Kromme Akker-Zuid II_Toelichting_Bijlage 1 Archeologisch onderzoek (2020).pdf
Tekst van het document
EVALUATIERAPPORT OPGRAVING WIKSELAARSEWEG - KROMME AKKERZUID TE VOORTHUIZEN GEMEENTE BARNEVELD
Evaluatierapport opgraving Wikselaarseweg - Kromme Akker-zuid te Voorthuizen in de gemeente Barneveld Opdrachtgever
Gemeente Barneveld Postbus 63 3770 AB Barneveld
Rapportnummer
7928.003
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
15 juli 2020
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
drs. K.J. van den Berghe
Paraaf
Autorisatie
drs. E. Louwe
Paraaf
© Econsultancy bv, Vestiging Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
7928.003
Toponiem
Wikselaarseweg - Kromme Akker-zuid
Opdrachtgever
Gemeente Barneveld
Gemeente
Barneveld
Plaats
Voorthuizen
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
kadastrale nummers, en beheerder/eigenaar/contactpersoon grond
Omvang plangebied
circa 3 ha
Omvang onderzoeksgebied
circa 1,5 ha
Kaartblad
32 F
coördinaten centrum plangebied
X = 170.230, Y = 469.920.
Bevoegde overheid
Gemeente Barneveld
Deskundige namens de bevoegde overheid
drs. P. (Petra) Kloosterman Regioarcheoloog gemeente Barneveld e.a.
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
4649574100
Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders zandgebied Overijssels-Gelders zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy Zwolle Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerders veldwerk
drs. K.J. (Kasper) van den Berghe (projectleider, Sr. KNA-archeoloog/Sr. KNAprospector), drs. E. (Erik) Louwe (Sr. KNA-archeoloog), M. (Michiel) Meurs MA (KNAarcheoloog), dr. C. (Christian) Enzl, (digitale documentatie) R. (Ron) Dijkstra BA (digitale documentatie, veldwerk), T. (Ton) Wolf BA (metaaldetectie specialist, veldwerk), H.N. (Nicole) de Koning MA (materiaalspecialist), dr. O. (Olga) Druzhinina (bemonsteringsspecialist, FindX), R. (Rianne) Averink (stagiaire), M. (Max) Sap (stagiair), P. (Peter) Derikx (stagiair) Vrijwilligers R. (Ray) te Winkel (metaaldetectie), J. (Jaap) Wisse (metaaldetectie, veldwerk)
Grondverzet
Tessemaker V.O.F. R. (Robert) Brendeke (machinist bandenkraan), N. (Nathan) Raijer (machinist bandenkraan, trekker-dumper chauffeur), Noord-Oost Nederlandse Aannemers Kombinatie - Dunnewind Groep A. (Arno) Kouwenhoven (machinist rupskraan)
Doorlooptijd
19-11-2019 tot 28-02-2019 (totaal 75 velddagen)
INHOUDSOPGAVE Kwaliteitszorg Econsultancy is gecertificeerd voor onder meer voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en de richtlijnen die zijn opgesteld in het Programma van Eisen: Wikselaarseweg - Kromme Akker-zuid te Voorthuizen in de gemeente Barneveld. PvE nr. 7928.001 (Louwe 2018).. Disclaimer Onderhavig evaluatierapport betreft een voorlopige interpretatie van de onderzoeksresultaten en een uitwerkingsvoorstel. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. Bij vragen betreffende het onderstaande kan contact worden opgenomen met de projectleider. 7928.003
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
AANLEIDING .............................................................................................................................. 3
3
ONDERZOEKSDOEL- EN VRAAGSTELLING .......................................................................... 4 3.1 3.2 3.3
Onderzoeksdoel................................................................................................................ 4 Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 4 Wijziging en aanvulling onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen....................... 4 3.3.1 Bijgewerkte en aangevulde set onderzoeksvragen ........................................... 5 3.3.2 Relatie onderzoeksvragen met onderzoeksthema’s .......................................... 7
4
METHODIEK VELDONDERZOEK ............................................................................................. 8
5
VOORLOPIGE RESULTATEN VELDWERK ............................................................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4
6
UITWERKINGSVOORSTEL ..................................................................................................... 21 6.1 6.2
6.3 6.4 6.5 6.6 7
Bodemopbouw ................................................................................................................ 10 Grondsporen ................................................................................................................... 11 5.2.1 Spoorcategorieën ............................................................................................. 12 Datering .......................................................................................................................... 19 Gaafheid, conservering en recente verstoringen ........................................................... 19
Algemeen........................................................................................................................ 21 Bodemopbouw ................................................................................................................ 22 6.2.1 Natuurlijke bodemopbouw ................................................................................ 22 6.2.2 Antropogene bodemopbouw ............................................................................ 22 Sporen en structuren ...................................................................................................... 23 Vondsten en monsters .................................................................................................... 23 6.4.1 Vondsten .......................................................................................................... 24 Monsters ......................................................................................................................... 29 6.5.1 Monstername ................................................................................................... 29 Conservering en restauratie ........................................................................................... 33
BRONNEN ................................................................................................................................ 34
7928.003
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. De hoeveelheid aangetroffen vondstmateriaal en genomen monsters, ingedeeld naar categorie. LIJST VAN AFBEELDINGEN
Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.
Figuur 12.
Figuur 13.
Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17.
Detailkaart van het plangebied en situering van het plangebied in Voorthuizen. Sfeerbeeld tijdens de werkzaamheden. Een samenspel tussen mens, natuur, techniek. Overzicht van de aangelegde werkputten. Sterke verploeging in het oostelijke deel van het plangebied heeft het bodemarchief aldaar nagenoeg vernietigd. Voorbeelden van de laagopeenvolging in het plangebied. Profielen 3 & 4, werkputten 1 & 2. Overzicht van de aangetroffen grondsporen binnen de contouren van het plangebied. Paalkuilen van bijgebouwen voor de opslag van agrarische producten. Hangar achtig gebouwplattegrond met afmetingen van 14 x 7,5 meter. Aan de noordzijde van het gebouw, rechts op de afbeelding, één van de vele boomvallen. Wandgreppels in het westelijke deel van het plangebied. Ten zuiden van de wandgreppel, rechts op de afbeelding, een bundel karrensporen. Kavelgreppels in het oosten van het plangebied. De grondsporen hebben sterk te lijden gehad van het agrarische grondverzet in de afgelopen decennia. Karrensporen in het centrale deel van het plangebied. Opvallend is de sterke afbuiging die de sporen maken, bijna en hoek van 90o, zonder dat er een duidelijke grens in het landschap zichtbaar is. Karrensporen in het zuidoostelijke deel van het plangebied. Het huidige tracé van de Wikselaarseweg wijkt af in zuidelijke richting.
Deze afbuiging is tevens te zien op een projectie van de ligging van de oude wegen gegevens op een moderne luchtfoto. Waterkuil en waterput in het zuiden van het onderzoeksgebied. De waterkuil is een van de meest noordelijke van een van de vele exemplaren die even ten zuiden van dit onderzoeksgebied zijn aangetroffen. De bakstenen waterput is een van de jongste exemplaren. Opvallend is de in de lengterichting uitgeholde (gebint)balk die als pompbuis is gebruikt. Explosietrechter met granaatlichaamsfragmenten van mogelijk een 15 cm geschutgranaat. Fulguriet-tunnel delen. Ontstaan door samensmelten van kwartsdelen bij inslag van een bliksem. Sfeerbeeld van fragmenten handgevorde keramiek met vingertopindrukken op de rand. Resultatenbeeld van uitgevoerd magnetometrisch onderzoek. De blauwe en rode delen geven de positie van ferro houdende metalen objecten weer. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de precieze aard van deze objecten is. Bron: IDDS.
BIJLAGEN Bijlage 1 Gespecificeerd overzicht uitwerkingskosten
7928.003
1
INLEIDING
In opdracht van Gemeente Barneveld heeft Econsultancy in een deel van het plangebied aan de Wikselaarseweg - Kromme Akker-zuid te Voorthuizen, gemeente Barneveld, een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) met een doorstart naar opgraving (DO) uitgevoerd voor de realisatie van een nieuwbouwwijk in het plangebied. Het onderzoek was een vervolg van het op basis van inventariserend vooronderzoek gegeven advies tot nader onderzoek van de locatie.
Figuur 1.
Detailkaart van het plangebied en situering van het plangebied in Voorthuizen.
Het onderzoek van het ruim 30.000 m2 grote plangebied (Figuur 1), gelegen ten noorden van de Wikselaarseweg te Voorthuizen in de gemeente Barneveld, is uitgevoerd in de periode van 19 november 2018 tot en met 28 februari 2019 (Figuur 2). Het veldteam van Econsultancy stond daarbij onder leiding van senior KNA-archeoloog K.J. van den Berghe. Het machinale grondverzet is kundig verricht door machinisten van de firma’s Tessemaker en de Dunnewind Groep.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 1 van 34
Onderhavig evaluatierapport omvat een basaal overzicht van de tijdens het veldwerk ingewonnen gegevens. De rapportage vormt de basis waarop door het bevoegd gezag 1 een besluit genomen dient te worden tot opstellen van de definitieve eindrapportage met daarin de beantwoording van de onderzoeksvragen en daartoe benodigde uitwerking van spoorgegevens, vondstmateriaal en genomen monsters.2
Figuur 2.
Sfeerbeeld tijdens de werkzaamheden. Een samenspel tussen mens, natuur, techniek.
1
Daar waar in de rapportage over bevoegd gezag gesproken wordt, is dit bij monde van diens adviseur, mevr. P. Kloosterman, Regioarcheoloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen. 2 Een deel van de besluiten is door P. Kloosterman op 13 mei 2020 genomen gedurende het proces van opstellen en controleren van dit evaluatierapport. Het besluit tot overname van het voorgestelde is medegedeeld op 22 juni 2020.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 2 van 34
2
AANLEIDING
Het plangebied wordt getransformeerd van een gebied met een geheel agrarisch karakter tot een gebied met een woonbestemming. Deze nieuw te ontwikkelen buurt, Kromme Aker-Zuid, maakt deel uit van de wijk Holzenbosch, die op haar beurt weer deel uit maakt van het veel grotere uitbreidingsplan Voorthuizen Zuid.3 In het plangebied zullen enige tientallen woningen, een sportaccommodatie en een onderwijsinstelling worden gerealiseerd. Samen met de bijbehorende boven- en ondergrondse infrastructuur zal de openbare ruimte zal worden vormgegeven. In een eerdere fase van onderzoek is het plangebied met betrekking tot archeologie vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. De bodem leek tot in de top van het dekzand geroerd als gevolg van (diep)ploegactiviteiten. Recentere onderzoeken hebben echter aangetoond dat er in - eveneens in eerdere instantie vrijgegeven - gebieden met een vergelijkbare bodemverstoring nog wel gave, goed geconserveerde archeologische resten aanwezig zijn. Zo zijn direct ten zuiden van het plangebied op de Wikselaarse Eng nederzettingsresten uit de IJzertijd, Romeinse Tijd en Middeleeuwen aangetroffen. Op basis van deze nieuwe inzichten heeft de gemeente ervoor gekozen in tegenstelling tot eerdere adviezen en besluiten het huidige plangebied nader te laten onderzoek.
Bij ongewijzigde uitvoer zouden de voorgenomen ontwikkelingen de aanwezige archeologische resten in het gebied vernietigen dan wel sterk verstoren. Zodanig dat archeologisch onderzoek hiernaar in de toekomst niet meer mogelijk wordt geacht. Dientengevolge is op besluit van de gemeente Barneveld het plangebied vlakdekkend archeologisch onderzocht door middel van een opgraving.
3
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0203.1124-0002/t_NL.IMRO.0203.1124-0002.html
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 3 van 34
3 3.1
ONDERZOEKSDOEL- EN VRAAGSTELLING Onderzoeksdoel
De voorgenomen ontwikkelingen maken, zoals gesteld, behoud van de archeologische resten in situ onmogelijk. Het archeologische onderzoek had derhalve tot hoofddoel alle gegevens aangaande de archeologische resten veilig te stellen door middel van behoud ex situ; opgraven. De met het onderzoek verzamelde gegevens zijn zodanig ingewonnen dat zij naar de stand van kennis en techniek van heden ten dage, diepgaand inzicht kunnen geven in de genese en ontwikkeling van het plangebied en ingezet kunnen worden om de onderzoeksvragen te beantwoorden. 3.2
Onderzoeksvragen
Om het onderzoek naar de genese en ontwikkeling van het plangebied te sturen en de processtappen voor alle partijen inzichtelijk te maken, is een Programma van Eisen opgesteld. 4 Hierin is het uitvoeringskader bepaald en is een set onderzoeksvragen geformuleerd. Deze set onderzoeksvragen is opgesteld op het moment dat het waarderende onderzoek door middel van proefsleuven nog uitgevoerd diende te worden. Hierdoor is deze set met vragen vrij basaal van aard. De vragen zijn voornamelijk gericht op het bepalen van de aan- of afwezigheid van een vindplaats en indien aanwezig de bepaling van de aard, omvang en kwaliteit van de eventueel aangetroffen resten, niet op het functioneren van de nederzetting of individuele onderdelen daarbinnen. In het programma van eisen is dit echter ondervangen door opname van de eis dat bij aantreffen van archeologische resten de set onderzoeksvragen aangevuld dient te worden met vragen specifiek gericht op door de tijd functioneren van de nederzetting, dito individuele onderdelen daarbinnen en buiten en opname van het gebied in sociale, economische en culturele netwerken. 5 De resultaten van het archeologisch onderzoek hebben een dermate hoeveelheid informatie opgeleverd dat de initiële set vragen uit het Programma van Eisen onvoldoende toereikend en veelal te ruim van opzet bleek deze informatie constructief te kunnen verwerken.
Dit heeft geresulteerd in een wijziging en aanvulling van de onderzoeksvragen. Ook tijdens de veldwerkfase heeft dit reeds geresulteerd in een wijziging van werken door de, in overleg met het bevoegd gezag, inzet van specialisten voor bemonstering. 3.3 Wijziging en aanvulling onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen De aangepaste en uitgebreide set onderzoeksvragen zijn als addendum of wijzigingsdocument op te nemen bij het Programma van Eisen. Deze vragen zullen dienen als basis voor de uitwerking van de onderzoeksresultaten. De in het verdere document opgenomen onderzoeksvoorstellen zijn op de beantwoording van deze vragen gebaseerd. De uitwerking van de onderzoeksresultaten heeft daarbij als doel het beantwoorden van deze bijgewerkte en aangevulde set onderzoeksvragen (3.2.1) en in de beantwoording daarvan een relatie te vinden in de onderzoeksthema’s uit de NOaA 2.0 (3.2.2).
4 5
Louwe 2018. Louwe 2018, p. 11.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 4 van 34
3.3.1
Bijgewerkte en aangevulde set onderzoeksvragen
1. Wat is de aard, omvang, ouderdom, fasering, positionering en ruimtelijke dimensies (horizontaal en verticaal), mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 2. In welke mate zijn verstoringen waargenomen (mechanisch en/of chemisch door oxidatie/reductie) en heeft dit de interpretatiemogelijkheid van de resten nadelig beïnvloed? 3. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde, geomorfologie en bodemopbouw/laagopeenvolging)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de (geologische) profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 4. Indien aanwezig, Wat is de ouderdom, opbouw en consistentie van de cultuur- of leeflaag? Hoe is de datering bepaald en is dit van invloed geweest op het bepalen van de ouderdom van de laag? 5. Welke en hoeveel vindplaatsen in tijdsperiode of aard/type verdeeld, zijn in het onderzoeksgebied te herkennen en wat is hun spreiding/locatie/stratigrafie? 6. Zijn op grond van de verspreiding van grondsporen, structuren, mobilia en/of anderszins resten, activiteitengebieden te onderscheiden en zijn deze te duiden? 7.
Is het aantal en dichtheid aan archeologische vondsten en sporen overeenkomstig het vooronderzoek of onderzoeken uit de omgeving? In het geval de vondst- en spoordichtheid lager of juist hoger blijkt, wat kan hiervoor een mogelijke verklaring zijn? In het geval de vondst- en spoordichtheid gelijk is, kan deze informatie meegenomen worden in toekomstige beleidskaders en op te stellen PvE’s? 8. Wat is per fase de samenstelling van de archeologische resten en de vondst- en spoordichtheid? Wat omvat de materiële cultuur van de verschillende bewoningsfasen? Is er een samenhang tussen vondstmateriaal en context? Zeggen de aangetroffen resten iets over de sociaaleconomische situatie van de gebruikers/bewoners? 9. Indien gebouwplattegronden of erfinrichtingselementen zijn waargenomen, zijn er veranderingen waar te nemen in de constructiewijze, gebruikte bouwmaterialen en/of de inrichting van erven? Zo ja, welke? Motiveer bij aantreffen van gebouwen waarom er al dan niet sprake is van een, al dan niet lokale, ontwikkeling in de gebouwconstructie en gebruik van bouwmaterialen. 10. Tijdens het veldwerk is een klein aantal structuren aangetroffen die in verband staan met de watervoorziening (waterputten en -kuilen).
Is er aan de hand van de analyses van de genomen monsters, vondstspreiding, sporenconstellaties en de constructies zelf af te leiden welk specifiek gebruik aan de structuren gekoppeld kan worden? 11. In de structuren die in verband staan met de watervoorziening zijn grondkerende constructies aangetroffen. Zijn er specifieke kenmerken, gebruikssporen of aanwijzingen voor hergebruik van houten constructiedelen? Zo ja/nee, licht onderbouwd toe. 12. Indien er sprake is van hergebruikte bouwmaterialen, is er aan de hand van de elementen inzicht te krijgen in de gebouwen waar de houten delen voordien gebruikt zijn? Zo ja/nee, licht onderbouwd toe.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 5 van 34
13. In de directe nabijheid van het plangebied is een veelheid aan structuren voor de watervoorziening aangetroffen. Indien aanwezig, zijn de aangetroffen structuren vergelijkbaar met deze structuren? Passen de in het onderhavige plangebied aangetroffen structuren in het daar opgezette typochronologische overzicht en verspreiding (o.a. per periode) van de puttypes? Zo ja/nee, licht onderbouwd toe. 14. Wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt en wat zijn hiertoe de aanwijzingen? 15. Wat is de paleoecologische context, inclusief de vegetatie ontwikkeling, van het onderzoeksgebied en hoe was haar dynamiek door de tijd heen en in hoeverre hebben landschappelijke omstandigheden een rol gespeeld bij de locatiekeuze en land(schap) gebruik in de verschillende perioden (locatiekeuze, ontginning, landinrichting, beakkering, weiden van vee) en wat kan, indien van toepassing, op basis van de paleoecologische resten worden gezegd over de voedseleconomie, productie, opslag, verwerking van goederen en het dieet van de bewoners? 16. In hoeverre sluiten de resultaten van het onderzoek aan op de resultaten van de onderzoeken aan de Hoofdontsluitingsweg-Zuid en de Wikselaarse eng, beiden op korte afstand, of nagenoeg grenzend aan het plangebied? 17.
Hoe verhoudt deze vindplaats zich tot andere vindplaatsen binnen de gemeente Barneveld en/of binnen de regio, zowel landschappelijk alsmede de aard van de vindplaats? (Harselaar Zuid, -West, -Driehoek en Zeumeren) Betreft het separate, individuele nederzettingen, of om een zich door een groter gebied verplaatsende nederzetting of om verschillende verspreid liggende erven behorend tot één nederzettingscomplex? 18. Welke informatie geven de onderzoeksresultaten aangaande de culturele, sociale, economische verbanden en (supra) regionale relaties van de oudtijdse lokale bevolking? 19. Wat kunnen de uitkomsten van de tot nu toe uitgevoerde onderzoeken zeggen over de in de ondergrond aanwezige vergelijkbare en in de (nabije) toekomst nog te ontwikkelen terreinen in de omgeving? 20. Wat zijn de belangrijkste algemene en eventueel reeds specifiek te stellen vragen bij toekomstig onderzoek? Welke onderzoeksstrategieën en methoden (archeologische, paleobotanische, paleontologische, geochemische en/of andere methoden) zouden bij toekomstig onderzoek kunnen worden ingezet om deze vragen te beantwoorden? 21. In de specifieke gevallen in gebieden met een lage(re) vondst- en spoordichtheid, welke onderzoeksstrategieën en methoden kunnen ingezet worden om toch informatie in te winnen en zo een verminderde aanwezigheid van vondsten en sporen ondervangen? Welke zijn dat en wat is hun meerwaarde?
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 6 van 34
3.3.2 Relatie onderzoeksvragen met onderzoeksthema’s Met het beantwoorden van de onderzoeksvragen worden bijdragen aan onder meer onderstaande onderzoeksthema’s zoals deze verwoord zijn in de NOaA 2.0.6 - 2. De dynamiek van het Nederlandse cultuurlandschap - 3. Gebruik van het water - 5. Sociale differentiatie - 13. De verankering van het boerenbestaan - 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw - 15. De limes: inrichting en interactie - 18. Dorpsvorming - 21. De dynamiek van het landgebruik - 22. Mens-materiële cultuurrelaties - 23. Netwerken en infrastructuur
6 Bron: https://noaa.cultureelerfgoed.nl/#/search
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 7 van 34
4
METHODIEK VELDONDERZOEK
Het archeologische onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de protocollen 4003 (proefsleuven) en 4004 (opgraving) als onderdeel van de BRL 4000 en het specifiek voor het plangebied opgestelde Programma van Eisen. De graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van graafmachines uitgerust met een gladde bak. De vlakken, grondsporen, coupelijnen en hoogtes zijn ingemeten met een Rover GPS. Coupes en profielen zijn gefotografeerd met digitale camera’s en digitaal ingetekend op een Panasonic Toughbook. Spoor- en vondstdocumentatie is geregistreerd middels het door Econsultancy ontwikkelde softwareprogramma Minerva. Bij het aanleggen van het archeologisch leesbare vlak is tijdens het verdiepen bij elke haal van de graafmachine gebruik gemaakt van metaaldetectieapparatuur ten behoeve van het opsporen van metalen objecten. Het totale oppervlak van de archeologische werkzaamheden bedroeg ruim 15.000 m2. Dit oppervlak is onderzocht en gedocumenteerd in 29 werkputten (Figuur 3). In de werkputten is minimaal één archeologisch sporenvlak aangelegd. Doorgaans is dit op de overgang van de basis van de oude leef- of akkerlaag en de top van de natuurlijke zandondergrond. Bij complexe sporen zijn ten behoeve van de administratie in een aantal gevallen een tweede, derde of in enkele gevallen nog meer vlakken aangelegd.
De bodemopbouw van het plangebied is met behulp van profielkolommen gedocumenteerd.
Figuur 3.
Overzicht van de aangelegde werkputten.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 8 van 34
Speciaal voor het beantwoorden van onderzoeksvragen aangaande het functioneren van de nederzetting in haar geheel en elementen of structuren daarbinnen is een bemonsteringsprogramma opgezet. Alle kansrijke sporen; sporen met een humeuze of houtskoolrijke vulling, constructies en waterputten zijn bemonsterd voor onderzoek op organische en/of anorganische resten en datering.7 Met de analyse van de monsters wordt essentiele informatie aan gedragen voor de beantwoording van de onderzoeksvragen (voor verdere informatie, zie 5.5 - 5.7.).
7 Conform Protocol 4001 PvE SIKB, Versie 4.0, 2016
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 9 van 34
5
5.1
VOORLOPIGE RESULTATEN VELDWERK
Bodemopbouw
De waargenomen opbouw vormt een aanvulling op reeds bestaande informatie uit het booronderzoek. Het toont een antropogeen pakket dat van west naar oost in dikte afneemt van circa 140 cm tot circa 40 cm. Dit pakket rust op fluvioperiglaciaal zand; smeltwaterafzettingen die qua fractie variëren van, lokaal vrij grofzandig, bijna fijn grindig tot sterk lemig zand. Doorgaans betreft het matig fijn-matig grof zand. Het antropogene pakket is op basis van onder meer de kleur- en textuurverschillen duidelijk meerfasig opgebouwd (Figuur 5). Voornamelijk in het oostelijke deel van het plangebied reikt de moderne bouwvoor tot in de natuurlijke zandondergrond. Hierdoor zijn in dit deel van het plangebied de meeste archeologische sporen vernietigd (Figuur 4). In het centrale- en oostelijke deel is het antropogene dek een stuk dikker waardoor hier oudtijdse sporen beter bewaard zijn gebleven.
Figuur 4.
Sterke verploeging in het oostelijke deel van het plangebied heeft het bodemarchief aldaar nagenoeg vernietigd.
In het vooraf uitgevoerde booronderzoek was geconcludeerd dat het plangebied door agrarische werkzaamheden nagenoeg geheel verstoord was. Dit heeft in eerste instantie geresulteerd in de vrijgave van het terrein voor ontwikkeling zonder de verplichting tot archeologisch onderzoek. Het huidige onderzoek heeft echter aangetoond dat er weliswaar agrarische roeringen zijn, maar dat deze niet vlakdekkend tot een verregaande verstoring van het bodemarchief hebben geleid.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 10 van 34
Figuur 5.
5.2
Voorbeelden van de laagopeenvolging in het plangebied. Profielen 3 & 4, werkputten 1 & 2.
Grondsporen
Er zijn in de werkputten circa 500 archeologische sporen geregistreerd (Figuur 6). Een klein deel van de sporen is geregistreerd onder spoorverzamelnummers. Dit betreft de natuurlijke fenomenen, de sporen van agrarische bodembewerking en de recente, <= 50 jaar oude, grondroeringen door sloop van opstallen. Aan alle overige grondsporen zijn individuele spooridentificatienummers toegekend. De grondsporen, behalve de genoemde onder verzamelnummers gedocumenteerde natuurlijke, agrarische en recente sporen, zijn daarbij conform het PvE onderzocht en gedocumenteerd Spoordoorsneden ondieper dan 10 centimeter of van sporen die geïnterpreteerd zijn als van natuurlijke oorsprong, zijn niet getekend. De overige sporen zijn gecoupeerd, gefotografeerd, getekend en afgewerkt.
Figuur 6.
Overzicht van de aangetroffen grondsporen binnen de contouren van het plangebied.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 11 van 34
5.2.1
Spoorcategorieën
Om greep te krijgen op de sporenmassa is deze vooraleerst gescheiden naar spooraard. Er wordt van uitgegaan dat aard en functie onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Functiezones en activiteitenspreiding kunnen zo in beeld worden gebracht evenals een eventueel verschuiving in gebruik hiervan gedurende de levensfase van de nederzetting. Per spooraard wordt in het onderstaande een bondig overzicht gegeven van wat nu reeds bekend is over de aangetroffen grondsporen. In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de datering en gaafheid van de grondsporen en de mate van verstoring van het opgravingsterrein in zijn geheel. De spoordichtheid is niet zeer hoog. Het onderzochte areaal omvat een meer extensief gebruikt deel van een nederzetting.8 Het bevat een veelheid aan zgn. offsite sporen. Kuilen, (paalkuilen, afvalkuilen en waterkuilen) Het merendeel van de sporen betreft kuilen met daarbij de subgroep paalkuilen als grootse vertegenwoordiger. Kuilen met een andere, nog niet gedefinieerde gebruiksfunctie zijn slechts in geringe mate aangetroffen In het vlak tekenden de spoorcontouren zich in het algmeen duidelijk af ten opzichte van de natuurlijke ondergrond. De vullingkleuren van de grondsporen varieerden al naar gelang de hoeveelheden ijzer en het humusgehalte, tussen lichtgeelgrijs/lichtgeelbruin tot donkergrijsbruin.
Slechts bij enkele sporen is een sterke mate van door bioturbatie veroorzaakte gevlekteid van de spoorvullingen waargenomen. Bij een klein deel van de paalkuilen was de contour van de voormalige paal nog zichtbaar. De diepte van de kuilen varieerde van luttele centimeters beneden het aangelegde vlak tot dieptes van circa 40 centimeter beneden dit niveau. In de sporenspreiding zijn tijdens het veldwerk reeds meerdere gebouwstructuren waargenomen. Het merendeel van de gebouwstructuren lijken bijgebouwen voor de opslag van agrarische producten, zgn. spiekers te zijn (Figuur 7). Het daadwerkelijke aantal gebouwstructuren dient nog bepaald te worden, dit is onderdeel van de sporenanalyse.
Figuur 7.
Paalkuilen van bijgebouwen voor de opslag van agrarische producten.
8 Van welke nederzetting het de offsite resten betreft is nog onduidelijk. Zowel ten noorden als zuiden bevinden zich nederzet-
tingsterreinen met een datering in de IJzertijd en de Middeleeuwen.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 12 van 34
Meest opvallende structuur betreft een bijna 14 meter lange en 7,5 meter brede U-vormige gebouwstructuur (Figuur 8). Het gebouw heeft wegens haar ene open zijde een hangar-achtig uiterlijk. Grondsporen voor dragende palen aan de oostzijde van de gebouwstructuur ontbreken.
Figuur 8.
Hangar achtig gebouwplattegrond met afmetingen van 14 x 7,5 meter. Aan de noordzijde van het gebouw, rechts op de afbeelding, één van de vele boomvallen.
Haardkuilen en/of hutkommen Duidelijk als haardkuil of hutkom te duiden grondsporen ontbreken. Dit bevestigt het beeld dat het onderzochte gebied een randzone van een nederzettingsareaal betreft. Afvalkuilen Meer richting de aan de zuidzijde van het onderzochte gebied gelegen nederzettingskern zijn een aantal wat grotere kuilen en een bescheiden aantal met flinke aantallen scherven keramiek gevulde, als afvalkuil geduide sporen aangetroffen. Greppels Een gering aantal greppels is aangetroffen. In het oosten van het plangebied betreft dit enkele solitair gelegen smalle, circa 10 tot 15 cm diepe greppels. Een functie is op dit moment nog niet te geven. Tijdens het veldwerk is de gedachte geopperd dat het een ‘windscherm’ zou kunnen zijn of deelelementen van een veekering. Grote greppels zijn meer in het oosten van het plangebied aangetroffen.Vermoedelijk betreft het perceel- of kavelgrenzen. Deze greppels hebben sterk te lijden gehad door de diepe verploeging.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 13 van 34
Figuur 9.
Wandgreppels in het westelijke deel van het plangebied. Ten zuiden van de wandgreppel, rechts op de afbeelding, een bundel karrensporen.
Figuur 10.
Kavelgreppels in het oosten van het plangebied. De grondsporen hebben sterk te lijden gehad van het agrarische grondverzet in de afgelopen decennia.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 14 van 34
Karrensporen Parallel aan het huidige tracé van de Wikselaarseweg zijn bundels karrensporen aangetroffen. In het westelijke deel van het plangebied hebben deze karrensporen eenzelfde orientatie als het huidige wegverloop. De afstand tussen de huidige weg en de karrensporen bedraagt circa 20 meter.Ter hoogte van de bestaande bebouwing aan de zuidzijde van de Wikselaarseweg buigen de karresporen vrij abrupt richting het zuid-zuidoosten, richting de aan te leggen Groote Elstweg. Aan de grondslag zijn geen beweegredenen af te leiden waarom een zo abrupte afbuiging van de karrensporen noodzakelijk is geweest. Ook aan de sporenspreiding niet. Even boven het huidige wegveloop lijken de karrensporenbundels weer parallel aan de weg te lopen. Of de afbuigende bundel karrensporen deze parallel aan de Wikselaarseweg lopende bundel kruist, kon niet herleid worden. Juist op deze locatie heeft meer grondverzet plaatsgevonden zodat aanwijzingen verstoord zijn. Wel waren in de basis van het akkerpakket karrensporen zichtbaar zodat aanwijzingen omtrent de ouderdom verkregen zijn, zij zijn uit de tijd dat de basis van het akkerpakket niet meer aan intensieve bewerking onderhevig is geweest. De ligging van de karrensporen komt overeen met projecties van verbindingswegen op kaartmateriaal uit de eerste helft van de 19e eeuw zoals de kadastrale kaart.
Op jonger kaartmateriaal zijn deze verbindingswegen niet meer te zien (Figuur 12). In het mddendeel van het onderzochte gebied zijn geen karrensporen aangetroffen. Wel weer in het uiterste zuidoosten van het onderzochte gebied (Figuur 11). Daar waar het huidige tracé van de Wikselaarseweg een buiging in zuidelijke richting maakt, volgen de karrensporen een iets noordelijker tracé. Op basis van AHN beelden lijkt de huidige weg dóór een (nattere) laagte gelegd te zijn, daar waar het oudere tracé aan de noordzijde van deze laagte, op íets hogere gronden gelegen was.
Figuur 11.
Karrensporen in het centrale deel van het plangebied. Opvallend is de sterke afbuiging die de sporen maken, bijna en hoek van 90o, zonder dat er een duidelijke grens in het landschap zichtbaar is.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 15 van 34
Figuur 12.
Karrensporen in het zuidoostelijke deel van het plangebied. Het huidige tracé van de Wikselaarseweg wijkt af in zuidelijke richting. Deze afbuiging is tevens te zien op een projectie van de ligging van de oude wegen gegevens op een moderne luchtfoto.
Structuren gerelateerd aan de watervoorziening Aan de zuidrand van het onderzochte gebied, op enkele meters afstand van de Wikselaarseweg, zijn enkele structuren voor de watervoorziening aangetroffen. Het betreft een bescheiden aantal waterkuilen en een waterput. De waterkuilen zijn onbeschoeid, de waterput is uit bakstenen opgebouwd. Het geringe aantal staat in schril contrast tot de even ten zuiden van de Wikselaarseweg aangetroffen aantallen. Dit geringe aantal is eveneens een bevestiging dat met het nu onderzochte gebied de randzone van een groter nederzettingsterrein is aangesneden. De bakstenen waterput is ten dele opgebouwd uit kalkzandsteen bakstenen. Een baksteensoort die rond het midden van de 19e eeuw ontwikkeld is. De put bestaat uit een bakstenen cilinder die op een uit meerdere houten planken bestaande rondeel is gemetseld. Aan de buitenzijde zijn houten latten aan de houten rondeelplanken gespijkerd. Aan de bovenzijde zijn de houten latten onderling verbonden geweest met vermoedelijk een ijzeren draad. Hiervan zijn geen resten teruggevonden. De top van de waterput is kegelvormig toegemetseld, waarbij op enig moment de kop een keer is verstevigd of opnieuw opgemetseld. Bijzonder aan de pompconstructie is dat de pompbuis niet uit een metalen pompbuis bestaat, maar uit een in de lengte uitgeboorde balk.
Op circa 20 cm onder het balkuiteinde is een langwerpig deel uit de balk gezaagd om water in te laten en slib en andere ongerechtigdheden onder in de put te laten (Figuur 13). Waarom zo veel energie is toegepast om een gebintsbalk in de lengte te doorboren is onbekend. Doorgaans zijn dergelijk boren niet voorhanden waardoor het geen alledaags werk geweest moet zijn. Doorgaans is het veel simpeler toepasbare lood gebruikt als pompbuis. De bakstenen waterput bevindt zich los van een erf. Het huidige erf ten zuiden van de Wikselaarseweg is van jongere datering. Op zich is de locatie niet gebruikelijk voor een waterput. Mogelijk betreft het een communale waterput langs een doorgaande route. Nader onderzoek moet dit uitwijzen.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 16 van 34
Figuur 13.
Waterkuil en waterput in het zuiden van het onderzoeksgebied. De waterkuil is een van de meest noordelijke van een van de vele exemplaren die even ten zuiden van dit onderzoeksgebied zijn aangetroffen. De bakstenen waterput is een van de jongste exemplaren. Opvallend is de in de lengterichting uitgeholde (gebint)balk die als pompbuis is gebruikt.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 17 van 34
Relicten van oorlogsgeweld In het centraal-westelijke deel van het plangebied zijn op een drietal locaties explosietrechters aangetroffen (Figuur 14). De trechters kenmerkten zich door de grote hoeveelheid vondstmateriaal van met name ontstekerdelen, geleidebandfragmenten en delen van projectiellichamen. Bij aantrefen werd op basis van de zeer dikwandig scherven en een cirkelvormig fragment dat de kenmerken had van een vulopening van een vliegtuigbom vermoed dat het explosietrechters van afwerpmunitie, vliegtuigbommen, waren. Nadere studie van de fragmenten wees uit dat het delen van zware artillerie granaten met mogelijk een diameter van 15 cm betreft, waarschijnlijk afgevuurd door Duitse eenheden met zwaar veldgeschut of houwitzers in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog.9 Tijdens de benadering van verdachte locaties door een daarin gespecialiseerd bedrijf werd gemeld dat het locaties betreft waar explosieven tot ontploffing zijn gebracht door leden van de EOD. Gebruikelijk is dat dergelijke explosies van afstand op electronische wijze worden geïnitieerd en tevens worden nagegraven of de vernietiging van het oorlogstuig succesvol is geweest. Stroomkabels en sporen van dergelijke nagravingen ontbreken zodat niet met zekerheid gezegd kan worden dat het kraters van opruim acties betreft of granaatinslagen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
Figuur 14.
Explosietrechter met granaatlichaamsfragmenten van mogelijk een 15 cm geschutgranaat.
Relicten van natuurgeweld In het centraal-oostelijke deel van het plangebied zijn op een tweetal locaties zeer dicht bij elkaar resten van een of meer blikseminslagen aangetroffen ( Figuur 15). Een netwerk van fulguriettunnels, door de energie van de blikseminslag gesmolten zand, resteren hiervan. Op welk moment dat is gebeurd kon niet vastgesteld worden. 10
9
Er zijn vermeldingen dat in de bosschages even ten oosten van het plangebied schermutselingen hebben plaatsgevonden. Slechts zelden worden resten van dergelijk natuurgeweld in Nederland gedocumenteerd. Voor Nederland zijn dergelijke resten enkel bekend uit de omgeving van Hulshorst (aangetroffen in 1942). 10
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 18 van 34
Figuur 15.
5.3
Fulguriet-tunnel delen. Ontstaan door samensmelten van kwartsdelen bij inslag van een bliksem.
Datering
Het gros van de aangetroffen grondsporen lijkt op basis van hun stratigrafie, uiterlijke kenmerken en aan de hand van een eerste, zeer grove, scan ten tijde van het reinigen van het aardewerk, in verschillende perioden geplaatst te moeten worden. De oudste sporen zullen in de (Late-) IJzertijd geplaatst kunnen worden. Kernperiode zullen de eerste eeuwen van onze jaartelling zijn, mogelijk tot in de laat Romeinse tijd, gelijke tred volgend met de nederzettingsresten die aan de zuidkant van de Wikselaarseweg maar ook aan de noordzijde van het plangebied zijn aangetroffen. Slechts een klein deel van de sporen is uit jongere tijden. Deze sporen zijn te koppelen aan historische kaartbeelden zodat ook die informatie meegenomen worden kan bij de analyse. 5.4
Gaafheid, conservering en recente verstoringen
Gaafheid en conservering De kwaliteit van de grondsporen is over het algemeen zeer goed. De sporen zijn voor het grootste deel goed onderscheidbaar van de hun omringende natuurlijke ondergrond. Om zo min mogelijk informatie te verliezen is het vlak aangelegd in de basis van de oude leef- of akkerlaag. De sporen waren tot op vrij grote diepte, 20 á 30 cm onder het aangelegde vlakniveau gaaf en goed geconserveerd in de ondergrond aanwezig.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 19 van 34
Recente verstoringen Het gebied kent in tegenstelling tot wat geconcludeerd werd uit het vooronderzoek slechts een geringe graad van verstoring. Enkele recente11 grondroeringen zijn in het westen van het plangebied aangetroffen. Dit betreft enkele banen met diepe kuilen waarin met name betontegels en baksteenpuin zijn begraven. Naar verluid is het terrein ingericht geweest als tuinbouwgrond met kassen. Mogelijk zijn de aangetroffen puinresten hiervan afkomstig. Deze kuilenrijen hebben slechts zeer lokaal tot een verstoring van het bodemarchief geleid. In het oostelijke deel van het plangebied is het bodemarchief door ploegen over grotere oppervlaktes mechanisch verstoord. Daarbij zijn ondiepere grondsporen verdwenen en zijn enkel nog de diepere greppels zichtbaar, zij het dat ook deze door ploegen sterk aangetast zijn.
Chemische verstoring De natuurlijke ondergrond bestaat uit lichtgeelgrijs ijzerrijk fluvioperiglaciaal zand; smeltwaterafzettingen. Qua fractie varieert het van, vrij grofzandig tot bijna fijn grindig zand. De bodem was vrijwel overal geoxideerd; ijzerdeeltjes hebben de grond gelig tot bruinig kunnen kleuren in de loop der tijd. Chemische verstoring in de vorm van verblauwing, reducering van de ondergrond wegens een stagnatie van de zuurstoftoevoer door ondoorlatendheid van de bovengrond, heeft ter plaatse dan ook niet plaatsgevonden.
11
Voor recent is in deze een ouderdom van 50 jaar of minder aangehouden. Onder meer agrarische landbewerkingen hebben sinds die tijd sterke veranderingen ondergaan. De datering van recente sporen is bepaald op basis van het spooruiterlijk; textuur, scherpte van spooromranding, aard van de opvulling, in combinatie met de aanwezigheid van objecten van geringe ouderdom of recentelijk ontwikkelde materialen.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 20 van 34
6 6.1
UITWERKINGSVOORSTEL Algemeen
In het plangebied zijn een veelheid sporen aangetroffen die aan randzones van nederzettingen worden aangetroffen. Sporen van agrarisch gebruik waarbij vooral structuren voor de opslag van goederen en producten zijn aangetroffen. Ook relicten van oude verbindingswegen zijn aangetroffen, al wordt verwacht dat deze uit wat jongere tijdsperioden dateren. De aard van hetgeen er in de structuren is opgeslagen is, kon tijdens het veldwerk niet visueel vastgesteld worden en evenmin worden bepaald aan de hand van bijvoorbeeld over- of ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen voorwerpen of vondstmaterialen van onvergankelijk anorganisch materiaal. Derhalve dient aangenomen te worden dat de vervaardigde producten van vergankelijke, organische dan wel chemische, aard zijn geweest. Onderzoek tot nu toe, inclusief een scan van de keramiekvondsten heeft geen licht kunnen werpen op de werking van dit deel van de nederzetting. Natuurwetenschappelijke methoden kunnen worden toegepast om te bepalen wat er precies is opgeslagen, gebruikt of mogelijk geproduceerd.
Doelgerichte bemonstering, op onder andere pollen, non pollen palynomorfen, microbiomorfen (zie ook 6.5.1.3) en anorganisch chemisch onderzoek (zie ook 6.5.1.2) heeft plaatsgevonden van die locaties waar bij uitstek elementen van producten, (-)vervaardiging, -opslag of afval dezes verwacht kunnen worden (Protocol 4001 PvE SIKB, Versie 4.0, 2016, p. 29-33). Analyse van deze grondmonsters is, nu de overige data onvoldoende aanwijzingen geven, essentieel om inzichten in sporen van bovenvermelde menselijke activiteit te verkrijgen. Voorgesteld is bij de uitwerking van het onderzoek specifiek te richten op het, door de tijd heen, functioneren van de randzone van de waarschijnlijk richting het zuiden gelegen nederzettingskern en individuele onderdelen daarbinnen. Zwaartepunt van het onderzoek wordt daarbij geacht te liggen in het vaststellen van wat er in de nederzetting en haar individuele componenten zoals het hier onderzochte randgebied, werd geproduceerd, geteeld, verwerkt, verhandeld of geconsumeerd. Het onderzoek naar deze randzone dient in samenhang bezien te worden met de activiteiten in de vermoedelijk zuidelijker gelegen nederzettingskern, zonder daarbij ook de ten noorden van het plangebied gelegen nederzettingsresten te veronachtzamen.
Met deze resultaten zou het verdere onderzoek zich richten op de op- en deelname van het gebied in sociale, economische en culturele netwerken. Middels de voorgestelde uitwerking en analyses kunnen bijdragen geleverd worden ter beantwoording van de onderzoeksvragen (zie 3.2.1). Besluit van het bevoegd gezag. De voorstellen zijn gedaan in een eerdere versie van dit document (versie dd. 26 maart 2020). In overleg met en op besluit van het bevoegd gezag, gemeente Barneveld (vertegenwoordigd door diens adviseur, mevr. P. Kloosterman) worden niet alle uitwerkingsvoorstellen overgenomen. Voor de volledigheid en helderheid in besluitvorming zijn in het onderstaande per onderdeel zowel het initiële voorstel als het besluit van het bevoegd gezag toegevoegd.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 21 van 34
6.2
Bodemopbouw
6.2.1 Natuurlijke bodemopbouw De natuurlijke bodemopbouw is bepaald gedurende de bureaustudie met veldtoetsing in het vooronderzoek, ook al zijn daar niet geheel correcte conclusies uit getrokken. Voorgesteld wordt geen nader grootschalig onderzoek naar de aard en opbouw van de natuurlijke bodemopbouw te verrichten, anders dan voor de vaststelling van de antropogene bodemopbouw noodzakelijke nulmetingen. in het nagenoeg aanpalende gebied heeft zeer gedetailleerd onderzoek plaats gevonden naar de aard en genese van de natuurlijke bodemopbouw. Informatie daaruit kan geëxtrapoleerd worden over het gehele plangebied. Dubbel onderzoek en verspilling van gelden kan zo worden voorkomen. 6.2.2 Antropogene bodemopbouw De antropogene bodemopbouw in het plangebied toont over het algemeen een vrij uniform beeld. Het betreft een enigermate gelaagd pakket. Een tot in moderne tijden opgebrachte en bewerkte toplaag rust op een oudere mogelijk 17e tot 19e-eeuwse akkerlaag en deze wederom op een oudere basislaag. Deze basislaag rust uiteindelijk op de natuurlijke ondergrond. De dikte van de opgebrachte laag neemt in oostelijke richting steeds verder af om uiteindelijk geheel afwezig te zijn.
De basislaag vertoont dermate kenmerken dat het sterke vermoeden bestaat dat dit een restant betreft van een oude leef- of cultuurlaag uit de Romeinse tijd in de vorm van een regelmatig betreden laag met onder meer een verhoogd gehalte van onder meer humus, mineralen, sporenelementen en een strooiing van (an)organisch nederzettingsafval. De vermoedde aard van deze laag wordt versterkt door onder meer de overeenkomst in kleur van de vullingen van de grondsporen en die van de basislaag. Het ontbreken van duidelijke agrarische bewerkingssporen en belangrijker nog, het geheel afwezig zijn van vondstmateriaal van post Romeinse ouderdom. Exacte duiding van de daadwerkelijke aard en bepaling van de oorspronkelijke dimensies van de oude leef- of cultuurlaag en de relatie in samenstelling met die van de laag in het ten zuiden van het plangebied onderzochte areaal, zijn van belang voor het verdere begrip van de nederzetting en haar onderdelen. Het is van belang deze oude leef- of cultuurlaag zo scherp mogelijk te dateren. De samenhang tussen de datering van het vondstmateriaal uit de gebruiksfase van het terrein en de op natuurwetenschappelijke wijze verkregen datering van de oude leef- of cultuurlaag geeft de mogelijkheid met meer zekerheid uitspraken te doen over het gebruik en in onbruik raken van de nederzetting of delen daarvan.
Om de genese van de antropogene bodemopbouw inzichtelijk te krijgen en meer in het bijzonder het gebruik van deze oude leef- of cultuurlaag te bepalen en, zo meer inzicht te krijgen in het handelen van de mensen en hun ontplooide activiteiten, is de analyse van de uit deze lagen genomen monsters essentieel. Vaststelling van onder meer een "fytoliet-distributieprofiel" door middel van analyse op microbiomorfen (o.a. fytolieten, diatomeeën en detritus), aangevuld door het verdelingspatroon van de chemische elementen samengevat in een referentiestandaard, zal informatie opleveren, aangaande gebruiksfasen, waaronder hun aantal en volgorde in de tijd, en in de aard van de antropogene activiteiten op dit concrete grondgebied. Het verdelingspatroon van de chemische elementen in de standaard laat zien op welke diepte transformatie van de natuurlijke geochemische inhoud wordt waargenomen, en hoe deze zich manifesteert, waardoor inzicht wordt verkregen in de start van antropogene invloed op het gebied.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 22 van 34
AMS-14C.datering biedt een solide chronologische basis voor de verkregen resultaten. De aldus voor de profielstructuur verkregen informatie dient tevens als referentiestandaard voor het vergelijken van alle andere resultaten van monsteranalyses over het opgravingsgebied.12 Indien samenhang gezicht wordt met de in het zuidelijke deel te bepalen referentiestandaard kunnen extra sterke uitspraken gedaan worden. Voorgesteld is om een fytoliet-distributieprofiel en de geochemische referentiestandaard op te zetten en de onderzoeksvragen (1, 3, 5, 14) te kunnen beantwoorden. Hiervoor zouden vijf monsters voor microbiomorfen, vijf monsters voor geochemie geanalyseerd kunnen worden. Tevens is voorgesteld om door middel van analyse van één monster voor AMS-14C de ouderdom van de oude leeflaag te bepalen. Op besluit van het bevoegd gezag zal enkel het AMS-14C-monster geanalyseerd worden voor de bepaling van de ouderdom van de oude leeflaag. Er zal geen uitvoer gegeven worden het opstellen van een fytoliet-distributieprofiel of een geochemische referentiestandaard. 6.3
Sporen en structuren
Er zijn in totaal 500 grondsporen aangetroffen. Naar verwachting zullen uit deze sporenmassa circa 30 structuren herleid kunnen worden. De herleide structuren zullen zo mogelijk met elders aangetroffen en gepubliceerde exemplaren worden vergeleken. Overeenkomsten en verschillen zullen geduid worden. De dientengevolge verkregen inzichten worden meegenomen in de duiding van de functie van de nederzetting en haar participatie binnen een groter netwerk. Op basis van de op natuurwetenschappelijke wijze verkregen dateringen kan een fasering worden gegeven daar dit niet of nauwelijks mogelijk is op basis van oversnijdingen van grondsporen of aardewerk typologieën vanwege de geringe hoeveelheden vondstmateriaal. Voorgesteld wordt vooraleerst het daadwerkelijke aantal structuren te herleiden door analyse van de sporenmassa. Aan de hand van onder meer de bestaande structuurmodellen, gebouwplattegrond typologieën, oversnijdingen van de onderlinge structuren en individuele spooreigenschappen waaronder diepte en kleur, zal getracht worden een duiding en spreiding van structuren te verkrijgen (onderzoeksvragen 9, 16, 17, 18 en 20). Om vergelijk te vergemakkelijken zullen de aanwezige structuren, zoals ook in het offertetraject bepaald, middels standaard beschrijvingen worden ingedeeld naar structuurvorm en opgenomen in een sporen- en structurencatalogus.
Op besluit van het bevoegd gezag zal uitvoer gegeven worden aan het analyseren van de sporenmassa.
6.4
Vondsten en monsters
Tijdens het archeologisch onderzoek zijn 756 objecten verzameld (zie 6.4.1) en zijn 67 monsters genomen (zie 6.5.1). Deze vondsten zijn geregistreerd onder 162 vondstregistratienummers (tabel I). Complexe constructies, zoals de houten en stenen constructieonderdelen van de waterput, zijn geadministreerd onder één hoofdvondstregistratienummer met daaraan gekoppelde subnummers per
12
Voor voorbeelden van de toepassing van fytoliet en geochemische analyses in Nederland, zie: Oonk 2009a & 2009b, McMichael 2019.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 23 van 34
constructieonderdeel. Een klein deel van de grondmonsters is eveneens verzameld onder hoofd- en subnummers. 6.4.1 Vondsten Het vondstmateriaal is ten behoeve van de basale verwerking gesplitst naar hoofdcategorie en, voor zover het materiaal dit toe liet, ontdaan van aanklevende grond door middel van wassen met kraanwater. Houten constructieonderdelen en organische of metalen objecten van hoge ouderdom zijn niet gereinigd. De fulguriet delen van de blikseminslag zijn ten dele en bloc gelicht en afgevoerd naar een in de verwerking ervan gespecialiseerd bedrijf. Deze fulguriet delen zijn niet als individuele elementen opgenomen in de vondstenaantallen
Tabel I.
De hoeveelheid aangetroffen vondstmateriaal en genomen monsters, ingedeeld naar categorie.
Vondstcategorie Keramiek Keramiek Keramiek Bouwmateriaal Glas Natuursteen Natuursteen Metaal Bot Kunststof Hout Totaal
Subsoort Handgevormd Gedraaid Overig baksteen Divers Tefriet Overig Divers Dierlijk Overig Divers
AMS 14C
Monster
19
geochemie microresten macroresten dendrochronologie Totaal
Monster Monster Monster Monster Monster
31 14 2 1 67
6.4.1.1
aantal 586 16 48 8 25 7 20 31 4 1 10 756
Keramiek
Tijdens het veldwerk werd aan de hand van het keramische spectrum al duidelijk dat het plangebied een niet al te langdurige periode van bewoning heeft gekend. Aan de hand van de technische kenmerken en de toegepaste decoraties lijkt deze periode van bewoning zich vanaf de Late-IJzertijd tot in de eerste eeuwen van onze jaartelling te concentreren. Duidelijk oudere keramiek is niet aangetroffen. Wel is er een dunne strooiing volmiddeleeuws aardewerk aanwezig. Jonger materiaal is, met een uitzondering van één stortgat in het noorden van het onderzochte gebied, nauwelijks aangetroffen. Bij het onderzoek zijn in totaal 650 fragmenten keramiek aangetroffen. Het materiaal vertoont over het algemeen duidelijk de kenmerken van bemestings en is doorgaans in kleine fragmenten uiteengevallen waarbij de breukrande licht afgerond zijn. Ook zijn aan de hand van de scherven vrijwel geen volledige vormen reconstrueerbaar. Een niet al te groot aantal grondsporen bevat fragmenten keramiek. Duidelijk is het ‘randzone effect’ merkbaar. De spoorvullingen bevatten niet meer dan 1 à 2 fragmenten keramiek per spoor, als ze überhaupt al keramiek bevatten. Ook in de vulling van de grotere kuilen zijn doorgaans ook geen grote hoeveelheden keramiek aangetroffen.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 24 van 34
Het aardewerk bestaat naast enkele fragmenten gedraaid Romeins aardewerk. voornamelijk uit handgevormd prehistorisch/Inheems Romeins aardewerk. Het is op basis van het baksel en de aanwezige randvormen te dateren in de Midden-/Late IJzertijd tot de Romeinse Tijd (Figuur 16). Het aardewerk is voornamelijk gemagerd met grof zand/steengruis, en is reducerend tot oxiderend gebakken. Het is van belang om het vormenspectrum binnen het keramiekassemblage te bepalen. Op basis hiervan kunnen mogelijk beredeneerde uitspraken gedaan worden over culturele uitingen en contacten van de mensen van toen. Vanzelfsprekend dient de op stijlkenmerken gebaseerde datering gestaafd te worden met dateringstechnieken op natuurwetenschappelijke basis. Er valt echter méér te weten te komen. Moderne onderzoekstechnieken stellen ons in staat te bepalen wát de mensen in de voorwerpen hebben bewaard, er in of ermee geproduceerd is en wat men er uit heeft gegeten. Hierdoor is een scherper beeld te genereren van het leven in het verleden. Niet meer enkel een algemeen beeld over algemene leefwijzen in de IJzertijd of Romeinse tijd, maar een specifiek beeld over wat men deed, at, gebruikte of vervaardigde in déze specifieke nederzetting en op welk tijdspecifieke moment. Circa 10 fragmenten (ruim 1 % van de geborgen keramiek) vertonen verkleuringen, beroeting of aankoeksels.
Figuur 16.
Sfeerbeeld van fragmenten handgevorde keramiek met vingertopindrukken op de rand.
Er zijn vondsten die ter vergroting van het publieksbereik en versterking van de aantrekkelijkheid van Voorthuizen, de gemeente Barneveld en de regio Veluwe gerestaureerd verdienen te worden. Minimaal dienen de vondsten geconserveerd te worden om ze onder stabiele omstandigheden voor de toekomst te kunnen bewaren. Deselectie van voorwerpen wordt niet voorgesteld. In twee kuilen zijn twee in meerdere scherven uiteengevallen voorwerpen aangetroffen die zich lenen voor reconstructie en eventueel restauratie tot permanent exposeerbare voorwerpen.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 25 van 34
Voorgesteld wordt, om hiermee de onderzoeksvragen 4-6, 8, 9, 16 - 19 te kunnen beantwoorden, de uiterlijke kenmerken, decoraties en vervaardigingstechnieken van alle 650 fragmenten keramiek te bestuderen en zodanig te analyseren dat uitspraken gedaan kunnen worden over hun datering, aard en functie.13 Daarnaast wordt voorgesteld de randprofielen van aangetroffen keramiek te tekenen. Naar schatting zullen circa tien van dergelijke randprofieltekeningen vervaardigd dienen te worden. Ten slotte wordt voorgesteld de twee reconstrueerbare voorwerpen te restaureren. Op besluit van het bevoegd gezag zal uitvoer gegeven worden aan het analyseren van de keramiek
6.4.1.2
Glas
Oud glaswerk is, in overeenstemming met de verwachting op basis van de matige conserveringstoestand van de bodem, niet aangetroffen. Wel is een cluster met 25 stukken modern glas aangetroffen in een afvalkuil in het noordoosten van het plangebied. De exacte ouderdom van het glaswerk dient nog bepaald te worden. Het onderzoek naar dit glaswerk en de overige vondsten in de afvalkuil dragen bij aan het verkrijgen van inzicht in de omgang met afval op het platteland in Nederland. Voorgesteld wordt de inhoud van de afvalkuil integraal te bestuderen. De individuele objecten behoeven geen diepgaand onderzoek, hiervoor wijken zij in ouderdom te veel af van de overige vondsten. Voor de beeldvorming wordt voorgesteld de vondsten uit de afvalkuil ook als groep in fotografische afbeeldingen te vatten. Na documentatie wordt voorgesteld de voorwerpen te deselecteren en voor te dragen voor definitieve verwijdering uit de collectie. Het bevoegd gezag heeft in haar besluit het voorstel overgenomen.
6.4.1.3
Bouwmaterialen
De categorie bouwmaterialen omvat 8 objecten. Het betreft representanten van de bakstenen waaruit de waterput is opgebouwd Voorgesteld wordt de acht bakstenen te bestuderen als onderdeel van de gehele waterputconstructie. Na documentatie wordt voorgesteld de voorwerpen te deselecteren en voor te dragen voor definitieve verwijdering uit de collectie. Het bevoegd gezag heeft in haar besluit het voorstel overgenomen.
6.4.1.4
Metaal
Het totaal aan metaalvondsten bestaat uit 28 objecten. De voorwerpen zijn aangetroffen met behulp van metaaldetectie. Dit onderzoek is niet alleen tijdens, maar ook voorafgaand aan en na afloop van de opgraving uitgevoerd. Voorwerpen van mogelijk Romeinse ouderdom Een klein deel van de vondsten, drie voorwerpen, is mogelijk van Romeinse ouderdom. De overige 25 objecten lijken van jongere datum.
Voorgesteld wordt de uiterlijke kenmerken, decoraties en vervaardigingstechnieken van alle drie de metalen voorwerpen van Romeinse ouderdom zo gedetailleerd mogelijk te bestuderen en zodanig te analyseren dat uitspraken gedaan kunnen worden over hun datering, aard, type en functie. Tevens wordt voorgesteld deze drie voorwerpen voor de toekomst te behouden en derhalve te onderwerpen aan conserverende handelingen. Ten behoeve van de opname in de rapportage wordt voorgesteld de
13
Aanbevolen wordt om alle fragmenten handgevormde keramiek via de geldende KNA richtlijnen uit te werken.
EVALUATIEVERSLAG 7928.003 versie D1
Pagina 26 van 34
drie objecten van Romeinse ouderdom als individuele voorwerpen te fotograferen. Het bevoegd gezag heeft in haar besluit het voorstel overgenomen. Voorwerpen uit jongere tijden In dit uitwerkingsvoorstel zullen, ten behoeve van het totaalbeeld van de ontwikkeling van het gebied, naast de bovengenoemde objecten uit de Romeinse tijd, ook de 25 metaalvondsten uit jongere tijden meegenomen worden in de uitwerking, zij het op een basaler niveau. De verzamelde voorwerpen zijn vervaardigd uit een keur aan metaalsoorten waaronder gietijzer, (roestvrij) staal, aluminium en samengestelde metalen als zamak; metaalsoorten die in de late 19 e eeuw zijn ontwikkeld en in de 20e eeuw op grote schaal zijn toegepast. De voorwerpen geven een beeld van hetgeen er met de toegevoerde meststoffen het gebied in is gebracht. Door opname van deze meer moderne vondsten kan de ontwikkeling van het gebied en dan met name het agrarische gebruik inzichtelijk gemaakt worden. Daarnaast draagt het bij aan de vergroting van de inzichten rondom de perceptie op en omgang met afval in de nieuwe tijd. Tot slot helpt het de heersende kloof tussen hobbymatige liefhebbers van archeologie, veelal met metaaldetectoren op pad, en de beroepsmatige archeologie te dichten.