CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Hunnenweg VII_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 21 april 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Hunnenweg VII (in Voorthuizen)22.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor de periode 2017 t/m 2020 is een programma van ruim 2.300 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, gen betekent dit zo'n 435 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, goedkope koopwoningen (prijsgrens € 200.000 in 2020) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 991,- in 2020).

30

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII

In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (10 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (10 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en goedkope koopwoningen ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 50.000, voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang (in 2018 is dit € 41.056). Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking in plangebied De realisatie van een natuurwoning met toepassing van een maatwerkconstructie past binnen het woningbouwprogramma. Er zijn geen belemmeringen. 4.6.3

Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'

Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van de totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.6.4

Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden.

Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst). Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 juli 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. De natuurwoning aan de bosrand met zicht op de heide wordt zeer goed geïsoleerd. Deze woning zal ecologisch en zelfvoorzienend worden. Er is van aansluiting op een gasnet geen sprake. Het liefst wil initiatiefnemer qua zelfvoorzienend helemaal los van elk grid. Er wordt gebruik gemaakt van waterstof (voor stroom en warmte). Het idee is om met een op waterstof rijdende omgebouwde auto op die locatie te gaan tanken bij een speciaal tankstation hiervoor. Er wordt dan getankt voor stroom en warmte (voor het huis). Zonnepanelen kunnen door het gebruik van waterstof grotendeels worden voorkomen om de natuurlijke uitstraling van de natuurwoning op de heide te waarborgen. Verder zal er elektrisch gekookt gaan worden. Uitgangspunt is natuurlijke ventilatie. In de winter zorgt dit "Hunnenweg VII" (vastgesteld)

31

Hunnenweg VII voor energieverlies en dan is het de bedoeling om 'warmte terugwinning' toe te passen. Afzuiging via de natte ruimtes, waar dan de warmte wordt gewisseld met de toevoerlucht van buiten. Voor de andere natuurwoning is nog geen bouwplan. Wel is al duidelijk dat ook dit een woning zal zijn waarbij zelfvoorzienendheid hoog in het vaandel staat. Over het gebruik van warmtepompen en zonnepanelen is over die natuurwoning (aan de Hunnenweg 65 zelf) niets nu al aan te geven. Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Zoals al is aangegeven wordt de natuurwoning op de heide zeer goed geïsoleerd. De verwarming wordt voorzien door een combinatie van warmtepomp (lucht), zonnecollectoren en eventueel een leemkachel.

Koeling is in principe niet nodig, op de heetste dagen kan echter wel de warmtepomp hiervoor worden gebruikt. Zonnepanelen Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. Waterstof is één van de mogelijkheden waardoor zonnepanelen voorkomen kunnen worden om daarmee de natuurlijke uitstraling van de natuurwoning op de heide te waarborgen. In dit plan is een mogelijkheid voor zonnepanelen meegenomen en kan deze, geïntegreerd in het ontwerp, worden meegenomen in de bouw. Initiatiefnemer gaat voor de meest duurzame en passende energieopwekking. Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden. De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen - gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen. Water zal bij de natuurwoning op de heide uit eigen bron afkomstig zijn. Voor het doorspoelen van toiletten en wassen wordt opgevangen regenwater gebruikt. Er zal warmteterugwinning uit het douchewater worden toegepast. Waterzuivering zal door middel van een helofytenfilter gebeuren.

Er worden alleen milieuvriendelijke schoonmaakmiddelen en zeep ed. gebruikt. Het schone water dat uit de filters komt, wordt gebruikt om de vennen (bij) te vullen. Deze zijn vervolgens weer drinkplaatsen voor het wild. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid 32

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen en/of het gebruik van waterstof / natuurlijke ventilatie kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. Doorwerking in plangebied Er is sprake van een zelfvoorzienende natuurwoning. Duurzaamheid staat hoog in het vaandel bij dit initiatief. 4.6.5

Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities

Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d. mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid.

Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het voorliggende bestemmingsplan is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

33

Hunnenweg VII

Hoofdstuk 5

RANDVOORWAARDEN

5.1

Bodem

5.1.1

Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (BKK) en het bodembeheerplan (BBP). Met dit instrumentarium is de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid bepaald en voor zover blijkens historisch onderzoek is er geen sprake van verdachte locaties. Op basis daarvan zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik. Indien door welke omstandigheden dan ook toch bodemverontreiniging wordt geconstateerd, dan kan de gemeente op geen enkele wijze voor de gevolgen daarvan aansprakelijk worden gesteld. In het kader van de behandeling van een omgevingsvergunning wordt bepaald of er nog een bodemonderzoek nodig is. Ter plaatse van de huidige woning aan de Hunnenweg 65 bevindt zich een ondergrondse afgevulde dieselolietank (3.000 l). Bij de behandeling van een aanvraag omgevingsvergunning zal bepaald worden of een bodemonderzoek noodzakelijk is (voor die locatie van de huidige woning).

Zoals dat er nu uitziet zal dat het geval zijn als er voor die locatie een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. Ter plaatse van Hunnenweg 45 zijn geen verdachte bodemactiviteiten. In de directe nabijheid heeft in 2002 wel een bodemonderzoek plaatsgevonden. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters zijn gemeten. In het grondwater is een matig verhoogde concentratie aan zink aangetoond. Voor de sloop van de recreatiewoning 45 dient net als voor de woning Hunnenweg 65 een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd. Conclusie Voor de uitvoering van het bestemmingsplan vormt bodem geen belemmering. 5.1.2

Niet gesprongen explosieven

Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart is het plangebied niet als risicogebied aangegeven. Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. In het bestemmingsplan komen uiteenlopende dubbelbestemmingen voor om ruimtelijke kwaliteiten te 34

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII borgen. 5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologie lage, middelhoge en hoge verwachting én zichtbare terreinen

Er moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor het maken van een weloverwogen belangenafweging is minimaal een archeologisch bureauonderzoek nodig. Voor de gehele gemeente is een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, welke gezien kan worden als een beknopt bureauonderzoek. Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingskaart' van de gemeente blijkt dat binnen het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor de zone met een hoge verwachting nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Binnen het plangebied is sprake van het rooien van bomen, omvormen van agrarische percelen naar heide en de bouw van een tweetal woningen deels op de plaats van te slopen opstallen. Binnen het plangebied ligt een rijksmonument waarin enkele grafheuvels zijn gelegen uit de periode Laat Neolithicum tot Vroege IJzertijd (2500 - 1000 v. Chr.). Ook in de omgeving komen diverse grafheuvels voor uit de genoemde perioden. Waar de bijhorende nederzettingen lagen is nog niet bekend, maar deze kunnen zowel op de dekzandruggen/welvingen alsook in de dekzandvlakte of het terras worden gezocht.

Er is door Transect in februari 2018 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (dit rapport is als Bijlage 5 toegevoegd bij de toelichting van dit bestemmingsplan). Uit dat vooronderzoek blijkt dat beide deelgebieden een lage verwachting hebben voor de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum - Nieuwe tijd. Dit is gebaseerd op de slechts beperkte mate van intactheid van de ondergrond van Deelgebied Natuurontwikkeling enerzijds, en het ontbreken van archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in Deelgebied Natuurwoning anderzijds. De deelgebieden hebben een lage archeologische verwachting. Op grond hiervan zijn ten aanzien van het afplaggen van de bouwvoor in deelgebied Natuurontwikkeling en de aanleg van de Natuurwoning geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. De rest van het plangebied behoudt de hoge verwachting voor archeologische resten, naast de als Rijksmonument aangewezen grafheuvels aan de noordrand van het plangebied. De regioarcheoloog heeft het rapport akkoord bevonden.

Indien bij eventuele werkzaamheden vondsten (aardewerk, vuursteen, metaal, oude funderingen, opvallende donkere verkleuringen in het gele zand etc.) worden gedaan waarvan men redelijkerwijs mag vermoeden dat deze van archeologische betekenis zijn, dient hiervan onmiddellijk melding te worden gemaakt (art. 5.10 Erfgoedwet). 5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. Historische stedenbouwkundige waarden vormen dan ook geen belemmering voor dit plan. 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge bossen op voormalige droge heide met een lage waardering. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

35

Hunnenweg VII

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook kunnen er door de minister bijzondere nationale natuurgebieden worden aangewezen. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt voor een groot gedeelte binnen het Natura 2000-gebied Veluwe. Het gebied is aangewezen als een Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijngebied. Zo ligt het bouwvlak van de natuurwoning aan de bosrand met zicht op de heide binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied De Veluwe. De nog te bouwen woning (aan de Hunnenweg zelf) ligt buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Onderzoeksbureau Eelerwoude heeft een uitgebreid natuuronderzoek uitgevoerd.

Een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid is immers noodzakelijk. Door de toetsing is duidelijk hoe de ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. De bevindingen van het bureauonderzoek én het veldonderzoek zijn in de rapportage "Toetsing natuurwetgeving, De nieuwe Veluwe" d.d. 7-1-2019 neergelegd. Op basis van dat rapport (incl. bijlagen) zijn uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen plannen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Het rapport "Toetsing natuurwetgeving, De nieuwe Veluwe" is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. Bijlage 1 van dat rapport (de soortenkaart) is als Bijlage 3 opgenomen bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Het errata d.d. 2 oktober 2019 is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Binnen het plangebied (Hunnenweg) komt alleen het habitattype Droge Heide (H4030) voor (noordzijde). Op een wat grotere afstand komt het habitattype beuken-eikenbossen met hulst (H9120) voor. Er vinden in het habitattype Droge heide geen maatregelen plaats. Eventuele werkzaamheden die plaatsvinden, zoals het handmatig verwijderen van opslag van bomen, komt dit habitattype juist ten goede.

In het rapport zelf wordt nog gesteld dat negatieve effecten tijdens de aanlegfase niet geheel zijn uitgesloten en wordt verwezen naar hoofdstuk 6.4.4 van de natuurtoets (bijlage 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Doordat in het errata hoofdstuk 6.4.4 uit de natuurtoets is vervangen, kan hier nu gesteld worden dat stikstofdepositie voorkomen wordt. Immers in het errata wordt aangegeven dat tijdens het afgraven van de landbouwgrond het volledige materieel elektrisch is. Hiertoe wordt een tijdelijk krachtstroompunt gerealiseerd op het werkterrein. Hierdoor treedt er geen uitstoot van stikstof op. Verder is aangegeven welke graafmachine wordt gebruikt en ook welk type kraan wordt ingezet. Nu daarmee stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving wordt voorkomen is er geen stikstofberekening nodig. Qua habitatsoort wordt in het rapport geconcludeerd dat in en direct rond het plangebied alleen vliegend hert kan voorkomen. In paragraaf 6.4.1 van het rapport "Toetsing natuurwetgeving, De nieuwe Veluwe" is onder meer aangegeven dat in de nabije omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn (NDFF). Recente waarnemingen rond het plangebied ontbreken. Ook tijdens het nadere onderzoek is 36

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII vliegend hert niet waargenomen in het plangebied. Verder worden er geen bomen in eventueel geschikt leefgebied gekapt (oudere beukenperceel). Van oppervlakteverlies is geen sprake. Negatieve effecten op het vliegend hert worden uitgesloten. In het rapport wordt eveneens nader ingegaan op de wespendief en zwarte specht. Dit zijn soorten die algemener zijn dan de draaihals. Mogelijk wordt het plangebied sporadisch gebruikt als leefgebied door zwarte specht (bijvoorbeeld de winterperiode). Onder meer is in het rapport aangegeven dat de voorgenomen werkzaamheden niet leiden tot versnippering van het leefgebied van de zwarte specht en de wespendief. In het rapport wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Veluwe worden verwacht. Het pakket aan maatregelen in het totale projectgebied zorgt tot grote verbetering van de natuurwaarden en kan een bijdrage leveren aan de instandhoudingsdoelstellingen. In het kader van de aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming is dit voorgaande beoordeeld door de provincie. Voor de locatie is op 31 juli 2020 door Gedeputeerde Staten een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend voor de ontwikkeling (zie Bijlage 8 van de toelichting voor de verleende vergunning).

In de vergunning is aangegeven dat uit de beoordeling van de effecten in de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Dit heeft tot gevolg dat er geen passende beoordeling nodig is en een plan-m.e.r.-plicht is eveneens niet aan de orde. De vergunning correspondeert met de huidige voorgenomen ontwikkeling. Er is derhalve geen plan-m.e.r.-plicht aan de orde. Voor de inrichting van het terrein is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om daarmee de inrichting van het terrein te bewerkingstelligen. Er is ook ter meerdere zekerheid een verklaring met waarborgsom gesloten met de initiatiefnemer om het terrein zo in te richting conform het inrichtingsplan (Bijlagen 2, 3 en 4 van de regels van het bestemmingsplan). 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets uitgevoerd. Zo is er een bureauonderzoek en een gericht veldonderzoek uitgevoerd naar reptielen, das, boommarter, vleermuizen, vliegend hert, zwarte specht, wespendief en wild zwijn. In de rapportage van Eelerwoude ("Toetsing natuurwetgeving, De nieuwe Veluwe, d.d. 7-1-2019, inclusief de soortenkaart (Bijlage 1 bij dat rapport) en een errata d.d. 2 oktober 2019 als bijlagen 2, 3 en 4 bij deze toelichting gevoegd) wordt aangegeven dat er een groot aantal beschermde soorten voorkomt (steenmarter, eekhoorn, das, boommarter, edelhert, wild zwijn, hazelworm, zandhagedis, vleermuizen en broedvogels (met jaarrond beschermde nesten)). Mits gewerkt wordt volgens een aantal voorwaarden worden hier geen negatieve effecten op verwacht. De voorgenomen maatregelen zijn juist overwegend positief voor deze soorten.

Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. Er is tijdens het vleermuisonderzoek een verblijfplaats van laatvlieger en gewone dwergvleermuis vastgesteld in de te slopen woning (bestaande woning Hunnenweg 65). Met de sloop van de woning verdwijnt een vaste rust en verblijfplaats. Hiervoor moet een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming, aangevraagd worden. Voor andere soorten hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden.

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

37

Hunnenweg VII

Op 26 november 2019 heeft initiatiefnemer een aanvraag om ontheffing aangevraagd. Op basis van het uitgevoerde natuuronderzoek, de bijlage bij dat onderzoek en het erratum d.d. 2 oktober 2019 staat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Op voorhand kunnen we niet in redelijkheid inzien dat de Wet natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Gedeputeerde Staten hebben 31 juli 2020 een ontheffing Wet natuurbescherming verleend voor deze ontwikkeling (zie Bijlage 9 van de toelichting voor de verleende vergunning). Deze ontheffing is inmiddels onherroepelijk. Hierdoor zijn er vanuit soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming geen beletselen die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Er is ontheffing verleend voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger, twee vleermuissoorten van een tweetal verbodsbepalingen (opzettelijk verstoren én het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Er zijn soortspecifieke voorschriften opgenomen. Zo mogen de sloopwerkzaamheden aan de boerderij plas plaatsvinden minimaal 6 maanden nadat de voorzieningen voor vleermuizen in natuurwoning 1 (woning aan de bosrand met zicht op de heide) gereed zijn.

Hiermee wordt rekening gehouden met een minimale gewenningstermijn van 6 maanden (in de actieve periode van vleermuizen, van april-november) waarin vleermuizen kunnen wennen aan de aangebrachte voorzieningen. Ook is aangegeven dat de sloopwerkzaamheden niet worden uitgevoerd in de overwinteringsperiode (mogelijk is de te slopen boerderij potentieel geschikt voor overwinterende vleermuizen). In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting (artikel 12.1.3) opgenomen omtrent de sloop van de bestaande woning aan de Hunnenweg 65. Er is verwezen naar de verleende ontheffing. Hiermee is in de regels van het plan geborgd dat sloop niet mag plaatsvinden voordat aan de specifieke voorschriften die gelden bij de ontheffing is voldaan. Daarnaast geldt via het spoor van de natuurregelgeving de ontheffing zelf voor de ontwikkelaar. Op basis van de verleende ontheffing door Gedeputeerde Staten, het uitgevoerde natuuronderzoek, het opgestelde activiteitenplan en de maatregelen/voorschriften staat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode.

Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Op 2 mei 2019 heeft initiatiefnemer een ontheffing aangevraagd voor de herplantplicht voor de locatie gelegen tussen de Traa en de Hunnenweg te Voorthuizen nabij De Pauwenhof. Deze ontheffingsaanvraag vloeide voort uit een handhavingsactie omdat een houtopstand (van de boomsoort Amerikaanse eik) was geveld en gerooid zonder voorafgaande kennisgeving. Het vellen en rooien heeft in de winter van 2015/2016 plaatsgevonden. Volgens de Wet natuurbescherming moeten de gevelde houtopstanden binnen drie jaar worden herplant op dezelfde locatie, tenzij voor de herplantplicht een ontheffing bij de provincie wordt aangevraagd.

38

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII

De initiatiefnemer heeft een ontheffing van de herplantplicht aangevraagd. Deze ontheffing is op 1 oktober 2019 verleend door Gedupeerde Staten. Zo draagt de omvorming naar heide bij aan herstel van cultuurhistorie en draagt het bij aan de ontwikkeling van de natuurwaarden. Wel dient de heide die ontstaat na de kap van houtopstanden en verarming van de bovengrond, op de juiste wijze te worden onderhouden, om ervoor te zorgen dat de heide op den duur niet wordt overwoekerd door gras, bomen en struiken. Het besluit is als Bijlage 7 bij de toelichting toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt in het GNN en de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavige plan.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied "Hunnenweg VII" (vastgesteld)

39

Hunnenweg VII weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven, waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt of waar zich installaties bevinden waaraan risico's zijn verbonden waardoor effecten van ongevallen buiten het terrein van de inrichting merkbaar zijn. In de omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen plaats. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Een nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Er bevinden zich in de omgeving echter geen gezoneerde wegen. Gelet op het wegverkeerslawaai wordt voldaan aan de vigerende wet- en regelgeving indien het onderhavige plan wordt gerealiseerd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt.

40

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII

Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen en dat zorgt daarom niet voor eventuele belemmeringen qua agrarische geurhinder. In het omliggende gebied zijn weinig agrarische bedrijven en de aanwezige veehouderijen worden eerder belemmerd door reeds bestaande geurgevoelige objecten. Gezien de locatie is agrarische geurhinder geen probleem. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van dit plan valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Er vindt onder meer natuurherstel plaats en als tegenprestatie komt er een woning bij. Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen vormt derhalve geen belemmering.

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

41

Hunnenweg VII

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld.

In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. 42

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII

Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het plan niet m.e.r.-plichtig want de activiteiten komen niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Er is daardoor geen sprake van een (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht. Ook blijkt uit de uitgevoerde onderzoeken dat de milieugevolgen zo gering zijn dat er ook geen sprake is van belangrijke milieugevolgen als bedoeld in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspecten van belang: - een recreatiebedrijf aan de Zevenbergjesweg 8; - een horecabedrijf (waar ook conferentie, evenementen en een activiteitencentrum is toegestaan) aan de Traa 1/3/5/9. Ook zit er aan de Hunnenweg 50, 52, 52a, 54 en 54Aa een niet-agrarisch bedrijf, te weten een aannemersbedrijf waar ook buitenopslag is toegestaan. Al deze bedrijven liggen op een ruime afstand ten opzichte van de nieuw te realiseren natuurwoning (aan de bosrand met zicht op de heide). Op de plek van de bestaande woning zal een nieuwe woning planologisch mogelijk worden. De vergunde rechten van deze bedrijven worden niet beperkt door onderhavige plan. Ook de toe te voegen woonfunctie (op de heide) wordt niet belemmerd door de aanwezigheid van die bedrijven. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig.

In het "Hunnenweg VII" (vastgesteld)

43

Hunnenweg VII Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Nu Liander op 14 november 2019 heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben (en daarmee geen belangen in het gebied te hebben), behoeven er daarom in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Het plan voorziet in het realiseren van een landgoed met een totale oppervlakte van 46,7 hectare, waarmee verschillende ontwikkelingen samenhangen als sanering op de percelen Hunnenweg 45 en 65, realisering van een zelfvoorzienende natuurwoning aan de rand van van bos/heide en op termijn een natuurwoning op de saneringslocatie Hunnenweg 65. Daarnaast vinden er ontwikkelingen plaats met als doel het behouden en versterken van de bestaande natuur door het verwijderen van hekken en de asfaltweg, de natuurinrichting zoveel mogelijk te laten aansluiten op de ecologische verbindingszone en het creëren van betere overgangen tussen bos en heide. De te verwijderen asfaltweg wordt vanaf de Hunnenweg tot aan de afslag naar de natuurwoning aan de bosrand voorzien van halfverharding, achterhoeks-padvast. Door de gele kleurzetting doet het overkomen alsof het zandpad is. Het ontwikkelen van nieuwe natuur vindt plaats door het omvormen van 3,6 hectare agrarische landbouwgrond naar natuur, het saneren van het perceel Hunnenweg 45 en het realiseren daarop van natuur (doel: Overgang bos naar akker) en het saneren van het perceel Hunnenweg 65 en het daarop realiseren van een beschut erf met een natuurwoning met goede overgangen naar bos en heide.

In verband met de ontwikkelingen en (mogelijke) effecten ervan op het gebied, heeft er een uitgebreid natuuronderzoek plaatsgevonden en zijn er veldbezoeken gedaan. De conclusie daaruit is dat er geen significante negatieve effecten zijn. De verwachting is dat de voorgenomen werken leiden tot positieve ontwikkelingen in het plangebied: een vergroting van natuurareaal (uitbreiding GNN met 3,4 ha), kwaliteit, variatie en samenhang van het gebied. Het inrichtingsplan (Bijlage 2 Inrichtingsplan, Bijlage 3 Definitief schetsontwerp en Bijlage 4 Errata bij inrichtingsplan bij de regels) is door de adviseur landschap van de gemeente akkoord bevonden. Om de aanleg en de instandhouding van de terreininrichting zeker te stellen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ook is er ter meerdere zekerheid een verklaring ondertekend (met een waarborgsom).

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Situatie 44

"Hunnenweg VII" (vastgesteld)

Hunnenweg VII Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Voor een adequate brandbestrijding dient de brandweer tijdig over voldoende bluswater te kunnen beschikken. Hiervoor zijn voorwaarden gesteld. Voor de woning aan de rand van de heide is het realiseren van een bluswatervoorziening niet eenvoudig. Gezien de omvang van de woning (één brandcompartiment) in relatie tot de omgeving is het niet realistisch om een bluswatervoorziening aan te leggen. Daarnaast is de opkomsttijd dusdanig hoog dat een eventuele brand al dusdanig ontwikkeld kan zijn dat extra bluswater naast de tankinhoud van een brandweerwagen geen toegevoegde waarde meer heeft om schade te beperken. Vanuit de Brandweer Gelderland-Midden behoeven er verder geen eisen op het perceel wat betreft de bluswatervoorziening gesteld te worden. Conclusie Er zijn door de Brandweer daarom verder geen eisen op het perceel gesteld. Het aspect veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

De nieuwe natuurwoning (op heide) is bereikbaar vanaf een eigen ontsluiting. De asfaltweg die in het verleden gebruikt werd (en die midden over het terrein ligt) wordt verwijderd (gelegen ten westen van de bestaande woning Hunnenweg 65). De toegangsweg naar de natuurwoning zal deels via die voormalige asfaltweg gaan lopen. De asfaltweg wordt vanaf de Hunnenweg tot aan de afslag naar de natuurwoning aan de bosrand voorzien van halfverharding, achterhoeks-padvast. De nieuwe woning aan de Hunnenweg 65 (als de bestaande woning gesloopt wordt) heeft ook een eigen uitrit. Beide woningen blijven daarmee dus bereikbaar via twee bestaande uitwegen. Parkeren kan bij beide woningen op eigen terrein. Conclusie Vanuit het aspect verkeer zijn er geen belemmeringen.

5.15

Water

Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 waterschap Vallei en Veluwe In dit programma heeft waterschap Vallei en Veluwe haar huidige koers en ambities voor de toekomst vastgelegd.

Het waterbeheerprogramma bestaat uit 3 deelprogramma's: Waterveiligheid richt zich op het voldoende beschermen van het gebied tegen overstromingen; Watersysteem: onderverdeeld in landelijke, stedelijke en KRW systemen, waarbij gericht wordt gestuurd op de juiste hoeveelheid water, de juiste kwaliteit van het water en (in het stedelijk watersysteem) het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen; Waterketen: dit programma richt zich op goede oppervlaktewaterkwaliteit, het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en de hoogst haalbare waarde uit het water halen. Ondanks de losse programma's voor het watersysteem en de waterketen worden deze wel heel nadrukkelijk als één systeem behandeld, en komen de ambities binnen deze programma's dus ook voor een groot deel overeen. In de programma's spelen het anticiperen van en reageren op klimaatontwikkelingen en het terugwinnen van grondstoffen een belangrijke rol. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 "Hunnenweg VII" (vastgesteld)

45

Hunnenweg VII Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie De planlocatie, Hunnenweg 65 en Hunnenweg 45 te Voorthuizen en omliggend gebied, is in de huidige situatie landbouwgrond. Totaal heeft het plangebied een omvang van 46,7 ha. Er is een woning te Hunnenweg 65 en er is een recreatiewoning (70 m2) te Hunnenweg 45. Beide woningen zijn aangesloten op drukriolering. Er zijn geen watergangen op of langs het plangebied. Hemelwater kan infiltreren waar het valt. Ter hoogte van Hunnenweg 45 is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) 80-140 cm onder maaiveld. Ter hoogte van Hunnenweg 65 is de GHG >140 cm onder maaiveld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6139a2be-f48f-4dc3-89ae-3afcf2fb8acb