Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I_Toelichting.pdf
Tekst van het document
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Het plangebied ligt in een omgeving die gelet op het karakter, is aan te merken als “gemengd gebied”. De richtafstand tot gevoelige (woon)bestemmingen bedraagt 30 meter. Doordat het gebied aangeduid kan worden als gemengd gebied kan deze afstand terug gebracht worden tot 10 meter. De woningen in het gebied liggen op een afstand die kleiner is. Om deze reden is er onderzoek gedaan om te bekijken of er sprake is/ kan zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Grondgebonden woningen Op deze locatie is de naastgelegen ligging van de Rehobothschool van belang aan de Schoonbeekhof 30.
24
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I Geluid is hier een te beoordelen milieuaspect. Voor de realisatie van de grondgebonden woningen is in het kader van het moederplan hier reeds onderzoek naar gedaan (zie Bijlage 1) om vast te stellen of er vanuit de de school en de buitenruimte van de school, mogelijk hinder ontstaat naar de nieuwe woonbestemming die het plan mogelijk maakt. Uit het onderzoek blijkt dat het noodzakelijk is dat er een aantal maatregelen genomen moeten worden. De maatregelen betreffen het plaatsen van twee tuinschermen bij woningen aan de noord- en zuidzijde van de speelplek met een hoogte van minimaal 1.80 meter. Daarnaast zal hetwoonblok aan de oostzijde met een dove gevel worden uitgevoerd. Deze maatregelen worden of zijn geborgd in het meoderplan met een voorwaardelijke verplichting. Door het toepassen van deze maatregelen is er bij en in de woningen en in de tuinen en op de dakterrassen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat door de school bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaard eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op basis van dit onderzoek blijkt dat binnen het plan en de omgeving een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.
Gestapelde woningen in Oostbroek I Een zelfde onderzoek is uitgevoerd voor de realisatie van de appartementen (Bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat als de beschreven maatregelen worden getroffen, bij en in de appartementen en de buitenruimten aan de oostgevel gerealiseerd worden, er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat door de school bij de nieuwe appartementen wordt voldaan aan de standaard eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De maatregelen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat worden geborgd in een voorwaardelijke verplichting. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
De toegevoegde mogelijkheid voor het realiseren van appartementen in plaats van grondgebonden woningen in de partiële herziening heeft geen effect op de verdere landschappelijke invulling met groen elementen zoals beschreven in het moederplan "Oostbroek I".
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en "Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
25
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Ontsluiting Er vinden geen veranderingen plaats aan de wegenstructuur zoals vastgelegd in het bestemmingsplan "Oostbroek I". De bereikbaarheid van het perceel voldoet aan de eisen zodat voertuigen in 2 richtingen elkaar veilig kunnen passeren. De ontsluiting wordt aangesloten middels een uitweg in elementenverharding. Parkeren Het parkeerterrein voldoet aan 17 goed -en onafhankelijk van elkaar bereikbare parkeerplaatsen, conform de Nota Parkeernormen 2020 en onze standaard ontwerp eisen. De parkeerbalans: Zone overige kernen Koop, appartement, midden 2,0 * 4 stuks = 8 Koop, appartement, duur 2,2 * 4 stuks = 8,8 8 + 8,8 = 16,8 = 17 parkeerplaatsen Tevens is voorzien in rijwielstallingsmogelijkheden bij de entree. Conclusie Het verkeersaspect is op basis van het voorgaande geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
5.15
Water
In het moederplan is het aspect water beschreven zoals in de waterparagraaf hieronder. Aangezien deze partiële herziening geen effect heeft op het aspect water is onderstaande paragraaf nog steeds actueel. Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Het waterbeleid wordt beschreven in Hoofdstuk 4. Huidige situatie In de huidige situatie betreft het plangebied Kootwijkerbroek Oost voornamelijk bouwland. Aan de noordkant van het plangebied stroomt de Kleine Beek (A-watergang) en aan de west- en oostzijde zijn respectievelijk een B-watergang en C-watergang aanwezig.
Aan de Kerkweg die het plangebied doorsnijdt liggen enkele bestaande woningen die zijn aangesloten op drukriolering. Op basis van uitgevoerd bodemonderzoek en bestaande peilbuizen ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand op circa NAP +16.00 m. Dit is op de lager gelegen delen ongeveer 50 cm beneden maaiveld. Toekomstige situatie 26
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
Hemelwater Door de realisatie van het dit plan zal de hoeveelheid verhard oppervlak toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Om de versnelde afvoer van hemelwater te voorkomen, dient compenserende waterberging gerealiseerd te worden. De aan te leggen waterberging heeft een capaciteit van 65 mm ten opzichte van de toename van het verharde oppervlak. Binnen het openbare gebied is bekend hoeveel de toename in verharding zal zijn. Bij de uit te geven kavels is dit nog niet bekend, maar is uitgegaan van een gemiddelde verharding van 65% van het kaveloppervlak. De totale verharding vertaalt zich naar een bergend volume van 1880 m³. Deze berging zal worden voorzien van een overloop richting het oppervlaktewater. Per woning wordt binnen de erfgrens circa 1 m3 berging aangelegd in de vorm van infiltratiekratten. De resterende berging binnen het plangebied wordt gerealiseerd in de vorm een aantal wadi's, een overloopgebied naar de westelijke watergang en een waterbergend pakket onder een deel van de wegverharding. Het hoogteverloop wordt zodanig vormgegeven dat het hemelwater oppervlakkig kan afstromen richting de wadi's, het overloopgebied en naar de C-watergang aan de oostzijde van het plan. Afvalwater Voor het huishoudelijk afvalwater wordt een vuilwaterstelsel dat afvoert naar een nieuw aan te leggen rioolgemaal.
Een aantal bestaande woningen die nu op drukriolering zijn aangesloten, worden op het vuilwaterstelsel aangesloten. Voor het aansluiten op de riolering zal een rioolaansluitvergunning worden aangevraagd. Oppervlaktewater De bestaande waterstructuur blijft zoveel mogelijk behouden, zoals de Kleine Beek aan de noordzijde (waarbij het profiel ook in de nieuwe situatie dezelfde omvang zal hebben), de B-watergang aan de westzijde en C-watergangen aan de oostzijde. Met name aan de oostzijde is het van belang dat de afvoer via de C-watergangen blijft gewaarborgd, ook in de toekomst. Overige In het kader van duurzaam bouwen worden er geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast. Waterhuishoudkundig- en rioleringsplan Overigens zijn de diverse waterhuishoudkundige aspecten en riolering voor het plangebied Oostbroek beschreven in het Waterhuishoudkundig- en rioleringsplan zoals bijgevoegd in Bijlage 3 Conclusie De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
27
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Oostbroek I" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1333.0003), vastgesteld op 25 mei 2022. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Oostbroek I" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemming 'Wonen-1' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Oostbroek I" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Oostbroek I" op de locatie gewijzigd in die zin dat op het bouwvlak de bouwaanduiding aanduiding 'gestapeld' is toegevoegd. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Oostbroek I".
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Oostbroek I", niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. Er zijn in deze partiële herziening geen extra gebiedsaanduidingen toegepast:
28
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Oostbroek I"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Oostbroek I") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
29
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Grondexploitatie Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het onderhavige plan de bouw van meerdere woningen (artikel 6.2.1 Bro) mogelijk maakt, is dit aan de orde. Echter, alle te ontwikkelen gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente waarmee de kosten worden gedekt uit de gronduitgifte. Doordat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden hiermee anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, behoeft de raad op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro in dit geval geen exploitatieplan vast te stellen. De kosten voor het opstellen van dit plan worden gedekt door het heffen van leges.
30
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 26 januari 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: Participatie bij ruimtelijke initiatieven; Participatie bij initiatieven van de overheid; Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
Het plan betreft een initiatief van de ontwikkelaar in samenwerking met de gemeente. In dit geval is dan dus spoor 1 en 2 van het beleid relevant en trede 1 van de participatieladder met betrekking tot de omgeving van toepassing. Dit is ingegeven door de ligging van het perceel in een te ontwikkelen gebied zonder directe buurpercelen en zonder grote ruimtelijke impact waardoor er feitelijk geen directe belanghebbenden zijn. De initiatiefnemer heeft vanwege het ontbreken van directe buren geen verder overleg gevoerd.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen "Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
31
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Aangezien er geen sprake is van een provinciaal belang, is er geen vooroverleg gevoerd met de provincie. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Het bestemmingsplan betreft een plan van lokaal belang. Vooroverleg is niet noodzakelijk en wordt dan ook niet gevoerd.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. Op basis van het voorgaande is er geen inspraak gevoerd.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van … tot en met … ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken is één reactie ingediend. Deze reactie heeft eleid tot aanpassing van het plan. In de bijlage bij deze partiële herziening is de Nota Zienswijzen bijgevoegd als Bijlage 4.
8.5
Coördinatieregeling
Op 26 februari 2013 heeft de gemeenteraad de 'Coördinatieverordening gemeente Barneveld' vastgesteld. Deze verordening is van toepassing op het coördineren van de voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan vast te stellen in samenhang met een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning en overige besluiten die verband houden met het plan. Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten om de coördinatieregeling van toepassing te verklaren op het voorliggende bouwplan. Omdat de coördinatieregeling wordt toegepast, is voor het bouwplan inmiddels een aanvraag omgevingsvergunning (activiteiten bouwen/milieu enz.) ingediend. De gevraagde besluiten (bestemmingsplanherziening en omgevingsvergunning, worden gecoördineerd voorbereid. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan/ontwerpwijzigingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning gelijktijdig voor een termijn van zes weken ter visie zijn gelegd.
32
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
Bijlagen bij de toelichting
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
33
Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek bij Oostbroek I naar speelterrein school, SPA december 2020
34
"Kerkweg-Oostbroek, partiële herziening Oostbroek I" (vastgesteld)
Rapport 22000349.R03 Gemeente Barneveld Akoestisch onderzoek speelterrein school
www.SPAWNP.nl
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Rapport 22000349.R03 Gemeente Barneveld Akoestisch onderzoek speelterrein school
Datum: 3 december 2020
Gemeente Barneveld De heer drs. E. Komdeur Postbus 63 3770 AB BARNEVELD E.Komdeur@barneveld.nl
IN
Opdrachtgever:
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
DENKKRACHT
Auteur: De heer ir. A.C.W.M. Appels
info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015
| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
SPA WNP ingenieurs
INHOUD
22000349.R03
PAGINA
1.
INLEIDING
4
2.
SITUATIE EN UITGANGSPUNTEN 2.1 Algemeen/Locatie/Ligging 2.2 Beschikbare gegevens 2.3 Bedrijfssituatie 2.4 Gestelde geluidvoorwaarden
4 4 4 5 6
3.
ONDERZOEKMETHODE
8
4.
REKENMODEL 4.1 Geluidbronnen 4.2 Gebouwen, schermen 4.3 Bodemgebieden 4.4 Ontvangerpunten 4.5 Geluidcontouren
8 8 9 9 9 9
5.
RESULTATEN 5.1 Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus [L Ar,LT] 5.2 Maximale geluidniveaus [LAmax] 5.3 Tuinen 5.4 Equivalente geluidniveaus [LAeq] voor de indirecte hinder
10 10 11 12 12
6.
GEVELS WONINGEN
12
7.
CONCLUSIES
14
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
FIGUREN 1 2 3 4 5 6 7 8
Overzicht Bronnen Gebouwen Tuinschermen Bodemgebieden Ontvangers Geluidcontouren LAr,LT Geluidcontouren LAmax
BIJLAGEN 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Bronsterkte berekeningen Bronnen Gebouwen Schermen Bodemgebieden Ontvangers Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus representatieve bedrijfssituatie Maximale geluidniveaus Equivalente geluidniveaus indirecte hinder
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
1.
22000349.R03
INLEIDING Door de gemeente Barneveld wordt momenteel het woningbouwplan Kootwijkerbroek Oost gerealiseerd. In het kader van dit plan wordt ook de bestemming van het grasveld (Agrarisch) ten oosten van de Rehobothschool aan de Schoonbeekhof 53 te Kootwijkerbroek gewijzigd. Het grasveld zal in de toekomst onderdeel gaan uitmaken van het speelplein van de school, zie figuur 1. Voor de wijziging van de bestemming van het grasveld is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidimmissie van de school inclusief grasveld bij de nieuw te realiseren woningen binnen het plan Kootwijkerbroek Oost. Voor het beoordelen van de geluidkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woningen wordt gebruik gemaakt van het toetsingskader geluid uit hoofdstuk 5 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009”. In de voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten en de resultaten van het akoestisch onderzoek weergegeven.
2.
SITUATIE EN UITGANGSPUNTEN
2.1
Algemeen/Locatie/Ligging In figuur 1 is een overzicht gegeven van het grasveld met de school en de directe omgeving. Het kavel direct ten oosten van het grasveld is nog niet nader ingevuld. Hier worden 6 tot 8 levensloopbestendige woningen gerealiseerd.
2.2
Beschikbare gegevens Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: • VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009”; • Activiteitenbesluit milieubeheer; • Tekening “KWB Oostbroek CONCEPT STB BASIS ontwerp vervolg Fase I - 07-04-2020 nieuwbouwvlak”; • Beeldkwaliteitsplan Oostbroek Fase 1, concept 12 november 2020; • Rapport 22000349r02, “Gemeente Barneveld, akoestisch onderzoek speelterrein school”, d.d. 19 oktober 2020; • Digitale ondergrond (kadastrale kaart, luchtfoto) uit PDOK services; • Gegevens over de bedrijfsvoering, verstrekt door de Rehobothschool. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het ongewenst om direct rond het grasveld schermen of hoge wallen op te richten. Om zorg te dragen dat in de woningen en in de tuinen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ,is ervoor gekozen om de geluidwering van de gevels van de woningen te verhogen en daar waar gewenst te werken met tuinschermen. Voor de invulling van het kavel voor de levensloopbestendige woningen is gekozen voor een gesloten bouw (1 of 2 bouwlagen) aan de westzijde van het kavel. Op de bouwlagen zijn lossen torens van 1 of 2 verdiepingen gedacht. De levensloopbestendige woningen bestaan uit maximaal drie bouwlagen. De westgevel van deze woningen wordt uitgevoerd als dove
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
gevel. Tussen de torens worden schermen met een hoogte van minimaal 4,2 meter en 1,8 meter aangebracht voor respectievelijk torens van twee bouwlagen c.q. één bouwlaag, zie figuur 3.2. Dit om de niveaus bij de zijgevels voldoende te reduceren en op de daken tussen de toren terrassen mogelijk te maken. 2.3
Bedrijfssituatie Dagperiode Hieronder volgt een beschrijving van de onderzochte bedrijfssituatie voor de school. De bedrijfstijden van de relevante geluidbronnen op het terrein van de inrichting zijn aangegeven door de Rehobothschool. De Rehobothschool is van maandag t/m vrijdag in de dagperiode geopend. De school heeft een normaal schoolrooster van 08.30 uur tot 15.15 uur. Tussen de middag van 12.00 tot 13.00 uur is er een lunchpauze en kunnen de kinderen in principe naar huis. Circa 80% van de kinderen wordt op school opgevangen. De overige kinderen gaan naar huis. In de ochtend hebben alle kinderen minstens 15 minuten pauze. Per groep heeft de Rehobothschool 3 klassen met gemiddeld 27 leerlingen. Daarnaast is er nog een voorschool bestaande uit 4 groepen van maximaal 16 leerlingen die verdeeld over de dag op de school aanwezig zijn. Het grasveld wordt gebruikt tijdens de pauzes door de bovenbouw, het betreft 1 groep (3 klassen) tijdens de pauzes en gedurende de lestijd voor gymlessen voor maximaal 2 klassen. Met andere woorden tijdens de gymlessen, in de ochtend gedurende 3 uur en de middag gedurende 2 uur, wordt door 54 kinderen gebruik gemaakt van het grasveld. Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat deze kinderen gedurende 25% van de tijd spreken. Tijdens de pauze zijn 81 kinderen gedurende 1,25 uur op het veld aanwezig.
Voor deze groep is ervan uitgegaan dat zij 50% van de tijd spreken. Het schoolplein wordt gebruikt door de overige klassen. Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat de kinderen uit de voorschool en de groepen 1 en 2 gedurende de gehele dag buiten kunnen spelen. De overige kinderen spelen alleen in de ochtendpauze en tijdens de lunch (80% kinderen) op het schoolplein. Daarnaast is ervan uitgegaan dat de kinderen van de school gedurende 7,5 minuut voorafgaand aan de lessen en 7,5 minuten na afloop op het schoolplein aanwezig zijn. Voor al deze kinderen is ervan uitgegaan dat zij gedurende 50% van de tijd spreken. In bijlage 1 is een overzicht gegeven van de berekende bedrijfsduren en de in het model gehanteerde bronsterkten voor het spreken van de kinderen op het grasveld en het schoolplein. Een deel van de kinderen wordt ’s ochtends gebracht en ’s middags weer gehaald. Daarnaast worden een beperkt aantal kinderen in de lunchpauze met de auto gehaald en gebracht. Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat 120 ouders de kinderen in de ochtend brengen en ’s middags halen. Tussen de middag worden 20 kinderen gehaald en gebracht. Het zuidelijke deel van het schoolplein wordt ’s ochtends en ’s middags gebruikt als Kiss en Ride zone voor het halen en brengen van de kinderen.
Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat 100 voertuigen hiervan gebruik maken in de ochtend en de middag. De overige voertuigen en de voertuigen van de ouders die kinderen halen in de middagpauze blijven op de openbare weg. Deze laatste zijn meegenomen in de indirecte hinder.
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
Aan de zuidwestzijde van het terrein bevindt zich een parkeerplaats voor de leraren. Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat 30 leraren hier ’s ochtends parkeren en ’s avonds weer vertrekken. Avondperiode Het is de bedoeling dat het grasveld in de avondperiode gebruikt kan worden als speelveld door kinderen uit de wijk. Voor de berekeningen is ervan uitgegaan dat de 20 kinderen in de avondperiode gedurende 1 uur op het terrein spelen en dat deze kinderen gedurende 25 % van de tijd spreken. Het grasveld wordt zodanig ingericht dat de kinderen voornamelijk op het midden van het veld spelen, een en ander conform de huidige situatie. 2.4
Gestelde geluidvoorwaarden Toetsingskader ruimtelijke ordening (wijziging bestemmingsplan) In het kader van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009” gebruikt als hulpmiddel. Deze handreiking geeft onder andere richtafstanden en stappenplannen om te komen tot het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in de directe omgeving van gevoelige functies nabij bedrijven. Gebiedstypen In hoofdstuk 2 van de VNG publicatie zijn twee omgevingstypen gedefinieerd, het omgevingstype “rustige woonwijk” en het omgevingstype “gemengd gebied”. Het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ wordt de volgende omschrijving gehanteerd: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. ” Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt de volgende omschrijving gehanteerd: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Toetsingskader geluid Als toetsingskader is uitgegaan van bijlage 5.3 ‘Voorbeeld toetsingskaders voor ontheffingen en planherzieningen’. Het toetsingskader voor geluid bestaat uit vier stappen, waarbij per stap de geluidbelasting groter wordt en daarmee de onderzoeks- en motiveringsplicht. Stap 1 Toetsen aan de richtafstanden voor het aspect geluid. Indien deze niet worden overschreden kan een verdere beoordeling van geluid in beginsel achterwege blijven.
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
Stap 2 Indien stap 1 niet toereikend is, is een geluidonderzoek noodzakelijk en dient bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ voldaan te worden aan de volgende richtwaarden: • 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; • 65 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); • 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ dient voldaan te worden aan de volgende richtwaarden: • 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; • 70 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); • 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Stap 3 Indien stap 2 niet toereikend is, is voor woningen gelegen in een ‘rustige woonwijk’ een maximale geluidbelasting mogelijk van: • 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; • 70 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); • 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een maximale geluidbelasting mogelijk van: • 55 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; • 70 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); • 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.
Als voldaan wordt aan de bovenstaande richtwaarden is buitenplanse aanpassing mogelijk. Het bevoegd gezag dient te motiveren waarom zij in deze concrete situatie de geluidbelasting acceptabel acht. Tevens dient de cumulatie met eventueel aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal het doorgaans niet mogelijk zijn om medewerking te verlenen aan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Indien het bevoegd gezag toch van mening is dat medewerking aanvaardbaar is, dan dient dit grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd te worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met cumulatie van aanwezige geluidbronnen. Voorliggende situatie De omgeving van de school kan, mede gelet op de andere maatschappelijke voorzieningen ten zuiden van de school, het beste worden omschreven als ‘gemengd gebied’. Indien bij de woningen wordt voldaan aan de richtwaarden die hiervoor worden gehanteerd, kan worden gesteld dat er bij de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Toetsingskader milieu De school valt daarnaast onder het toetsingskader van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Echter in het kader van de toetsing is het stemgeluid van de kinderen uitgezonderd van toetsing, zie artikel 2.18.1.h, zal in de meeste gevallen als er sprake is van een goed woon en leefklimaat bij de woningen, eveneens worden voldaan de standaard eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de onderhavige situatie zijn, de voor de toetsing aan het Activiteitenbesluit milieubeheer relevante geluidbronnen, de verkeersbewegingen op het terrein van de school.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
Indirecte hinder Vanuit de VNG publicatie moet de indirecte hinder onderzocht worden. Er zijn specifieke richtwaarden opgenomen. Bij de beoordeling van de indirecte hinder kan de circulaire van 29 februari 1996 van de minister van VROM, getiteld “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer”, als hulpmiddel dienen. Hiervoor is de indirecte hinder in kaart gebracht en beoordeeld op basis van de genoemde circulaire.
3.
ONDERZOEKMETHODE De onderzoekmethode is gebaseerd op de “Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999”, van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, versie 2004 zoals die op het internet is geplaatst. Deze handleiding is voorgeschreven in het “Activiteitenbesluit milieubeheer” in artikel 1.11.9.
4.
REKENMODEL Alle berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van een computerprogramma, dat is gebaseerd op de berekening van de overdracht overeenkomstig de methode II.8 uit de "Handleiding meten en rekenen Industrielawaai", 1999, van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
4.1
Geluidbronnen De geluidbronnen zijn in het rekenmodel ingevoerd op basis van de bronsterkten die zijn berekend in bijlage 1. In bijlage 2 zijn de bronnummers, de broncoördinaten en spectrale verdelingen van de bronsterkten gegeven. Verder zijn in deze bijlage voor de puntbronnen en de oppervlakte bronnen de tijden en de perioden vermeld, waarin de verschillende geluidbronnen in bedrijf zijn. Voor de mobiele bronnen zijn het aantal rijlijnpassages per periode weergegeven, de snelheid en de lengte van de rijlijnen. Ten behoeve van de bepaling van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bij de woningen zijn voor het stemgeluid van de kinderen oppervlakte bronnen ingevoerd met de volgende bronsterkten en bronhoogten: • Kinderen voorschool en groepen 1 en 2: bronhoogte = 1,0 m, bronsterkte = 76 dB(A) • Kinderen groepen 3 en 8: bronhoogte = 1,2 m, bronsterkte = 85 dB(A) • Kinderen spelen avondperiode: bronhoogte = 1,2 m, bronsterkte = 85 dB(A) Daarnaast zijn voor het rijden van de personenwagens mobiele bronnen ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van een bronsterkte van 89 dB(A) voor het rustig rijden (snelheid 5 km/uur) van de voertuigen op het schoolterrein c.q. voor het rijden ter hoogte van de school. Voor het rijden op de openbare weg (snelheid 30 km/uur) is uitgegaan van een bronsterkte van 93 dB(A).
Daarnaast zijn voor de geluidpieken puntbronnen ingevoerd met een maximale bronsterkte van 108 dB(A) voor het roepen/schreeuwen van de kinderen. Voor het parkeren van de personenwagens, inclusief starten van de voertuigen en sluiten van de portieren, op het terrein is uitgegaan van bronsterkten van 98 dB(A).
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
4.2
22000349.R03
Gebouwen, schermen De gebouwen en andere relevante objecten zijn in het rekenmodel ingevoerd met hun werkelijke hoogte en een reflectiecoëfficiënt, zodat de wanden van de ingevoerde gebouwen zowel een afschermende als reflecterende functie kunnen vervullen. De ligging van de gebouwen is gegeven in de figuren 3.1 en 3.2 en in bijlage 3. In deze bijlage zijn de coördinaten van de hoekpunten gegeven. Er is aangegeven welke hoogte de gebouwen hebben ten opzichte van het plaatselijk maaiveld en welke tophoekcorrectieterm voor de afscherming is toegepast. Voor de modellering van de levensloopbestendige woningen, zie figuur 3.2, is gekozen om aan de noordzijde van het blok uit te gaan van 1 bouwlaag met daarop torens bestaande uit twee bouwlagen en aan de zuidzijde van twee bouwlagen met daarop toren van 1 bouwlaag. Tussen de torens bestaande uit twee bouwlagen worden schermen geplaatst met een hoogte van minimaal 4,2 meter en tussen de torens bestaande uit 1 bouwlaag schermen van minimaal 1,8 meter. De ligging van de tuinschermen (ingevoerd als schermvormige objecten zonder breedte) die dienen te worden geplaatst als maatregel is gegeven in de figuur 4 en in bijlage 4. In deze bijlage zijn de coördinaten van de hoekpunten gegeven. Er is ook aangegeven welke hoogte de schermen hebben ten opzichte van het plaatselijk maaiveld.
Welke reflectiefactor en profielcorrectie in verband met de afscherming is toegepast, wordt ook in bijlage 4 vermeld.
4.3
Bodemgebieden De ligging van de bodemgebieden is gegeven in figuur 5 en in bijlage 5. In deze bijlage zijn de coördinaten van de hoekpunten gegeven en is de absorptiefactor vermeld. De standaard bodemfactor heeft een waarde van 0,0 (akoestisch harde bodem). Deze bodemfactor is van toepassing op de gebieden van het geluidmodel, waarvoor geen bodemgebieden zijn ingevoerd.
4.4
Ontvangerpunten In figuur 6 is een overzicht gegeven van de gebruikte ontvangerpunten rond de inrichting. De ontvangers 001 t/m 019 en 201 t/m 218 liggen bij de geplande woningen in de directe omgeving. De ontvangerpunten 101 t/m 108 zijn gesitueerd in de tuinen van de maatgevende woningen. De ontvangerpunten 221 t/m 226 zijn gesitueerd op de tussendaken van de levensloopbestendige woningen. De relevante gegevens van de ontvangers zijn tevens gegeven in bijlage 5.
4.5
Geluidcontouren Voor de berekening de geluidniveaus in het gebied direct ten oosten van het grasveld gereserveerd voor 6 tot 8 levensloopbestendige woningen zijn geluidcontouren bepaald. Voor de berekening van de geluidcontouren is gebruik gemaakt van een raster van rekenpunten. De waarneemhoogte van deze punten is 1,5 meter ten opzichte van de maaiveldhoogte.
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
5.
RESULTATEN
5.1
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus [LAr,LT] In tabel 1 en in bijlage 7.1 zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op de ontvangerpunten gegeven, zoals deze veroorzaakt worden in de onderzochte bedrijfssituatie voor de school. In de tabel zijn ook de richtwaarden zoals opgenomen in de VNG publicatie weergegeven. Tabel 1: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) in dB(A) Ontvangerpunt (zie figuur 6.1) Id.
Omschrijving
001 Woning 002 Woning 007 Woning 008 Woning 011 Woning 013 Woning 014 Woning 017 Woning Levensbestendige woningen • Zuidgevel (201) • Westgevel (dove gevel) • Noordgevel (218) • Overige gevels Richtwaarden stap 2 Richtwaarden stap 3
Onderzochte bedrijfssituatie Dagperiode
Avondperiode
51 52 40 47 53 56 57 58
41 40 28 34 41 42 41 40
54 59 47 -50 55
31 52 30 40 45 40
In de nachtperiode zijn er geen activiteiten op het speelveld. Deze periode is daarom niet weergegeven in de tabel. In de bijlagen 7.2.1 t/m 7.2.19 is de bijdrage gegeven van de verschillende geluidbronnen aan de totale geluidniveaus op de ontvangerpunten 001, 002, 011, 013, 201, 207 en 218. Dagperiode Uit tabel 1 blijkt dat in de onderzochte bedrijfssituatie op de ontvangerpunten ten oosten van het grasveld wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 2. Bij de woningen direct ten noorden van het grasveld (rekenpunten 001 t/m 003) en ten zuidoosten (rekenpunten 010 t/m 012) wordt wel voldaan aan de richtwaarden van stap 3. Bij de rekenpunten ten zuiden van het grasveld (rekenpunten 013 t/m 017) worden de richtwaarden van stap 3 overschreden. Ook bij de levensloopbestendige woningen worden de richtwaarden van stap 2 op de zuidgevel (rekenpunt 201) overschreden. Er wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 3. Gelet op het feit dat de westgevels van de woningen wordt uitgevoerd als dove gevel worden de voor deze gevels optredende niveaus niet getoetst. In figuur 7 zijn de geluidcontouren weergegeven op het terrein voor de 6 tot 8 levensloopbestendige woningen. Op het terrein wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 2.
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
Avondperiode Uit de berekeningen blijkt dat in de avondperiode bij alle gevels wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 2. Alleen bij de westgevel van de levensloopbestendige woningen treden hogere niveaus op. Echter omdat dit dove gevels betreffen worden de niveaus hier niet getoetst c.q. beoordeeld. Activiteitenbesluit In bijlage 7.3 zijn de door de verkeersbewegingen op het schoolterrein veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat bij de nieuwe woningen langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus optreden van maximaal 43 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de standaard eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 5.2
Maximale geluidniveaus [LAmax] In tabel 2 en in bijlage 8.1 zijn de maximale geluidniveaus weergegeven zoals deze ter plaatse van de woningen in de directe omgeving kunnen optreden. In de tabel zijn alleen de waarden weergegeven die hoger zijn dan 60 dB(A). Tabel 1: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) in dB(A) Ontvangerpunt (zie figuur 6.1) Id.
Onderzochte bedrijfssituatie
Omschrijving
Dagperiode
Avondperiode
001 Woning 002 Woning 007 Woning 008 Woning 011 Woning 013 Woning 014 Woning 017 Woning Levensbestendige woningen • Zuidgevel (201) • Westgevel (dove gevel) • Noordgevel (218) • Overige gevels Richtwaarden stap 2 en stap 3
70 69 58 60 71 72 72 72
65 67 55 62 66 67 66 65
72 82 69 -70
65 81 61 64 65
In de nachtperiode zijn er geen activiteiten op het speelveld. Deze periode is daarom niet weergegeven in de tabel. In de bijlagen 8.2.1 t/m 8.2.19 zijn de belangrijkste maximale geluidniveaus weergegeven op de ontvangerpunten 001, 002, 011, 013, 201, 207 en 218. Uit de berekeningen blijkt dat bij het merendeel van de woningen wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 2 en 3. Bij een deel van de woningen treden 1 tot 2 dB(A) hogere niveaus op en worden de richtwaarden overschreden. Gelet op het feit dat de gevels van de woningen dienen te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit dienen deze een geluidwering te hebben van minimaal 20 dB. Dit betekent dat in de woningen ruim wordt voldaan aan de daar gehanteerde richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Gelet op het feit dat de westgevels van de woningen wordt uitgevoerd als dove gevel, worden de voor deze gevels optredende niveaus niet getoetst.
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
In de figuur 8.1 en 8.2 zijn de geluidcontouren weergegeven op het terrein voor de 6 tot 8 levensloopbestendige woningen voor de geluidbronnen 001 en 004. Op het terrein achter de woningen wordt voldaan aan de richtwaarden van de stappen 2 en 3. In bijlage 8.3 zijn de door de verkeersbewegingen op het schoolterrein veroorzaakte maximale geluidniveaus weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat bij de nieuwe woningen maximale geluidniveaus optreden van maximaal 63 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de standaard eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 5.3
Tuinen Uit de bijlagen 7.1 en 8.1 blijkt dat, na oprichten van de tuinschermen in de tuinen van de woningen en op de terrassen op de tussendaken van de levensloopbestendige woningen, daar waar normaliter de terrassen worden gerealiseerd en waar wordt gerecreëerd, wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 1. Met andere woorden hier is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Opmerking: In de voortuinen van de woningen kunnen hogere niveaus optreden, echter hier wordt normaliter niet gerecreëerd. Met andere woorden het woon- en leefklimaat wordt hierdoor niet of nauwelijks beïnvloed.
5.4
Equivalente geluidniveaus [LAeq] voor de indirecte hinder In bijlage 9 is de berekening gegeven van de te verwachten geluidniveaus bij de woningen voor zover deze in de dagperiode wordt veroorzaakt door het verkeer op de openbare weg. Uit de berekeningen blijkt, dat de etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting die wordt veroorzaakt door het verkeer bij de woningen maximaal 45 dB(A) bedraagt. Dit is ruim lager dan 50 dB(A), waarmee voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van de circulaire van 29 februari 1996 over dit onderwerp. Met andere woorden bij de woningen is ten aanzien van het verkeer op de openbare weg sprake van een goed woon- en leefklimaat.
6.
GEVELS WONINGEN Woningen ten noorden (rekenpunten 001 en 002) Bij de woningen ten noorden van het grasveld worden de richtwaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus met maximaal 2 dB(A) overschreden. In de woningen wordt gezien de eisen uit het Bouwbesluit, de geluidwering van de gevels dient minimaal 20 dB te bedragen, voldaan aan de binnen te hanteren richtwaarden van 35 dB(A) en 55 dB(A) etmaalwaarde. Met andere woorden in de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een verschil van 1 tot 2 dB niet wordt waargenomen. Onder normale omstandigheden is een verschil van 3 dB net waarneembaar en is er vanaf 5 dB verschil pas sprake van een duidelijk hoorbaar verschil1. Een verschil van 10 dB wordt ervaren als een halvering c.q. een verdubbeling van het geluid. Door oprichting van het tuinscherm wordt in de tuinen, daar waar de terrassen worden gesitueerd, voldaan aan de richtwaarde stap 2.
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat bij deze woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Woningen ten zuidoosten (rekenpunten 011 en 019) Voor deze woningen gelden dezelfde overwegingen als voor de woningen ten noorden van het grasveld ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus. Ook geldt dat door de oprichting van een tuinscherm in de tuin, ter hoogte van de terrassen aan de oostzijde van de woningen wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 2. Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat ook bij deze woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Woningen ten zuiden (rekenpunten 012 t/m 018) Voor deze woningen geldt dat de richtwaarde van stap 3 bij de voorgevels van de woningen worden overschreden. Bij de zijgevels wordt voldaan aan de richtwaarde voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van stap 3. In de avondperiode wordt de richtwaarde met maximaal 1 dB(A) overschreden. Opmerking:
Indien de zijgevels van dit rijtje woningen worden uitgevoerd als dove gevels hoeven de hier optredende niveaus niet te worden getoetst. Wel dienen de gevels dan een voldoende geluidwering te hebben. Gelet op de standaard eis voor de geluidwering uit het Bouwbesluit van minimaal 20 dB zal hieraan automatisch worden voldaan.
Gelet op het feit dat geluidschermen voor de woningen of direct langs het grasveld en de speelplaats niet gewenst zijn, is de enige mogelijkheid om in de woningen een goed woon- en leefklimaat te realiseren het voldoende isoleren van de voorgevels van de woningen. Bij woningen treden in de dag-/avondperiode langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op tot 58 dB(A)/42 dB(A) en maximale geluidniveaus op tot 72 dB(A)/67 dB(A). Gelet op de in de woning gehanteerde toetswaarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus van respectievelijk 35 dB(A) en 55 dB(A) etmaalwaarde, dienen de voorgevels van de woningen een geluidwering van minimaal 23 dB te hebben. Er is dan in de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Opmerking:
Door aan de voorgevel op de begane grond de hal en/of de keuken c.q. op de eerste verdieping de badkamer te situeren, kan eventuele hinder in de woning nog verder worden beperkt.
In de tuinen aan de achterzijde van de woningen, ter hoogte van de terrassen, wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 2. Uit het voorgaande blijkt dat als de voorgevels van deze woningen een geluidwering van minimaal 23 dB hebben in de woningen en dat in de tuinen achterzijde met de terrassen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
22000349.R03
Levensloopbestendige woningen De westgevels van de levensloopbestendige woningen worden uitgevoerd als dove gevel. Voor deze gevels kunnen in de dag- en avondperiode langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus optreden van respectievelijk 59 dB(A) en 52 dB(A) en maximale geluidniveaus van 82 dB(A) en 81 dB(A). Gelet op de eisen die in de woningen gelden, dienen de gevels een gevelwering van minimaal 31 dB(A) te bezitten. Uit het voorgaande blijkt dat als westgevels van deze woningen een geluidwering van minimaal 31 dB hebben in de woningen en op de dakterrassen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
7.
CONCLUSIES Uit het onderzoek blijkt dat als de beschreven maatregelen worden getroffen, bij en in de woningen en in de tuinen en op de dakterrassen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat door de school bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaard eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 14
FIGUREN
2
1
1 2
1 1
6
0m
1 2 2
SPA WNP ingenieurs
462600
100 m
9
2
schaal = 1 : 2396
1 1 1
9 1
1 7
7 1 4 4
1
1
3
2
1-2 2
2
1
lveld Spee
6
1
1
1 1
1
7 9 10
1 2
School
2 2
8
8
462400
2
3 1
10
2 2
1
1 1
2
2
2
9
5
0
10
20
50m
Stedenbouwkundig schetsontwerp Kootwijkerbroek Oostbroek 5
Concept VO december 2019 aanpassing in bew. april 2020
2 2
2
2
2
2
De ligging van de school, het speelveld en de nieuwe woonwijk
174600
174800
22000349
174400 Industrielawaai - IL, [Oostbroek - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school ] , Geomilieu V2020.1 rev 2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
Figuur 1
462200
SPA WNP ingenieurs
0m
30 m schaal = 1 : 769
462450
005 004 003
001 002
001
001
001
00 2_2
00 2_2
001
462400
2 2_ 00
2 002_
22000349
Ingevoerde geluidbronnen
174550
Figuur 2.1
174400 174450 174500 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
0m
30 m schaal = 1 : 769
001
013
016 012 002
462450
017
014 010 011
018
009
003
015
019
004 008 001
2 2_ 00
006
005
007
001
001
00 2_2
00 2_2
001
462400
2 002_
22000349
Ingevoerde geluidbronnen Lamax
174550
Figuur 2.2
174400 174450 174500 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAmax Speelweide school na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
0m
40 m schaal = 1 : 977
10 2
462400
10 3
1 002_
2 101
101 102
_1 002
462300
10 130 1
11003 1 10 103 1
0031 11
110013
2_1 10030
10 2 002_1
22000349
Ingevoerde geluidbronnen indirecte hinder
174600
Figuur 2.3
174400 174500 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
0m
SPA WNP ingenieurs
017
50 m
016 462500
018
schaal = 1 : 1238
019
058
Inv004 004
Scherm
015
Inv003 Inv006 Scherm Inv002
005
Inv005 Scherm 001
Inv002
002 014 003 462400
055 012 011
013
054 051 057 053 056
052
22000349
Ingevoerde gebouwen
174600
Figuur 3.1
174400 174500 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
22000349 Figuur 3.2
0m
10 m schaal = 1 : 240
3 bouwlagen
1 bouwlaag
462460
3 bouwlagen
Scherm 4,2 m 1 bouwlaag
3 bouwlagen
462440
2 bouwlagen Scherm 1,8 m
3 bouwlagen
462420 174540 174560 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
Ingevoerde gebouwen, levensloopbestendige woningen
SPA WNP ingenieurs
Gebouwen Schermen
462500 0m
30 m schaal = 1 : 769
462450
462400
22000349
Tuinschermen
174600
Figuur 4
174450 174500 174550 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
Bodemgebieden Gebouwen
BO009
0m
BO010
50 m schaal = 1 : 1243
462500
BO004
BO012
BO005
BO011 BO003 BO013
BO008 BO002 462400
BO014
BO017
BO001 BO018
BO016 BO007
BO015 BO006
22000349
Bodemgebieden
174600
Figuur 5
174400 174500 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
22000349 Figuur 6.1
0m
20 m schaal = 1 : 644
004
462500
108 002
005
107
003
106
001
218 217 221 213
222 214
212
211
210 223
462450
006
216
215
224 007
209
208 207
206
205
226
225
204
203 202
105
201
008
462400
010
017
016
015
014
011
013
009
012 019 102
018
104
103
101
174550 174600 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
Ingevoerde rekenpunten
SPA WNP ingenieurs
22000349 Figuur 6.2
0m
20 m schaal = 1 : 644
462500
462450
Grid001
462400
174550 174600 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
Ingevoerd rekengrid
SPA WNP ingenieurs
Oppervlaktebronnen Gebouwen Schermen periode: groep:
Etmaalwaarde LAr,LT
0,0 - 45,0 dB(A) 45,0 - 50,0 dB(A) 50,0 - 55,0 dB(A) 55,0 - 60,0 dB(A) 60,0 - 65,0 dB(A) 65,0 - 70,0 dB(A) 70,0 - 99,0 dB(A)
0m
20 m schaal = 1 : 638
462450
45,0
462400
22000349
geluidcontouren op 1,5 m hoogte
174600
Figuur 7
174500 174550 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAr,LT + Leq Speelweide school, na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
periode: groep:
Dagperiode 001
0,0 - 65,0 dB(A) 65,0 - 70,0 dB(A) 70,0 - 75,0 dB(A) 75,0 - 80,0 dB(A) 80,0 - 85,0 dB(A) 85,0 - 99,0 dB(A)
462500
0m
001
30 m schaal = 1 : 769
462450
462400
22000349
LAmax contouren bron 001 terrein levensloopbestendige woningen
174600
Figuur 8.1
174450 174500 174550 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAmax Speelweide school na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
SPA WNP ingenieurs
periode: groep:
Dagperiode 004
0,0 - 65,0 dB(A) 65,0 - 70,0 dB(A) 70,0 - 75,0 dB(A) 75,0 - 80,0 dB(A) 80,0 - 85,0 dB(A) 85,0 - 99,0 dB(A)
462500
0m
001
30 m schaal = 1 : 769
462450
65,0
462400
22000349
LAmax contouren bron 004 terrein levensloopbestendige woningen
174600
Figuur 8.2
174450 174500 174550 Industrielawaai - IL, [Oostbroek, na MR, versie 202012 - RBS, LAmax Speelweide school na MR 2] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: SPA WNP ingenieurs - locatie Ede
BIJLAGEN
SPA WNP ingenieurs
22000349 Bijlage 1.1
Kinderen op schoolplein groepen Voorschool 1 2 3 4 5 6 7 8
klassen 3 3 3 3 3 3 3 3
kinderen aantal per klas kinderen Voor 16 27 81 0,125 27 81 0,125 27 81 0,125 27 81 0,125 27 81 0,125 27 81 0,125 27 81 0,125 27 81 0,125