CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kootwijkerbroek-Stroe_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 21 april 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Kootwijkerbroek-Stroe23.633 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces doorlopen om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1

Archeologie

Bij planontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen het plangebied zijn zones aangegeven met een lage, middelhoge dan wel hoge archeologische verwachtingswaarde en zones met vastgestelde archeologische waarde. "Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

27

Kootwijkerbroek-Stroe

Afbeelding: Stroe De plangrens Stroe (blauwe contour) op bovenstaande afbeelding is geprojecteerd op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Binnen de plangrenzen van Stroe zijn twee archeologische verwachtingszones aanwezig: hoog en laag alsmede een terrein met vastgestelde archeologische waarde. - Groen: Lage archeologische verwachting. - Rood: Hoge archeologische verwachting. - Groen gearceerd: terrein van archeologische waarde.

28

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe

Afbeelding: Kootwijkerbroek De plangrens Kootwijkerbroek (blauwe contour) op bovenstaande afbeelding is geprojecteerd op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Binnen de plangrenzen van Kootwijkerbroek zijn drie archeologische verwachtingszones aanwezig: hoog, middelhoog en laag. - Rood: Hoge archeologische verwachting. - Geelgroen: Middelhoge archeologische verwachting. - Groen: Lage archeologische verwachting. Er is binnen de plangrenzen van Kootwijkerbroek geen sprake van een historische kern noch van een historisch erf. Dit geldt ook voor de kern Stroe. Uit deze kaarten blijkt dat voor diverse percelen in het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor de zones met een lage archeologische verwachtingswaarde archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter, voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor zones met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter, voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor zones met een hoge archeologische verwachting geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij een oppervlakte van 250 m² of groter, voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

Voor een paar aangegeven zones geldt geen dubbelbestemming archeologie, omdat op die locaties al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Deze zones zijn na archeologisch onderzoek vrijgegeven. Tot slot geldt voor de zone waar sprake is van een terrein van archeologische waarde dat voorafgaand aan bodemingrepen dieper dan 30 cm, archeologisch onderzoek nodig is. Indien bij uitvoering van werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

29

Kootwijkerbroek-Stroe

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. Monumenten Binnen het plangebied zijn gemeentelijke monumenten aanwezig op de onderstaande adressen: Veluweweg ong. - begraafplaats in Kootwijkerbroek Veluweweg 82 in Kootwijkerbroek Veluweweg 158/160 in Kootwijkerbroek Wesselseweg 149 in Kootwijkerbroek Daarnaast is er een rijksmonument in het plangebied gelegen, namelijk de Puurveense Molen aan de Walhuisweg 2 in Kootwijkerbroek. De in het plangebied voorkomende monumenten en bijbehorende gronden zijn op de verbeelding aangeduid. Op de genoemde adressen (en de omgeving van het monument) is de dubbelbestemming 'Waarde – Cultureel erfgoed' gelegd. Het dorpskarakter en de historische uitstraling worden in belangrijke mate bepaald door de monumenten, andere karakteristieke bebouwing en stratenpatronen in het centrum. De gebouwen staan niet op zichzelf, maar gaan een relatie met elkaar en de omgeving aan. De geografische en maatschappelijke context zegt namelijk vaak iets over de functie, het type en de uitstraling van het monument.

Tegelijkertijd zorgt een goede omgang met monumenten voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van een plek. Kortom, de beïnvloeding is tweezijdig. 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

Historisch-geografische waarden verwijzen naar de ontstaanswijze en bijzondere plekken van onze cultuurlandschappen, zoals polders, kavelstructuren, terpen en het landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde, met uitzondering van de zone (waarde 5) in het noordelijke deel van Kootwijkerbroek (aan de Garderbroekerweg). Doordat die locatie al vrij vol is gebouwd behoeft daar geen dubbelbestemming opgenomen te worden. Voor de omgeving buiten de grenzen van het bestemmingsplan geldt deze waarde echter nog wel.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als 30

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, te weten Veluwe. De afstand tot dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 500 meter ten aanzien van de plangrens van het dorp Stroe. De afstand tot het Natura 2000-gebied ten aanzien van de plangrens van Kootwijkerbroek (Garderbroekerweg/Veluweweg-Kootwijkerbroekerweg) bedraagt circa 1.800 meter en ten aanzien van de plangrens van het dorp Kootwijkerbroek zelf is de afstand circa 2.000 meter. Het gaat hier om een beheersgericht bestemmingsplan. Nieuwe ontwikkelingen worden niet of nauwelijks toegestaan. Er is daarom geen onderzoek naar stikstof uitgevoerd. Stikstof is in beeld als er zich een nieuwe ontwikkeling voordoet. Hiervoor wordt een afzonderlijke planologische procedure doorlopen. De binnenplanse afwijking om het aantal woningen te vergroten is alleen van toepassing bij de bestemming 'Centrum' in de kern Kootwijkerbroek. De afstand is dusdanig dat stikstof daar niet op voorhand een belemmering vormt. 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Het bestemmingsplan is voornamelijk conserverend. Hierdoor is de verwachting dat de beschermde planten diersoorten niet worden aangetast. Een natuurtoets blijft achterwege. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Het is een beheersgericht bestemmingsplan dat geen kap van houtopstanden behelst. Daardoor is de Wet natuurbestemming in dat kader niet van belang. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Wet natuurbescherming geen belemmering is voor het onderhavige plan. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden.

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

31

Kootwijkerbroek-Stroe

In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie zich in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO) Uit de onderstaande afbeeldingen blijkt dat het plangebied niet in GNN/GO ligt.

Afbeelding: fragment Gelders Natuurnetwerk en Gelderse Ontwikkelingszone Kootwijkerbroek

Afbeelding: fragment Gelders Natuurnetwerk en Gelderse Ontwikkelingszone Stroe Uit bovenstaande blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt.

32

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe

5.4

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Verder moet er vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes ook nog rekening gehouden worden met een plasbrandaandachtsgebied. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015).

Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.

Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Bij het vervoer van gevaarlijke stoffen kan er sprake zijn een plasbrandaandachtsgebied. Dit is het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden moet worden met de effecten van een zogenaamde plasbrand. Deze plasbrand kan bijvoorbeeld ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een schip of tankwagen. Het plasbrandaandachtsgebied wordt gemeten vanaf de rechterrijstrook in het geval van een weg of de oeverlijn in het geval van een rivier. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid "Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

33

Kootwijkerbroek-Stroe In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Planbeoordeling Voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard voor de kernen Kootwijkerbroek en Stroe. Het plan voorziet dan ook niet in een toename van het aantal personen. Op basis van de risicokaart van de landelijke signaleringskaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de plangebieden, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart voor Kootwijkerbroek.

Afbeelding: uitsnede landelijke signaleringskaart met het plangebied Kootwijkerbroek binnen de rode contour Op onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart voor Stroe.

Afbeelding: uitsnede landelijke signaleringskaart met het plangebied Stroe binnen de rode contour De risicokaart levert de volgende inzichten op: 34

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe

Transportroutes Het plangebied Stroe ligt op sommige stukken enkele meters van de rijksweg A1 en gaat over de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn. Op basis van de Regeling Basisnet is vastgesteld dat er geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de rijksweg en de spoorlijn aanwezig is. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A1 en de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn. Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Aangezien het plan conserverend van aard is (geen toename aantal aanwezige personen), zal dit geen wijzigingen opleveren in de hoogte van het groepsrisico. Hierdoor kan conform Bevt worden volstaan met beperkte verantwoording groepsrisico en hoeft enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid te worden beschouwd. Ter volledigheid is de hoogte van het groepsrisico voor de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn ter hoogte van de kern Stroe, lager dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde (conform rapport 'Basisnet Spoor', d.d. 20-9-2011). De hoogte van het groepsrisico voor de rijksweg A1 is lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (Conform 'Handleiding risicoanalyses transport bijlagen').

Verder heeft de rijksweg A1 een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter uit de rand van het asfalt. Aangezien het bestemmingsplan conserverend van aard is hoeft het plan hier niet aan getoetst te worden. Buisleidingen In het plangebied liggen geen aardgastransportleidingen die beschouwd moeten worden. Inrichtingen Aan de rand van de kern van Stroe liggen een aantal propaantanks. In de kern van Kootwijkerbroek aan de Veluweweg 62 ligt het LPG tankstation Tamoil Express. Navolgend een beschouwing van de risico's van beide risicobronnen. Propaantanks Het blijkt dat de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6 van deze propaantanks buiten het plangebied liggen. LPG tankstation In de omgevingsvergunning (Veluweweg 62) is de doorzet van het LPG tankstation begrensd tot 500 m3/per jaar. Hierdoor bedraagt de 10-6 risicocontour 25 meter gemeten vanaf het vulpunt, 25 meter vanaf de opslagtank en 15 meter vanaf de afleverzuil. De contour om het vulpunt en de tank vallen voor een klein deel in het plangebied. Het betreft hier de begraafplaats. In de milieuvergunning is opgenomen dat als er een begrafenis plaatsvindt, de lpg tank niet bevoorraad mag worden. De contour rondom de afleverzuil ligt op het terrein van het station en over de Veluweweg. Deze contouren vormen derhalve geen belemmering. Ten aanzien van het groepsrisico bedraagt het invloedsgebied 150 meter vanaf het vulpunt en de tank.

Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Aangezien het plan conserverend van aard is leidt dit niet tot een wijziging in de hoogte van het groepsrisico. Uit de opgestelde risicoberekening bij de verleende omgevingsvergunning blijkt dat de hoogte van het groepsrisico zich beneden de 0,1 * oriëntatiewaarde bevindt. Verder is op 28 juni 2016 de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval' in werking getreden. Deze circulaire is relevant (verplicht) voor het bevoegd gezag bij ruimtelijk besluiten. Naast de risicobenadering moet ook rekening gehouden worden met effectgericht beleid. Dit beleid hoeft echter alleen toegepast te worden bij bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen toestaat. Aangezien het een conserverend bestemmingsplan betreft hoeft er niet getoetst te worden aan het effectgericht beleid. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden.

Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van: Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn en de rijksweg A1, Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) artikel 13 vanwege het LPG tankstation. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de "Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

35

Kootwijkerbroek-Stroe aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Conform Bevi wordt ingegaan op: A. Personendichtheid Het bestemmingsplan is conserverend van aard waardoor er geen toename is van het aantal personen. B. Hoogte groepsrisico Uit risicoberekening voor het LPG tankstations blijkt dat het groepsrisico zich beneden 0,1 * oriëntatiewaarde bevindt. C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de inrichting Omdat het bestemmingsplan conserverend van aard is ziet de gemeente Barneveld geen mogelijkheid om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden is bij het LPG station aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning. F. De voor en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Het betreft een conserverend bestemmingsplan waarbij de bestaande situatie wordt bestemd. G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst De gemeente Barneveld is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken. H. beheersbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron.

De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. Omdat het plan conserverend van aard is, wijzigt de mate van bestrijdbaarheid niet. I. Zelfredzaamheid Voor het vermogen om jezelf/en of anderen in veiligheid te brengen bij de dreiging van, of het bestaan van een gevaarlijke situatie wordt de term zelfredzaamheid gebruikt. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gestedheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. De aanwezigen mits tijdig gewaarschuwd voldoende zelfredzaam zijn. Daarnaast kunnen mensen gericht worden gewaarschuwd middels NL-Alert. Conclusie Het plan is conserverend van aard. Onderstaand een overzicht van de aanwezige risicobronnen. Categorie

Bronnen

PR 10-6 risicocontour

Groepsrisico

Transport

Spoorlijn Amersfoort Apeldoorn

0 meter

Verantwoording beperkt

Rijksweg A1

0 meter

Verantwoording beperkt

LPG yankstation Tamoil Express

25 meter vulpunt 25 meter tanks 15 meter afleverpunt

Verantwoording uitgebreid

Inrichtingen

De plangebieden liggen buiten de plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van bovenstaande transportroutes. De plaatsgebonden risicocontour van de transportroutes vormt dan ook geen belemmering. De plaatsgebonden risicocontouren van het tankstation aan de Veluweweg 62 liggen over een klein deel van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedgebied groepsrisico van bovenstaande risicobronnen. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hetgeen hierover eerder in deze paragraaf is aangegeven) kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan geen effect op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden in de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het betreft ten slotte een conserverend plan waar alleen de bestaande situatie wordt bestemd. Hiermee acht de gemeente het groepsrisico verantwoord en wordt het restrisico geaccepteerd. 36

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). In de Wet geluidhinder zijn de belangrijkste bepalingen met betrekking tot de geluidgrenswaarden opgenomen. Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde.

Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Voorliggend plan is voornamelijk een beheersgericht plan. Met het plan worden geen nieuwe ontwikkelingen die vallen onder het regime van de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Conclusie Geluid vormt derhalve geen belemmering.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen wel enkele veehouderijen. Doordat dit plan een beheersgericht bestemmingsplan is, vormt het aspect geur geen belemmering. Mocht planontwikkeling plaatsvinden waarbij nieuwe geurgevoelige objecten zullen worden gerealiseerd dan zal rekening worden gehouden met een acceptabel woon- en leefklimaat en zullen de belangen van omliggende agrarische bedrijven niet geschaad mogen worden.

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

37

Kootwijkerbroek-Stroe

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Onderhavig actualiseringsplan valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. In Kootwijkerbroek ligt ten westen van Wesselseweg 125 een hoogspanningsleiding. In het bestemmingsplan is aan de bewuste gronden de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' toegekend.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan "Kootwijkerbroek-Stroe" is in hoofdzaak een beheersgericht plan. Nieuwe ontwikkelingen worden niet of nauwelijks mogelijk gemaakt. De ontwikkelingen die eventueel mogelijk gemaakt worden, zijn dermate kleinschalig dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeft niet in beeld gebracht te worden. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht.

In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de 38

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn.

Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is geen m.e.r.-plicht aanwezig want Kootwijkerbroek-Stroe is een beheersgericht plan waar niet of nauwelijks ontwikkelingen toegestaan worden. Het is gericht op het behoud van bestaande bebouwing en functies. Overigens hebben de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria niet uitgewezen dat er sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r.-beoordeling achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer).

Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. "Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

39

Kootwijkerbroek-Stroe

Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, zoals wonen. Door het conserverende karakter van het bestemmingsplan vindt er geen toename plaats van de milieuhinder op de milieugevoelige functies. De Staat van bedrijfsactiviteiten geeft een overzicht van bedrijfsactiviteiten die vanuit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in het plangebied, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Hierbij horen dan richtafstanden. In het gebied dat gelegen is langs de Wesselseweg/Veluweweg én Garderbroekerweg/Veluweweg is er sprake van functiemenging. De bedrijven die daar gesitueerd zijn hebben de bestemming 'Bedrijf-2' waaronder categorie A en categorie B bedrijven zijn toegestaan. Die Staat van bedrijfsactiviteiten die geldt bij de bedrijven langs de Wesselseweg/Veluweweg én Garderbroekerweg/Veluweweg bevat geen richtafstanden maar categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden daar bedrijven zijn toegestaan.

Indien er een specifiek bedrijf aanwezig is, dat niet is opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten in het bestemmingsplan, dan is deze specifiek aangeduid (op de verbeelding en ook in de regels). Ook Stroe wordt aangemerkt als een gebied met functiemenging, met uitzondering van het bedrijf aan de Houtbeekweg 4. Het bedrijf aan de Houtbeekweg 4 is bestemd als 'Bedrijf - 1' waarbij in ieder geval specifieke aanduidingen gelden voor een veevoederfabriek en een groothandel in akkerbouwproducten en veevoeder. In Kootwijkerbroek is er bij het bedrijventerrein Puurveen sprake van bedrijven die gelegen zijn in gemengd gebied en waar richtafstanden ingevolge de Staat van bedrijfsactiviteiten gelden. Indien er bedrijven zijn met een hogere milieucategorie dan zijn deze specifiek aangeduid op de verbeelding. Er zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.1 op de verbeelding weergegeven en toegestaan. Aan de noord- en zuidzijde van de Essenerweg komen een aantal bedrijven en een bedrijventerrein voor. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven in de milieucategorie 3.2 toegestaan. Voor de overige bedrijven gelden de categorieën zoals hierboven staan beschreven. Van gemengd gebied is verder sprake in de rest van Kootwijkerbroek (niet zijnde dus het gebied langs de Wesselseweg/Veluweweg en Garderbroekerweg/Veluweweg), waarbij er eveneens sprake is van rustige woonwijken.

Er zijn geen gezoneerde bedrijven gelegen in het plangebied. Voor de nutsvoorzieningen in het plangebied geldt dat deze voorzieningen specifiek zijn aangeduid. Het betreft de nutsvoorzieningen aan de Tolnegenweg 14-1 en Zonnedauw (ten oosten van nr. 60) in Stroe en Garderbroekerweg 186-1 in Kootwijkerbroek. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan zijn gasdrukmeet- en regelstations aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Nu Liander op 13 december 2018 enkel heeft aangegeven dat er een 150 kV verbinding in het plangebied is gelegen en verder geen aandacht aan andere aspecten / belangen heeft besteed, hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie 40

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Voor zowel Kootwijkerbroek als Stroe geldt dat behoud van authentieke landschappelijke waarden voorop staat. Met authentieke landschappelijke waarden bedoelen we houtwallen en houtsingels langs weilanden, bomenlanen langs wegen, bossen en parken, maar ook de afwisseling met bijvoorbeeld pleinen, openheid, sloten, beken, speelplekken en hoogteverschillen. In dit geval liggen verspreid door het plangebied groenstroken. Naast de openbare groenstroken hebben de meeste woningen in het plangebied een voortuin. De groenstroken en voortuinen zorgen voor een ruim, groen aanzicht van de woonstraten. De gemeente streeft naar behoud van deze groenelementen. De openbare groenstroken zijn als 'Groen' of als 'Verkeer' bestemd. Ook de voortuinen krijgen een passende bestemming, zodat de bouwmogelijkheden daar beperkt zijn. Voor groenelementen waarbij landschappelijke waarden in de vorm van monumentale bomen dan wel houtsingels aanwezig zijn, worden deze elementen met een dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' aangeduid. Er is sprake van landschappelijk waardevol groen bij diverse percelen, waaronder rondom het sportveld aan de Dr. A.A. Jessestraat in Kootwijkerbroek en percelen aan de Tolnegenweg in Stroe. De percelen die landschappelijk waardevol zijn hebben over het algemeen een dubbelbestemming 'Waarde -Landschap' gekregen.

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Het betreft een beheersgericht plan. Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek is voor bijna alle modaliteiten (lopen, fiets, openbaar vervoer, auto) goed bereikbaar via de Wesselseweg, Veluweweg, Essenerweg, Drieënhuizerweg, Puurveenseweg, Walhuisweg en Laageinderweg. Er is onderscheid gemaakt tussen gebiedsontsluitingswegen en verblijfsgebieden en dit wordt de komende jaren voortgezet. Stroe Stroe is voor bijna alle modaliteiten (lopen, fiets, openbaar vervoer, auto) goed bereikbaar via de "Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

41

Kootwijkerbroek-Stroe Tolnegenweg, Wolweg en Stroeërschoolweg. De wens vanuit de dorpskern Stroe is om in de toekomst de Wolweg af te waarderen van 50 km/uur naar 30 km/uur. Aan de noordkant van Stroe ligt de spoorwegovergang op de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn. Daarnaast is parkeren geregeld in de Nota Parkeernormen, opgenomen als Bijlage 12 Nota Parkeernormen (2020) bij de regels.

5.15

Water

In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de rijksoverheid de Commissie Waterbeheer 21ste Eeuw in het leven geroepen om zich te buigen over het waterbeheer in Nederland. Om water als één van de principes voor de ruimtelijke ordening verder te ontwikkelen, heeft de commissie doelstellingen geformuleerd om water prominenter in beeld te krijgen. Eén van die doelstellingen is het uitvoeren van een 'watertoets' bij alle ruimtelijke plannen en besluiten. Hiertoe dient de initiatiefnemer van een plan de waterbeheerder vroegtijdig bij de planvorming te betrekken. Het betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is om te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Met voorliggend plan worden in beginsel geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die invloed hebben op de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied. De waterhuishoudkundige situatie in het plangebied zal dan ook niet verslechteren. De doelen van het waterschap en de gemeente komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.

42

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 6.1.1 6.1.1.1

Inleidende regels Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. Het begrip 'Relatie' staat in artikel 1.84. Hierin staat beschreven dat het een op de verbeelding opgenomen aanduiding betreft die aangeeft welke bestemmingsvlakken met elkaar verbonden zijn en een eenheid vormen. Dit houdt in dat de aanduidingen die op beide verbonden bestemmingsvlakken staan niet zelfstandig gelezen moeten worden maar dat deze gelden als één geheel. Als bijvoorbeeld wordt aangegeven onder de bestemming Wonen I: 'de totale oppervlakte van buiten het bouwvlak gelegen bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20% van dat bouwperceel, met een maximum van 150 m2, [...].' wordt bedoeld dat de maximum oppervlakte die is aangegeven op de verbonden vlakken als één maximum voor beide vlakken geldt en niet voor beiden afzonderlijk.

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

43

Kootwijkerbroek-Stroe

6.1.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 6.1.2 6.1.2.1

Bestemmingsregels Bestemming 'Agrarisch'

Binnen deze bestemming zijn agrarische bedrijven toegestaan alsmede is hobbymatig agrarisch gebruik toegestaan. Deze bestemming komt in het plangebied op een aantal locaties voor nabij de grens met het buitengebied. 6.1.2.2

Bestemmingen 'Bedrijf - 1', 'Bedrijf - 2', en 'Bedrijventerrein'

De bestemmingen 'Bedrijf - 1' en 'Bedrijf - 2' worden gebruikt in gebieden met een variatie aan functies, bijvoorbeeld het centrum of een woongebied met bedrijven. Binnen de bestemming Bedrijf - 1 zijn bedrijven toegestaan die in de bijbehorende Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gemengd gebied zijn opgenomen. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken voor de vestiging van bedrijven met activiteiten uit een hogere milieucategorie, zie STAAT VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN BEDRIJF - 1 BIJ AFWIJKING. Bij het bepalen van het bouwvlak is het geldende bestemmingsplan het uitgangspunt. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken voor een beperkte verruiming van de bouwmogelijkheden, met het oog op de levensvatbaarheid van bedrijven. Binnen de bestemming Bedrijf - 2 zijn bedrijven toegestaan die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A en B1. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken voor de vestiging van bedrijven met activiteiten uit categorieën B2 en/of C. Bij het bepalen van het bouwvlak is het geldende bestemmingsplan het uitgangspunt. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken voor een beperkte verruiming van de bouwmogelijkheden, met het oog op de levensvatbaarheid van bedrijven.

In twee situaties zijn specifieke bedrijven met een aanduiding op de verbeelding weergegeven. In de eerste situatie is alleen het specifieke bedrijf toegestaan. Hiervoor is gekozen in situaties waarin andere (zwaardere) bedrijven op de locatie niet wenselijk zijn. Bijvoorbeeld bij nutsvoorzieningen en opslag. In de tweede situatie is een aanduiding op de verbeelding opgenomen voor bestaande zware bedrijven, naast de toegestane categorieën. Dergelijke zware bedrijven horen in beginsel thuis op een bedrijventerrein, niet in homogene woonwijken. De regeling laat toe dat na het vertrek van zo'n zwaar bedrijf daarvoor bedrijven met activiteiten uit lichtere categorie in de plaats komen. Deze bedrijven zitten vaak al jaren op het perceel. Het is niet wenselijk dat hiervoor alsnog met een omgevingsvergunning wordt afgeweken van de regels. Daarnaast is een bevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen in die zin dat de bestemming 'Bedrijf 1' / 'Bedrijf - 2' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen-1' en 'Tuin'. Het doel van deze wijzigingsbevoegdheid is om de mogelijkheid te bieden bij vertrek van een bedrijf een nieuwe passende bestemming aan een perceel te geven. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn alleen bedrijven opgenomen. Andere functies zoals maatschappelijke voorzieningen en horeca komen niet voor.

Deze functies zijn niet toegestaan binnen de bestemming 'Bedrijf-1', 'Bedrijf-2' en 'Bedrijventerrein'. Daardoor is het niet nodig deze in de Staat van Bedrijfsactiviteiten op te nemen. De bestemming 'Bedrijventerrein' wordt toegepast in gebieden waar meerdere bedrijven bij elkaar gevestigd zijn of waar zwaardere milieucategorieën mogelijk zijn. Via de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen is aangegeven welke milieucategorieën toelaatbaar zijn. Bij de bestemming 'Bedrijf-1' en 'Bedrijf-2' is een bedrijfswoning toegestaan, bij de bestemming 'Bedrijventerrein' in principe niet, vanwege de zwaardere categorieën bedrijven die zijn toegestaan. In dit geval zijn er bij het 'Bedrijventerrein' wel bedrijfswoningen toegestaan indien dit specifiek is aangeduid op de verbeelding. Detailhandel dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de daarvoor bestemde kernwinkelgebieden. Dat is het beleid in gemeente Barneveld. Met detailhandel buiten de winkelgebieden gaat de gemeente terughoudend om. Het uitgangspunt is dat detailhandel niet is toegestaan op bedrijventerreinen (en binnen 44

"Kootwijkerbroek-Stroe" (vastgesteld)

Kootwijkerbroek-Stroe bedrijven) (uitgezonderd ondergeschikte productiegebonden detailhandel). Bij de beoordeling van de ondergeschiktheid moeten de aard, indeling en inrichting van het pand in aanmerking worden genomen en voorts, hoe frequent het bedrijf door particulieren wordt bezocht en hoeveel detailhandeltransacties ter plaatse hebben plaatsgevonden. Het percentage van de omzet kan niet als onderscheidend criterium worden gehanteerd. Als richtlijn kan detailhandel als ondergeschikt worden aangemerkt als de omzet van handel met particulieren minder dan 10 % van de totale omzet bedraagt. Internet winkelen – een specifieke vorm van detailhandel – is de laatste jaren sterk toegenomen en de verwachting is dat deze trend doorzet. Wat is er tegen als webwinkels zich vestigen op een bedrijventerrein? Dat is afhankelijk van de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten. Bepaalde webwinkels hebben geen of een beperkte ruimtelijke uitstraling. Wij onderscheiden de volgende vormen: a. Webwinkel waar alleen een elektronische transactie tot stand komt Deze vorm heeft geen ruimtelijke uitstraling en is verenigbaar met de bestemming 'Bedrijf - 1', 'Bedrijf - 2', respectievelijk 'Bedrijventerrein', voor zover daar bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan.

Met het oog op de ontwikkelingsruimte van bedrijven die behoren tot de zwaardere milieucategorieën zijn webwinkels niet gewenst op gronden die zijn aangewezen voor dergelijke bedrijven. Wat dat betreft streven wij milieuzonering na. b. Webwinkel met opslag- en verzendfunctie Hier geldt hetzelfde als bij a). Ook deze vorm is te verenigen met de bedrijvenbestemming. De activiteiten hebben geen verkeersaantrekkende werking in die zin dat de kopers niet bij de webwinkel komen. De ruimtelijke uitstraling is beperkt. De laad- en losactiviteiten voor de bevoorrading dienen op eigen terrein plaats te vinden; daarvoor mag geen gebruik worden gemaakt van de openbare ruimte. c. Webwinkel met (beperkte) afhaalmogelijkheid Nu aan deze vorm een (beperkte) afhaalmogelijkheid is verbonden, is wel sprake van verkeers- en publieksaantrekkende werking. Per geval zal moeten worden beoordeeld of een dergelijke webwinkel past. Om die reden is in de regels van de bedrijfsbestemmingen voor het college de bevoegdheid opgenomen om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bestemmingsomschrijving voor het gebruiken van gronden en bouwwerken voor zo een webwinkel. In het afwegingskader is de verkeersveiligheid een belangrijk aspect. d. Webwinkel met afhaalmogelijkheid en de mogelijkheid om de goederen ter plaatse te bekijken.

Deze vorm van webwinkels heeft een toonzaal en heeft dezelfde ruimtelijke uitstraling als reguliere detailhandel. Deze vorm is onverenigbaar met de bestemming 'Bedrijf - 1', 'Bedrijf - 2', respectievelijk 'Bedrijventerrein'. De hiervoor onder a. en b. genoemde vormen van webwinkels hebben geen dan wel een beperkte ruimtelijke uitstraling. Met het oog op de goede ruimtelijke ordening is er geen bezwaar tegen dat dergelijke webwinkels zich vestigen op gronden met de genoemde bestemmingen. Deze webwinkels zijn toegevoegd aan de opsomming in de bestemmingsomschrijving. Voor de onder c) bedoelde webwinkels is in de regels van de bestemming 'Bedrijf - 1', 'Bedrijf - 2', respectievelijk 'Bedrijventerrein' een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, zoals hiervoor omschreven. In verband met de bereikbaarheid van objecten voor de hulpdiensten (met name de brandweer) is bepaald dat de onderlinge afstand van een bedrijfsgebouw tot een zijdelingse perceelsgrens en tussen bedrijfsgebouwen onderling niet minder dan 5 meter mag bedragen (Notitie Proactie Gemeentebrandweer Barneveld). De maximale hoogte voor overige bouwwerken is drie meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven. Er kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels voor een hoogte van 4 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6814ba34-a2f9-4821-9f86-b25ece245ce7