Jan van der Heydenstraat I_Toelichting_Bijlage 5 Quickscan
Tekst van het document
Quickscan natuur functiewijziging Jan vd Heydenstraat ongn. te Kootwijkerbroek
Opdrachtgever
H. van de Krol
Contactpersoon
Frits Bos advies@oramba.nl
Uitvoering
Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer
2023-123
Versie
Nov.23-v3
Behandeld door
Lex Groenewold
Datum
6 november 2023
Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90 • Bank: NL20 KNAB 0407 9135 48
Inhoudsopgave 1 2 3 4
Aanleiding en doel ........................................................................................................3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving ....................................................................................................4 Aanpak onderzoek........................................................................................................4 4.1 Gewenste ontwikkeling ..........................................................................................4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................5 4.3 Locatiebezoek .......................................................................................................5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna .................................................................5 5.1 Vaatplanten ...........................................................................................................
5 5.2 Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen ................................................................5 5.3 Zoogdieren ............................................................................................................6 5.3.1 Vleermuizen ...................................................................................................6 5.4 Vogels ...................................................................................................................7 5.4.1 Vogels algemeen ............................................................................................7 5.5 Overige soorten .....................................................................................................8 6 Gebiedsbescherming....................................................................................................9 6.1 Natura 2000...........................................................................................................9 6.2 Stikstofdepositie ....................................................................................................9 6.2.1 Uitspraak PAS Raad van State .......................................................................9 6.2.2 Beleidsregels intern en extern salderen ........................................................10 6.2.3 Wet stikstofreductie
......................................................................................10 6.2.4 Situatie Jan vd Heydenstraat ongen. ............................................................ 10 6.3 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) ........................... 11 7 Conclusies en aanbevelingen .....................................................................................12 7.1 Algemeen ............................................................................................................ 12 7.2 Beschermde soorten............................................................................................12 7.3 Gebiedsbescherming...........................................................................................12 7.4 Gelders natuurnetwerk (GNN) / Groene Ontwikkelzone (GO)..............................12 7.5 Voorbehoud en zorgplicht ....................................................................................12 7.6 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen......................................................14 8 Advies.........................................................................................................................16 9 Literatuur ....................................................................................................................17
Bijlagen..............................................................................................................................17
Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeelden van maatregelen 5. Aeriusberekening
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
2
Versie: 6 november 2023
1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft een aanvraag in voorbereiding voor realisatie van een aantal woningen op een ongenummerd perceel aan de Jan van der Heydenstraat te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld. Het perceel ligt in tussen de Essenerweg 19 en de Magirusstraat 18. De gemeente heeft gevraagd een quickscan natuur aan te leveren. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd dit onderzoek uit te voeren.
2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven in de figuren hieronder en in de bijlage. Het betreft een perceel in de kom van Kootwijkerbroek. Op het perceel is een opslagloods aanwezig en een parkeerterreintje. De bestemming is reeds wonen. De loods is oud en raakt steeds meer ingesloten door beplanting. Plan is om de loods te slopen en maximaal drie aaneengebouwde woningen te realiseren. Ook is de kap nodig van een aantal bomen. Op de plek van de huidige loods zijn dan de tuinen gepland. De quickscan moet duidelijk maken of er beschermde soorten of verblijfplaatsen in het geding zijn.
Bestaande (links) en Nieuwe situatie
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
3
Versie: 6 november 2023
3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1 e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.
Er is geen ontheffing nodig als overtreding van verbodsbepalingen is te voorkomen én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Als het plan invloed heeft op Natura 2000 gebied of gelegen is in het Nationaal natuurnetwerk moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Ook hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.
4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens, literatuurgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen. Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden. Als er negatieve effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.
4.1
Gewenste ontwikkeling
Het plan omvat sloop van een loods gelegen tussen woonbebouwing in de kom van Kootwijkerbroek en realisatie van maximaal 3 woningen. Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
4
Versie: 6 november 2023
Uitgangspunten hiervoor zijn: -
het slopen van een loods tussen de Essenerweg 19 en de Magirusstraat 18 de kap van een aantal bomen het bouwrijp maken het realiseren van een nieuw woningblok (max. 3 woningen) aanleg van tuin, erf en landschappelijke inpassing
4.2
Bronnenonderzoek
Het nieuw geplande woongebouw ligt in kilometerhok x:174/y:462. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen, eigen gegevens en internetsites (zie literatuurlijst).
4.3
Locatiebezoek
Tijdens het locatiebezoek op 25 augustus 2023 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Het bezoek levert informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.
5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.
5.1
Vaatplanten
Het perceel bestaat uit een loods en een parkeerterreintje omgeven door wat bomen en struiken. Er zijn verder alleen algemene planten, bomen en struiken aangetroffen, zoals klimop, noordse esdoorn, abeel (foto), laurier, conifeer, hazelaar en berk. braam en diverse grassen. Er zijn in de huidige situatie geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Bij verdere realisatie van de plannen is geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.
5.2
Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Wegens het ontbreken van geschikt oppervlaktewater is het perceel niet geschikt als voortplantingsgebied voor amfibieën en libellen. Het perceel is ook geen typisch leefgebied voor beschermde vlindersoorten of voor reptielen.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
5
Versie: 6 november 2023
Beschermde soorten worden daarmee niet verwacht. Voor algemene soorten geldt behoudens de algemene zorgplicht, een vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening Gelderland. Er zijn daarmee door realisatie van de plannen geen negatieve effecten te verwachten op deze soortgroepen. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig.
5.3
Zoogdieren
Uit de wijdere omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van egel en bunzing en das. Er zijn bij het locatiebezoek geen zoogdieren, verblijfplaatsen of sporen daarvan aangetroffen. Het terrein is geen typisch leefgebied voor kleine marters en ook niet voor de das. De bomen zijn bekeken waarbij grotere holtes of nesten (bijv. voor eekhoorn) op het oog niet zijn gevonden. Van de steenmarter is een beperkt aantal waarnemingen bekend in de wijdere omgeving. De soort rukt langzaam op vanuit het oosten. De steenmarter kan overlast geven, bijv. vanwege stank of het doorknagen van slangen onder de motorkap. Steenmarters zijn beschermd onder de Wnb. Het zijn nachtdieren, welke wel 10-15 km per nacht kunnen afleggen. De soort heeft een groot aanpassingsvermogen en kan in vrijwel alle biotopen voorkomen. In het landelijke gebied bouwen ze hun nesten op zolders van schuren of boerderijen, maar in de bebouwde kom ook op zolders van woningen. Een steenmarter heeft 25 à 30 verblijfplaatsen en deze kunnen naast bebouwing ook bestaan uit boomholten, dicht struweel of takkenhopen (bron: Zoogdiervereniging, 2022). Verblijfplaatsen op zolders verraden zich in de regel door stank van de prooien en uitwerpselen, resten van prooien e.d. De zolder van de loods was open en goed doorzoekbaar. Aanwijzing van mogelijke verblijfplaatsen van steenmarters zijn niet aangetroffen.
De egel is bekend vanuit de omgeving. Hoewel voor de egel geen ontheffing nodig is, geldt wel de algemene zorgplicht. Bij het schonen van het terrein dienen de delen met de dichte bosjes/struiken vooraf te worden onderzocht op aanwezigheid van de egel. De kwetsbare voortplantingsperiode loopt globaal van mei t/m augustus. De overwinteringsperiode loopt globaal van november tot februari. Gezien de aard van de beplanting en de ondergrond zijn hier vooral foeragerende egels te verwachten. Vanuit oogpunt van zorgvuldig handelen is het advies de dichte bosjes en struiken tussen 1 september en 1 november vast te verwijderen. Dat valt buiten de voortplantings- en overwinteringsperiode van de egel. Hij kan dan zo nodig een andere plek zoeken in de omgeving. Bij start van de werkzaamheden in de periode tussen november en februari zijn er geen foeragerende egels te verwachten. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland. 5.3.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger.
Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. De eerste stap op basis van het vleermuisprotocol is een onderzoek naar de geschiktheid van de locatie. Daarbij gaat het om voor vleermuizen potentieel geschikte bomen of gebouwen. Er zijn op het terrein zelf geen bomen gevonden met voor vleermuizen geschikte holtes.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
6
Versie: 6 november 2023
De loods heeft geen spouwmuur. Er zijn geen spleten aanwezig bij de winveren/boeidelen bij de ingang aan de westzijde van de loods. De loods is aan de achterzijde (noordkant / tuin buren) niet toegankelijk, vanwege de strak liggende golfplaten en de aanwezige regengoot. Aan de zuidzijde staan allemaal bomen en struiken en is er geen goede aanvliegroute mogelijk. De loods ligt door de bomen ook een groot deel van de dag in de schaduw, waarmee de loods sowieso niet aantrekkelijk is voor vleermuizen. Daarbij is de toegang onder de golfplaten afgesloten en is er ook aan deze zijde een regengoot. De conclusie is daarmee dat vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen loods zijn uit te sluiten. Vleermuizen volgen vaak lijnvormige structuren zoals houtwallen, maar ook woonstraten. Het is mogelijk dat vleermuizen in de omgeving foerageren. De mogelijkheid daartoe wijzigt niet na realisatie van de plannen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor vleermuizen en andere zoogdieren niet nodig.
5.4
Vogels
Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende soorten in of in de buurt van het plangebied gezien of gehoord: koolmees, huismus en merel. Er is verder gekeken naar eventuele nestplaatsen voor de huismus. De toegangen onder de golfplaten bij de dakgoot zijn afgesloten (foto). De bomen en bosjes zijn wel geschikt als rustplaats voor huismussen. De soort is niet op het perceel zelf gezien bij het bezoek, maar wel vanuit de tuin van Magirusstraat 13 (buren achterzijde) in de tuinen van de Magirusstraat 11 en 12. De soort komt dus wel in de omgeving voor. Het meenemen van voorzieningen voor de huismus in de geplande nieuwbouw is daarmee een goede optie. Onder de golfplaten van de loods is de toegang dus afgesloten. Dit is op een aantal plekken geverifieerd. Daarmee verdwijnen bij de sloop met zekerheid geen verblijfplaatsen van de huismus. Andere jaarrond beschermde verblijfplaatsen zijn hier niet te verwachten.
5.4.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli - huismus 15 augustus) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb).
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
7
Versie: 6 november 2023
Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.
5.5
Overige soorten
Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
8
Versie: 6 november 2023
6 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt midden in de kom van Kootwijkerbroek. Artikel 2.1 Wnb vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Wnb sluit aan bij de Europese gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000-gebieden.
6.1
Natura 2000
Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen hiervoor de onderliggende basis. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Het plan ligt in de kom van Kootwijkerbroek, op bijna 3,3 km van Natura 2000-gebied Veluwe (zie figuur hiernaast PDOK augustus 2023). Gezien de aard van het plan en de ligging t.o.v. de Natura 2000 gebieden zijn met zekerheid geen effecten van het plan te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen en habitattypen. Onderdeel van de externe werking is daarbij de eventuele depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens.
6.2
Stikstofdepositie
De Veluwe heeft diverse habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Daarom moet bij nieuwe plannen ook worden bekeken of de plannen leiden tot toename van de stikstofdepositie. 6.2.1 Uitspraak PAS Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
9
Versie: 6 november 2023
Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet natuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een voortoets nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoordeling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk. 6.2.2 Beleidsregels intern en extern salderen Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben regels vastgesteld voor intern en extern salderen. Deze beleidsregels gelden voor de het verlenen van vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming vanwege de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Activiteiten waarbij niks verandert, behouden hun vergunning. Voor activiteiten waarvoor wel een vergunning nodig is, moet gezorgd worden dat de depositie van stikstof in Natura 2000gebieden per saldo niet toeneemt. De beleidsregels stellen met name voorwaarden aan intern en extern salderen:
Intern salderen: Bedrijf mag een bepaalde hoeveel stikstof uitstoten. Nieuwe activiteiten of bestaande activiteiten veranderen kan, als de depositie per saldo niet toeneemt. Alleen de al gerealiseerde capaciteit van de vergunning is te gebruiken voor saldering. Extern salderen: De aanvrager maakt gebruik van de vergunning van een ander bedrijf dat wordt beëindigd. Slechts 70% van de gerealiseerde stikstofcapaciteit mag gebruikt worden.
Deze beleidsregels gelden alleen voor het verlenen van vergunningen door gedeputeerde staten, niet voor het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenteraden. 6.2.3 Wet stikstofreductie Per 1 juli 2022 is een nieuwe Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering en ook het bijbehorende Besluit van kracht geworden. Onderdeel van deze wet was de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Door een uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 mag de bouwvrijstelling niet meer worden toegepast. Daardoor moet nu dus weer voor elke aanvraag ook in de aanlegfase worden bekeken of er mogelijk significant negatieve effecten kunnen optreden op beschermde gebieden 6.2.4 Situatie Jan vd Heydenstraat ongen. In de voorliggende situatie betreft het in de bestaande situatie een opslagloods, met asbesthoudende golfplaten. De loods wordt voor zover bekend niet verwarmd. De nieuwe woningen zijn gasloos. Voor de drie rijwoningen is conform de CROW publicatie 381 voor transport 7.0-7.8 bew/etm/woning aan te houden. Op voorhand is uit te sluiten dat dit tot een depositie leidt. De situatie is echter wel ingevoerd in Aerius. Er is geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0.0 mol/ha/jaar.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
10
Versie: 6 november 2023
Na de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 moet ook de aanlegfase weer in de berekeningen worden meegenomen. In deze situatie gaat het om sloop van de opslagloods. Vervolgens het bouwrijp maken en de bouw van een blok van drie aaneengebouwde woningen. De gegevens zijn ingevoerd in het programma Aerius (13 oktober en vanwege een fout in Aerius nogmaals op 6 november 2023). Daaruit blijkt in de aanlegfase geen depositie groter dan 0.00 mol/ha/jaar. Ook de situatie met aanlegfase en gebruiksfase beide in 2023 geeft geen depositie. Nader onderzoek of een Wnb vergunning gebieden is niet nodig.
6.3
Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO)
Naast toetsing op Natura 2000 gebied vindt separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur. Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan invloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn Groene Ontwikkelzones (GO) aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang. Het plangebied ligt buiten het GNN en de GO. Voor het GNN geldt geen externe werking. Planrealisatie heeft geen effecten op de natuurwaarden van het GNN en de GO. Verder onderzoek of een ontheffing zijn niet nodig.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
11
Versie: 6 november 2023
7 Conclusies en aanbevelingen 7.1
Algemeen
Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significant negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd aan de Jan vd Heydenstraat ongn. in de kom van Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld. Het perceel heeft wel een woonbestemming, maar er staat een oude opslagloods en er is een parkeerterreintje aanwezig. Plan is de oude opslagloods te slopen een blok van drie rijwoningen te realiseren. Uit de quickscan moet blijken of de realisatie van het plan gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden.
7.2
Beschermde soorten
Op het perceel is gekeken naar beschermde soorten en verblijfplaatsen. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen en andere zoogdieren en eventuele jaarrond beschermde nesten van vogels. Deze zijn niet aangetroffen en op basis van de kenmerken ook niet te verwachten. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.
7.3
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt buiten Kootwijkerbroek op bijna 3.3 km van Natura 2000-gebied Veluwe. Gezien de omvang van het plan in relatie tot de afstand is er ook zonder intern te salderen geen stikstofdepositie te verwachten. Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde habitats en soorten. In de bestaande situatie betreft het een onverwarmde opslagloods. In de nieuwe situatie gaat het om drie rijwoningen (gasloos). Ook de aanlegfase (sloop loods en bouw nieuwe woningen) is in beeld gebracht en doorgerekend. Er is geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jr. Hiermee is een vergunning Wet natuurbescherming voor gebieden niet nodig.
7.4
Gelders natuurnetwerk (GNN) / Groene Ontwikkelzone (GO)
Het plan ligt buiten de begrenzing van het GNN en de GO. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzingen mag worden aangenomen dat er geen significante effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN en de GO. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek zijn niet nodig.
7.5
Voorbehoud en zorgplicht
De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
12
Versie: 6 november 2023
Algemene zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 julihuismus tot 15 augustus).
Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Beschermde soorten Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
13
Versie: 6 november 2023
7.6
Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen
Overigens zijn relatief eenvoudig extra voorzieningen te realiseren voor vogels en/of vleermuizen. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kieren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. De maatregelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Bijvoorbeeld een kast of andere voorziening voor de huismus. Eén of meer duurzame kasten voor vleermuizen (eten veel muggen), bij voorkeur op minimaal 3m hoog, vrij aanvliegbaar en zonder verlichting vlak bij. Voorkom verstening van de tuinen en draag zorg voor het opvangen van regenwater in het gebied. Door de klimaatverandering vindt steeds meer verdroging plaats van de ondergrond. De gemeente Barneveld heeft hiervoor beleid opgesteld. Afhankelijk van de grootte van een project moet een aantal punten worden gerealiseerd. Er zijn punten voor het gebouw, verblijfplaatsen, omgeving en infrastructuur (zie onderstaande tabel 1 uit het gemeentelijke puntensysteem).
Het gaat hier om een kleinschalig project van 0-1 ha, waarvoor dan dus 30% van het maximale aantal punten nodig is. Op basis van de lokale situatie is te denken aan de volgende maatregelen: Tabel 1: Overzicht mogelijke maatregelen natuurinclusief bouwen Jan vd Heydenstraat Onderdeel Gebouw (nodig: 4)
Verblijf (nodig: 2)
Maatregel
Punten
Geveltuin
2
Vermijden lichtuitstraling
2
Gevelgroen
3
Nestplaats huismus – bijv. opschuiven vogelschroot of inbouwsteen
2
Verblijfplaatsen voor vleermuizen
2
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
Bonus
Opmerkingen 25-50% van een gevel van >10m lengte Vermijden, of ander aanpassing lichtkleur en intensiteit. Altijd omlaag richten. Aanplant gevelgroen (>25-50% lengte gevel – min. 10m) Minimaal 3 verblijfplaatsen Bij 6 verblijfplaatsen (beide zijden woningen) Minimaal 3 verblijfplaatsen (kopgevels) Bij 6-11 verblijfplaatsen
14
Totaal 2 2 3 2 +2 2 +1
Versie: 6 november 2023
Omgeving (nodig: 10)
Beleid (extra)
Natuurlijke haag
3
Natuurlijke verharding
1
Ecologisch object Groen aanplant Ecologisch object Opstellen ecologisch rapport Borgen onderhoud en beheer
1 3 1
(3 geschakelde kleine inmetselkasten groter verblijf aantrekkelijker) Beukenhaag 1.5m hoog 5m lang >5m >25% opp. waterdoorlatend > 50% opp. 2x Insectenhotel of stapelstenen 25% opp. aanplant bosplantsoen 2x Insectenhotel of stapelstenen
3 +1 1 +1 2 2
1
1
2
2
Op basis van de omgeving is de verwachting dat er vleermuizen kunnen foerageren in de diverse tuinen. Voor de woningen is dan van belang de lichtuitstraling zoveel als mogelijk te beperken, door bijv. armaturen naar beneden te richten en sensoren te gebruiken voor het branden, om onnodige verlichting te voorkomen. Gevelgroen kan bestaan uit natuurlijke soorten als klimop of kamperfoelie. Alternatief is bijv. vuurdoorn toe te passen of een combinatie. Een geveltuin is een andere optie. Gierzwaluwen hebben en voorkeur voor hoge gebouwen en versteende gebieden. Het is mogelijk dat de soort in de omgeving broedplaatsen heeft. Het plaatsen van een voorziening voor de soort is een optie. Ook de huismus komt in de omgeving voor. Het meenemen van voorzieningen, zoals het opschuiven van vogelschroot is een goede optie, met vrijwel zeker resultaat. Aan de kopse kanten is het toepassen van inbouwkasten mogelijk voor vleermuizen. Voor vleermuisverblijven zijn meerdere opties denkbaar, mede afhankelijk van het type woning. Als gekozen wordt voor inmetselstenen gaat de voorkeur uit naar koppeling van drie kasten, waardoor een grotere ruimte ontstaat, welke ook geschikt is als kraamverblijf. Een voorbeeld is gegeven in de bijlage. Bij voorkeur kasten in twee verschillende gevels plaatsen (zuid en west), op minimaal 3m hoogte en buiten bereik van storende verlichting.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
15
Versie: 6 november 2023
8 Advies 1) Initiatiefnemer heeft het plan op het perceel van de Jan vd Heydenstraat ongn. tegenover nr. 2 in de kom van Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld, de opslagloods te slopen en een blok van maximaal 3 rijwoningen te realiseren. De bestemming is al wonen. 2) De loods en het perceel zijn onderzocht op beschermde soorten en/of verblijfplaatsen. 3) Er is specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van huismus, vleermuizen en andere zoogdieren. In de te slopen loods of de te kappen bomen zijn geen beschermde soorten of vaste verblijfplaatsen gevonden of te verwachten. 4) Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 3.3 km afstand. Er zijn geen negatieve gevolgen te verwachten voor beschermde soorten of habitats. De stikstofdepositie is, zonder intern te salderen met de bestaande situatie, zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase en met een combinatie van beiden niet hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Een vergunning Wnb gebieden is niet nodig. 5) Het plan valt buiten de begrenzing van het GNN en de GO. Aanvullend onderzoek is niet nodig. 6) Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
7) Concreet betekent de zorgplicht hier dat de werkzaamheden starten buiten de broedtijd. Alle broedende vogels zijn beschermd totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet ondenkbaar dat vogels als merel, roodborst, heggenmus, winterkoning e.d. in de bosjes op het perceel broeden. Voor aanvang van de werkzaamheden het terrein onderzoeken op aanwezigheid van de egel. Advies is de dichte bosjes en struiken tussen 1 september en 1 november vast te verwijderen. Dat valt buiten de voortplantings- en overwinteringsperiode van de egel. De beste tijd voor start van de uitvoering van de andere werkzaamheden is tussen oktober en februari. 8) Er moet worden voldaan aan het gemeentelijke beleid voor natuurinclusief bouwen. Daartoe zijn natuurpunten nodig (gebouw, verblijf, omgeving en infrastructuur). In Tabel 1 is een aantal mogelijke en ter plaatse relevante opties weergegeven. Advies hieruit een keuze te maken en de te treffen maatregelen verwerken in een inrichtingsplan.
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
16
Versie: 6 november 2023
9 Literatuur
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van & F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van natuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.
Ministerie van BiZa, juli 2019, Factsheet woningbouwplannen, stikstof en Natura-2000 gebieden Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000 www.gegevensautoriteitnatuur.nl www.infomil.nl www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl www.RAVON.nl www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeelden van maatregelen Aeriusberekening
FF Jan vd Heydenstraat ongen Koortwijkerbroek Nov.23-v3
17
Versie: 6 november 2023
Bijlage 1 Overzicht situatie
Bestaande situatie
Bijlage 2: Foto’s
Parkeerterreintje Jan vd Heydenweg (loods ligt achter de bosjes)
Golfplaten afgedicht
Deur westgevel
Zolder loods oostzijde
Te slopen opslagloods vanuit de tuin van Essenerweg 13
Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving
Samenvatting Wet Natuurbescherming Versie November 2022
Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.
Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wetten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Natuurvisie op.
Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvullende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t. in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.
Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provincie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daarnaast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken’. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.
Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden ingediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omgevingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omgevingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.
Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele ontheffing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevingsvergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af.
Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)
Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvisie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming onderscheidt de Wet natuurbescherming drie beschermingsniveaus, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Dat komt terug in de definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk’ toegevoegd. Het opzettelijk doden of vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situatie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is.
Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbescherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algemene zorgplicht. De provincies kunnen een vrijstellingsverordening opstellen, voor soorten waarvoor geen ontheffingsplicht geldt. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau, is minder bescherming nodig. Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en strafrechtelijke verboden.
Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaardelijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bijzondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsregeling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verboden genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10. Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar.
3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aantoonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode. De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: Bestendig gebruik, beheer en onderhoud Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorgvuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedragscode conform de Wnb is goedgekeurd.
Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of beschadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alternatieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de mogelijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan. In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Een lijst met jaarrond beschermde nesten is niet in de Wet natuurbescherming zelf opgenomen, maar is wel door elke provincie vastgesteld. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken.
Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om nader en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).
Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).
Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebieden behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale landschappen. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 161 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in principe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag. De vergunningaanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente.
Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen’. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling’.
Het positieve effect van maatregelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag. In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en compensatie).
De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effecten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADC-criteria: -
Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.
Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de IHD gevoelig is. Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stikstof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodiversiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam.