord op de volgende vragen:  Welke onder de Wet natuurbescherming beschermde dier- en plantensoorten komen (mogelijk) voor in het plangebied?  Welke negatieve effecten kunnen deze soorten ondervinden door de ingreep?  Welke negatieve effecten kunnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden ondervinden door de ingreep?  Leidt de ingreep tot negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk  Is er als gevolg van de voorgenomen plannen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming?  Is nader onderzoek noodzakelijk?  Is het treffen van mitigerende maatregelen noodzakelijk?  Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

1.3

Leeswijzer

Deze rapportage is ingedeeld in verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader, de Wet natuurbescherming, toegelicht. In hoofdstuk 3 worden de ligging van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden doorgenomen, waarna in hoofdstuk 4 de werkwijze wordt toegelicht. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van de flora- en faunaquickscan beschreven en worden de effecten van de voorgenomen ingreep bepaald. In hoofdstuk 6 worden mitigerende maatregelen beschreven waarmee negatieve effecten op beschermde soorten kunnen worden voorkomen. De toetsing aan gebiedsbescherming is beschreven in hoofdstuk 7. De toetsing wordt afgesloten met een conclusie in hoofdstuk 8. Eventuele relevante (verspreidings)literatuur is opgenomen in een literatuurlijst.

3 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

2

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op voor de voorgenomen ingreep relevante natuurwetgeving en het natuur- en soortenbeleid van de diverse overheden. In deze rapportage wordt ingegaan op hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In dit hoofdstuk is de soortbescherming vastgelegd. Daarnaast wordt kort het beleidskader voor gebiedsbescherming geschetst.

2.1

Inleiding Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie ‘oude’ natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is de bescherming en ontwikkeling van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Op termijn gaat de Wet natuurbescherming op in de Omgevingswet. De Omgevingswet treedt op 1 januari 2021 in werking. De uitwerking van de Wet natuurbescherming is vastgelegd in de Regeling Natuurbescherming en het Besluit Natuurbescherming. De Provincie Gelderland, waar dit project plaatsvindt, heeft de volgende relevante verordeningen en regelingen voor natuurbescherming vastgesteld:  Omgevingsverordening Gelderland  Omgevingsvisie Gelderland De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (Soorten) en hoofdstuk 4 (Houtopstanden).

2.2

Soortbescherming

De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) kent een apart hoofdstuk waarin de soortbescherming is vastgelegd. De Wnb kent 4 beschermingsregimes voor soorten:  art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels;  art 3.5: bescherming van dieren en planten die in de bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten genoemd’;  art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving.  Algemene zorgplicht zoals verwoord in artikel 1.11. In de genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de tevens in dat artikel genoemde verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen uit de Wnb zijn (iets) anders geformuleerd dan de verbodsbepalingen uit de Ffwet. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten/voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat 1 nesten niet weggenomen mogen worden .

Daarnaast is de lijst met beschermde soorten gewijzigd: naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wnb. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen. Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden

1 De term jaarrond beschermde nesten (met een verdeling in 5 categorieën) is niet in de wet genoemd. De verwachting is wel dat uitwerking van dit onderwerp door provincies gevolgd gaat worden.

4 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). Onder de Wnb zal voor deze soorten een ontheffingsplicht gaan gelden, behalve als het bevoegd gezag, de Provincie of ministerie van LNV, door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit. De bevoegdheid voor het verlenen van 2 een ontheffing of vrijstelling wordt overgeheveld naar de provincie . Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen middels een verordening. Provincie Gelderland heeft in januari 2017 de provinciale verordening en vrijstelling gepubliceerd. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën in geval van ruimtelijke ontwikkeling. Deze soorten stonden voorheen op tabel 1 van de Flora- en faunawet. Zorgplicht soortenbescherming Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb art. 1.11.

Deze plicht houdt in dat een ieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.

2.3

Gebiedsbescherming

Bescherming van gebieden verloopt over twee sporen, namelijk via de Wnb voor Natura 2000gebieden en via een planologisch beschermingsregime voor het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige EHS (hierna: NNN). Hieronder worden beide beknopt toegelicht. Natura 2000 Hoofdstuk 2 van de Wnb richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijnen worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Deze gebieden staan bekend als Natura 2000-gebieden. Naast beschermde Natura 2000-gebieden was er vroeger ook sprake van Beschermde Natuurmonumenten. Deze zijn niet meer als zodanig beschermd en zijn, indien zij niet zijn opgenomen in een Natura 2000-gebied, al dan niet onder het NNN geschaard en als zodanig planologisch beschermd. Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen (of momenteel nog zijn aangemeld), te voorkomen, bepaalt de Wnb dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op opstandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (conform artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). In Aanwijzingsbesluiten wordt door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd.

Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen ofwel Natura 2000-doelen, geven een concretisering van de hoofddoelstelling van het Natura 2000-netwerk voor Nederland. Instandhoudingsdoelstellingen zijn

2 Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van Wet natuurbescherming genoemde projecten (van nationaal belang).

5 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de Natura 2000-beheerplannen wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen willen realiseren. Het aanwijzingsbesluit definieert naast de instandhoudingsdoelstellingen de precieze omvang en begrenzing van het aangewezen gebied. Provincies en Rijksoverheid zijn verantwoordelijk voor de realisatie van maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Aanwijzingsbesluiten hebben een onbepaalde looptijd en worden vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Niet enkel activiteiten binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied kunnen invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloedgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedgebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Voor de vergunningverlening betekent dat ook voor activiteiten buiten het gebied getoetst moeten worden in het kader van de Wnb.

Natuurnetwerk Nederland Met het oog op artikel 1.12, lid 1 van de Wnb draagt de provincie Gelderland zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, het NNN (in Gelderland het Gelders Natuurnetwerk, GNN, genoemd). De provincie wijst daartoe gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Deze gebieden zijn begrensd met een zogenoemde groene contour. Om de samenhang van de bestaande natuur in het GNN te beschermen wil de provincie verbindingszones aanleggen in de Groene Ontwikkelingszone (GO). De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur en die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Het betreft vooral landbouwgronden, maar ook wel woningen en bedrijven. Ook de weidevogelgebieden en Ganzenfoerageergebieden maken onderdeel uit van de GO. De provincie Gelderland heeft beleid vastgesteld voor de GO. Er zijn kernkwaliteiten benoemd waaraan getoetst wordt bij relevante ontwikkelingen. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het GNN en de GO zijn in principe niet toegestaan zodra deze een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN of de kernkwaliteiten van het GO hebben. Dit wordt geborgd door het planologische beschermingsregime ‘nee, tenzij’.

Indien er sprake is van significant negatieve effecten, kan de voorgenomen ontwikkeling geen doorgang vinden, tenzij deze voldoet aan enkele randvoorwaarden:  De ontwikkeling moet van groot openbaar belang zijn;  Er zijn geen reële alternatieven aanwezig;  Negatieve effecten worden zoveel mogelijk beperkt. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling onder bovengenoemde voorwaarden wordt toegestaan, moeten de verloren gegane natuurwaarden worden gecompenseerd. Dit principe staat bekend als natuurcompensatie. De provincie verleent pas medewerking aan een ontwikkeling wanneer ook aan de vereisten van het compensatiebeleid wordt voldaan. Beleid zoals beschreven in de omgevingsverordening van de provincie Gelderland Beschermingsregime GO In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij:  Geen reële alternatieven aanwezig zijn;  Sprake is van redenen van groot openbaar belang;

6 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

 

De negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; De overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits:  in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; en  deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. De kernkwaliteiten van de GO in zijn algemeenheid zijn als volgt gedefinieerd:  de samenhang met aangrenzende natuurgebieden;  de aanwezige en nog te ontwikkelen natuurwaarden (in het bijzonder de ecologische verbindingszones);  de landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische en archeologische waarden;  de abiotische kwaliteiten 4.3.5 Rust, ruimte en stilte, donkerte, openheid en 'rust' (omgevingscondities).

7 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

3

Plangebied en werkzaamheden

3.1

Beschrijving onderzoeksgebied

Het plangebied is gelegen aan de Meentweg 19 in Kootwijkerbroek, in de provincie Gelderland. Kootwijkerbroek ligt ten noorden van Ede, ten westen van Apeldoorn, ten zuiden van Putten en ten oosten van Amersfoort. Kootwijkerbroek ligt in de Gelderse Vallei. De directe omgeving van Kootwijkerbroek wordt gekenmerkt door open agrarisch gebied in het noordwesten, westen en zuiden. Op iets grotere afstand bevinden zich de uitlopers van de Veluwe en de snelweg A1 in het noorden. Het plangebied zelf is gelegen in het buitengebied van Kootwijkerbroek. Het plangebied grenst in het noorden aan de Meentweg en in het oosten, zuiden en westen aan agrarisch grasland (zie ook afbeelding 3.1).

8 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Afbeelding 3.1: Boven: Globale ligging van het plangebied met in rood de plangebiedsgrenzen en in geel de te slopen bebouwing. Midden: Detailafbeelding van de te slopen bebouwing (geel omlijnd en individueel benoemd). Onder: Topografische kaart met ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: QGIS Geographic Information System, 2020. Bewerking: Natuurkompas, 2020.

9 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

In de huidige situatie bestaat het plangebied deels uit een verhard en bebouwd erf en deels uit agrarisch grasland. De voorgenomen werkzaamheden hebben enkel betrekking op het verharde deel. De spaarzame beplanting wordt voornamelijk gevormd door de voortuin van de woning en enkele bomen langs de weg. In onderstaande afbeeldingen (afbeelding 3.2) wordt een korte impressie van het plangebied gegeven ten tijde van het veldbezoek.

Afbeelding 3.2: Impressie van het plangebied: Verschillende te slopen opstallen op het erf. Van linksboven naar rechtsonder de stallen F en D, loods H en stal E. Foto’s Natuurkompas, 2019.

3.2

Geplande werkzaamheden

De voorgenomen werkzaamheden bestaan uit het slopen van enkele stallen en een loods. Na de sloop wordt het perceel gesplitst, waarna er op de vrijgekomen locatie een nieuwe woning met vrijstaande garage wordt gerealiseerd. Het geheel wordt landschappelijk ingepast.

10 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

4

Werkwijze

4.1

Soortbescherming

De flora- en faunaquickscan is gebaseerd op een habitatinschatting. Met behulp van atlasgegevens van onder andere de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al., 1992), De Amfibieën en Reptielen van Nederland (Creemers et al., 2009), Atlas van de Nederlandse Vleermuizen (Limpens et al., 1997) en verschillende websites met verspreidingsgegevens en overige informatie (www.ravon.nl, www.zoogdiervereniging.nl en www.verspreidingsatlas.nl) is op voorhand ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen. Op 11 december 2019 heeft Natuurkompas het plangebied en de directe omgeving bezocht voor een flora- en faunaquickscan. Ten tijde van het veldbezoek was het bewolkt, droog en lag de temperatuur rond de 6°C. met een windkracht van 2 Bft. Doel van de quickscan is om een indruk te krijgen van de aanwezige habitats en deze te beoordelen op hun geschiktheid voor beschermde dier- en plantensoorten. Ook is er gekeken naar (tekenen van aanwezigheid van) beschermde planten en dieren. Met betrekking tot zoogdieren is speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen, prooiresten en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Vanwege het eenmalige karakter geeft het veldbezoek slechts een globaal beeld van de aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

Het veldbezoek heeft daarmee nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Zowel het tijdstip (buiten het actieve dagdeel van diverse diergroepen als vleermuizen en uilen) als het eenmalige karakter is hiervoor niet toereikend.

4.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming biedt de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken respectievelijk instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Het kunnen zowel activiteiten binnen als buiten het betreffende Natura 2000-gebied betreffen. De Wet natuurbescherming kent een zogenaamde externe werking, waardoor ook moet worden bezien of activiteiten buiten het Natura 2000-gebied negatieve effecten kunnen hebben op de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer er geïntensiveerd gebruik of andere relevante wijzigingen plaatsvinden, is het nodig om te toetsen of de voorgenomen werkzaamheden niet leiden tot aantasting van de vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. In dit kader wordt onderzocht of de ontwikkeling een schadelijke handeling betreft en of (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Dit wordt een voortoets genoemd. In voorliggend rapport is geen volledige voortoets uitgevoerd. Wel is onderzocht of het noodzakelijk is om een voortoets op te stellen.

11 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

5

Resultaten en effectbeoordeling

In het kader van de Wet natuurbescherming moet er getoetst worden of er bij een ruimtelijke ingreep mogelijk negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten plaatsvinden. De voorgenomen plannen zouden kunnen leiden tot biotoopverlies of verstoring. In dit hoofdstuk wordt besproken welke beschermde soorten (mogelijk) voorkomen in het plangebied en welke effecten zij ondervinden van de voorgenomen ingreep.

5.1

Vaatplanten

Uit de verspreidingsgegevens zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten. Tijdens het veldbezoek zijn alleen algemene plantensoorten zoals grote brandnetel (Urtica dioica), straatgras (Poa annua), smalle weegbree (Plantago lanceolata), paardenbloem (Taraxacum officinalis), en duizendblad (Achillea millefolium) waargenomen. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Beschermde plantensoorten zijn over het algemeen kritisch qua biotoop en komen overwegend voor in arme tot matig voedselrijke milieus. Het plangebied is vrijwel volledig verhard of anderszins in cultuur gebracht. De aanwezige kruidige vegetatie is kenmerkend voor een verstoord en voedselrijk milieu. Geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten ontbreekt. Effectbeoordeling Doordat er geen streng beschermde plantensoorten voorkomen binnen het plangebied zijn negatieve effecten op beschermde plantensoorten op voorhand uit te sluiten.

5.2

Grondgebonden zoogdieren

Volgens de verspreidingsgegevens van onder meer de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al., 1992) en www.verspreidingsatlas.nl komen er in de omgeving van het plangebied algemeen voorkomende soorten voor als de mol (Talpa europaea), ree (Capreolus capreolus) en konijn (Oryctolagus cuniculus) (algemeen beschermde soorten). Daarnaast zijn er ook waarnemingen bekend van de strikt beschermde boommarter (Martes martes), bunzing (Mustela putorius), das (Meles meles), edelhert (Cervus elaphus), eekhoorn (Sciurus vulgaris), wezel (Mustela nivalis) en wild zwijn (Sus scrofa). Naast deze waargenomen soorten zijn ook de hermelijn (Mustela erminea) en steenmarter (Martes foina) te verwachten in de omgeving van het plangebied. Alle hierboven genoemde soorten vallen onder art. 3.10 van de Wet natuurbescherming, Voor algemeen voorkomende soorten als de mol, ree en konijn geldt binnen de provincie Gelderland een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de overige genoemde soorten is geen vrijstelling afgegeven. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) strikt beschermde zoogdieren aangetroffen. Verspreiding Het plangebied is vrijwel volledig verhard of bebouwd, ruigten ontbreken. Daardoor zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van algemeen voorkomende soorten zoals de egel en mol uitgesloten.

Wel komen mogelijk diverse muizensoorten en de bruine rat voor in het plangebied. Boommarter De boommarter leeft in bossen van allerlei typen en leeftijden. Als rustplaats gebruiken ze vaak boomholten en konijnen-, vossen- en dassenholen. Ook holtes tussen boomwortels of onder takkenbossen kunnen voldoen als rustplaats. Nesten worden vaak gevonden in oude spechten- en eekhoornholen (www.zoogdiervereniging.nl). Binnen het plangebied zijn geen bomen met holten die kunnen fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor de boommarter. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter in het plangebied is dan ook uit te sluiten.

12 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen. De soort heeft echter een voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt de bunzing ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor: daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen. Als verblijfplaats kan een bunzing gebruik maken van oude holen van konijn, mol, vos en das. Verblijfplaatsen worden echter ook aangetroffen onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. In de winter worden schuilplaatsen gemaakt op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. Soms graaft de bunzing ook zelf een hol (www.zoogdiervereniging.nl). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de bunzing aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de bunzing kan wegens het ontbreken van voldoende dekking in het plangebied en het ontbreken van geschikte schuilplaatsen in de bebouwing worden uitgesloten. Das Dassen maken hun grote en opvallende holen vaak op droge en zandige plaatsen.

Ze maken daarnaast gebruik van vaste looproutes die worden gemarkeerd met uitwerpselen (www.zoogdiervereniging.nl). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (wissels, burchten, snuitputjes of mestputjes) aangetroffen van dassen. Het is echter niet uitgesloten dat de akkers deel uitmaken van het foerageergebied van de das. De aanwezigheid van de das in het plangebied is niet uit te sluiten. Edelhert Edelherten leefden van oorsprong in open bossen maar zijn aangepast aan allerlei biotopen, van drogere loofbossen en heidevelden tot vochtige milieus als vennen en moerassen. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden die grenzen aan grasgebieden en rivierdalen met ooibossen. In de winter moet er gras binnen bereik zijn en ook de aanwezigheid van (drink)water is belangrijk (www.zoogdiervereniging.nl). Het plangebied is gelegen in open agrarisch gebied dat wordt onderbroken door enkele kleinere bosjes. Het plangebied is ongeschikt om te fungeren als leefgebied voor het edelhert. De aanwezigheid van het edelhert in het plangebied is uit te sluiten. De waarnemingen van het edelhert zijn afkomstig van de bos- en heidegebieden van de Veluwe. Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk voor in opgaand naaldbos en oud en gemengd bos met veel naaldhout. Hier foerageert de soort op eikels en dennenkegels. In het plangebied zijn naaldbomen afwezig.

Op de plangebiedsgrenzen, langs de Meentweg is wel een eikenboom aanwezig. Nadere inspectie heeft geen verblijfplaatsen van de eekhoorn opgeleverd. Deze eik staat ook vrij geïsoleerd in het landschap. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn in het plangebied is uit te sluiten. Hermelijn De hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken in bossen en houtwallen tot duinen, akkers en vochtig terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. De soort is dan ook aanwezig in heel het vasteland van Nederland en op Texel. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol, en verplaats zich over het algemeen langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes en langs oevers. Ook maakt de soort hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter (www.zoogdiervereniging.nl). Binnen het plangebied zijn geen mollen- of konijnenholen waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen sporen van de hermelijn aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de hermelijn kan wegens het ontbreken van voldoende dekking in het plangebied worden uitgesloten.

13 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Steenmarter De steenmarter is een soort die voorkomt in en nabij grote steden, dorpen en boerenerven, en lijkt zich aan de menselijke bebouwing te hebben aangepast. Van steenmarters is bekend dat ze rust- en verblijfplaatsen creëren in kruipruimtes en loze ruimtes tussen plafonds, muren en zolders in huizen en andere gebouwen (www.zoogdiervereniging.nl). De gebouwen in het plangebied zijn nauwkeurig geïnspecteerd op sporen van de steenmarter (uitwerpselen, latrines, prooiresten en pootafdrukken). Deze zijn niet waargenomen. Hierdoor is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter in het plangebied uitgesloten. Wezel De wezel leeft bij voorkeur in open, droog natuur- en cultuurlandschap. De soort wordt aangetroffen in veel verschillende biotopen zoals bossen, duinen, wei- en akkerlanden. De wezel komt over het algemeen in droger gebied voor dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. De soort heeft een voorkeur voor dekking in de vorm van bijvoorbeeld bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed worden met veren of haren van prooidieren (www.zoogdiervereniging.nl). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de wezel aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de wezel kan wegens het ontbreken van voldoende dekking in het plangebied worden uitgesloten.

Wild zwijn Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de ‘mast’) te vinden zijn. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde ‘zoelen’ (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen (www.zoogdiervereniging.nl). Binnen het plangebied zijn slechts enkele bomen aanwezig en het plangebied is grotendeels verhard. Hierdoor is het plangebied ongeschikt om te fungeren als leefgebied voor het wild zwijn. Er zijn dan ook geen sporen van het wild zwijn aangetroffen. Waarschijnlijk hebben de waarnemingen van het wild zwijn betrekking op de bosgebieden van de nabijgelegen Veluwe. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van het wild zwijn binnen het plangebied is uit te sluiten. Effectbeoordeling Er zijn geen beschermde zoogdiersoorten in het plangebied aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten is uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn daarmee uit te sluiten.

5.3

Vleermuizen

Volgens de verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 1992; Limpens et al., 1997, www.verspreidingsatlas.nl) komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en rosse vleermuis (Nyctalus noctula). Alle vleermuissoorten vallen onder art. 3.5 van de Wet natuurbescherming en zijn daarmee strikt beschermd. Er is geen vrijstelling mogelijk. Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Er zijn ook soorten die zowel gebouwen als bomen bewonen. Er wordt onderscheid gemaakt in typen verblijfplaatsen. Er zijn bijvoorbeeld kraamverblijven, paarverblijven en winterverblijven. Boombewonende vleermuizen Binnen het plangebied zijn diverse kastanjebomen en een enkele eikenboom aanwezig. Met de voorgenomen plannen worden er echter geen bomen gekapt. Om deze reden zijn de bomen niet nauwkeurig geïnspecteerd op aanwezigheid van potentiële verblijfplaats. Om deze reden is de

14 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in het plangebied niet uit te sluiten. Het betreft hier dan met name potentiële verblijfplaatsen voor de rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Gebouwbewonende vleermuizen Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en achter luiken (BIJ12, 2017; Dietz et al., 2011). In het plangebied zijn diverse gebouwen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied niet op voorhand is uit te sluiten. Hieronder worden de te slopen gebouwen individueel behandeld. Stal C Stal C betreft een uit damwanden opgetrokken loods, voorzien van een metaalplaten dak. Damwandplaten bieden onvoldoende houvast voor vleermuizen om op te landen. Daarnaast warmen deze platen ook snel op en koelen snel af, waardoor er geen sprake is van een stabiel klimaat achter deze platen. Om deze redenen is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten in de stal uit te sluiten. Stal D Stal D betreft een uit bakstenen opgetrokken voormalige varkensstal met spouwmuur. Open stootvoegen ontbreken. Het dak bestaat uit asbestplaten en is aan de binnenzijde voorzien van isolatieplaten.

Vogelschroot ontbreekt, waardoor er vrije toegang is tot de ruimte tussen de dak- en isolatieplaten. Op de overgang van muur naar dak is dakbetimmering aanwezig. Op enkele plaatsen vertoont deze kleine kieren, waardoor een vleermuis mogelijk achter de dakbetimmering kan wegkruipen. Stal E Stal E betreft een uit bakstenen opgetrokken voormalige varkensstal met spouwmuur. Open stootvoegen ontbreken. Het dak bestaat uit asbestplaten en stalen golfplaten en is aan de binnenzijde voorzien van isolatieplaten. Vogelschroot ontbreekt, waardoor er vrije toegang is tot de ruimte tussen de dak- en isolatieplaten. Op de overgang van muur naar dak is dakbetimmering aanwezig. Op enkele plaatsen vertoont deze kleine kieren, waardoor een vleermuis mogelijk achter de dakbetimmering kan wegkruipen. Stal F Stal F betreft eveneens een uit bakstenen opgetrokken voormalige varkensstal met spouwmuur. Open stootvoegen ontbreken. Het dak bestaat uit asbestplaten en is aan de binnenzijde voorzien van isolatieplaten. Vogelschroot ontbreekt, waardoor er vrije toegang is tot de ruimte tussen de dak- en isolatieplaten. Op de overgang van muur naar dak is dakbetimmering aanwezig. Deze zit strak tegen de gevel, waardoor er geen wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig zijn. Stal H Stal H betreft een uit bakstenen opgetrokken voormalige varkensstal met spouwmuur. Open stootvoegen ontbreken.

Het dak bestaat uit asbestplaten en is aan de binnenzijde voorzien van isolatieplaten. Vogelschroot ontbreekt, waardoor er vrije toegang is tot de ruimte tussen de dak- en isolatieplaten. Op de overgang van muur naar dak is dakbetimmering aanwezig. Op enkele plaatsen vertoont deze kleine kieren, waardoor een vleermuis mogelijk achter de dakbetimmering kan wegkruipen. Samenvattend is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten niet op voorhand uit te sluiten. Het betreft hier dan met name de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Voor vrijhangende soorten zoals de gewone grootoorvleermuis zijn geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig waardoor de aanwezigheid van deze soort wordt uitgesloten. Vaste vliegroutes Vleermuizen staan erom bekend dat ze vaak jarenlang gebruik maken van vaste vliegroutes tussen de verblijfplaats en het foerageergebied. Hierbij volgen ze bestaande lijnvormige elementen in het

15 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

landschap, zoals bomenrijen. Het behoud van dergelijke lijnvormige elementen is cruciaal voor de instandhouding van het leefgebied van vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen lijnvormige groene elementen aanwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van een vaste vliegroute binnen het plangebied uit te sluiten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Wanneer dergelijk foerageergebied verloren gaat, verdwijnt de voedselvoorziening van deze vleermuizen waardoor ze hun verblijfplaats mogelijk moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd onder de Wet natuurbescherming Het plangebied vormt mogelijk marginaal foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. Het is echter niet te verwachten dat het plangebied essentieel foerageergebied vormt voor een populatie vleermuizen.

In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig van vergelijkbare of betere kwaliteit (in de vorm van tuinen en erven van omringende woningen). Het is daarom uitgesloten dat het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt. Nader onderzoek naar essentieel foerageergebied is niet noodzakelijk. Effectbeoordeling Binnen het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Het betreft bij de gebouwbewonende soorten dan met name de gewone dwergvleermuis en mogelijk ook de laatvlieger of gewone grootoorvleermuis. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soorten zijn daardoor niet op voorhand uitgesloten. Met de sloop van de voormalige stallen kunnen daarmee verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Ook kunnen vleermuizen worden verstoord en gedood indien er met de sloop geen rekening wordt gehouden met deze soortgroep. Dit is een overtreding van art. 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Voor de boombewonende soorten geldt dat er geen sprake is van aantasting of vernietiging van potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen.

5.4

Vogels

Alle vogelsoorten zijn tijdens het broedseizoen beschermd. De bescherming geldt vooral voor de actieve broedplaatsen en vaste verblijfplaatsen. Voor de meeste vogels loopt het broedseizoen van half maart tot half juli. Er wordt in de Wet natuurbescherming echter geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Broedseizoen Voor een begrip als ‘broedseizoen’ is geen standaardperiode te hanteren. Afhankelijk van de soort en weersomstandigheden in een bepaald jaar kunnen soorten veel eerder of juist later broeden dan normaal het geval zou zijn. Dit kan zelfs per regio verschillen. Voor de wet is van belang of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De vaak geciteerde periode 15 maart t/m 15 juli is dus slechts een indicatie. De periode januari tot begin oktober kan theoretisch door broedvogels nog gebruikt worden als een broedperiode. Voor aanvang van de werkzaamheden dient altijd op broedgevallen gecontroleerd te worden.

Jaarrond beschermde vogelsoorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit houdt in dat hun nesten het hele jaar door beschermd zijn. Binnen deze categorie worden vijf subcategorieën onderscheiden: 1. Nesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Een voorbeeld van een soort die een dergelijk nest heeft is de steenuil (Athena noctua). 2. Nesten van koloniebroeders die elk jaar terugkeren om op dezelfde plaats te broeden. Deze soorten zijn zeer honkvast of zijn afhankelijk van bebouwing of specifieke biotopen.

16 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Een voorbeeld van een soort die een dergelijk nest heeft is de huismus (Passer domesticus). 3. Nesten van solitaire vogels die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en afhankelijk zijn van bebouwing of honkvast zijn. Een voorbeeld van een soort die een dergelijk nest heeft is de ooievaar (Ciconia ciconia). 4. Vogelsoorten die elk jaar gebruik maken van hetzelfde nest en zelf nauwelijks in staat zijn om een nest te bouwen. Een voorbeeld van een dergelijke soort is de buizerd (Buteo buteo). 5. Nesten van vogels, die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar ervoor hebben gebroed of de directe omgeving ervan, maar dan wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, maar vragen wel extra onderzoek, omdat ze jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Voorbeelden van soorten zijn de spreeuw (Sturnus vulgaris) en boerenzwaluw (Hirundo rustica). Tijdens het veldbezoek zijn verschillende algemene vogelsoorten als vink (Fringilla coelebs), houtduif (Columba palumbus) en roodborst (Erithacus rubecula) waargenomen. Geen van deze soorten valt onder het jaarronde beschermingsregime. Daarnaast zijn rondom de stallen ook enkele spreeuwen waargenomen.

Aan de zuidzijde van de te behouden loods in het zuiden van het plangebied is een groot aantal braakballen en krijtstrepen van de steenuil waargenomen. Bij een nadere inspectie zijn ook twee steenuilen aangetroffen in een hoedligger (een holle stalen balk). Gezien de aanwezigheid van meerdere gebouwen in het plangebied is het niet uitgesloten dat zowel de spreeuw als steenuil in het plangebied tot broeden komen. Daarnaast kunnen er diverse algemene broedvogelsoorten tot broeden komen in en rondom het plangebied. Spreeuw Tijdens de quickscan zijn meerdere spreeuwen vliegend waargenomen boven de stallen. Mogelijk broeden deze vogels tussen de dak- en isolatieplaten van de diverse stallen in het gebied. De spreeuw is een zogenoemde categorie-5 soort. Dat betekent dat nesten van de spreeuw enkel jaarrond beschermd zijn indien er voor de lokale populatie geen andere nestlocaties in de directe omgeving aanwezig zijn. Binnen een straal van enkele honderden meters zijn echter meerdere woningen met pannendaken en agrarische bedrijven aanwezig, waardoor er voor de spreeuw voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig zijn. Hierdoor is er geen sprake van een jaarrond beschermingsregime voor de nesten van de spreeuw. Steenuil Aan de noordzijde van de te behouden loods in het zuidelijk deel van het erf zijn meerdere sporen van de steenuil aangetroffen, zie ook afbeelding 5.1.

Daarnaast zijn ook twee steenuiltjes waargenomen in één van de hoedliggers die daar op een stelling liggen. Uit gesprekken met de bewoners is gebleken dat er reeds tientallen jaren een koppel steenuiltjes op het erf aanwezig is.

17 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Afbeelding 5.2: Links: Uitwerpselen van steenuil op de platen en balken, met boven in de stelling enkele hoedliggers. Rechts: Sporen van steenuilen in de hoedligger. Hoewel niet zichtbaar op de foto bevond zich dieper in de hoedligger een koppel steenuilen. Foto’s: Natuurkompas, 2019.

De steenuil is opgenomen in de Rode Lijst 2004 van bedreigde vogelsoorten, met als status kwetsbaar. Het leefgebied van de steenuil is jaarrond beschermd. Veranderingen in het leefgebied kunnen grote impact hebben op het voortbestaan van deze soort. Steenuilen leven territoriaal. In Nederland varieert de oppervlakte van een territorium vaak tussen de 5 en 30 hectare (BIJ12, 2017). De oppervlakte is vooral afhankelijk van de kwaliteit van het gebied (aanwezigheid van voldoende prooidieren). Het leefgebied van een steenuil beperkt zich ongeveer een straal van circa 300 meter vanuit een erf dat als broedlocatie dient. Nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenuil zijn jaarrond beschermd. Van belang is of het territorium van de steenuil nog een functionele leefomgeving vormt na de sloop van de opstallen. In het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017) wordt onderscheid gemaakt in verblijfplaatsen en wordt de functionele leefomgeving als volgt omschreven: "De steenuil heeft twee soorten verblijfplaatsen: nestplaatsen en overige rust- en verblijfplaatsen. Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf of elders in het territorium die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan.

Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken (hiermee wordt verwezen naar overige verblijfplaatsen en dus ook de roestplaatsen) worden niet gerekend tot de vaste rust- en verblijfplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij de nestplaats." De functionele leefomgeving van een voortplantingsplaats en van een vaste rust- of verblijfplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om ze als zodanig te laten functioneren. Een voortplantingsplaats (nest) kan alleen succesvol als zodanig functioneren als er voldoende habitat van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen moet er plaats kunnen vinden. Daarnaast moet de functionele leefomgeving het hele jaar voldoende voedsel leveren en voldoende veiligheid bieden. De steenuil volgt vaak lijnvormige elementen en andere plekken die beschutting geven op weg naar zijn voedselplekken. Hij is ook in staat om zonder die beschutting rechtstreeks naar een favoriete voedselplek te vliegen.

De grootte van het gebied dat tot de functionele leefomgeving hoort, is afhankelijk van de plaats van het voedselaanbod en de hoeveelheid voedsel.

18 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Overige soorten met jaarrond beschermde nesten De aanwezigheid van overige soorten met jaarrond beschermde nesten wordt uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen. Gezien het open karakter van het plangebied en de vrijwel volledige afwezigheid van dekking is de aanwezigheid van de huismus uitgesloten. Binnen het plangebied zijn meerdere gebouwen aanwezig. Deze bevatten echter geen pannendaken en de meeste gebouwen zijn relatief laag. Hierdoor is de aanwezigheid van gierzwaluwen uitgesloten. De paar bomen binnen het plangebied bevatten geen horsten waardoor de aanwezigheid van soorten als buizerd of boomvalk is uitgesloten. Effectbeoordeling Algemene broedvogels Het is niet op voorhand uit te sluiten dat algemene broedvogelsoorten tot broeden komen in en rondom het plangebied. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot beschadiging en vernietiging van nesten en het doden en verwonden van jonge vogels. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4 van de Wet natuurbescherming. Hiervoor kan geen ontheffing worden verkregen. Spreeuw Mogelijk broedt de spreeuw onder de daken van de stallen. Met de sloop van de stallen gaat deze nestgelegenheid verloren. Zoals eerder beschreven zijn de nesten van de spreeuw in deze situatie enkel beschermd tijdens het broedseizoen.

Wanneer de sloopwerkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot beschadiging en vernietiging van nesten en het doden en verwonden van jonge vogels. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, lid 1 en 2 van de Wnb. Hiervoor kan geen ontheffing worden verkregen. De sloop van de opstallen dient daarom buiten het broedseizoen plaats te vinden. Steenuil Het erf is onderdeel van het territorium van de steenuil en naar alle waarschijnlijkheid is er ook een nestlocatie van de steenuil op het erf aanwezig. De exacte nestlocatie kon vanwege het tijdstip van het veldbezoek (overdag, in december) niet vastgesteld worden. Mogelijk bevindt de nestlocatie zich in één van de te slopen stallen. Met de sloop kan daarmee een nestlocatie verloren gaan. Het nest van de steenuil valt ook buiten het broedseizoen onder de definitie van ‘vaste rust- en verblijfplaats’ zoals beschreven in artikel 3.1, lid 2 van de Wnb. Het nest is daarom jaarrond beschermd. Indien de werkzaamheden tijdens de broedperiode van de steenuil plaatsvinden, is het niet uitgesloten dat er ook steenuilen worden gedood of verstoord. Het foerageergebied wordt met de voorgenomen sloop en herinrichting van het erf niet aangetast. De voorgenomen plannen leiden daarmee mogelijk tot overtreding van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4 van de Wnb.

Indien dit daadwerkelijk het geval is, is een ontheffing noodzakelijk.

5.5

Reptielen en amfibieën

Uit de openbaar beschikbare verspreidingsgegevens (www.ravon.nl en www.verspreidingsatlas.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de adder (Vipera berus), hazelworm (Anguis fragilis), levendbarende hagedis (Zootoca vivipara), zandhagedis (Lacerta agilis), heikikker (Rana arvalis) en rugstreeppad (Epidalea calamita) zijn waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen of amfibieën waargenomen. Mogelijk komen er wel enkele algemene amfibiesoorten voor als gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria). Adder De adder komt voor in halfopen tot open leefgebieden, met een rijke vegetatiestructuur. De soort heeft een voorkeur voor gebieden met overgangen van droog naar vochtig. In Nederland komt de adder voor op de hoge zandgronden, hoogveenlandschappen en een enkel laagveengebied (www.verspreidingsatlas.nl). Binnen het plangebied ontbreekt het aan plekken met een rijke vegetatiestructuur en overgangen van droog naar vochtig. Geschikt leefgebied ontbreekt. De adder is

19 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

tijdens het veldbezoek dan ook niet waargenomen. Het voorkomen van de adder in het plangebied is uitgesloten. Hazelworm De hazelworm leeft bij voorkeur in bossen, bosranden, houtwallen en heidegebieden. Daarmee heeft de soort een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De meeste waarnemingen worden gedaan op bos- en heideterreinen (www.ravon.nl). Binnen het plangebied is dichte vegetatie afwezig. Het erf is grotendeels verhard en daarmee ongeschikt voor de hazelworm. De omringende percelen bestaan uit agrarisch grasland met onvoldoende dekking voor de hazelworm. De aanwezigheid van de hazelworm is daarmee uit te sluiten. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis leeft bij voorkeur op vochtige heide, heide met vennen, in structuurrijke weg- en spoorbermen en ruigten. Het is een soort die kan voorkomen in gebieden met een relatief hoge verstoringsgraad (www.ravon.nl). De levendbarende hagedis is tijdens het veldbezoek niet aangetroffen en wordt, gezien de aanwezige biotopen (grotendeels verhard terrein omringd door agrarisch grasland) ook niet verwacht. De aanwezigheid van de levendbarende hagedis is uit te sluiten. Zandhagedis De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland wordt de soort vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen.

Binnen het plangebied zijn geen duinen of heidevelden aanwezig waardoor het ontbreekt aan geschikt habitat. De aanwezigheid van de zandhagedis is uitgesloten. Heikikker De heikikker komt met name voor in vochtige heidegebieden, waar sprake is van veenvorming. Daarnaast wordt hij ook veel aangetroffen in hoog- en laagveengebieden. Ook vochtige schraalgraslanden, duinvalleien, bosranden, oevers en uiterwaarden van meren en rivieren en komkleigebieden maken onderdeel uit van het leefgebied van deze soort. De aanwezigheid van laag struweel en hoge kruidige gewassen is hier van belang. De voortplantingsbiotoop van de heikikker bestaat uit ondiepe wateren met oevervegetatie. Het water zelf is vaak enigszins zuur met een pH van 4 – 5,5 en voedselarm (www.ravon.nl). Binnen het plangebied is dergelijk habitat niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van leefgebied en voortplantingswateren van de heikikker kan worden uitgesloten. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals uiterwaarden van rivieren, opgespoten terreinen en akkers. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van (tijdelijke) ondiepe plassen en poelen die snel opwarmen. Ook ondiepe sloten kunnen geschikt zijn als voortplantingswater (www.ravon.nl).

Overwintering vindt plaats in zelf gegraven gangen of oude muizengangen in de directe omgeving van voortplantingswateren. Binnen het plangebied zijn geen greppels of watergangen aanwezig. Doordat het erf vrijwel volledig verhard is, is de aanwezigheid van overwinteringshabitat van de rugstreeppad ook uitgesloten. Geschikt habitat voor de rugstreeppad ontbreekt. De aanwezigheid van de rugstreeppad kan worden uitgesloten. Effectbeoordeling Doordat er geen streng beschermde reptielen- en amfibiesoorten voorkomen binnen het plangebied, zijn negatieve effecten op deze soortgroepen op voorhand uit te sluiten.

5.6

Overige beschermde soorten

Uit de openbaar beschikbare verspreidingsgegevens (www.ravon.nl, www.vlinderstichting.nl, www.anemoon.org, www.eis-nederland.nl en www.verspreidingsatlas.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van overige beschermde soorten als vissen of ongewervelden. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen beschermde ongewervelden waargenomen.

20 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

Overige soorten Voor overige beschermde soorten is geen geschikt biotoop aanwezig. Overige beschermde insectensoorten zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al., 2007). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden. Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende boomstronken in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl). De Europese rivierkreeft komt op slechts 1 plek voor in Nederland, te weten landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (www.anemoon.org, www.verspreidingsatlas.nl). Beschermde vissoorten komen voor in diverse typen watergangen. In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Overige beschermde insecten, andere ongewervelden en vissen zijn daarom niet te verwachten in het plangebied .

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=3e245c84-aea1-491e-ad21-530b579a4d8a