CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Hunnenweg VII_Toelichting_Bijlage 2 Ecologisch onderzoek.pdf

Gemeenteraad 21 april 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Hunnenweg VII (in Voorthuizen)15.572 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Veluwe

Gebiedsnummer

57

Natura 2000 Landschap

Hogere zandgronden

Status

Vogelrichtlijn + Habitatrichtlijn

Site code

NL3009017 (VR) + NL9801023 (HR)

Beheerder

Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Geldersch Landschap, Defensie, Domeinen, Rijkswaterstaat, particulieren Gelderland

Provincie Gemeente

Apeldoorn, Arnhem, Barneveld, Brummen, Ede, Elburg, Epe, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde,

De nieuwe Veluwe

31

Oppervlakte

Nunspeet, Oldebroek, Putten, Renkum, Rheden, Rozendaal, Wageningen 88436

Algemene instandhoudingsdoelen Voor Natura 2000-gebieden is een aantal algemene instandhoudingsdoelen geformuleerd:  Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie.  Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk, zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie.  Behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitattypen en soorten.  Behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd.  Behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd.

6.2

Instandhoudingsdoelen Veluwe

De kernopgaven bestaan uit:  Verbetering waterkwaliteit en morfodynamiek, inclusief toestroom van grondwater, t.b.v. beken en riviertjes met waterplanten (waterranonkels) H3260_A en soorten als drijvende waterweegbree H1831.  Kwaliteitsverbetering van zure vennen H3160.  Kwaliteitsverbetering van actieve hoogvenen (heideveentjes) *H7110_B in heideterreinen en bossen.  Vergroting areaal stuifzandheiden met struikhei H2310, binnenlandse kraaiheibegroeiingen H2320, droge heiden H4030 en zandverstuivingen H2330 én verbeteren van de kwaliteit door vergroting van de variatie in structuur en ontwikkeling van geleidelijke overgangen met bos, mede t.b.v. vogelsoorten als duinpieper A255, korhoen A107, nachtzwaluw A224, draaihals A233 en tapuit A277.  Verbinden heide- en stuifzandencomplexen met oog op fauna.  Vergroting areaal gevarieerde zandverstuivingen H2330 met overgangen naar droge heiden en open bossen: Veluwe (57), Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (131), Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27). Mede als leefgebied van de draaihals A233, tapuit A277, duinpieper A255 en nachtzwaluw A224.  Behoud areaal oude eikenbossen (H9190, m.n. strubbebossen) en verbeteren kwaliteit, ook als habitat voor vliegend hert H1083.

32

Toetsing natuurwetgeving

Afbeelding 6. Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende

habitattypen.

(www.synbiosys.alterra.nl).

De nieuwe Veluwe

33

Afbeelding 7. Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitatsoorten.

Afbeelding 8. Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende broedvogelsoorten.

34

Toetsing natuurwetgeving

Afbeelding 9. Legenda behorende bij de overzichten van de kwalificerende habitattypen en habitatsoorten.

De nieuwe Veluwe

35

6.3

Habitats en habitatsoorten

6.3.1 Habitattypen Het gebied de Veluwe is begrensd voor 18 habitattypen, waarbij alleen het habitattype Droge heide (H4030) binnen het plangebied voorkomt (noordzijde). Op een wat grotere afstand van het plangebied komt het habitattype beuken-eikenbossen met hulst (H9120) voor (0,5 kilometer). H4030 – Droge heiden Landelijke staat van instandhouding: zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Voorkomen: De Veluwe is van grote betekenis voor het behoud van Droge heiden aangezien diverse grote aaneengesloten heideterreinen op de Veluwe liggen. Het betreft 10.304,3 ha, dit is circa 43% van het totale Nederlandse areaal. Beschrijving: Droge heiden worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. 6.3.2 Habitatsoorten De Veluwe is begrensd voor een zevental habitatsoorten; gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, beekprik, rivierdonderpad, kamsalamander, meervleermuis en drijvende waterweegbree (zie afbeelding 8). Het gaat, met uitzondering van vliegend hert, om aan watergebonden soorten. Aanwezigheid van deze soorten, met uitzondering van vliegend hert, is in de directe omgeving en daarmee binnen de directe invloedssfeer van het plangebied zeer onwaarschijnlijk, omdat geschikte leefgebieden (waterelementen) ontbreken.

Samengevat wordt geconcludeerd dat in en direct rond het plangebied alleen vliegend hert voor kan komen. 6.3.3 Broedvogels Met betrekking tot broedvogels is een tiental broedvogelsoorten aangewezen: wespendief, zwarte specht, nachtzwaluw, tapuit, duinpieper, roodborsttapuit, grauwe klauwier, boomleeuwerik, ijsvogel en draaihals. Hiervan zijn de tapuit, duinpieper, nachtzwaluw, roodborsttapuit, grauwe klauwier en boomleeuwerik gebonden aan (open) heideterreinen of stuifzandgebieden, of de overgang van bos naar open terrein (grauwe klauwier). Deze soorten zijn bekend van de grotere heidevelden aan de noord-, oost- en zuidkant van het plangebied. De ijsvogel is gebonden aan water. Deze soorten worden dan ook niet in het plangebied of de nabije omgeving verwacht. Tijdens het nader onderzoek zijn deze soorten ook niet in het plangebied aangetroffen. De zwarte specht, wespendief en draaihals zijn bossoorten die met name in oudere (gemengde) bosopstanden voorkomen. Voor deze soorten is geschikt biotoop aanwezig in het plangebied. Ook zijn deze soorten bekend van het plangebied of de directe omgeving. Tijdens het nadere onderzoek zijn deze soorten echter niet in het plangebied aangetroffen, zwarte specht heeft echter wel een territorium ten noorden van het plangebied maar maakt geen gebruik van het plangebied als leefgebied.

36

Toetsing natuurwetgeving

Kader – Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om uitstoot van ammoniak uit de veehouderij of emissies van wegverkeer.

De nieuwe Veluwe

37

Afbeelding 10. Effectenindicator; (www.synbiosys.alterra.nl).

38

Toetsing natuurwetgeving

overzicht

van

mogelijke

effecten

op beschermde

natuurwaarden

A072 – Wespendief Staat van instandhouding: gunstig Instandhoudingsdoelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren. Voorkomen: Natura 2000-gebied Veluwe is van grote betekenis voor het behoud van de Wespendief in Nederland. De Veluwe huisvest een kwart van de Nederlandse populatie. Een deel van de vogels foerageert echter ook buiten de Veluwe. Kenmerken leefgebied: De Wespendief (Pernis apivorus) broedt in bos, variërend van uitgestrekt gesloten bos tot bosfragmenten in halfopen landschap. De ‘binding’ aan bos op de hogere zandgronden in Nederland hangt mede samen met het ontbreken van voldoende areaal geschikt rivierbegeleidend bos. De nestplaatskeus hangt deels samen met de keus van andere roofvogelsoorten, waarvan soms oude nesten worden gebruikt maar die ook worden gemeden en (in het geval van Buizerd en Havik) al jongen hebben op het moment dat de Wespendief zich vestigt. Wespen vormen het hoofd voedsel van deze soort. Omdat de wespennesten worden uitgegraven, is de soort afhankelijk van redelijk zachte bodems. Het menu omvat behalve wespen ook o.a. amfibieën, reptielen, sprinkhanen en (jonge) kleine vogels. De wespendief zoekt zijn voedsel in de regel op afstanden van 1-3 km en maximaal op 7 km van het nest.

In jaren met een zeer beperkt voedselaanbod kan een aanzienlijk deel van de populatie (de helft is normaal) niet aan broeden toekomen. (Bron van voedseldeel: profielendocument) Verstoringsgevoeligheid: In Afrika en meer nog het Middellandse-Zeegebied (Malta) leidt jacht (ongeacht wetgeving) tot substantiële sterfte. Bij een langlevende soort met geringe reproductiecapaciteit, kan dit op populatieniveau van betekenis zijn. Vermoedelijk worden echter de (afnemende!) Scandinavische populaties (waarvan de jonge vogels via Italië naar Tunesië trekken, en onderweg op Malta zwaar belaagd worden), heviger door jacht getroffen dan de Nederlandse (trek overwegend langs Gibraltar). Een ernstiger bedreiging vormt vermoedelijk de snelle verdwijning en aftakeling van tropisch regenwoud, waarmee de overwinteringhabitat (tevens het leefgebied van vogels die nog niet broedrijp zijn) ernstig wordt aangetast. In de broedgebieden leeft de soort teruggetrokken of onopvallend en loopt daardoor weinig kans op verstoring. Wespendieven kunnen succesvol broeden op korte afstand van wandelpaden of nabij drukke verkeerswegen.

Menselijke activiteit leidt er echter wel toe dat beschikbaar voedsel in de vorm van wespennesten niet geëxploiteerd kan worden: Wespendieven moeten in alle rust de raten uit kunnen graven en komen vele malen (2-9) terug bij een wespennest voordat alle oogstbare raten zijn meegenomen naar het nest. In Nederland heeft hij geen last van illegale vervolging of vergiftiging. (Bron: Factsheet) Leefgebiedkaart: Op de leefgebiedkaart (afbeelding 11) is te zien dat in en nabij het plangebied bezet geschikt leefgebied aanwezig is.

De nieuwe Veluwe

39

Afbeelding 11: leefgebiedkaart wespendief Veluwe.

A236 – Zwarte specht Staat van instandhouding: gunstig Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 400 paren. Voorkomen: Natura 2000-gebied Veluwe is van grote betekenis voor het behoud van de Zwarte specht in Nederland. De Veluwe huisvest ongeveer een kwart van de Nederlandse broedpopulatie en heeft de grootste dichtheid van broedparen. Kenmerken leefgebied: De Zwarte specht (Dryocopus martius) is een echte bossoort. De Nederlandse habitat omvat vooral naaldhout (foerageerplekken) met dikke bomen (nestplaats). Het optimale leefgebied bestaat uit aaneengesloten opgaand bos met kleinere onderbrekingen (open plekken, kaalslagen, jonge aanplant) of randen waar de zon op de bodem kan vallen. De soort ontbreekt in de meeste bossen kleiner dan 100 ha, ook wanneer ze ogenschijnlijk geschikt zijn. Fragmentatie van bos is ongunstig; in Nederland is de Zwarte specht veel meer een vogel van grote boswachterijen op de zandgronden dan van bijvoorbeeld landgoederen in halfopen landschap. Afwisseling in bos is gunstig; wellicht is een combinatie van houtteelt met beperkte omlooptijd en oud bos het meest lucratief. Een individu verblijft het hele jaar in hetzelfde gebied en gebruikt daarbij veel

40

Toetsing natuurwetgeving

ruimte (100- 400 ha) en kent in de winter een groter leefgebied dan in de zomer. Op de Veluwe is de dichtheid aan broedparen ongeveer één paar per 200 ha.. De meeste paren gebruiken enkele clusters van holen om in te overnachten en te broeden. Het volume aan dood hout (vooral staand dood hout en stobben) bepaalt mede de omvang van het territorium. Verstoringsgevoeligheid: De zwarte specht heeft een matige tot gemiddelde gevoeligheid voor verstoring (verstoring bij < 100-300 m afstand). De gevoeligheid voor verstoring van het leefgebied is matig groot: de zwarte specht leeft in besloten tot halfopen landschap. Mogelijke effecten van verstoring op de populatie zijn onbekend. De zwarte specht broedt voornamelijk in oude bomen. Omdat veel van onze oude bomen langs lanen en paden staan is de soort wellicht gevoelig voor verstoring door recreanten. Vooral landrecreatie kan de soort verstoren. Leefgebiedkaart: Op de leefgebiedkaart (afbeelding 12) is te zien dat het plangebied geschikt is als leefgebied. Ook in de directe omgeving is geschikt leefgebied aanwezig.

Afbeelding 12: Leefgebiedkaart zwarte specht Veluwe.

De nieuwe Veluwe

41

6.4

Effecten

6.4.1 Habitattypen Binnen het plangebied komt het habitattype droge heide voor. In dit habitattype vinden geen maatregelen plaats. Eventuele werkzaamheden die plaatsvinden, zoals het handmatig verwijderen van opslag van bomen, komt dit habitattype juist ten goede. Daarnaast zal het oppervlak van dit habitattype vergroot worden doordat een deel van de landbouwgrond ten zuiden van het heideveld en van de recreatiewoning omgevormd zal worden naar droge heide. Negatieve effecten tijdens de aanlegfase zijn echter niet geheel uitgesloten. Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie. Tijdens de inrichtingsmaatregelen zal extra uitstoot van machines zijn. Hier wordt in hoofdstuk 6.4.4. verder op ingegaan, middels een AERIUS berekening waarbij de effecten van deze extra stikstofdepositie bepaalt worden. 6.4.2 Habitatsoorten Van de aangewezen habitatsoorten kan het vliegend hert in de nabije omgeving van het plangebied voorkomen. In de nabije omgeving van het plangebied zijn echter geen waarnemingen bekend (NDFF). Met name rond Vierhouten, Leuvenum en de oostkant van de Veluwe (ter hoogte van Apeldoorn) zijn veel waarnemingen bekend van deze soort. Recente waarnemingen rond het plangebied ontbreken. Ook tijdens het nadere onderzoek is vliegend hert niet waargenomen in het plangebied. Daarnaast worden er geen bomen in eventueel geschikt leefgebied gekapt (oudere beukenperceel).

Oppervlakteverlies is niet ter sprake. Negatieve effecten op het vliegend hert worden uitgesloten. 6.4.3 Broedvogels Staat van instandhouding In het Natura 2000-gebied Veluwe geldt voor tien vogelsoorten een doelstelling: deze moeten ‘in een goede staat van instandhouding’ zijn. Drie daarvan: ijsvogel, roodborsttapuit en grauwe klauwier, voldoen daaraan: het gaat goed met de populatie. De andere zeven vragen aandacht: de aantallen schommelen rond het gewenste aantal (wespendief, boomleeuwerik), of liggen daaronder (zwarte specht, nachtzwaluw); de draaihals heeft geen vaste populatie, en de duinpieper is uitgestorven. En sinds dit jaar lijkt de tapuit ook verdwenen (Bron: Nature Today, 07-09-2018). De draaihals is een zeer zeldzame broedvogel op de Veluwe. Uit 2014 zijn 3 territoria van de draaihals bekend uit de ruimere omgeving van het plangebied (NDFF). Het gaat hierbij om locaties op de overgang van bos naar heidevelden. Het dichtstbijzijnde territorium uit 2010 bevindt zich ter hoogte van het heideveld, ten zuiden van het plangebied (op circa 4 kilometer afstand). Gezien het beperkte oppervlak aan heide in het plangebied en recente waarnemingen, is het niet waarschijnlijk dat de draaihals momenteel in het plangebied voorkomt. De soort is tijdens het nadere onderzoek ook niet aangetroffen in het plangebied.

De zwarte specht en de wespendief zijn algemener zijn wel bekend van de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek is duidelijk geworden dat beide soorten geen gebruik maken van het plangebied als leefgebied. Mogelijk wordt het plangebied wel sporadisch gebruikt als leefgebied door zwarte specht (bijvoorbeeld de winterperiode).

42

Toetsing natuurwetgeving

Wat zijn de mogelijke effecten van deze werkzaamheden? 1. Optische verstoring (door activiteit van mensen en machines) 2. Verstoring door trilling (door de aanleg van een constructie in de bodem) 3. Verstoring door licht (verlichting in het donker) 4. Verstoring door geluid (door vervoersmiddelen en werkzaamheden) 5. Verontreiniging (door gebruik van vervuilende stoffen tijdens de aanleg) 6. Verstoring door mechanische effecten (vastrijden van de bodem door inzet van zwaar materieel) 7. Verdroging (door verandering van de afwatering) 8. Verstoring door chemische effecten (verrijking met stikstof door de machines en intensivering van het verkeer) 9. Versnippering (door gewijzigde landschappelijke invulling) 10. Oppervlakteverlies van leefgebied (door gewijzigde landschappelijke invulling) 11. Kwaliteitsverlies van leefgebied (door gewijzigde landschappelijke invulling) 1. 2. 3. 4.

Optische verstoring (door activiteit van mensen en machines) Verstoring door trilling (door de aanleg van een constructie in de bodem) Verstoring door licht (verlichting in het donker) Verstoring door geluid (door vervoersmiddelen en werkzaamheden)

Eventuele verstoring in het broedseizoen kan voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Zo lang de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd zullen er geen negatieve effecten op broedvogels zijn van deze vier type verstoringen. 5. Verontreiniging (door gebruik van vervuilende stoffen tijdens de aanleg) Er wordt niet verwacht dat er vervuilende stoffen in de bodem zullen lekken. Een aannemer/uitvoerder kan er wel extra op worden gewezen hier aandacht voor te hebben en snel te handelen in gevallen dat zich toch (mogelijke) verontreiniging voordoet. Een deel van de genoemde mogelijke effecten kan worden voorkomen. Dit betreft: 6. Verstoring door mechanische effecten (vastrijden van de bodem door inzet van zwaar materieel) 7. Verdroging (door verandering van de afwatering) Mechanische effecten worden voorkomen door zo min mogelijk zwaar materieel het plangebied te laten betreden en door vaste rijroutes aan te houden. 8. Verstoring door chemische effecten (verrijking met stikstof door de machines en intensivering van het verkeer) Zie paragraaf 6.4.4 9. Versnippering 10. Oppervlakteverlies van leefgebied 11. Kwaliteitsverlies van leefgebied

De nieuwe Veluwe

43

De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot versnippering van het leefgebied van de zwarte specht en de wespendief. Het gebied als geheel blijft intact en wordt niet versnipperd. Ook leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot obstakels met het omliggende gebied. Door gewijzigde landschappelijke invulling, door sloop van de zomerwoning en omvorming van agrarisch perceel naar natuur is er juist sprake van ontsnippering. Ook de kwaliteit van het gebied gaat niet achteruit, de voorgenomen werkzaamheden leiden juist tot een kwaliteitsverbetering van het gebied. Ten aanzien van leefgebied vindt er een klein afname van leefgebied van beide soorten plaats. De bouw van de woning zal gerealiseerd worden ter hoogte van het heideveld waar reeds een natuurlijke openplek is. De bomen die hier staan, kunnen hoogstwaarschijnlijk allemaal ingepast worden, waardoor hier geen bomen gekapt hoeven te worden. Het bouwvlak heeft in totaal een oppervlakte van 0,03 ha, dit zal onttrokken worden, maar kan wel als onderdeel van het leefgebied van beide soorten blijven uitmaken. Dit zal niet worden opgenomen in het nieuw te vormen Gnn-gebied. Voorgesteld wordt om dit voor te leggen aan de provincie Gelderland. Naast het verlies van 0,03 hectare leefgebied, zal 3,6 hectare landbouwgrond worden omgezet naar natuur. Dit kan aan het leefgebied van zwarte specht en wespendief worden toegevoegd.

Dus naast een kleine afname van oppervlakte leefgebied, staat een toename van 3,6 hectare op het voormalig landbouwgrond. 6.4.4 Chemische effecten Een gedeelte van het terrein wordt uit agrarisch gebruik genomen. Bemesting en dergelijke van het gebied zal daarom niet meer gebeuren. Dit heeft positieve effecten op het Natura 2000-gebied, omdat de vermesting in het gebied afneemt. Ook interne eutrofiëring (het vrijkomen van in de bodem gebonden fosfaat onder invloed van vernatting) is niet te verwachten. Tijdens het afgraven van de landbouwgrond zal er tijdelijk werkverkeer in het gebied aanwezig zijn. Het afgraven neemt slechts een korte tijd (maximaal 2 weken) in beslag. Er zal ongeveer 8000 m2 grond ontgraven worden met een rupskraan die gemiddeld 30 centimeter grond af zal graven. Hierbij zal ongeveer 2.400 m3 grond vrijkomen, wat bij een verwerking van 40 m3 per uur ongeveer 60 uur in beslag zal nemen. Doorlooptijd wordt dan ook ingeschat op ongeveer 3 weken. De rijafstand is dan ook zeer beperkt. De aanrijroute is gesitueerd vanaf de Hunnenweg waar nu ook al verkeer rijdt. Daarmee komt er geen extra verkeer door het Natura 2000-gebied. De graafmachine die gebruikt gaat worden is een EW65 Wacker Neuson, 36,3 kW, bouwjaar 2017/2018. In de derde week zal een tractor met dumper binnen 3 dagen de grond wegrijden.

Sinds medio 2015 wordt binnen de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) geadviseerd om bij ontwikkelingen in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden (met stikstofgevoelige habitattypen) een toetsing uit te voeren van de hoogte van stikstofemissies. Nieuwe projecten en andere handelingen binnen de sectoren industrie, landbouw en infrastructuur en voor het gebruik van gemotoriseerde voertuigen voor wedstrijden moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag als ze een stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitattype veroorzaken tussen de 0,05 en 1 mol per jaar. Om inzichtelijk te maken of het project leidt tot stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-

44

Toetsing natuurwetgeving

gebieden in de omgeving, is er een berekening uitgevoerd middels het rekenprogramma AERIUS. De berekening is gemaakt voor het omzetten van landbouwgrond naar heide. Voor de berekening is gebruik gemaakt van de volgende parameters: Aanlegfase (2019) Uitvoeringsperiode: 3 weken Mobiele werktuigen:  Dumper, 140 kW, bouwjaar vanaf 2011, 24 draaiuur. Graafmachine 37 kW, bouwjaar vanaf 2015, 60 draaiuur. De aanvoerroute betreft de Hunnenweg. Dit is een bestaande weg grenzend aan het te ontgraven gebied, waardoor de aanrijroute zeer beperkt is. Berekening; bij de invoermodule van het rekenprogramma AERIUS is bij de emissiegegevens bij de sector gekozen voor mobiele werktuigen, en bij de specifieke sector voor bouw en industrie. Vervolgens is een eigen specificatie ingevuld. Bij het type werktuig is gekozen voor een graafmachine 37 kW en dumper van 140 kW. Totaal wordt circa 2.400 m3, verspreid over drie weken. Binnen dit project verzet een kraan gemiddeld 40 m3 netto per uur. Binnen deze 3 draaiweken heeft de graafmachine 60 draaiuren nodig en de dumper 24 draaiuren om de grond te ontgraven en te verwerken.

Tijdens de aanlegwerkzaamheden zal gebruik gemaakt worden van machines. Deze machines stoten onder meer stikstof uit. Onder verwijzing naar de eerdere argumenten verwachten wij dat deze uitstoot zeer beperkt zal zijn. Aangezien op korte afstand het habitattype droge heide ligt dat zeer gevoelig is voor een toename van depositie, is een berekening gemaakt middels het programma AERIUS. De berekening is als bijlage 2 gevoegd bij dit rapport. Uit de berekening is op te maken dat toename van stikstofdepositie minder is dan 0,05 mol/ha/jaar. Dit betekent dat de werkzaamheden niet vergunningplichtig of meldingplichtig zijn. Naast deze werkzaamheden zal de bestaande woning, recreatiewoning en een deel van de asfaltweg gesaneerd worden en zullen twee nieuwe woningen gerealiseerd worden. Hoe deze werkzaamheden uitgevoerd worden is op dit moment nog niet duidelijk waardoor hier nu geen betrouwbare berekening voor gemaakt kan worden. Wel is duidelijk dat dit op een zeer kleinschalige en handmatige manier uitgevoerd wordt waardoor dit weinig verandering op zal leveren ten aanzien van de huidige berekening. In de gebruikersfase zal door de bewoners gebruik gemaakt worden van een elektrische auto (volkswagen E-up) met 1 verkeersbeweging per dag en mogelijk 1 keer bezoek per week.

Uitstoot van dit voertuig is dermate weinig dat dit niet getoetst hoeft te worden (de emissie is verwaarloosbaar laag). Tevens is dit te verwaarlozen aangezien de te verwijderen asfaltweg de afgelopen 25 jaar dagelijks gebruikt is door zo’n 40/50 auto’s en busjes van leveranciers van het conferentie - en vakantieoord "de Pauwenhof”.

De nieuwe Veluwe

45

6.5

Conclusies

Op basis van de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Veluwe worden verwacht. Er wordt een bouwvlak (in totaal een oppervlakte van 0,03 ha), onttrokken aan het leefgebied van zwarte specht en wespendief, dit dient te worden voorgelegd aan provincie Gelderland. Daartegenover staat een toename van 3,6 hectare als geschikt leefgebied voor de zwarte specht en wespendief door omvorming van landbouwgrond naar natuur.

46

Toetsing natuurwetgeving

7 7 BESCHERMDE GEBIEDEN – NNN 7.1

Inleiding

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee tenzij’- afweging met positief gevolg doorloopt, kan de ingreep plaatsvinden, mits eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en restschade wordt gecompenseerd. De regels voor het doorlopen van de ‘nee tenzij’- afweging zijn verwoord in de ‘Spelregels EHS’, uitgegeven door de ministeries van LNV en VROM in 2007 en in de provinciale ruimtelijke verordening Het Natuurbeheerplan werkt de EHS verder uit in twee kaarten, respectievelijk de ambitieen de beheertypekaart. De beheertypekaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de toekomstige en gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de NNN/EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

In deze toetsing richten we op de ecologisch inhoudelijke toetsing en de centrale vraag; doet de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk aan de wezenlijke kenmerken en vastgestelde waarden en natuurdoelen? Indien de natuur- en landschapswaarden van de NNN/EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt dan dient compensatie plaats te vinden.

De nieuwe Veluwe

47

Afbeelding 13. Uitsnede Natuurbeheerplan beheertypekaart

48

Toetsing natuurwetgeving

7.2

Natuurdoelen en –kwaliteit

Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken zullen de te beschermen en te behouden wezenlijke waarden en kenmerken per gebied moeten worden gespecificeerd. De wezenlijke waarde en kenmerken zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. In de ‘Spelregels EHS’ is aangegeven dat het bevoegd gezag de wezenlijke kenmerken en waarden moeten bepalen. Globaal zijn er wel enkele doelstellingen voor de totale EHS aangegeven (‘Spelregels EHS’): Het realiseren van een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden; Het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecosystemen, inclusief de bijbehorende soorten; Het focussen op nationaal en/of internationaal belangrijke soorten; Het duurzaam behouden van ecosystemen: zorg dragen voor de randvoorwaarden voor behoud: de juiste bodem-, water- en beheercondities. 7.2.1 Wezenlijke waarden en kenmerken voor de omgeving Conform de toelichting op de Omgevingsverordening beschouwt de provincie een ruimtelijke ingreep waarvoor een bestemmingsplan moet worden aangepast als een significante aantasting van kernkwaliteiten en omgevingscondities wanneer deze kan leiden tot de volgende effecten: Een vermindering van areaal, samenhang en kwaliteit van bestaande natuur-, bosen landschapselementen en gebieden die zijn aangewezen voor nieuwe natuur.

Een vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren in verbindingszones en tussen de verschillende leefgebieden in de verschillende leefgebieden in delen van het GNN. Een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor conform de Wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing vereist is en als zodanig worden genoemd in de AmvB Vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Wet natuurbescherming. Een vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneengeslotenheid). Een belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden. Een verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van water met een natuurbestemming. Een verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie (verder) aantasten. Een verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting. Een toename van de verstoring door licht. Dat betekent dat het plaatsen van nieuwe lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen moet worden en de uitstraling naar de omgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.

In de effectbeoordeling zal specifiek worden ingegaan op de aspecten areaalverlies van natuur-, bos- en landschapselementen, vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren (versnippering/samenhang) en op verstoring en andere vormen van

De nieuwe Veluwe

49

kwaliteitsverlies. Aantasting van leefgebied van wettelijk beschermde soorten is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5 (toets Wet natuurbescherming). 7.2.2 Kernkwaliteiten Het plangebied ligt binnen het deelgebied Huinenveld-Boeschoten waarvoor de volgende kernkwaliteiten zijn opgesteld. Kernkwaliteiten deelgebied natuur en landschap  Onderdeel van grootschalig aaneengesloten gebied van droge, voedselarme bossen en heide; plaatselijk ontginningen  onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe  onderdeel van Natura 2000-gebied Veluwe met de bijbehorende habitats en soorten  groot wild: m.n. edelherten, wilde zwijnen  leefgebied das  uitwisselingsmogelijkheden naar de omgeving: Voorthuizer Poort  cultuurhistorische waarden van o.m.

grafheuvels, oude ontginningen en boerderijen,  abiotiek: aardkundige waarden, bodem, grondwaterreservoir  ecosysteemdiensten: recreatie, rust, drinkwater, militair oefenterrein  houtproductie Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap GNN (omvorming, natuurontwikkeling)  ontwikkeling natuurlijke bossen en bosranden  ontwikkeling bos met houtproductie  ontwikkeling heide en droge, schrale graslanden  ontwikkeling migratiemogelijkheden naar de Gelderse Vallei via de Voorthuizer Poort en andere verbindingen Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap Groene Ontwikkelingszone  ontwikkeling natuurlijke bosranden  ontwikkeling droge, schrale graslanden  ontwikkeling migratiemogelijkheden naar de Gelderse Vallei via de Voorthuizer Poort en andere verbindingen  ontwikkeling ecologische waarden van cultuurgrond in de ontginningen  ontwikkeling cultuurhistorie en beleefbaarheid  verminderen barrièrewerking N344 en N797

50

Toetsing natuurwetgeving

7.2.3 Huidige EHS in het plangebied Afbeelding 13 geeft een uitsnede van de Beheertypekaart van het Natuurbeheerplan. Er zijn 3 beheertypen vastgesteld in het plangebied: Droge heide, Bossen met productiefunctie en Droge heiden. Er zijn geen gronden in het plangebied of de directe omgeving aangewezen waar ambities zijn vastgelegd. Code

Natuurbeheertype – beheertypekaart

N07.01

Droge heiden

N16.01

Bossen met productiefunctie

N15.02

Droge bossen

N07.01 Droge heide Droge heide omvat heiden, struwelen, kleine open zandige plekken en grazige vegetaties op basenarme zand- en leemgronden. Het beheertype komt voor op de drogere delen van de hogere zandgronden, met name in Midden Nederland en soms op rivierduinen. De vegetatie wordt gekenmerkt door dwergstruiken. Struikheide is meestal de dominante soort. Op ongestoorde bodems kunnen bosbessoorten en kraaiheide een hoge presentie bereiken. Open plekken bevatten veel korstmossen. Soms overheersen grassen als bochtige smele of struiken als jeneverbes, brem en braamsoorten. Op iets lemigere plaatsen zijn vaak ook soorten van heischrale graslanden aanwezig, maar door verzuring en vermesting zijn deze evenals veel andere soorten van heide sterk achteruitgegaan. N16.01 Droog bos met productie Droog bos met productie bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van beuk, Douglas, lariks en spar, met betere mengingsmogelijkheden. Dit bostype is de productievariant van het bostype dennen-, eiken- en beukenbos (zonder productie; 15.02).

Het bostype komt voor op een voedselarme tot lemige, zandige, zure ondergrond van het Droge Zandlandschap zoals op de Veluwe, delen van Drenthe en Brabant. Lokaal is het bostype te vinden in het Heuvellandschap, kalkarme duinen en strandwallen. Het bostype is veelal uit hakhout, heide- en stuifzandterreinen ontstaan, maar kan ook aangelegd zijn op voormalige landbouwgronden waardoor de bovengrond verrijkt is. Het is het omvangrijkste bostype en combineert een redelijk tot goede groei met een ruime variatie aan, en mengingsmogelijkheden van, loof- en naaldboomsoorten, vooral op de wat lemigere bosgroeiplaatsen. Het maakt dit type tot het belangrijkste type voor de houtproductie. De diversiteit is (nog) relatief laag. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. Oudere bossen en bossen op of grenzend aan oude bosgroeiplaatsen, hebben een relatief hoge natuurpotentie vooral wanneer deze een gevarieerde structuur met substantieel aandeel zware bomen en dood hout hebben. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat vooral uit (vaak bedreigde) paddestoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels.

De nieuwe Veluwe

51

N15.02 Droge bossen Dennen-, eiken-, of beukenbos omvat bossen met dennen, eiken, beuken en/of berken en zijn vaak eenvoudig van structuur. Veel van deze bossen komen voor op zure, droge en zandige bodems. Wanneer de bodem meer leem bevat, kennen de bossen een grotere floristische rijkdom. Ook vochtiger typen van deze bossen met pijpenstrootje in de ondergroei behoren hiertoe. Vegetatiekundig behoren deze bossen tot het Zomereikenverbond of het Verbond der naaldbossen. Dennen-, eiken- of beukenbos is te vinden in het Zandlandschap zoals op de Veluwe en delen van Drenthe. Plaatselijk komt het ook voor in het Heuvellandschap en op oude strandwallen. Veel van de bossen zijn vorige eeuw ontstaan als gevolg van aanplant of natuurlijke successie. De cultuurlijke invloed is vaak te merken aan bijvoorbeeld ingevoerde boomsoorten en sporen van hakhoutbeheer.

7.3

Beschrijving en toetsing wezenlijke kenmerken en waarden

Uitgangspunt in de nota ‘Spelregels EHS’ is dat geen nettoverlies aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang mag plaatsvinden. Op basis van deze drie aspecten wordt een beschrijving gegeven van de huidige waarde van het plangebied en het effect van de ontwikkeling op deze waarde. 7.3.1 Areaal Huidige en potentiële waarde De werkzaamheden die invloed hebben op het areaal zijn de bouw van de woning en het saneren van de asfaltweg en het omvormen van landbouwgrond naar natuur (droge heide). De overige werkzaamheden hebben geen invloed op het areaal. De bouw van de woning zal gerealiseerd worden ter hoogte van het heideveld waar reeds een natuurlijke open plek is bij de te saneren asfaltweg. De bomen die hier staan kunnen hoogstwaarschijnlijk allemaal ingepast worden, waardoor hier geen bomen gekapt hoeven te worden. Het areaal GNN neemt toe met 3,3 hectare (zie afbeelding 14) van een afname van areaal is dan ook geen sprake. Verlies van areaal is niet aan de orde. Effecten op de waarde De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats in de bossen die als productiefunctie zijn aangewezen, en in een weiland dat matig intensief gebruikt wordt. Deze bossen hebben van nature weinig natuurwaarde aangezien er weinig ruimte is voor natuurlijke processen.

Een groot deel van de voorgestelde (reeds uitgevoerde) werkzaamheden (omvormen landbouwgrond naar droge heide, creëren geleidelijke overgang bestaand bos, verwijderen asfaltweg, verwijderen puin en afval, bestrijden Amerikaanse vogelkers en Japanse duizendknoop) leiden tot een verhoging van de natuurwaarde.

52

Toetsing natuurwetgeving

Afbeelding 14: verschil oppervlaktes GNN huidig en toekomstige situatie

De nieuwe Veluwe

53

Huidige GNN

54

Toetsing natuurwetgeving

GNN toekomstig situatie

Afbeelding 15 Huidige en toekomstige GNN situatie.

De nieuwe Veluwe

55

7.3.2 Kwaliteit Huidige en potentiële waarde De huidige en potentiële waarden voor de Veluwe zijn globaal weergegeven in het Natuurbeheerplan van provincie Gelderland. De kwaliteit van het gebied is onder andere als volgt beschreven:  De groene long van Nederland.  Stuwwal met grootschalige afwisseling van open heide, gesloten bos, uitgestrekt open stuifzand en vennen, agrarische enclaves.  Schaalcontrast van zeer open naar besloten.  Actieve stuifzanden.  De grootte en aaneengeslotenheid van het bos.  Rijk aan aardkundige kwaliteiten (vooral het reliëf).  Afwezigheid van oppervlaktewater met uitzondering van de vennen.  Weinig bebouwing.  Een 'antropogene' leegte van nu met een schatkamer van cultuurwaarden van toen: landgoederen, grafheuvels, boerderijen et cetera.  Rijke variatie aan (cultuurhistorisch bepaalde) soorten bos: van zeer oude loofboscomplexen tot rechtlijnig verkaveld productiebos.  Rust, ruimte, donkerte. Effecten op de waarde De geplande ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de kwalitatieve waarde van het gebied. Er vinden geen activiteiten plaats die de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied negatief aantasten. De waarden en kenmerken van het gebied worden eerder positief beïnvloeden. Met de beoogde werkzaamheden wordt de kwaliteit van het gebied aanzienlijk verbeterd. Ook ten aanzien van verstoring is de ontwikkeling positief.

Voorheen waren er 40/50 auto’s per dag en nu zal er slechts één auto zijn, een elektrische met slechts één rijbeweging per dag van/naar slechts de natuurwoning. De toevoeging van deze natuurwoning in een gebied van 45 hectare wordt als significant positief gezien ten aanzien van de beschreven waarden en kenmerken (rust, donkerte en ruimte). Het voormalige gebruik van de opstallen van Hunnenweg 65 was een teckelkennel met zo’n 100/150 honden. Met grote groepen honden is dagelijks gewandeld over de heide en door de bossen van het terrein. Hiervan getuigen nog de brede paden die aanwezig zijn over de heide en door het bos. Ook past een klimaatneutrale en zelfvoorzienende woning goed bij de kwaliteiten van het gebied. Tijdens de aanlegfase kan de rust en donkerte door machines (tijdelijk) verstoord worden. Dit heeft met name een (licht)verstorend effect op zoogdieren als edelhert, das, ree, boommarter etc. Vanwege het feit dat er nu ook al verkeersgeluid aanwezig is door de aanwezige weg langs de Hunnenweg en de huidige activiteiten, zijn de dieren hieraan gewend. Daarnaast betreft het een groot terrein en blijven er voldoende rustige plekken over op het terrein. Tevens zullen de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Om

56

Toetsing natuurwetgeving

verstoring tot een minimum te beperken dient de uitvoering buiten het broedseizoen plaats te vinden. De wezenlijke waarden, zoals beschreven in de catalogus gebiedskenmerken en het Natuurbeheerplan van de Provincie Gelderland, worden niet significant negatief aangetast door verstoring of versnippering, aangezien de ontwikkeling slechts zeer gering is en langs de randen en in het gebied reeds sprake is van menselijke invloed. De ontwikkelingen zijn een aanzienlijke positieve ontwikkelingen voor de natuur. De natuur kan door het nieuwe gebruik tot rust komen. De hoeveelheid verlichting zal mogelijk licht toenemen. Met name vleermuizen die het omliggende gebied kunnen gebruiken als foerageergebied zijn gevoelig voor verlichting. Het verlichten van de directe omgeving dient te worden voorkomen door gebruik te maken van gericht licht en strooilicht beperkende armaturen. Mitigatie (indien relevant) Werkzaamheden dienen overdag plaats te vinden, zodat geluid en licht ’s avonds en ’s nachts niet voor extra verstoring zorgen. Tevens dienen geen permanente extra lichtbronnen geplaatst te worden, zodat donkerte van het omliggende terrein gegarandeerd kan blijven. 7.3.3 Samenhang Huidige en potentiële waarde Het plangebied maakt deel uit van de Veluwe. Dit is een bosgebied met open heide en zandverstuivingsgebieden, een aaneengesloten eenheid.

De voorgenomen werkzaamheden vergroten de samenhang van het gebied. Het vergroten van het areaal heide zal leiden tot betere uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren in verbindingszones en tussen de verschillende leefgebieden in delen van het GNN. Ook zal dit de kwantiteit en kwaliteit van het leefgebied van kritische heidesoorten hierdoor verbeteren. De genoemde samenhang blijft in stand en zal verbeterd worden. Het saneren van de recreatiewoning en het omvormen van dit terrein naar natuur zorgt hier voor meer rust en een betere verbinding met het westelijk gelegen gebied dat is aangewezen als ecologische verbindingszone waardoor de samenhang hier vergroot wordt. Effecten op de waarde Er vinden geen werkzaamheden plaats die een significante invloed hebben op de waarden van het omliggende EHS-gebied. De samenhang wordt versterkt door de uitbreiding van het heideareaal en het saneren van de recreatiewoning.

De nieuwe Veluwe

57

7.4 Conclusie EHS-toets. De wezenlijke waarden, zoals beschreven in de catalogus gebiedskenmerken en het Natuurbeheerplan van de Provincie Gelderland, worden niet significant negatief aangetast door verstoring of versnippering, aangezien de ontwikkeling slechts zeer gering is en langs de randen van het gebied reeds sprake is van menselijke invloed. De genoemde samenhang blijft in stand en wordt verbeterd door het vergroten van het areaal heide en het saneren van de recreatiewoning. Ook vindt er geen afname van areaal plaats, omdat er een deel nieuwe natuur gecreëerd wordt die aan de EHS toegevoegd kan worden. Daarnaast heeft de geplande ontwikkeling geen negatieve invloed op de kwalitatieve waarde van het gebied, deze wordt juist aanzienlijk verbeterd. De voorgenomen werkzaamheden zijn overwegend positief, ook voor de aangewezen doelsoorten. Er vindt toename plaats van kwaliteit, samenhang en areaal. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden en dient verlichting van omliggende omgeving voorkomen te worden door het gebruik van strooilicht beperkende en gerichte armaturen.

58

Toetsing natuurwetgeving

8 8 CONCLUSIE EN VERVOLG 8.1

Natura 2000-gebied

Op basis van de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Veluwe worden verwacht. Er wordt een bouwvlak (in totaal een oppervlakte van 0,03 ha), onttrokken aan het leefgebied van zwarte specht en wespendief. Daartegenover staat een toename van 3,6 hectare als geschikt leefgebied voor de zwarte specht en wespendief door omvorming van landbouwgrond naar natuur. Deze toetsing dient hiervoor aan de provincie als bevoegd gezag voorgelegd te worden. Wellicht kan dit in combinatie met de beoordeling van de plannen door de provincie in het kader van de bestemmingsplanprocedure.

8.2

EHS-gebied

De wezenlijke waarden, zoals beschreven in de catalogus gebiedskenmerken en het Natuurbeheerplan van de Provincie Gelderland, worden niet significant negatief aangetast door verstoring of versnippering, aangezien de ontwikkeling slechts zeer gering is en langs de randen van het gebied reeds sprake is van menselijke invloed. De genoemde samenhang blijft in stand en wordt verbeterd door het vergroten van het areaal heide en het saneren van de recreatiewoning. Ook vindt er geen afname van areaal plaats, omdat er een deel nieuwe natuur gecreëerd wordt die aan de EHS toegevoegd kan worden. Daarnaast heeft de geplande ontwikkeling geen negatieve invloed op de kwalitatieve waarde van het gebied, deze wordt juist aanzienlijk verbeterd. De voorgenomen werkzaamheden zijn overwegend positief, ook voor de aangewezen doelsoorten. Er vindt toename plaats van kwaliteit, samenhang en areaal. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden en dient verlichting van omliggende omgeving voorkomen te worden door het gebruik van strooilicht beperkende en gerichte armaturen.

8.3

Beschermde soorten

In het plangebied komen tevens een groot aantal beschermde soorten voor (steenmarter, eekhoorn, das, boommarter, edelhert, wild zwijn, hazelworm, zandhagedis, vleermuizen en broedvogels (met jaarrond beschermde nesten)). Mits gewerkt wordt volgens een aantal voorwaarden (zie ook tabel 2) worden hier echter geen negatieve effecten op verwacht. De voorgenomen maatregelen zijn juist overwegend positief voor deze soorten.

De nieuwe Veluwe

59

8.4

Rekening houden met vogels

Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen 1 uitgevoerd mogen worden.

8.5

Ontheffing vleermuizen

Tijdens het vleermuisonderzoek is een verblijfplaats van laatvlieger en gewone dwergvleermuis vastgesteld in de te slopen woning. Met de sloop van de woning verdwijnt een vaste rust en verblijfplaats. Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming aangevraagd te worden.

8.6

Geldigheid onderzoek

Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar strikt beschermde soorten (tabel 3 soorten en vogels): “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

1

In het kader van de wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.

60

Toetsing natuurwetgeving

Tabel 2 Resultaten (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied.

Soort(groep)

Gebruik gebied

Effect ruimtelijke ontwikkelingen

Ontheffing

Vervolg Nader onderzoek / mitigerende compenserende maatregelen

Nationaal

Algemene grondgebonden zoogdieren

Leefgebied

Tijdelijke aantasting leefgebied, doden, op termijn weer geschikt leefgebied

Nee

Zorgplicht

Nationaal

Algemene amfibieën

Leefgebied en voortplantingsbiotoop

Tijdelijke aantasting leefgebied, op termijn weer geschikt leefgebied

Nee

Zorgplicht

Steenmarter, wild zwijn

Onderdeel

en edelhert

leefgebied

Geen, marginale verstoring

Nee, mits

Zorgplicht

Nee, mits

Oude bomen met holten behouden (boommarter)

Ja

Ontheffing vleermuizen noodzakelijk

Bescherming

Nationaal

Nationaal

Boommarter en das

Habitatrichtlijn

Vleermuizen

Onderdeel

van

leefgebied,

verblijfplaats Leefgebied

Geen, leefgebied en verblijfplaatsen blijven behouden Verdwijnen

vaste

rust

en

verblijfplaats

en/of

Nationaal en Habitatrichtlijn

Hazelworm. levendbarende hagedis en alpenwatersalamander

Leefgebied

Geen, mits

Nee, mits

Vogelrichtlijn

Vogels

Broedlocatie

Mogelijke verstoring

Nee, mits

Werkzaamheden zorgplicht

Mogelijk broedlocatie

Geen, mits

Nee, mits

Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht, eventuele nestbomen behouden.

Vjaarrond

Vogels broedlocaties

vaste

De nieuwe Veluwe

61

Woningbouwkavel handmatig opruimen voor de start van de werkzaamheden, plaatsen reptielenscherm buiten

broedseizoen

uitvoeren,

LITERATUURLIJST -

-

-

Bergmans, W. en A. Zuiderwijk (1986). Atlas van de Nederlandse Amfibieën en Reptielen en hun Bedreiging. Utrecht: KNNV. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Nie H.W. de (1996). Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem. Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen (1992). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Utrecht: KNNV. Kadaster (2011). Topografische Kaart Nederland - 1:25.000. Emmen, Kadaster. Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen.

Natura 2000: - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl - www.ravon.nl - www.libellennet.nl Waarnemingen: - www.telmee.nl - ndff-ecogrid.nl

BIJLAGE 1 SOORTKAARTEN

BIJLAGE 2 AERIUS BEREKENING

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=de587593-2ca6-4120-9258-e48233713627