CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Koperweg I_Toelichting

Gemeenteraad 29 mei 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Koperweg I (Zwartebroek)24.123 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In plaats daarvan is de mogelijkheid opgenomen om in het LOG een woonbestemming te transformeren naar een agrarische bestemming. Feitelijk betekent dit dat het plan de nieuwvestiging van agrarische bedrijven onder voorwaarden mogelijk maakt. Onze verwachting is echter dat van deze mogelijkheid slechts zeer weinig gebruik zal worden gemaakt in "Koperweg I" (vastgesteld)

23

Koperweg I de komende planperiode. Daar komt bij dat wij verwachten dat het aantal stoppende agrarische bedrijven het aantal nieuwvestigers vele malen zal overtreffen. Deze verwachtingen zijn gebaseerd op de ervaringen de afgelopen planperiode. Dit betekent dat er veel groeiruimte is geboden in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 waarvan te verwachten is dat deze niet gebruikt zal worden in de komende planperiode. Deze omschakelings- mogelijkheid wordt dan ook ingeperkt door een salderingsregeling te introduceren in de betreffende wijzigingsbevoegdheden. In deze salderingsregeling wordt een koppeling aangebracht tussen het aantal stoppende agrarische bedrijven en de nieuwe bedrijven die ontstaan door omschakeling van wonen naar agrarisch. Het aantal nieuwe bedrijven dat met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt toegestaan bedraagt daarbij maximaal 50% van het aantal bedrijven dat stopt. Op deze manier zal er per saldo binnen de planperiode altijd sprake zijn van een afname van het aantal agrarische bouwvlakken in het plangebied. Voor wat betreft de benodigde oppervlakte aan bouwvlak wordt gebruik gemaakt van het saldo van de hiervoor genoemde salderingsregistratie.

Het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2012 maakt het ook mogelijk om een paardenhouderij te laten omschakelen naar een agrarisch bedrijf (wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.7 lid 7 van het bestemmingsplan). Daarom zal de hiervoor genoemde salderingsregeling in het bestemmingsplan ook van toepassing worden op deze wijzigingsbevoegdheid. Salderen van de oppervlakte agrarisch bouwvlak Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' maakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden de vergroting van agrarische bouwvlakken mogelijk. Deze groeimogelijkheden zijn afgestemd op de twee reconstructieplannen Veluwe en Gelderse Vallei/Utrecht-Oost. Onze verwachting is dat de groeiruimte die in theorie geboden wordt door het vastgestelde plan niet in zijn geheel noodzakelijk is in de komende planperiode. Het is daarom beter deze groeiruimte in te kaderen. Dit wordt gedaan door een salderingssystematiek te introduceren waarbij er een koppeling wordt gelegd tussen de oppervlakte aan bouwvlakken die vrij komt door stoppers (b.v. via functieverandering) en de agrarische bedrijven die willen groeien. Hierbij wordt de oppervlakte aan bouwvlak die vrij komt door een stopper opgenomen in een salderingsregistratie.

Een bedrijf dat gebruik wil maken van de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van zijn bouwvlak kan vervolgens kosteloos gebruik maken van het saldo dat aanwezig is op de salderingsregistratie. Op deze manier zal de totale oppervlakte aan bouwvlak in het plangebied niet toenemen. De salderingsregistratie zorgt er daarbij voor dat de ruimte die beschikbaar komt (door stoppers) ook op de gewenste plek kan worden ingezet door groeiers. Op basis van de ervaringen de afgelopen jaren met ons functieveranderingsbeleid en de ervaring met de aantallen stoppende agrarische bedrijven, verwachten wij dat het saldo van de salderingsregistratie voldoende zal zijn om daar waar nodig het vergroten van bouwvlakken te faciliteren. Doorwerking in plangebied In het plangebied is één agrarisch bedrijf aanwezig, die met voorliggend bestemmingsplan door middel van het functieveranderingsbeleid wordt omgezet naar meerdere woonbestemmingen. Hiermee verdwijnt 6.716 m2 aan agrarisch bouwvlak, dat opgenomen wordt in de salderingsregistratie.

4.6.6

Visie Verblijfsrecreatie

Op 29 september 2022 heeft de raad ingestemd met de uitgangspunten en kaders zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Actualisatie Visie Verblijfsrecreatie 'Kansen en Koersen: Visie op de toekomst van de verblijfsrecreatie in de gemeente Barneveld'. In de uitwerking van de Visie Toerisme en Recreatie 2030, de Visie Verblijfsrecreatie (2022), staat dat de gemeente Barneveld kansen ziet voor de camperaar. Het streven is gericht op een geschikt en divers aanbod. Binnen de gemeente zijn in beginsel maximaal 5 camperterreinen mogelijk, met op elk terrein ten hoogste 8 camperplaatsen. Het realiseren van een dergelijk terrein is altijd maatwerk. Hierbij staat de kwaliteit van het initiatief voorop. We vinden het belangrijk dat een camperterrein in de nabijheid (fietsafstand) van toeristische plaatsen, horeca, middenstand, dagrecreatieve voorzieningen, wandel- en fietsroutes ligt. Het camperterrein draagt daarmee bij aan het recreatieve product van de gemeente Barneveld. Op het camperterrein moet het ook goed verblijven zijn. Dat betekent dat bijvoorbeeld een ligging aan een drukke weg of bij een bedrijf met veel geluid of geuroverlast niet wenselijk is. Het camperterrein moet goed in de omgeving en het landschap worden ingepast. Een camperterrein mag het woon- en leefgenot van 24

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I woningen, voorzieningen en scholen niet aantasten. Om onderscheidend te zijn ten opzichte van reguliere verblijfsrecreatieterreinen zijn op camperterreinen in principe geen recreatieve voorzieningen en sanitaire voorzieningen toegestaan. Er gelden ook een aantal (organisatorische) randvoorwaarden. In Barneveld is het toegestaan een eigen woning te verhuren aan toeristen voor kort verblijf: Particuliere vakantie-verhuur. De woning is in dit geval duidelijk ingericht voor eigen bewoning. Er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken om particulier te worden verhuurd voor recreatief gebruik. Een woning mag daarom niet meer dan 60 nachten per kalenderjaar worden verhuurd tijdens afwezigheid van de bewoner. Dit kan een aaneengesloten periode zijn of meerdere korte periodes van in totaal 60 nachten. De bewoner van de woning is verantwoordelijk voor de verhuur. In bijzondere situaties, bijvoorbeeld ten behoeve van het behoud van erfgoed, kan van bovenstaande worden afgeweken. Bij een dergelijk initiatief is altijd sprake van maatwerk waarbij onder andere wordt gekeken of het initiatief aanvullend is op het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod in Barneveld. Doorwerking in plangebied De Visie Verblijfsrecreatie is, voor zover er een planologische vertaling noodzakelijk is, doorvertaald.

Het gaat over de volgende aspecten: - bed & breakfast; - particuliere verhuur; - camperterrein/-plaats. Hetgeen over hotels is opgenomen in de Visie Toerisme en Recreatie 2030 is niet planologisch vertaald. Het is de bedoeling om dat met een afzonderlijke planologische procedure te gaan regelen. Binnen woningen is een bed & breakfast onder voorwaarden toegestaan. In een bijgebouw is alleen met een omgevingsvergunning en onder voorwaarden een bed & breakfast toegestaan. Particuliere vakantie-verhuur en camperterrein/-plaats wordt gefaciliteerd in de algemene gebruiksregels. In hoofdstuk 6 van de toelichting is dit nader uitgewerkt en beschreven.

"Koperweg I" (vastgesteld)

25

Koperweg I

Hoofdstuk 5 5.1

RANDVOORWAARDEN

Bodem

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een verdachte locatie en daarom zijn onderzoeken uitgevoerd. Beoordeling Het adviesbureau Grondvitaal BV heeft de onderstaande vier onderzoeken uitgevoerd: 1. Een Historisch vooronderzoek voor het perceel Koperweg 4 (nr. 2229003) van 7 maart 2022. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie de kwalificatie onverdacht van toepassing is. De uitvoering van een verkennend bodemonderzoek wordt op basis van het historisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. 2. Een Historisch vooronderzoek voor het perceel Koperweg 5 (nr. 2229004) van 7 maart 2022. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen.

Uit dit onderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie de kwalificatie onverdacht van toepassing is. De uitvoering van een verkennend bodemonderzoek wordt op basis van het historisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. 3. Een Historisch vooronderzoek voor het perceel Koperweg 6-8 (nr. 2229005) van 3 november 2022. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie de kwalificatie verdacht van toepassing is. Aangezien de asbesthoudende daken (in het verleden) op locatie niet voorzien waren van dakgoten en onder een deel van de asbesthoudende daken geen erfverharding aanwezig is, is een onderzoek op asbest in de bodem van de druplijn noodzakelijk. Ook wordt geadviseerd door middel van proefboringen uit te sluiten of eventueel sprake is van puinverharding onder de stelconplaten en klinkerbestrating. 4. Een Verkennend asbest in bodemonderzoek voor het perceel Koperweg 6-8 (nr. 2229005) van 3 november 2022. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de onderzoekshypothese "verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld" op basis van de analyseresultaten en het berekende gewogen gehalten asbest wordt verworpen. In één monster (ABM1) is een gehalte asbest aangetroffen van 12,0 mg/kg.ds.

Dit gehalte blijft ver beneden de maximaal toegestane concentratie van 100 mg/kg.ds en eveneens ver onder de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds). Ter plaatse van de proefboringen verdeeld over het verharde terrein zijn geen puinverhardingslagen aangetroffen welke mogelijk asbestverdacht kunnen zijn. In boring 1 is een baksteen aangetroffen, ter plaatse van de overige boringen zijn visueel geen bijmengingen aangetroffen. Op de locatie wordt de halve maximaal toegestane waarde niet overschreden. Ook wordt de risiconorm voor losse vezels van 10 mg/kg.ds niet overschreden. Met betrekking tot het voorgenomen gebruik van de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen bezwaren aan te geven. Conclusie Ondanks de Historische vooronderzoeken en het Verkennend asbest in bodemonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de 26

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende grondroerende werkzaamheden moet rekening worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de onderzoekslocatie moet voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Op basis van het voorgaande zijn ervan uit het aspect bodem geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. In het bestemmingsplan komen uiteenlopende dubbelbestemmingen voor om ruimtelijke kwaliteiten te borgen.

5.2.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze kaart geeft binnen het plangebied (blauwe contour) het volgende aan (zie onderstaande afbeelding): Groen: lage archeologische verwachting, beekdal en beekdal-overstromingsvlakte/ lage dekzandvlakte. Geel: middelhoge archeologische verwachtingswaarde, dekzandwelving 25-50cm;

"Koperweg I" (vastgesteld)

27

Koperweg I

Afbeelding: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Beoordeling Naast de woningbouw voor de nieuwe en te vervangen woningen, wordt nieuwe natuur gecreëerd met onder andere een waterplas en worden kabels en leidingen aangelegd. Alle bodemverstorende ingrepen tezamen maken een archeologisch onderzoek voorafgaand aan de bodemingrepen nodig. Het advies is een archeologisch bureauonderzoek met een verkennend booronderzoek (5 boringen per hectare) in het gehele plangebied van circa 9 hectare te laten uitvoeren. Resultaten archeologisch onderzoek Het archeologisch adviesbureau Transect heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (Transect-rapport 4011) van 1 juni 2022 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de top van het dekzand niet intact is. Hierdoor is de verwachting op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum laag. Vanaf de Bronstijd tot het begin van de ontginningen is het plangebied bedekt met veen. Daarom is er een lage verwachting op archeologische resten uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen. Op de kaart van Passavant uit 1698 is het plangebied onbebouwd. Er is wel bebouwing in het noordelijke deel van het plangebied zichtbaar op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832.

Aangezien hier de nieuwbouw al is gerealiseerd, is hier geen verwachting meer op archeologische resten. In de rest van het plangebied kunnen uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd sporen van veenwinning worden verwacht. Aangezien dit hoofdzakelijk zal bestaan uit spitsporen, hebben deze sporen een geringe informatiewaarde. Voor het plangebied bestaat het voornemen om op drie locaties nieuwbouw te realiseren. In het zuiden van het plangebied zal ter plaatse van het natte schraalland gegraven worden. Op grond van de resultaten van het onderzoek is sprake van een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. De uitzondering hierop zijn resten van veenwinning, maar aangezien de geringe informatiewaarde van deze sporen, wordt geadviseerd de toekomstige bouwkavels en de locatie van het natte schraalland voor wat betreft archeologie vrij te geven. Status dubbelbestemmingen waarde - archeologie Onderstaande afbeelding geeft de boorpuntenkaart vanuit het onderzoek weer. Ter plaatse van de bouwkavels (oranje contouren met boorpunten; 'graven nieuwbouw') en de locatie van het natte schraalland (blauwe contour met boorpunten; 'graven natuur') kan de verwachting op archeologie en ook de 28

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I dubbelbestemming vervallen. Dit geldt niet voor het overige deel van het plangebied (rode contour). Daar moeten de dubbelbestemmingen behouden blijven.

Afbeelding: Boorpuntenkaart archeologisch onderzoek Meldingsplicht Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek vormt het aspect archeologie geen belemmering voor dit plan, waarbij rekening gehouden moet worden met de meldingsplicht.

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied (alle vier de percelen) heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. In het plangebied en omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met historische stedenbouwkundige waarden.

5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat op de cultuurlandschappelijke waardenkaart wordt aangeduid met waarde 1: niet- of deels ontgonnen veengebied. Het plangebied is bebouwd en duidelijk ingericht als landbouwgebied. De nieuwbouw is niet strijdig met de cultuurlandschappelijke waarde. Conclusie "Koperweg I" (vastgesteld)

29

Koperweg I Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk (hierna: GNN) en de Gelderse Ontwikkelingszone (hierna: GO) van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wnb bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Beoordeling Het adviesbureau Eelerwoude heeft een Toetsing Wet natuurbescherming (nr. 10115) van 5 februari 2020 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Aanvullend hierop heeft het adviesbureau VanWestreenen de Rapportage beoordeling stikstofeffecten (SvS / 26199) van 22 mei 2023 opgesteld. Deze rapportage is als bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied ligt. De Natura 2000-gebieden 'Arkemheen' en 'Veluwe' liggen respectievelijk op circa 6.300 en 8.050 meter.

Gelet op de forse afstand tot het eerste beschermde Natura 2000-gebied is reëel te veronderstellen dat uitsluitend het aspect stikstof relevant is. Er zal geen sprake zijn van overige effecten. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies met geactualiseerde AERIUS-berekeningen van 21 november 2023 beoordeeld. Deze berekeningen zijn als bijlage 14 en 15 bij deze toelichting opgenomen. Conclusie van het rapport/de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Conclusie Voor het aspect stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wnb beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, zijn onderzoeken uitgevoerd. Beoordeling Het adviesbureau Eelerwoude heeft de volgende onderzoeken uitgevoerd: 1. een Toetsing Wet natuurbescherming (nr. 10115) van 5 februari 2020. Dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de ingreep naar verwachting zal leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Gelderland vrijstellingen 30

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er geen leefgebied verloren gaat en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wnb is daarom niet noodzakelijk. Ten aanzien van vleermuizen, marters, kerkuil en huismussen is nader onderzoek nodig om na te gaan wat de functie van het plangebied is voor de soorten. 2. Nader onderzoek naar vleermuizen, marters, kerkuil en huismussen (nr. 200068) van 14 november 2022. Dit onderzoek is als bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil en kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden tijdelijk negatieve effecten verwacht en treedt verstoring op voor deze soorten. Maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats aan de beschermde soorten aan te bieden. Hierbij is het ook van belang dat in de nieuwe situatie bebouwing weer geschikt zijn als verblijfplaats voor deze soorten.

Paragrafen 5.1.3 en 5.2.3 van het onderzoek geven een overzicht van de te nemen maatregelen weer. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt niet verwacht dat de gunstige staat van gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil en kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel in het geding komt, vooral niet na het nemen van eerder genoemde maatregelen. Het verstoren van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, huismus en kerkuil is wel ontheffing plichtig. Hiervoor moet een ontheffing Wnb aangevraagd te worden. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om aan de eisen voor een ontheffing te voldoen. De noodzaak voor een ontheffing belemmert de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dus niet. Ontheffing Wnb Als vervolg op het nader onderzoek is een activiteitenplan opgesteld en een ontheffing van de Wnb aangevraagd die betrekking heeft op de huismus. Op de percelen Koperweg 4 (locaties 1 en 2) en 5, waar destijds verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en kerkuil zijn aangetroffen, zijn gebouwen gesloopt zonder ontheffing. De provincie Gelderland heeft daarop gehandhaafd bij brief van 16 november 2022 (zaaknummer 2022-014115). Omdat al een handhavingszaak loopt (en maatregelen voor de betreffende soorten worden getroffen) gaat deze ontheffingsaanvraag niet in op de gewone dwergvleermuis en kerkuil.

Het besluit van de ontheffing is op 28 maart 2024 door de Gedeputeerde Staten van Gelderland genomen (zaaknr. 2023-005885). Hierin zijn de volgende mitigerende maatregelen opgenomen.

Tabel: Mitigerende maatregelen huismus De genoemde maatregelen moeten binnen de genoemde periode uitgevoerd worden. Door deze maatregelen is het negatieve effect op de lokale staat van instandhouding van de huismus uitgesloten. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en "Koperweg I" (vastgesteld)

31

Koperweg I dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wnb heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Beoordeling Ten behoeve van de voorgenomen inrichting blijven de bomenrijen behouden. Indien de plannen wijzigen wordt nader onderzocht of de bescherming van houtopstanden alsnog van toepassing is. Op basis van het ontwerp dat nu leidend is, worden geen bomen gekapt die onderdeel uitmaken van een bomenrij van meer dan 20 bomen of een gebied van meer dan 10 are. Een nadere toetsing bescherming van houtopstanden is niet van toepassing en een herplantplicht is niet aan de orde. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de Wnb uitvoering van het voorliggende plan niet in de weg staat.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt wel/niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het GNN en de GO. Het plangebied ligt zowel in het GNN als in de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.4.1.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan 32

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is dan ook geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is "Koperweg I" (vastgesteld)

33

Koperweg I akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woningen zijn op grond van de Wgh aangewezen als geluidgevoelige bestemmingen. Daarom moet de geluidbelasting vanwege het wegverkeer worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wgh in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Beoordeling Er zijn geen relevante bronnen die een mogelijk knelpunt vormen voor de plannen voor woningbouw op de genoemde percelen. Zo zijn er geen relevante bedrijven in de buurt en de Koperweg heeft een dusdanige intensiteit dat geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde wordt verwacht. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet nodig. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Beoordeling Op meer dan 500 meter ten oosten van het plangebied ligt een agrarisch bedrijf op het perceel Peerweg 17. De geurbelasting hiervan heeft geen invloed op de nieuw te bouwen woningen in het plangebied. Bovendien liggen tussen dit bedrijf en het plangebied al enkele andere woningen. Verder liggen in de omgeving van het plangebied nauwelijks agrarische bedrijven zodat qua achtergrondbelasting ten aanzien van agrarische geurhinder sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: 34

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Beoordeling De herontwikkeling van het landgoed, waarbij drie woningen worden gerealiseerd, de functieverandering van een agrarisch bedrijf, het opwaarderen van bestaande natuur en het aanleggen van nieuwe natuur valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes geeft geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wm en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Beoordeling De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit moeten worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) moet de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg of minder dan 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg worden beoordeeld.

In dit geval is geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit hoeft dan ook niet plaats te vinden. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. "Koperweg I" (vastgesteld)

35

Koperweg I

De Wm maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen.

In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing Besluit m.e.r.

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van drie woningen, de functieverandering van een agrarisch bedrijf, het opwaarderen van bestaande natuur en het aanleggen van nieuwe natuur. Deze ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije 36

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I m.e.r.-beoordeling. De bouw van drie woningen valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van drie woningen. De conclusie is dat het plan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wm juncto artikel 2.8, eerste lid Wnb). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wnb is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wm). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r.

(en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale Staten hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Beoordeling In de omgeving van het plangebied liggen geen (niet-)agrarische bedrijven. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit de VNG-publicatie. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht.

Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

"Koperweg I" (vastgesteld)

37

Koperweg I

5.11.1 Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Op grond van dat artikel is het verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%, óók als het perceel niet is gelegen aan een watergang. Vanaf de inwerkingtreding kan en dient bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is immers relevant voor de in beginsel aan te houden afstand tot gevoelige objecten. Over het algemeen wordt aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 meter die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit.

Beoordeling Het beoogde plan ziet op de herontwikkeling van het landgoed, waarbij drie woningen worden gerealiseerd, functieverandering van een agrarisch bedrijf plaatsvindt, bestaande natuur opgewaardeerd en nieuwe natuur aangelegd wordt. Een deel van de bestemde agrarische grond wordt omgezet naar natuur en verliest daarmee de agrarische functie. De resterende agrarisch bestemde grond zal als weide, boomgaard of tuin worden gebruikt en niet meer voor de teelt van gewassen. Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

5.12

Natuur en landschap

Door initiatiefnemer is een landschapsecologische systeemanalyse en een landschapsontwerp opgesteld. Deze documenten zijn respectievelijk als bijlage 2 en 3 van de toelichting opgenomen. Verder is een bomeneffectanalyse voor het perceel Koperweg 5 uitgevoerd. Deze is als bijlage 16 van de toelichting opgenomen. Uit de systeemanalyse en het landschapsontwerp blijkt dat bij de herontwikkeling rekening is gehouden met de kwaliteiten van het gebied. Beide documenten zijn akkoord bevonden door de gemeentelijke landschapsadviseur. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is met een voorwaardelijke verplichting geborgd. Het beplantingsplan, die onderdeel uitmaakt van het landschapsontwerp, is hierom als zelfstandig document als bijlage 2 van de regels opgenomen. Huidige situatie Het plangebied bestaat uit twee delen aan weerszijden van de Koperweg, waarbij het overgrote deel ten zuiden van de Koperweg ligt. Ten noorden ligt de locatie Koperweg 5 waar de initiatiefnemer zijn eigen huis heeft gerealiseerd. Op dit erf staan nog enkele volwassen hoogstam fruitbomen die behouden blijven. Het erf grenst aan twee kanten aan gronden van een natuurbeherende organisatie. Aan de noordkant wordt het plangebied gescheiden middels een sloot van open natuurlijk grasland en aan de westkant aan een moerasbos. Aan de zuidzijde liggen de locaties Koperweg 4 en 6-8.

Op het erf van Koperweg 4 mag nu een groot landhuis gebouwd worden. Dat wordt door de initiatiefnemer te groot geacht. Daarom worden de nieuwe volumes kleiner en verdeeld over drie woningen. Wat met name opvalt is de vergezichten in dit voormalige coulissenlandschap. Daarnaast ligt aan de zuidwestkant, deels in het plangebied, een stuk moerasbos en zijn de overige gronden vrij laag gelegen. Koperweg 6-8 is een voormalig agrarisch erf waar functieverandering plaatsvindt om daar twee woningen te realiseren naast de te vervangen (voormalige) bedrijfswoning. Het bos aan de zuidkant van het huidige erf is vrij monotoon qua leeftijd en soortensamenstelling. Ook blokkeert het bos het zicht op en van het erf, wat nu vanwege de agrarische bebouwing gewenst is maar in de toekomst waarschijnlijk niet.

38

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I

Principes achter het ontwerp Onderstaande afbeelding geeft het ontwerp weer.

Afbeelding: Landschapsontwerp Herstel relatie met de ondergrond Het belangrijkste principe achter het ontwerp is dat de maximale natuurpotentie wordt benut. Hiertoe is een landschapsecologische systeemanalyse uitgevoerd. Deze is als afzonderlijk document opgesteld. Een van de aspecten die hieruit naar voren komt is dat open water negatief werkt op zowel de natuur in de omgeving als dat het niet de volledige potentie benut. Daarom wordt op het zuidelijke perceel alleen de te voedselrijk bouwvoor afgegraven met de hoop hier de juiste condities mee te scheppen voor blauwgrasland. Herstel bijpassende landschapsstructuur Voor de inrichtingsprincipes wordt tevens aangesloten bij de tijd dat het landgebruik nog klopte bij de ondergrond, zo rond 1950. Destijds werden perceelsgrenzen aangezet met rijen knotbomen waardoor een coulissenlandschap ontstond. Dit wordt aangegrepen om ook nu het landschap weer een stevig raamwerk mee te geven. Dit kunnen smalle structuren van wilgen en elzen zijn, die eens in de paar jaar op kniehoog worden afgezet. Op de drogere plekken passen ook houtwallen met bomen die niet geknot of afgezet worden en uit kunnen groeien tot volwassen boom. Zorg voor onregelmatigheid in plantafstand om een mechanisch uitziend landschap te voorkomen.

Boomgaard De entree van Koperweg 4 loopt door een hoogstam boomgaard die alle omwonenden in de herfst van vers fruit zal voorzien. Door voor veel verschillende soorten te kiezen, wordt een zo groot mogelijke spreiding gerealiseerd in de oogstperiode. Kern-mantel-zoomvegetatie Ten zuiden van Koperweg 6-8 staat nu een bosje met bomen met nagenoeg allemaal dezelfde leeftijd. Zowel qua soorten als wat betreft leeftijd is er weinig diversiteit. Door het grootste deel hiervan te kappen en hier, in natuurlijke vormen, andere bomen en met name bloeiende en besdragende struiken voor terug te planten kan op deze zuidkant een fraaie kern-mantel-zoom vegetatie ontstaan die ideaal is voor veel vogels en insecten zoals bijen en vlinders. Behoud landelijke en natuurlijke uitstraling door eenheid in materiaalgebruik "Koperweg I" (vastgesteld)

39

Koperweg I Zoals uit de inventarisatie en analyse is gebleken leidt een grote diversiteit aan verschillende hekwerken tot verrommeling. Aangezien hier meerdere woningen op één ‘erf’ worden gesitueerd is het advies om één duidelijke lijn in te kiezen. Dit voorkomt dat men de bekende tuincentrumschuttingen en coniferenhagen gaat toepassen wat grote afbreuk zou doen aan het gewenste landelijke en natuurlijke karakter van het landgoed. Door dit te faciliteren via de aanleg van een kastanjehouten hekwerk, met glad draad langs de weilanden en met Frans hekwerk op de erven, wordt een hoog kwalitatieve uitstraling gegarandeerd en gaat de aandacht naar natuur en landschap. Maaien en afvoeren Het overgrote deel van het landgebruik bestaat uit kruiden en faunarijk grasland (n12.02). Het kruidenrijk grasland wordt gemaaid en afgevoerd zodat de grond verder verschraalt. Het zuidelijkste perceel bestaat uit schraal grasland. Het doel is in het zuidelijke perceel de voedselrijke bouwvoor af te graven en een van nature aanwezige zaadbank bloot te leggen zodat hier vegetatie ontstaat die hier voor de ophoging en ingebruikname als íntensieve’ landbouwgrond aanwezig was. Informeren en verwonderen Vanwege het karakter van het landgoed is de verwachting dat de doelgroep (toekomstige bewoners) oog hebben voor hun omgeving.

Om hen hierin nog verder te faciliteren is het advies om her en der informatie te verschaffen over wat er zich in het gebied afspeelt en wat er zoal groeit en bloeit. Bijvoorbeeld met eenvoudige bordjes met een qr-code of A4-tjes met informatie over planten of dieren die nieuw zijn verschenen in het gebied. Hierdoor krijgen de bewoners meer kennis van hun omgeving wat hen hopelijk doet verwonderen en over het algemeen leidt tot meer waardering en nog meer begrip en respect voor de directe woonomgeving. Verlichting met bewegingssensoren Vanwege de natuurlijke omgeving is het niet gewenst overdadige verlichting toe te passen. Dit om twee redenen. Allereerst omdat het de insecten, vogels en zoogdieren verstoort en ten tweede omdat het insecten naar de mensen toetrekt, die hier vervolgens zelf last van krijgen. Daarom is het advies om spaarzaam met buitenverlichting om te gaan en deze in ieder geval achter een bewegingssensor te zetten.

5.13

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat het plangebied niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied blauw omcirkeld is. Uit deze afbeelding blijkt dat de locatie onverdacht voor Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog is. Verder onderzoek naar explosieven is niet nodig.

40

"Koperweg I" (vastgesteld)

Koperweg I

Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart Conclusie Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.

5.14

Veiligheid en gezondheid

Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Beoordeling Voor een goede bereikbaarheid moet de infrastructuur voldoen aan de specifieke kenmerken van brandweervoertuigen. Daarbij gaat het onder andere om een minimale wegbreedte, bochtstralen en de aslast. Uit de tekening die Adviesbureau VanWestreenen op 7 juni 2023 heeft aangeleverd, blijkt dat voldaan wordt aan de uitgangspunten voor de toegangswegen. De opkomstnorm voor een standaardfunctie is maximaal 8 minuten. De werkelijke opkomsttijd voor Koperweg bedraagt minder dan 8 minuten en valt daarmee binnen de norm zoals die in het Besluit veiligheidsregio’s is vastgelegd. Daarom zijn er geen aanvullende voorwaarden noodzakelijk. "Koperweg I" (vastgesteld)

41

Koperweg I

Voor een adequate brandbestrijding moet de brandweer tijdig over voldoende bluswater kunnen beschikken. In dit plan bevindt de dichtstbijzijnde primaire bluswatervoorziening, in de vorm van een ondergondse brandkraan met een capaciteit van 60 m3 per uur, zich op een afstand van ongeveer 200 meter. Dit voldoet voor wat betreft de maximale afstand niet aan de voorwaarden, maar gezien de situatie acht de brandwwer het niet noodzakelijk om aanvullende maatregelen te treffen met betrekking op de bluswatervoorziening. Conclusie Er lijken voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan te zijn. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=dcac6cb3-aa6f-4084-8557-94203298d18c